b_NL.IMRO.1708.SWWgelderingenBP-ON01_TB2.pdf
Tekst van het document
Activiteitenplan sloop complexen 417, 422.01 en 422.02, Steenwijkerwold Resultaten quickscan natuurtoets Flora Binnen het projectgebied zijn algemene plantensoorten van ruderale omstandigheden en tuinen aange troffen zoals paardenbloem, madelief, straatgras, coniferen spec. en overige planten van tuinen en plantsoenen. Tijdens de veldbezoeken zijn geen in de Wet natuurbescherming beschermde plantensoorten aangetroffen. Op basis van de aangetroffen soortensamenstelling, de terreingesteldheid en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2021) worden deze soorten uitgesloten. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van de soortgroep flora is in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde. Zoogdieren Vleermuizen Het leefgebied van vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden (zie kader 1). Hieronder worden deze onderdelen nader beoordeeld. Kader 1 Vleermuizen Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen kunnen zich bevinden in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in bijvoorbeeld bomen, hui- zen, kelders en kunnen aanwezig zijn in de vorm van kraamverblijven/ zomerverblijven, baltslocaties/ paarverblijven en winterverblijven. Verstoring, beschadiging, vernietiging of het verwijderen van deze verblijfplaatsen is verboden.
Vliegroutes Voor oriëntatie tijden de trek van en naar hun verblijfplaatsen en foerageergebieden gebruiken vleermuizen veelal jaren- lang dezelfde structuren. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag van vleermuizen vormen bepaalde lijnvormige structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, watergangen en bomenrijen) en belangrijk onderdeel van een vliegroute Wanneer alterna- tieve structuren ontbreken zijn dergelijke structuren ‘onmisbaar’ en zodoende beschermd. Foerageergebied Locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen, bomenrijen of boven water zijn van belang als foerageergebied voor vleermuizen. Foerageergebied van vleermuizen geniet binnen de Wet natuurbescherming ech- ter geen juridische beschermde tenzij het onmisbaar is voor het voortbestaan van een populatie. Activiteitenplan sloop complexen 417, 422.01 en 422.02, Steenwijkerwold Bijlage 4 Activiteitenplan sloop complexen 417, 422.01 en 422.02, Steenwijkerwold Verblijfplaatsen Tijdens de quickscan zijn potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen in de vorm van gaten en kie- ren die toegang bieden tot de spouwmuur en het dak. Specifiek gaat het om ruimten bij losliggende dakpannen, kieren onder nokpannen, ruimte bij schoorstenen, ruimte bij dakgoten en bij regenpijpen.
Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen als gevolg van de voorgenomen sloopwerkzaamheden zijn niet uit te sluiten. De sloop van de woningen kan tot gevolg hebben dat potentiële verblijfplaatsen ontoegankelijk worden of verdwij- nen. Zodoende is nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen uitgevoerd om de verspreiding van ver- blijfplaatsen van vleermuizen in kaart te brengen. Tijdens het vleermuisonderzoek is één zomerverblijfplaats van gewone dwergvleer muis vastgesteld. Deze ver- blijfplaats gaat bij de sloopwerkzaamheden verloren. Zodoende is ontheffing voor gewone dwergvleermuis no- dig om de sloopwerkzaamheden te mogen uitvoeren. Vliegroutes en foerageergebieden Door aanwezigheid van lijnvormige structuren in de vorm van bebouwing wordt het projectgebied mogelijk ge- bruikt als vliegroute. Aanwezige tuinen worden mogelijk (beperkt) gebruikt als foerageerg ebied en vleermuizen. In de omgeving zijn voldoende alternatieve, geleidende elementen aanwezig in de vorm van singels en bebou- wing die als vliegroute kunnen dienen. Ook zijn er in de omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden, zoals watergangen, bomenlanen en stadsparkjes. De voorgenomen plannen geven dan ook geen aanleiding schade te veronderstellen aan onmisbare vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen.
Vervolgstappen voor vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen zijn niet aan de orde. Grondgebonden zoogdieren Egel In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van eg el (NDFF, 2021). De tuinen en het open- baar groen in de straten van het projectgebied worden mogelijk door egel gebruikt als foerageergebied. Moge- lijk zijn er ook verblijfplaatsen aanwezig onder struiken, hagen en strooisellagen in de tuinen en het openbaar groen. Egels zijn nacht actieve dieren en ’s nachts, wanneer ze op zoek gaan naar voedsel, gemakkelijk waar te nemen. Tijdens de nachtelijke bezoeken voor vleermuizen is gelet op rondscharrelende egels als indicatie voor de aan- wezigheid van verblijfplaatsen. Tijdens de nachtbezoeken zijn geen verblijfplaatsen van de egel aangetroffen in de tuinen in het projectgebied. Overigens zijn tijdens de nachtbezoeken wel drie foeragerende egels aangetrof- fen in de directe omgeving van het projectgebied. De foeragerende egels zijn op drie locaties aangetroffen: op de begraafplaats aan de Oldemarktseweg op circa 50 meter van het projectgebied, nabij de tuin van de wo ning Gelderingen 30 op circa 20 meter afstand van het projectgebied en in het gemeentelijk groen in de oksel van de kruisende wegen Vredenburg en Gelderingen op circa 30 meter afstand van het projectgebied. Het leefgebied blijft op al die locaties behouden.
Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt de aanwezigheid van voort- plantings- en andere vaste verblijfplaatsen van de egel binnen het projectgebied uitgesloten. Vervolgstappen ten aanzien van de egel zijn daarom niet aan de orde. Steenmarter In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van steenmarter (NDFF, 2021). Mogelijk wor- den de woningen gebruikt als verblijfplaats door steenmarter. Daarnaast worden de tuinen en het openbaar groen mogelijk door steenmarter gebruikt als foerageergebied. Tijdens het nachtelijke onderzoek is steenmarter niet waargenomen. Op basis van het onderzoek worden geen voortplantings- of andere vaste verblijfplaatsen van de steenmarter verwacht in het projectgebied. Het nemen van vervolgstappen voor de steenmarter is niet aan de orde. Activiteitenplan sloop complexen 417, 422.01 en 422.02, Steenwijkerwold Overige grondgebonden zoogdieren Op basis van habitateisen, terreinkenmerken, het veldbezoek en verspreidingsgegevens (NDFF, 202 1) worden vaste verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren die zijn opgenomen in de Habit atrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en nationaal beschermde zoogdieren (zoals das en eekhoorn) uitgesloten. Wel zijn binnen en in de directe omgeving van het projectgebied verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdier- soorten met provinciale vrijstelling aangetroffen en/of te verwachten.
Dit zijn onder andere rosse woelmuis, huismuis en huisspitsmuis. Bij de geplande ingrepen kunnen enkele exemplaren van deze grondgebonden zoog- dieren geschaad worden. In voorliggende situatie geldt in de Provincie Overijssel vrijstelling van de verbodsarti- kelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze zoogdieren niet aan de orde is. Broedvogels Broedvogels met jaarrond beschermde nesten Bij vogels wordt onderscheid gemaakt in twee categorieën met een verschillend beschermingsregime. Van veel vogels zijn nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd. Voor een aantal vogelsoorten geldt echter dat de nestlocaties inclusief de functionele leefomgeving jaarrond beschermd zijn (zie ka der 2). Kader 2 Vogels met jaarrond beschermde nesten Onder jaarrond beschermde nesten van broedvogels wordt in provincie Overijssel verstaan: in functie zijnde nesten van de boerenzwa- luw, boomvalk, bosuil, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, huiszwaluw, kerkuil, oehoe, ooievaar, raaf, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, torenvalk, wespendief, zeearend, zwarte specht en zwarte wouw. Voor sommige andere soorten geldt dat de nesten jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.
In het projectgebied zijn potentiële nestlocaties aangetroffen van vogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Het betreft nestplaatsen van huismus en gierzwaluw. Huismus De woningen binnen het projectgebied bevatten geschikte nestplaatsen voor huismus. Deze locaties bevinden zich onder de eerste rij dakpannen op de kopgevels en langs de dakgoot. Bij het slopen van de woningen gaan mogelijk nestplaatsen van huismus verloren. Zodoende is nader onderzoek naar nestplaatsen van huismus uitge- voerd om de verspreiding van nestplaatsen van huismus in kaart te brengen. Tijdens het huismusonderzoek zijn in totaal 15 nestplaatsen van huismus vastgesteld. Deze nestplaatsen gaan bij de sloopwerkzaamheden verloren. Zodoende is ontheffing voor huismus nodig om de sloopwerkzaamheden te mogen uitvoeren. Gierzwaluw De kopgevels van de woningen aan de Blaankamp bevatten geschikte nestplaatsen voor gierzwaluw. Potentiële invliegopeningen zijn aanwezig onder het dak en toegankelijk via de kantpannen en losgelaten loodslabben nabij schoorstenen. Bij het slopen van de woningen gaan mogelijk nestplaatsen van gierzwal uw verloren. Zodoende is nader onderzoek naar nestplaatsen van gierzwaluw uitgevoerd om de verspreiding van nestpla atsen van huis- mus in kaart te brengen. Tijdens het gierzwaluwonderzoek zijn geen nestplaatsen van gierzwaluw vastgesteld.
