CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

b Bestemmingsplan Jan van Nassauweg 16 Giethoorn.pdf

Politieke Markt 25 september 2018, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Jan van Nassauweg 16 Giethoorn15.695 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Dit is lager dan het maximale jaargemiddelde van 40 µg/m 3 wat is toegestaan. Zonder rekening te houden met de zeezoutcorrectie blijkt het aantal dagen overschrijding van 50 µg/m3 ten opzichte van de omliggende woningen maximaal 6,9 dagen te zijn. Na aftrek van de 2 correctiedagen is de netto overschrijding 4,9 dagen t.o.v. het meest gevoelig te beschermen object. Dat is lager dan de maximale 35 dagen die zijn toegestaan. De boogde situatie voldoet aan de randvoorwaarden van de Wet luchtkwaliteit. Fijnstofconcentratie PM2.5 Uit de fijnstofconcentratie berekening PM10 komt een jaargemiddelde concentratie van 16,30 µg/m3. In het fijnstof PM10 ligt PM2.5 opgesloten. Het totaal aan PM10 bestaat voor een beperkt deel uit PM2.5. De fijnstofconcentratie van PM2.5 is dus een fractie van 16,30 µg/m3 en kan dus nooit groter zijn dan deze waarde zelf. Hieruit volgt dat de PM2.5 concentratie onder de maximale concentratie van 25,0 µg/m3 blijft. De boogde situatie voldoet aan de randvoorwaarden van de Wet luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling. 4.4.4 Ammoniak In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een Aerius berekening gedaan met het oog op mogelijke invloed op stikstofgevoelige gebieden. Deze is opgenomen in Bijlage 8. De berekening van 4 augustus 2017 had betrekking op het houden van 234.000 st.

vleeskuikens. In de bestaande situatie is de totale emissie 10.182,50 kg NH3. Het toekomstig gebruik op grond van het werkelijk aantal gehouden dieren is 6.553,02 kg NH3. De Aerius berekening leidt tot een afname van 3.629,48 kg NH3 in de toekomstige situatie ten opzichte van het huidig gebruik. Ammoniak t.o.v. Natura 2000-gebieden en Wav-gebieden Van een directe invloed op de gebieden is gelet op de afstand van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden en Wav-gebieden geen sprake. Er dient wel gekeken te worden naar de indirecte invloed in de vorm van stikstofdepositie (in mollen) op het dichtstbijzijnde, te beschermen, Natura 2000 gebieden. De bijdrage op het dichtstbijgelegen Natura 2000-gebied, De Wieden, is in de beoogde situatie 0,34 mol N/ha/jaar. Uit de Aerius berekening blijkt dat de invloed in de vorm van stikstofdepositie in de toekomstige situatie afneemt. Er liggen geen kwetsbare Wav-gebieden binnen een straal van 250 m van de inrichting, die beperkend zouden zijn vanwege de ammoniak. Conclusie Het aspect 'ammoniak' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling. bestemmingsplan "Jan van Nassauweg 16 Giethoorn" (ontwerp) 33 4.4.5 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de volksgezondheid en het milieu te beschermen tegen geluidsoverlast ten gevolge van weg-, spoorweg- of industrielawaai.

In deze wet is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. De verplichting tot het uitvoeren van een akoestisch onderzoek in relatie tot het opstellen van een bestemmingsplan geldt indien in dat bestemmingsplan mogelijkheden worden geboden voor het realiseren van nieuwe woningen en andere geluidgevoelige objecten. De voorgenomen ontwikkeling heeft mogelijk een verkeer aantrekkende werking. En de nieuw te bouwen functies hebben mogelijk een andere milieucirkel. Daardoor kunnen omliggende geluidsgevoelige objecten geluidsoverlast ondervinden. Onderzoek een akoestisch onderzoek is daarom vereist. Voor het agrarisch bedrijf van Agro Giethoorn aan de Jan van Nassauweg 16 in Giethoorn is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het doel van het onderzoek is te beoordelen of de geluidbelasting van de inrichting voldoet aan de richt- c.q. grenswaarden voor geluid. Het onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 4. In deze paragraaf zijn de conclusies van het onderzoek overgenomen.

Representatieve bedrijfssituatie Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) Onder representatieve bedrijfsomstandigheden bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) ter plaatse van de geluidgevoelige bestemmingen ten hoogste 39 dB(A) in de dagperiode, 40 dB(A) in de avondperiode en 35 dB(A) in de nachtperiode. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT). De maatgevende woning is de woning aan de Jan van Nassauweg 15. Maximaal geluidniveau (LAmax) Onder representatieve bedrijfsomstandigheden bedraagt het maximale geluidniveau (LAmax) ter plaatse van de geluidgevoelige bestemmingen ten hoogste 52 dB(A) in de dagperiode, 55 dB(A) in de avondperiode en 55 dB(A) in de nachtperiode. Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarden voor de maximale geluidniveaus (LAmax). De maatgevende woning is de woning aan de Jan van Nassauweg 15. Verkeer van en naar de inrichting (LAeq) Het equivalente geluidniveau ten gevolge van verkeer van en naar de inrichting tijdens de representatieve bedrijfssituatie bedraagt ter plaatse van de geluidgevoelige bestemmingen ten hoogste 48 dB(A) in de dagperiode, 50 dB(A) in de avondperio de en 40 dB(A) in de nachtperiode. Daarmee wordt niet wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 45 dB(A) in de avondperiode. Aan de maximale grenswaarde van 60 dB(A) in de avondperiode wordt wel voldaan.

