Algemene toelichting en artikelsgewijze toelichting VFL Steenwijkerland 2023
Tekst van het document
de rechtmatige uitoefening door het college van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak, waarbij geen vergun- ning wordt gewijzigd of ingetrokken (bijvoorbeeld omdat de aan te passen kabel of leiding niet in openbare gron- den van de gemeente ligt, de zogenaamde buitenleidingen). In algemene termen bestaat nadeelcompensatie uit schade die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een netbeheerder in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft. De concrete toepassing en procedure van nadeel- compensatie voor aanpassingen aan kabels en leidingen wordt uitgewerkt in de Nadeelcompensatieregeling kabels en lei- dingen die door het college wordt vastgesteld en wordt opgenomen in het Handboek Kabels en Leidingen. Voor kabels die onder de Telecommunicatiewet vallen is geen sprake van nadeelcompensatie, maar van het regime van artikel 5.8 van de Telecommunicatiewet. De procedurele bepalingen in de Nadeelcompensatieregeling zijn echter van over- eenkomstige toepassing, tenzij dit in de betreffende bepalingen uitdrukkelijk is uitgesloten. De uitvoering van een project is niet afhankelijk van een verzoek tot nadeelcompensatie. Een project kan derhalve van start gaan en de uitvoering van een werk hoeft niet uitgesteld te worden tot het moment dat een dergelijk verzoek tot nadeel- compensatie is afgehandeld.
Sterker nog; bij het college kan een aanvraag tot nadeelcompensatie pas na de melding dat het plangebied functievrij is en de kabels of leidingen op de definitieve plek liggen, ingediend worden. Wel is het verstandig om tijdens de planvorming een risicoanalyse van de eventueel te verwachten nadeelcompensatie op te stellen. De hoogte van het te verwachten bedrag kan dan opgenomen worden in het projectbudget. Artikel 19:12 Herstraat- en degeneratiekosten De kosten voor het herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van de openbare ruimte die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde (graaf)werkzaamheden worden bij de netbeheerder in rekening gebracht. In bijzondere gevallen zullen de netbeheerder en het college vooraf vaststellen wat er wordt verstaan onder ‘de oude staat’. Dit zal zeker in die gevallen moeten gelden waar de gemeente streeft naar een vorm van graafrust. Dit kan het geval zijn indien binnen een termijn van bijvoorbeeld vijf jaar na oplevering van een project wederom werkzaamheden in de on- dergrond zullen gaan plaatsvinden. Dit wordt niet wenselijk geacht, zodat de term ‘de oude staat’ ruim kan worden geïnter- preteerd. Een gestelde termijn kan als ‘richtgetal’ fungeren, maar ‘de oude staat’ moet altijd per geval worden bekeken.
Hetgeen wat onder ‘de oude staat’ wordt verstaan, kan dan als bijzondere voorwaarde bij een instemmingsbesluit of ver- gunning worden opgenomen. Artikel 20:1 Het gebruik van het monument Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker zelf aan het object toekent. Deze gebruiksmo- gelijkheden slaan op de constructie en de ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik van het object zelf. Artikel 20:2 De aanwijzing tot gemeentelijk monument Eerste lid De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst zijn twee zaken met verschillend rechts- gevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een admi- nistratieve handeling. Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande ge- bruik van het monument. Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft het toekomstige gebruik van een monumen- taal object.
Immers, de monumentaal aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 10, tweede lid) of slechts op grond van de nadere regels (zie art. 10, vierde lid) worden gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale on- derdelen is alleen vergunningvrij wanneer ook geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist. Om deze, weliswaar toekomstige, last voor de burger in te perken, dient bij de aanwijzing in de redengevende omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet van het object tot monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke afweging kan zijn om alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare bijzondere onderdelen tot monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld voor wijzigingen aan de achter- kant en het interieur in dat geval geen omgevingsvergunning voor monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen. Tweede lid Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als bedoeld onder artikel 1, sub d. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en werkwijze van de monu- mentencommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats.