Bij de sloopwerkzaamhe- den gaan geen gierzwaluwnesten verloren. Zodoende is ontheffing voor gierzwaluw niet aan de orde. Activiteitenplan sloop complexen 417, 422.01 en 422.02, Steenwijkerwold Huiszwaluw De woningen aan de Blaankamp bevatten potentiële nestlocaties voor huiszwaluw gezien de aanwezigheid van rechthoekige overstekken. Huiszwaluwen bouwen het nest vaak onder (rechthoekige) overstekken van wonin- gen. Tijdens het onderzoek zijn echter geen huiszwaluwen (of nesten van huiszwaluw) waargenomen binnen het projectgebied. Wel zijn buiten de invloedsfeer van de sloopwerkzaamheden huiszwaluwnesten vastgesteld bij woningen aan de Ten Holteweg (zie ook bijlage 1). Bij de voorgenomen sloopwerkzaamheden worden geen ne- gatieve effecten op huiszwaluw verwacht. Zodoende zijn vervolgstappen voor huiszwaluw niet aan de orde. Overige vogels met jaarrond beschermde nesten Binnen het projectgebied is spreeuw op drie plekken broedend aangetroffen (een soort van categorie 5; zie ka- der 3). Het betreft soorten die vaak terugkeren naar de plaats waar zij het voorgaande jaar he bben gebroed, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren gaat, zich elders te vestigen als er geschikte gelegenheid is.
Als schade aan nesten van deze soorten optreedt én alternatieven ontbreken is het aanvragen van ontheffing Wet natuurbescherming en het nemen van mitigerende maatregelen noodzake- lijk. Spreeuwennesten zijn vastgesteld onder het pannendak bij de kopgevel Blaankamp 36 en aan de voorzijde van de woningen Gelderingen 31 en 37 (zie bijlage 1). Door de sloop van de woningen gaan drie spreeuwennesten verloren. In de omliggende woningen blijft echter voldoende nestgelegenheid voor de aanwezige spreeuwen- paartjes aanwezig. Potentiële nestlocaties van spreeuw zijn aanwezige in overige woningen aan de Blaankamp en Gelderingen. Daarnaast worden de nieuwbouwwoningen opgeleverd met verhoogd vogelschroot waardoor ook spreeuw in de nieuwbouwwoningen kan nestelen. Spreeuw staat bekend als een opportunistische soort die makkelijk alternatieve nestlocaties weet te benutten. Zodoende zijn vervolgstappen voor spreeuw niet nodig. Binnen het projectgebied zijn geen aanwijzingen voor andere jaarrond beschermde nestlocaties van vogels aan- getroffen. Effecten op andere soorten zijn bij de voorgenomen plannen uit te sluiten. Het nemen van vervolg- stappen voor overige vogels met jaarrond beschermde nesten is dan ook niet aan de orde.
Kader 3 Vogels waarvan moet worden getoetst of voldoende functioneel leefgebied aanwezig blijft (ca- tegorie 5 soorten) Aanvullend op vogels met jaarrond beschermde nesten van categorie 1 t/m 4 heeft de provincie Overijssel een aantal soorten van categorie 5 benoemd waarvan moet worden getoetst of voldoende functioneel leefgebied aanwezig blijft (blauwe reiger, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, draaihals, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, grutto, ijsvogel, kleine bonte specht, kortsnavelboomkruiper, middelste bonte specht, oeverzwaluw, ringmus, spreeuw, tapuit, tureluur, veldleeuwerik, wulp, zomertortel, zwarte mees, zwarte roodstaart). Overige broedvogels Door de aanwezigheid van bebouwing en plantsoen in de directe omgeving van de woningen is binnen de in- vloedsfeer van de werkzaamheden en binnen het projectgebied broedbiotoop aanwezig voor algemene vogel- soorten als houtduif, witte kwikstaart, ekster, heggenmus, winterkoning, merel en Turkse tortel. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. Voor werkzaamheden met schadelijke effecten op broed vogels wordt veelal geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt.
In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Werkzaamheden worden zo veel mogelijk buiten het Activiteitenplan sloop complexen 417, 422.01 en 422.02, Steenwijkerwold broedseizoen uitgevoerd. Voor meeste soorten kan de periode tussen half maart e n eind juli worden aangehou- den als broedseizoen. Wanneer werkzaamheden binnen deze perioden worden uitgevoerd adviseren we om een broed-vogelcontrole door een ter zake deskundige uit te laten voeren of om voorafgaand aan de werkzaam- heden de woningen ongeschikt te maken om broedende vogels te voorkomen. Tijdens de broedvogelcontrole wordt gekeken of zich broedende vogels ophouden binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Bij uitvoering van de werkzaamheden in de periodes tussen half februari – half oktober, adviseren we na te gaan of bewoonde nesten aanwezig zijn binnen de invloedssfeer van het projectgebied. Bij het onverwacht aantreffen van nesten van broedvogels dienen de betreffende werkzaamheden direct te worden gestaakt en direct contact te worden gezocht met de ecologisch toezichthouder (of uitvoerder).
Vervol- gens wordt in overleg bepaald hoe de werkzaamheden op een zorgv uldige wijze binnen de kaders van de Wet natuurbescherming kunnen worden uitgevoerd. Overige soortgroepen Op basis van de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 202 1) wordt in het projectgebied geen voortplanting of vaste verblijfplaatsen verwacht van beschermde reptielen, amfibieën, vis- sen en ongewervelden. Het nemen van vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde voor deze soortgroepen.