De maatgevende woning is de woning aan de Jan van Nassauweg 17. bestemmingsplan "Jan van Nassauweg 16 Giethoorn" (ontwerp) 34 Incidentele bedrijfssituatie Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) Onder representatieve bedrijfsomstandigheden bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) ter plaatse van de geluidgevoelige bestemmingen ten hoogste 41 dB(A) in de dagperiode en 39 dB(A) in de nachtperiode. De maatgevende woning is de woning aan de Jan van Nassauweg 13. Maximaal geluidniveau (LAmax) De maximale geluidniveaus (LAmax) tijdens een incidentele bedrijfssituatie zijn gelijk aan de maximale geluidniveaus (LAmax) tijdens een representatieve bedrijfssituatie. Verkeer van en naar de inrichting (LAeq) Het equivalente geluidniveau ten gevolge van verkeer van en naar de inrichting tijdens de representatieve bedrijfssituatie bedraagt ter plaatse van de geluidgevoelige bestemmingen ten hoogste 42 dB(A) in de dagperiode, 44 dB(A) in de avondperiode en 20 dB(A) in de nachtperiode. Daarmee voldoet het bedrijf aan de gestelde voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). De maatgevende woning is wederom de woning aan de Jan van Nassauweg 15.

Best Beschikbare Technieken (BBT) De voor een inrichting Best Beschikbare Technieken (BBT) worden in de Regeling aanwijzing BBT-documenten, ministerie VROM, 25 oktober 2005 gedefinieerd in de vorm van specifieke Best Available Technique referentiedocumenten (BREF's). Hierin wordt per bedrijfstak uitgewerkt wat de Best Beschikbare Technieken zijn. Voor dit type inrichting zijn voor geluid geen BREF’s opgesteld. In tegenstelling tot voor sommige andere milieuaspecten, is het bij het aspect geluid niet altijd noodzakelijk om de voor een inrichting in aanmerking komende BBT te bepalen. Zoals in paragraaf 5.2 van het Bor (regeling Besluit omgevingsrecht) is aangegeven, is het doel van de toepassing van de in aanmerking komende BBT het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu. In die gevallen waarin de op een inrichting optredende geluidemissies zo beperkt zijn dat zij een hoog niveau van bescherming tegen geluidhinder niet in gevaar brengen, is het niet nodig om na te gaan wat de voor de betreffende inrichting in aanmerking komende BBT zouden zijn. Dit zijn situaties waarin de veroorzaakte geluidniveaus zodanig laag zijn dat zij, ten opzichte van het heersende omgevingsgeluid, praktisch verwaarloosd kunnen worden. Voor deze situatie geldt dat wordt voldaan aan de richtwaarden. Desondanks zijn en worden er wel geluid beperkende maatregelen getroffen.

Vrachtwagens, trekkers, shovel en verreiker Op het terrein komen en gaan vrachtwagens van derden. Het gehanteerde geluidsvermogen voor vrachtwagens van 104 dB(A) mag als standaardwaarde worden gezien en is representatief voor het gemiddelde Nederlandse vrachtwagenpark. De bijdrage ter plaatse van de woningen is gering. De geluidvermogenniveaus van de trekkers, de verreiker, de shovel zijn conform de huidige stand der techniek. Ventilatoren De gemeten en berekende geluidvermogenniveaus van de ventilatoren zijn conform de huidige stand der techniek. Good housekeeping Los van bovengenoemde staat ‘good housekeeping‘ hoog in het vaandel. Zo zijn en worden de volgende maatregelen getroffen: bestemmingsplan "Jan van Nassauweg 16 Giethoorn" (ontwerp) 35  het buitenterrein, de in- en uitritten, zijn vlak afgewerkt, waardoor onnodige geluidspieken worden voorkomen;  op het terrein moet rustig worden gereden en mag geen onnodig gas worden gegeven;  bij vervanging van geluidsproducerende apparaten, voertuigen etc. zal indien mogelijk een geluidsarmer type worden aangeschaft. Conclusie De maatregelen wat betreft 'good housekeeping' worden ten harte genomen. Daarmee levert het aspect 'geluid' geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling.

4.4.6 Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs - en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt en transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Van de ramptypes die verband houden met externe veiligheid ('Indeling Leidraad maatramp') zijn met name ongevallen met brandbare/explosieve of giftige stoffen van belang. Deze ongevallen kunnen nader worden onderscheiden in ongevallen me t betrekking tot:  inrichtingen;  vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Bij het toekennen van bepaalde bestemmingen dient te worden onderzocht:  Of voldoende afstand in acht wordt genomen tussen (beperkt) kwetsbare objecten enerzijds en risicovolle inrichtingen anderzijds in verband met het plaatsgebonden risico.

 Of (beperkt) kwetsbare objecten liggen binnen in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen en zo ja, wat de bijdrage is aan het groepsrisico. De voorgenomen ontwikkeling maakt geen gevoelige functies mogelijk en betreft zelf geen risicovolle inrichting. Het aspect 'externe veiligheid' is hier dus niet aan de orde. Conclusie Het aspect 'externe veiligheid' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling. bestemmingsplan "Jan van Nassauweg 16 Giethoorn" (ontwerp) 36 4.4.7 Milieu Effect Rapportage (MER) Het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) en het doorlopen van de bijbehorende m.e.r.-procedure is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Er zijn drie onafhankelijke sporen die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht: 1. Uit toetsing aan de hand van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) blijkt dat het plan of besluit voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planMER-plichtig, besluitm.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelings-plichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen.

Voor (bestemmings)plannen dient te worden getoetst aan de activiteiten en drempelwaarden van onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r.. In het geval de activiteit genoemd wordt in onderdeel D, maar die onder de drempelwaarden vallen, dan is een 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' nodig. Bij de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' dient te worden getoetst of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. De toetsing dient te worden gedaan aan de hand van de criteria uit Bijlage III bij de Europese richtlijn m.e.r. (k enmerk project, plaats project en kenmerk potentieel effect). Indien belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten, dan is niet alsnog een (plan)m.e.r. (-beoordeling) op grond van het Besluit m.e.r. noodzakelijk. 2. In het geval van een (bestemmings)plan: indien een 'passende beoordeling' op grond van de Wet natuurbescherming voor dit plan verplicht is vanwege de in het plan opgenomen activiteiten. Een passende beoordeling is verplicht indien significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten; 3. Wanneer Provinciale Staten in haar provinciale milieuverordening activiteiten hebben aangewezen, aanvullend op de activiteiten in het Besluit m.e.r., die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. De voorgenomen ontwikkeling is genoemd in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r..