In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college over een aanwijzing een besluit neemt de aanvrager (eigenaar) en andere belanghebbenden worden gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de Alge- mene wet bestuursrecht (Awb). Derde lid Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat belanghebbenden zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers meer dan het naar voren kunnen brengen van zienswijzen. Vierde lid Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie al op een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking. Tot op heden heeft de provincie Overijssel geen monu- menten aangewezen. Artikel 20:3 Voorbescherming Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dit artikel regelt de voor- bescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten. Dat betekent dat in de periode van kennisgeving van het voor- nemen van het college om een monument op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke aan- wijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 20:9 tot en met 20:14 van deze verordening van toepassing zijn.
Dat betekent onder andere dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot gemeentelijk monument niet mag wor- den gesloopt, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een omgevingsvergunning voor monumenten of anders dan de bij nadere regels opgestelde wijze. Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan een motivatieplicht, aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële consequenties zijn verbonden. Immers, gedurende de voorbescherming die- nen bouwactiviteiten te worden opgeschort. Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van deze wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het inroe- pen van de voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 20:5 van deze verordening. Artikel 20:4 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan toe zijn.
In het kader van de vermindering van administratieve lasten dient goed nagedacht te worden over de speci- fieke invulling met betrekking tot de duur van de termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter de termijnen zijn, des te minder zijn de administratieve lasten voor de burger. Het bepaalde in lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentencommissie niet tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht advies als bedoeld in het eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken. Als het college niet tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van een fictieve weigering. Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou staan. Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6). Artikel 20:5 Mededeling aanwijzingsbesluit De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift van de inschrijving) van het college is voor alle aan het monumentale object verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang.
De kenbaarheid van de aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaar- heid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze verordening. Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde en derde belanghebben- den) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen. Artikel 20:6 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen besluit). De bedoeling van de bij te houden mo- numentenlijst is om een ieder snel inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de toelichting bij artikel 20:2, eerste lid (aan- wijzing). Artikel 20:7 Wijzigingen van de aanwijzing Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten te wijzigen (lid 1).
Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (lid 4). Artikel 20:8 Intrekken van de aanwijzing Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de monumentencommissie nodig. Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan), worden door het col- lege van de monumentenlijst gehaald. Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd. Artikel 20:9 Instandhoudingbepaling In lid 2 van artikel 20:9 wordt alleen bepaald dat het verboden is om zonder vergunning werkzaamheden e.d. aan monu- menten te verrichten. Het verrichten van werkzaamheden in afwijking van de voorschriften van de verleende vergunning is verboden op grond van de Omgevingswet en hoeft daarom niet in de verordening te worden opgenomen.
In lid 3 van artikel 20:9 is een regeling opgenomen die moet voorkomen dat de door de gemeente aangewezen roerende monumenten verdwijnen van het grondgebied van de gemeente. In lid 4 van artikel 20:9 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om nadere regels te stellen die in de plaats kun- nen worden gesteld van het verbod uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. Het college blijft hiervoor het bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen aan gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn. Voornamelijk het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigingen (bijvoorbeeld met betrekking tot kleurstelling of het gebruik van identieke materi- alen) worden geconfronteerd met een vergunningprocedure. In deze nadere regels kunnen dan expliciet die situaties wor- den benoemd waarin de burger geen vergunning hoeft aan te vragen. Indien echter duidelijk is wat het toetsingskader is voor grote (niet-reguliere) wijzigingen aan een monument, kan ook dit toetsingskader in algemene regels worden opgeno- men, zodat burgers nog minder met administratieve lasten worden geconfronteerd.
In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale kwaliteit (behoud technische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren van (voor)overleg centraal bij dit artikel, zo- dat maatwerk kan worden geleverd. Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de gemeente, op locatie en gezamenlijk met de initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk zijn aan de hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde van het object niet of zo min mogelijk wordt aangetast. In lid 5 is de bepaling betreffende de religieuze monumenten teruggeplaatst. Is er sprake van een vergunning voor het mo- nument dan is overeenstemming tussen de eigenaar en de vergunningverlener nodig. Overleg en overeenstemming betref- fen de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het religieuze monument. Dat betekent dat voor bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze bepaling dan ook niet geldt. Artikel 20:10 De schriftelijke aanvraag Een burger heeft de keuze tussen het digitaal dan wel schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning.