Omdat het een uitbreiding/wijziging en fysieke verandering van meer dan 40.000 st. pluimvee betreft, valt het initiatief in de categorie 'aanmeldingsplicht' vanwege de m.e.r.-beoordeling. Het bevoegd gezag dient in geval van pluimvee bij een uitbreiding of verandering van de installatie binnen de inrichting vanaf ca. 40.000 vleeskuikens een afweging te maken of er wel of geen milieueffectrapportage moet worden gemaakt. Dit op grond van kenmerken als activiteit, plaats, samenhang met andere activiteiten, en de milieueffecten die zich voordoen. Vanaf een uitbreiding of verandering van een installatie met meer dan 85.000 vleeskuikens is een m.e.r. verplicht. Dat is hier niet het geval. De aanmeldnotitie wordt ingediend in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning milieu, maar ook vanwege de bouwblokvergroting en bestemmingsplanwijziging om het effect te duiden op milieu, natuur en ruimtelijke kwaliteit en volksgezondheid. Het college van B&W dient op grond van de Aanmeldnotitie een besluit te nemen of er al dan geen zwaarwegende redenen zijn een m.e.r. te doorlopen. Door Hoeve advies is een Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld (Bijlage 5). Hieruit zijn de volgende conclusies naar voren gekomen. Het houden van 234.000 traaggroeiende vleeskuikens in plaats van 149.000 reguliere vleeskuikens en het gebruik van meer laagwaardige grondstoffen in de vergister met ca.

5.000 m3 extra opslagcapaciteit voor digestaat in een foliebassin past binnen de randvoorwaarden voor milieu en geeft geen onbehoorlijke hinder of overlast. Op grond van zwaarwegende risico's ten aanzien van het milieu kan het bevoegd gezag een milieueffectrapportage (m.e.r.) vragen. Maar is daar aanleiding toe? bestemmingsplan "Jan van Nassauweg 16 Giethoorn" (ontwerp) 37 Uit deze notitie blijkt:  Het plan voldoet aan de RIE (voormalige IPPC-richtlijn), de IPPC-beleidslijn en het Besluit emissiearme huisvesting  Het bedrijf ligt op meer dan 4 km van een zeer kwetsbaar Wav-gebied en daarmee buiten de invloedssfeer van 250 meter  De geurbelasting beperkt zich tot 7,4 OUE/m3/s op het dichtstbijgelegen geurgevoelig object buiten de bebouwde kom Jan van Nassauweg 14 en 0,8 OUE/m3/s op de lintbebouwing/bebouwde kom van Giethoorn en zit daarmee ver onder de norm van 8,0 resp. 2,0 OUE/m3  De ammoniakemissie in de bestaande stallen beperkt zich tot 0,035 kg NH3 p.d.p.j. terwijl 0,045 kg NH3 p.d.p.j.

is toegestaan; de ammoniakemissie in de nieuwe stallen beperkt zich tot 0,021 kg NH3 terwijl 0,035 kg NH3 is toegestaan  De totale ammoniakemissie is lager dan de vergunde hoeveelheid in de Nb-wetvergunning van 2012 en ook lager dan de referentiewaarde van het PAS op 1-1-2015  De fijnstofuitstoot in de nieuwe stallen wordt met 31% gereduceerd door gebruik te maken van warmtewisselaars  De fijnstofconcentratie (PM10) t.o.v. de dichtstbijgelegen woning van derden is 16,30 µg/m3. Dit is veel lager dan het maximale jaargemiddelde van 40 µg/m3 wat is toegestaan. Het aantal dagen overschrijding van 50 µg/m3 is 4,91 dagen. Dit is beduidend minder dan de 35 dagen die zijn toegestaan.  De fijnstofconcentratie van PM2.5 is een fractie van 16,30 µg/m3 PM10 en kan dus nooit groter zijn dan deze waarde zelf. De PM2.5 concentratie blijft dus onder de maximale concentratie van 25,0 µg/m3 en voldoet ook aan de norm van de Wet luchtkwaliteit.

 De verandering is niet strijdig met de Flora- en Faunawet en heeft geen storende invloed op flora of fauna in de directe omgeving  Het plan gaat gepaard met meer verkeersbewegingen; bij de milieuaanvraag zal middels een akoestisch onderzoek de geluidsbelasting inzichtelijk worden gemaakt; we verwachten aan de normstelling voor het buitengebied te voldoen  De voorgenomen ontwikkeling blijft binnen de grenswaarden voor bouwwerken die zijn gesteld binnen de archeologische verwachtingswaarde van het gebied. De archeologische waarden komen daarmee niet in gevaar.  Voor het plan is de landschappelijke inpassing al beoordeeld en akkoord bevonden M.e.r.-beoordeling i.k.v. Omgevingsvergunning milieu Het bevoegd gezag moet in geval van pluimveehouderij bij een uitbreiding of verandering van de installatie van een inrichting vanaf ca. 40.000 vleeskuikens een afweging maken of er wel of geen m.e.r. nodig is. Dit gebeurt op grond van kenmerken van de activiteit, de plaats, de samenhang met andere activiteiten en de milieueffecten. Er is op voorhand geen m.e.r.-plicht. De uitbreiding van niet meer dan 85.000 st. vleeskuikens zit boven de drempel van de D-lijst maar onder die van de C-lijst van het Besluit milieueffectrapportage. Het project valt daarmee in de categorie 'Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling'.

Het college van B&W dient op grond van de Aanmeldnotitie een besluit te nemen of er al dan geen zwaarwegende redenen zijn een m.e.r. te doorlopen. Milieu Een project-m.e.r. (milieu) is niet verplicht omdat het niet de drempelwaarde van de C-lijst te boven gaat. De ondernemer weet wat hij wil dus hoeft hij voor zichzelf ook geen verkenning uit te voeren naar diverse scenario's, waar een m.e.r. ook voor gebruikt zou kunnen worden. bestemmingsplan "Jan van Nassauweg 16 Giethoorn" (ontwerp) 38 Er is wat betreft milieu geen bijzonder of storend effect vanuit de inrichting op de naaste omgeving te verwachten. Gelet op de omgeving (agrarisch gebied zonder bijzondere natuurwaarde) en de activiteit die binnen de inrichting plaatsvindt (waarbij is gekozen voor de best beschikbare technieken en op onderdelen beter dan dat) en de acceptabele effecten op de omgeving (impact) is er geen dringende reden een m.e.r. te doorlopen. De best beschikbare technieken worden toegepast en de juiste voorzorg wordt genomen om het milieu zo min mogelijk te belasten. Bestemmingsplan Dan blijft de vraag nog staan of er een plan-m.e.r.-plicht (planologie) is. Een plan-m.e.r. is verplicht als het plan kaders stelt in het plangebied waarvoor volgens de Wm een project-m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: 1.

Er ontstaat er een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. 2. Er ontstaat er een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van het besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). 3. Er ontstaat er een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van het besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). Ad 1. Passende beoordeling De passende beoordeling is op voorhand uitgesloten omdat het plan niet leidt t ot een toename van stikstofdepositie. De ammoniakemissie neemt dus af. Dit door het toepassen van emissiearme techniek in zowel de bestaande als de nieuw te bouwen stallen. De referentiewaarde van het PAS op 1 januari 2015 is 10.181,62 kg NH3, overeenkomstig de milieuvergunde situatie. De Nb-wetvergunde emissie is 7.670,25 kg NH3. Het plan leidt tot een emissie van max. 6.552,00 kg NH3. In alle gevallen neemt de stikstofdepositie op omliggende natuurgebieden af, waardoor een verslechtering op voorhand is uitgesloten. Ad 2.

M.e.r.-plicht vanwege kolom 3 In kolom 3 van de D-lijst wordt alleen gesproken over bestemmingsplannen die 'voor het gehele grondgebied van de gemeente' van toepassing zijn, waar de grenzen van het plan kunnen wijzigen, en/of het college zelf het plan moet uitwerken. Dat is hier niet aan de orde. Ook leidt het plan niet tot een besluit inz. de inrichting van het landelijk gebied, de aanleg van een recreatieve of toeristische voorziening, een stedelijk ontwikkelingstraject of de aanleg van een bedrijventerrein. Het plan is dus ook niet plan-m.e.r.-plichtig. Daarnaast heeft de gemeente Steenwijkerland in de vergadering van 14 november 2017 besloten te verklaren dat voor de locatie Jan van Nassauweg 16 te Giethoorn, geen milieueffectrapportage behoeft te worden opgesteld. In Bijlage 6 is de bief van de gemeente Steenwijkerland opgenomen waarin dit besluit staat. Participatie Ook is de buurt al gekend in het plan (participatie) en heeft men daarop kunnen reageren en was er geen tegenstem. Een extra traject voor buitengewone inzage middels een m.e.r.-rapport voorafgaand aan een bestemmingsplanwijziging is dan ook niet (meer) nodig. Conclusie Er is op grond van de regels geen aanleiding een m.e.r. te verplichten omdat de nieuwe bestemmingsplan "Jan van Nassauweg 16 Giethoorn" (ontwerp) 39 installatie zich beperkt tot een uitbreiding met niet meer dan 85.000 st. vleeskuikens.

Uit de Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling blijkt dat gezien de impact op milieu en omgeving er geen dringende of zwaarwegende reden is een m.e.r. te lopen. Na het door het college van B&W te nemen besluit dat er geen m.e.r. nodig is, kan de bestemmingsplanwijziging worden doorlopen en de milieu- en bouwaanvraag worden ingediend. 4.4.8 Bedrijven en milieuzonering Uit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening moet bij nieuwe ontwikkelingen worden nagegaan welke bronnen in of nabij het plangebied een belemmering kunnen vormen voor gevoelige functies als wonen. Daarnaast dient te worden bezien of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (de 'omgekeerde werking'). Het is gebruikelijk om voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid aansluiting te zoeken bij de afstanden uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering (VNG-uitgeverij, 2009). Andersom kan deze publicatie worden gebruikt voor het op verantwoorde wijze inpassen van bedrijvigheid in de fysieke omgeving. Van plangebied naar omgeving Bij de voorgenomen ontwikkeling worden milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. In paragraaf 4.4 Milieu is aangetoond dat dit geen belemmeringen met zich meebrengt voor de omgeving van het plangebied.

Van omgeving naar plangebied Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt geen milieugevoelige functie mogelijk gemaakt, hierdoor kan de toetsing van omgeving naar plangebied achterwege blijven. Conclusie Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling. 4.5 Water Het is verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is bepaald in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Nationaal beleid Het Nationaal Waterplan (V&W, 2009) heeft de status van een structuurvisie en is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998. Het plan vervangt alle voorgaande Nota's Waterhuishouding. Omdat ook voor de volgende generaties Nederland als veilig en welvarend waterland veiliggesteld moet worden, moet nu een antwoord worden gevonden op ontwikkelingen op het gebied van klimaat, demografie, economie en een duurzaam waterbeheer. Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkómen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. Water levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de leefomgeving en behoud van biodiversiteit.

Het doel is helder: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. bestemmingsplan "Jan van Nassauweg 16 Giethoorn" (ontwerp) 40 Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het dan ook van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Meer dan voorheen moet water bepalend zijn bij de besluitvorming. De mate waarin water bepalend is, hangt af van de wateropgave in relatie tot andere opgaven, aanwezige functies en bodemgesteldheid, en andere kenmerken in dat gebied. Overstromingsrisico Het voorkomen van overstromingen door fysieke maatregelen is en blijft de belangrijkste pijler van het waterveiligheidsbeleid. Fysieke maatregelen zijn rivierverruiming, dijkversterking en het concept van overstroombare dijken. Door klimaatverandering zoals zeespiegelstijging en toenemende rivierafvoeren moeten we meer rekening houden met de gevolgen van een overstroming. De afweging is waar men op inzet: het voorkomen van slachtoffers (rampenbeheersing) of ook het voorkomen van economische schade (gevolgenbeperking). Afbeelding 7: Overstromingsrisco Jan van Nassauweg Onderscheid is gemaakt in primaire, regionale en overige waterkeringen.

De primaire en regionale waterkeringen bevinden zich vooral op die plekken binnen de provincie daar waar de grootste risico’s zijn te verwachten met het oog op de aanwezige waterwegen en de aard en de omvang daarvan. Bovenstaande afbeelding illustreert dat het plaatsgebonden risico (PR) het grootst is in de laagst gelegen locaties binnen het dijkringgebied. Het PR is derhalve het grootst tussen Dalfsen en Zwartsluis en in een gebied tussen Giethoorn en Oldemarkt (in het noorden van de dijkring). Het gedeelte waar het plangebied deel vanuit maakt, zal bij een calamiteit langzaam vollopen. Derhalve zal er voldoende tijd zijn om tijdig passende maatregelen te nemen.

bestemmingsplan "Jan van Nassauweg 16 Giethoorn" (ontwerp) 41 Provinciaal beleid Veilig, schoon en gezond water is een basisvoorwaarde voor het leven van mens, plant en dier. Klimaatverandering noodzaakt tot het nemen van maatregelen en het voorbereiden op mogelijke langetermijneffecten. De te nemen maatregelen kunnen tegelijkertijd benut worden om de zichtbaarheid en beleefbaarheid van het watersysteem te vergroten. Ingevolge de omgevingsvisie Overijssel heeft de provincie een voorkeur voor grondwater als primaire bron voor de drinkwatervoorziening. De kwaliteit en beschikbare hoeveelheid van grondwater is stabiel. Oevergrondwater is een tweede bron. Dit ziet de provincie als alternatief voor grondwater. Er is ervaring met het beheersen van risico's bij oevergrondwater langs de IJssel. Ook langs de Vecht is een oevergrondwaterwinning in ontwikkeling. De ervaringen daarmee kunnen laten zien in hoeverre oevergrondwater ook bij een kleine rivier perspectief biedt. Op de provinciale kaarten 'Waterfunctie' en 'Drinkwaterwinningen', zijn behalve het grondwaterbeschermingsgebied ook de innamezones aangegeven waar water infiltreert uit oppervlaktewater. Op deze wijze wordt aan de waterbeheerder het signaal afgegeven dat dit oppervlaktewater tevens bron is voor drinkwater.

In de Drinkwaterwet is vastgelegd dat de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening een dwingende reden van groot openbaar belang is. De gebieden waar (oever)grondwater voor drinkwater aan de bodem wordt onttrokken of die daarvoor gereserveerd zijn, worden afdoende beschermd door voortzetting van het geldende beleid. De provincie beoogt de kwaliteit van de grondstof voor de openbare drinkwatervoorziening en de industriële winningen waarvoor een hoge kwaliteit is vereist te beschermen en te voorkomen dat deze kwaliteit verslechtert (stand-still). De provinciale uitgangspunten zijn:  Het gehele intrekgebied van de drinkwaterwinning wordt beschermd;  Geen functies met risico op grondwaterverontreiniging, tenzij de beschermingssituatie verbetert (stapvooruitprincipe). Bij grote en grootschalige ruimtelijke ingrepen is een verslechtering op plaatselijk niveau toegestaan, mits op gebiedsniveau verbetering plaatsvindt (saldobenadering);  Preventie via de verbodsbepalingen in de verordening is de meest doelmatige bescherming tegen ruimtelijke functies die risico hebben voor grondwaterverontreiniging.

Het gaat dan om een brongerichte aanpak van bedreigende activiteiten/functies;  Duurzaam veiligstellen: de bescherming van de openbare drinkwatervoorziening moet opgenomen zijn in gemeentelijk ruimtelijk beleid;  Voor kwetsbare winningen zijn in 2010 gebiedsdossiers opgesteld met een analyse van de actuele bedreigingen voor de waterkwaliteit en de mogelijke maatregelen (KRW). Het provinciale beleid voor grondwaterbescherming is verwoord in de Omgevingsvisie (2017). Dit vigerende beleid wordt voortgezet. De hoofdlijnen van het beschermingsbeleid lopen via drie sporen: het ruimtelijkeordeningsbeleid, het waterbeleid en het milieubeleid. Via de lijn van het waterbeleid wordt de voorraad op peil houden, de gevolgen verminderd en waar mogelijk de duurzaamheid verbeterd. Via de ro- en milieulijn wordt de kwaliteit van de grondstof voor de openbare drinkwatervoorziening en de levensmiddelenindustrie beschermd en verbeterd. Gemeentelijk beleid Per 1 januari 2016 is het Watertakenplan Fluvius van kracht geworden voor de gemeenten Hoogeveen, Meppel, De Wolden, Midden-Drenthe, Westerveld en Steenwijkerland en Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta). Gezamenlijk vormen ze het samenwerkingsverband Fluvius (Latijn voor rivier of stroom). In Fluvius werken de gemeenten en het waterschap samen aan stedelijk (afval)waterbeheer.

Het Watertakenplan bevat een gezamenlijke visie en een uitvoeringsprogramma. Doel is bestemmingsplan "Jan van Nassauweg 16 Giethoorn" (ontwerp) 42 om de kwaliteit van de dienstverlening te verhogen en kostenstijgingen voor inwoners en bedrijven te beperken. Het Watertakenplan geldt voor de periode 2016-2021. Een goed functionerende keten van riolering en afvalwaterzuivering (afvalwaterketen) draagt bij aan een goede volksgezondheid, een goede kwaliteit van het oppervlaktewater én het tegengaan van wateroverlast. Binnen de regio Fluvius beheren de gemeenten de riolering en het waterschap zeven afvalwaterzuiveringen. Een goed watersysteem beperkt wateroverlast en draagt bij aan een goed leefklimaat. Daar is goed onderhoud voor nodig. Zowel gemeente als waterschap hebben hierin een taak, zoals het maaien van oevers en baggeren van watergangen. Zowel voor een goed beheer van de afvalwaterketen als voor het watersysteem is samenwerking tussen gemeente en waterschap dus van groot belang. Voorheen werden door de gemeenten en het waterschap afzonderlijk beleidsplannen gemaakt. Het nieuwe Watertakenplan Fluvius is het eerste gezamenlijk plan waarin het beleid en een aantal projecten voor het stedelijk (afval)waterbeheer op elkaar zijn afgestemd. Samenwerkingsprojecten in het plan zijn bijvoorbeeld gezamenlijk gemalenbeheer en het meten van waterstanden in de riolering.

Door gebruik te maken van elkaars kennis en gezamenlijk projecten uit te voeren, wordt doelmatiger en efficiënter gewerkt. Conclusie nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid Het nu voorliggende plan betreft een uitbreiding waarbij zorgvuldig gekeken is naar de wijze waarop de effecten op de waterhuishouding beperkt en waar de situatie waar mogelijk verbeterd kunnen worden. Uit de verleende sectorale omgevingsvergunningen valt op te maken dat er sprake is een van een goede ruimtelijke en mileutechnische toekomstige situatie en dat eventuele effecten op het (grond)water voorkomen worden, indien en voor zover deze buiten de kaders zouden vallen. Dit betekent dat voor wat betreft onderhavig bouwplan geen extra maatregelen nodig zijn. Resumerende kan worden gesteld dat het initiatief niet negatief van invloed is op de kwaliteit van het water en dat er bovendien geen bezwaren bestaan het bouwplan uit te voeren in relatie tot een mogelijke calamiteit in de vorm van een wateroverstroming. Ten aanzien van concrete actiepunten wordt verwezen naar de volgende paragraag, 'watertoets'. Watertoets Via www.dewatertoets.nl is het Waterschap Drents Overijsselse Delta geïnformeerd over het plan 'Jan van Nassauweg 16 Giethoorn'. De watertoets is opgenomen in Bijlage 11. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure moet worden doorlopen.

Het waterschap heeft in reactie hierop een watertoetsdocument opgesteld. Dit watertoetsdocument is opgenomen in Bijlage 12. In het document staan uitgangspunten voor dit plan. De belangrijkste maatregelen die moeten worden getroffen ten aanzien van de watertoetst staan hieronder weergegeven. Deze uitgangspunten zullen worden meegenomen bij de verdere uitwerking van dit plan. Grondwateroverlast Voor middelgrote plannen geldt als regel dat 10% van het verharde oppervlak wordt ingezet voor berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater. In het plan wordt een verhard oppervlak van circa 11000m2 gerealiseerd. Dit houdt in dat een waterbergend oppervlak van circa 1100 m2 moet worden aangelegd waarin maximaal 30cm peilstijging is toegestaan. De aan te leggen waterberging wordt ontworpen op basis van een vertraagde afvoer of infiltratiesituatie. Om wateroverlast en grondwateroverlast rond de bebouwing te voorkomen adviseert het waterschap om de bebouwing op voldoende hoogte aan te leggen. Het waterschap adviseert een aanleghoogte van ten minste 30 cm boven straatpeil. In gebieden met een slechte bodemgesteldheid (keileem, klei, veen) of met een te hoge grondwaterstand dicht onder het maaiveld kan grondwateroverlast optreden.

Dit wordt bestemmingsplan "Jan van Nassauweg 16 Giethoorn" (ontwerp) 43 voorkomen door de volgende voorkeursvolgorde toe te passen: (1) kruipruimteloos bouwen, (2) ophogen van het plangebied of (3) toepassen van drainage in openbaar gebied en particulier terrein. Waterkwaliteit en ecologie De inrichting van het watersysteem moet dusdanig zijn dat een overmatige toevoer van stikstof en/of fosfaat naar het ecosysteem wordt voorkomen. Bij de inrichting van het agrarische terrein wordt rekening gehouden met het ‘activiteitenbesluit’. Er wordt gezorgd voor bemestings- en spuitvrije zones langs watergangen. Er worden geen materialen gebruikt die een verontreiniging van het oppervlaktewater met zich meebrengen. Metalen, zoals lood, koper of zink worden niet gebruikt. Gebruik van bestrijdingsmiddelen wordt tegengegaan. Regenwater mag worden geloosd op oppervlaktewater in het gebied. Minder schoon regenwater wordt via een zuiverende passage/voorziening geloosd op het oppervlaktewater. Riolering Er wordt in het plan rekening gehouden met gescheiden waterstromen. Het regenwater wordt niet afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie, maar binnen het plangebied verwerkt. Bij het gescheiden afvoeren van regenwater wordt rekening gehouden met de drempelhoogte in relatie tot de fluctuatie van het ontvangende water.

Alleen schone oppervlaktes mogen worden gescheiden van de afvalwaterstroom. Er wordt een zuiverende passage/voorziening aangebracht voordat vervuild hemelwater (zoals afstromend van een parkeerterrein) wordt geloosd op het oppervlaktewater. De capaciteit van het huidige rioolstelsel vormt een aandachtspunt. Bij uitbreiding van het rioolstelsel wordt rekening gehouden met de capaciteit van het bestaande stelsel en de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Watervoorziening Geen onnodig diepe drooglegging en ontwatering. In nieuw te ontwikkelen gebied worden de waterstanden binnen het in te richten gebied tijdens of na het bouwrijp maken niet structureel verlaagd. Voor tijdelijke of structurele grondwateronttrekking is op grond van de Waterwet een melding of vergunning van het waterschap nodig. Een flexibel peil wordt toegepast en afgestemd op relatie oppervlaktewater en grondwater en op aanwezigheid van regenwateruitlaten en/of riooloverstorten. Gebiedseigen water wordt vastgehouden en aanvoer van gebiedsvreemd water wordt zoveel mogelijk beperkt. Geïsoleerde vijverpartijen of watergangen wordt vermeden. Bodemdaling In zettinggevoelige gebieden wordt rekening gehouden met de bodemgesteldheid en de relatief hoge grondwaterstanden. Bestaand grondwaterpeil wordt gehandhaafd en de bouwwijze wordt hierop aangepast.

Verdroging/vernatting Verdroging als gevolg van functiewijziging wordt tegengegaan. Optimaal peil voor omliggende functies blijft gehandhaafd Beheer en onderhoud Er wordt rekening gehouden met de wijze van onderhoud (varend of vanaf de kant) en de daarbij geldende voorwaarden. Voor werkzaamheden binnen de aangegeven zones van het waterschap is een vergunning op grond van de Waterwet noodzakelijk. Bij onderhoud vanaf de kant geldt een obstakelvrije zone van 5 m vanaf de boveninsteek van de watergang. bestemmingsplan "Jan van Nassauweg 16 Giethoorn" (ontwerp) 44 Conclusie Het aspect 'water' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling. bestemmingsplan "Jan van Nassauweg 16 Giethoorn" (ontwerp) 45 Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De 'Jan van Nassauweg 16 Giethoorn' wordt conform artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening voorbereid met de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat er gelegenheid wordt gegeven voor het indienen van zienswijzen. 5.2 Economische uitvoerbaarheid Het plan is een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro.

De raad kan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien er geen verhaalbare kosten zijn, deze minder dan € 10.000,- bedragen of uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen (artikel 6.2.1.a Bro). In deze situatie is sprake van een geval als bedoeld in artikel 6.2.1a Bro, zodat geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld. Het planvoornemen betreft een particulier initiatief. De met de daadwerkelijke realisering gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de initiatiefnemer. Eventuele bijkomende kosten komen eveneens voor rekening van de initiatiefnemer. Er wordt een planschadeverhaal overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Eventuele planschade wordt hiermee afgewenteld op de initiatiefnemer. Ook overigens zijn er geen redenen om aan te nemen dat dit plan economisch niet uitvoerbaar is. juni 2018.

bestemmingsplan "Jan van Nassauweg 16 Giethoorn" (ontwerp) 46 bestemmingsplan "Jan van Nassauweg 16 Giethoorn" (ontwerp) 47 Bijlagen bij de toelichting bestemmingsplan "Jan van Nassauweg 16 Giethoorn" (ontwerp) 48 bestemmingsplan "Jan van Nassauweg 16 Giethoorn" (ontwerp) 49 Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan bestemmingsplan "Jan van Nassauweg 16 Giethoorn" (ontwerp) 50 Landschappelij ke inp assing omgeving Jan van Nassauweg 16 te Giethoorn In opdracht van Pieter Winter In samenwerking met Wim Hoeve van Hoeve-advies te Rouveen November 2016 Buro Greet Bierema Vriesburgerweg20 8475 EK Nijeholtpade 0561-688920 greetbierem a@planet.nl Inleiding Agro Giethoorn is een groot bedrijf dat gevestigd is in Polder Giethoom, aan de Jan van Nassauweg. Het is een bedrijf met akkerbouw, vleeskuikens, biogasinstallatie en een drooginstallatie ten behoeve van akkerbouwproducten. De vier onderdelen zijn aan elkaar gelinkt. Het bedrijf wil uitbreiden met drie kippenstallen en een broederij/opfokstal. Dit houdt de verruiming van het bouwblok in. De gemeente Steenwijkerland vraagt om een stevige kwaliteitsimpuls in verband met de uitbreiding. De omgeving en de betekenis van het huidige erf hierin wordt beschreven. Hieruit komen voorstellen voort voor een kwaliteitsimpuls. Landschappelijke analyse Achtereenvolgens zullen vier momenten in de geschiedenis worden beschreven.

Deze zrlnte zien op de topografische kaarten uit 1936,1976,1996 en20l5l20l6. . Op de kaart uit 1936 is te zien dat het rafelige kleinschalige slagenlandschap is ingepolderd op een uiterst mathematische wijze. De Jan van Nassauweg loopt nagenoeg zuiver noord- zuid. Het Kanaal van Giethoom naar Steenwijk loopt dat niet en daarom wordt de polder van uit het ztidennaar het noorden steeds breder. Midden in de polder loopt een belangrijke afwateringssloot die naar het oosten afbuigt in verband met het breder worden van de polder, maar ook om zo de eendenkooi te kunnen sparen. Dit was samen met de twee eerste boerderijen en hun erfbeplanting toen de enige groenelementen in het gebied. De verkaveling kreeg dezelfde richting als de oorspronkelijke ontginningsrichting. Dit was niet haaks op de weg en het verklaart dat de boerderijen later scheef op de weg werden gebouwd. Halverwege en parallel aan het lint met de boerderijen en de afwateringssloot werd een landbouwontsluitingsweg aangelegd. In de polder ging het om de landbouw en daarom werd deze een open ruimte. De landschappelijke inrichting gaaÍ zich afspelen aan de rand. . Deze periode rond1976 is gekozen, omdat toen de doelstelling van het concept van de bedenkers van de landschappelijk inrichting was gereikt.

Er werd nog weinig aan de bestaande bebouwing toegevoegd en was dat wel het geval dan kon dat nog ruimschoots binnen het erfoppervlak. Op de kaart is te zien dat de boerderijen Brederode, Wassenaar en Baterburg in de richting van de verkaveling staan. Aan de overzijde van de weg liggen de erven eveneens in de verkaveling, maar staan de voorhuizen op het zuidoosten gericht. De beplanting op de erven zijn niet exact gelijk, hebben wel een principe-opzet.De voorzijde is open naar de weg gericht. De beplanting staat steeds aan de noord- en de achterzijde van het erf. Aan de zuidzijde is er meer variatie. De erven aan de w-estzijde van de weg hebben steeds een houtsingel langs de weg. Steeds zijn twee hoeken 'scherp' groen. Over de aangegeven wegbeplanting kan het volgende worden gezegd. Deze staat aan de westkant van de weg en er is geen continue laanbeplanting. Tegenover de boerderijen blijken geen bomen te staan. Als deze er wel is, dan is het een duidelijke rij. In het silhouet rijgen de bomen als het ware de groene plukken aan elkaar. Doordat de bomen net niet tot aan de boerenelen staan, blijven de erven en een rij bomen op zich zelf staan.ln het veld gezien valt nog iets op. De bomen bestaan niet enkel uit essen, maar er staan ook eiken. Ze staan op 8 of 10 meter afstand van elkaar. Soms moeten er zelfs een haag of struiken hebben gestaan tussen de bomen.

Het unieke concept gaat achteruit als bomen in de rij worden gekapt en als de erfbeplanting verdwijnt. . Op de kaart uit 1996 is nog te zien dat alle achterkanten van de boerenerven niet over de aangegeven rode lijn gaan. De landbouwontsluitingsweg halverwege begint te verdwijnen. De a.L. eendenkooi midden in de ruimte heeft als bos veel effect in de het silhouet van die open ruimte. De erfbeplanting van de boerderijen aan het Steenwijkerdiep en de beplanting langs het diep spelen voor een deel een rol bij de beëindiging van de open ruimte aan de noordzijde van de polder. Aan de ztidzljde zljnhet de bomen aan de Thijssengracht die de open ruimte begrenzen. . Op de kaart van 2015 is te zien dat alle beplanting van de eendenkooi is verdwenen en dat vele erven aan de zlj- en de achterkant zijn uitgebreid. De centrale rol van de eendenkooi is er niet meer waardoor de randen van de open ruimte meer nadruk hebben gekregen, en het geldt met name voor de Jan van Nassauweg. Op het erf op nummer 16, erve Brederode, hebben de grootste wijzigingen plaats gevonden. Met de komst van de tweede bedrijfswoning en drie stallen is het erf verdubbelt. Deze wljziging paste binnen het stedenbouwkundige en landschappelijke patroon, mede omdat de andere elven ook werden verruimt. Met de komst van de opvallende mestvergisters echter ging het erf opvallen; door velen gezien vanaf de Blokzijlseweg.

Er is vervolgens beplanting aangebracht, om alle overige onderdelen van het erf landschappelijk in te passen en reeds voor te sorteren op de nieuwe wens om uit te breiden. Deze beplanting is aan drie zijden aangeplant, aan de noord-, oost- en zuidzljde-Er zljnzo weer twee scherpe groene hoeken ontstaan. Bij de bedrijfswoning is geen beplanting aan de zuidzrlde aangebracht. De soorten in de erÍbeplanting komen overeen met de oorspronkelijke en geadviseerd door Boomkwekerij Hanekamp uit Scheerwolde, die dat ook bij de ontwikkeling van de polder deed. De breedte komt eveneens overeen met de oorspronkelijke maat. De singels zijn aan de zljkant 3,5 en aan de achterkant 5 meter breed. De bomen staan in twee rijen, in driehoeksverband. De bomenrij langs de Jan van Nassauweg is er nog grotendeels , maar er zljn ook gaten in gekomen. De oorspronkelijk smalle weg is geasfalteerd en aan weerszijden met grastegels aangevuld. Het blijkt dat men de bomen mrjdt en dus rijdt aan de oostelijke zijde van de weg en buiten de weg, want daar zijn diverse sporen te zíen. De weg wordt niet allen door het zware landbouwverkeer gebruikt, maar ook door toeristen en fietsers. ö. 12-7-2016 Topotijdreis: N0 jaar topog rafische kaarten ï11ltt I [{" Irt -d. , ? '{:1*i { .lr: ,-r ïs -*l lÈ- !§ 1 r:" .; "*,-.-:- .L:É*.::r{ "9 **j **. 2*7-n16 Topotijdreis: 200 jaar topografi sche l€arten ;ffi . 'r- ti. 'ii.

.g ,* I"*v- ffi ;* trI'! .,'t** ts *+ "rdP ilÈ. P$ t. 12-7-2016 Topotijdreis : 200 jaar topog rafische kaarten Hffiffiffi §*i ;j : ir&!" -' ? q # {rr .g -., f8À-. "*;*l I I ) i ;t r \ \l ll i, "-*ffÈ - tti.) i r/ I t.It'I 't, { 1i il : ' i ,- r ,Í. !§,,i rl -ii 'l t Í", .. . ,*: , !, n ,'r* i !,{j ,.{"r .{l 1 Giethoorn X 6 12-7-2016 Topotijdreis: 2O0 jaar topog rafi sche kaarten f*"ifÏl lé.ï f;jt*i L§.-, l-*j t:J }.,".t- t.-i -( I t* G*/ef*rrr:tg*rt l 0 rr\ r-.,#rrr:1: -,--,,(t 'iÈ à, -',.,iit Í 7I' (-qre,l9 brad"abor u^ 0"-V +-)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/d3783191-f458-4d2b-9773-f9f0163ee0e7?agendaItemId=420a2738-0286-4102-9439-523abe99d28d