Voor onderne- mingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg indienen. aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog niet over de benodigde voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen is in overleg met diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting na verloop van twee jaren in werking te laten treden. Artikel 20:11 Afhandeling aanvraag en termijnen van advies Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen om deze hieronder nader toe te lichten. De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van de Omgevingswet, namelijk het bevorde- ren van een snelle besluitvorming. De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij titel 4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte ontvangstbevestiging van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd gezag zendt de aanvrager nadat het de aanvraag heeft ontvangen een bericht waarin het vermeldt dat hij bevoegd gezag is, welke procedure zal worden doorlopen, de beslistermijn en de beschikbare rechtsmiddelen en indien de reguliere procedure wordt gevolgd vermeldt het bevoegd gezag tevens dat een beslissing van rechtswege is gegeven, indien niet tijdig op de aanvraag is beslist.
Indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt het bevoegd gezag de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen de door hem gestelde termijn aan te vullen. Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met vermelding van de ontvangstdatum kennis in een of meer dag, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet binnen 8 weken een beslissing op de aanvraag nemen. In deze periode moet het bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de mogelijkheid geven om zienswijzen in te brengen (artikel 4:8 Awb). Het bestuursorgaan kan bij verordening ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de (gemeentelijke) monumentencommissie. Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van belang is dat de adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen. Het is echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid gebruik wil ma- ken. Het uitbrengen van een advies staat het nemen van een besluit niet in de weg. Wordt het advies niet binnen de ge- stelde termijn gegeven dan kan het bevoegd gezag de procedure vervolgen. Het bevoegd gezag dient altijd de termijn van 8 weken in acht te nemen. De termijn van 8 weken kan met ten hoogste zes weken worden verlengd.
Het bevoegde gezag dient hiervan op dezelfde manier mededeling te doen als van de kennisgeving van de aanvraag. Deze verlenging van 6 we- ken is voornamelijk bedoeld om de adviseur meer tijd te geven voor het uitbrengen van een advies. Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet reeds bij wettelijk voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de adviseur zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de beslistermijn dient het uitbrengen van het advies door de monumentencommissie pa- rallel te lopen aan de beoordeling van de aanvraag door het bevoegde gezag. Dit parallel lopen van het advies en de beoor- deling gebeurt ook al in het kader van de verlening van de evenementenvergunning waarbij een advies van de brandweer is vereist. Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit treedt in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken. Artikel 20:12 Aan een vergunning te verbinden voorschriften Deze bepaling behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 20:13 Weigeringsgronden De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de toetsingscriteria uit het bestaande toetsings- kader. De afzonderlijke toetsingskaders zijn onder de Omgevingswet namelijk blijven bestaan. In het kader van dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het economisch belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het belang van de monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit artikel worden verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang van de monumentenzorg. Artikel 20:14 Intrekken van de vergunning Dit artikel bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De bepaling onder b heeft de volgende achter- grond: als de omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het bevoegd gezag mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.
Artikel 20:15 Vergunning voor beschermd monument Eerste lid Op de vergunning voor beschermde monumenten is de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van toepassing. Hierin verschilt de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten, waarbij de reguliere procedure gevolgd dient te worden. Door dit onderscheid in procedures is de beslistermijn voor beide omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft tot gevolg dat de adviestermijn voor beschermde monumenten ook langer zal zijn. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en bui- ten de bebouwde kom ook Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken na verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Op het defi- nitieve besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep worden ingesteld. Tweede lid De Omgevingswet schrijft voor dat de monumentencommissie bij de aanvragen om een omgevingsvergunning voor be- schermde monumenten wordt ingeschakeld. Artikel 20:16 Tegemoetkoming in schade In deze verordening is gekozen voor een schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het bevoegd gezag mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen.
Artikel 21:1 Lozingsverbod hemel- en grondwater Inleiding Dit artikel bepaalt dat het in het hemelwaterscheidingsgebied verboden is om hemelwater en grondwater te lozen op de openbare vuilwaterriolering. De gemeenteraad heeft het Watertakenplan 2016-2021 vastgesteld op 27 oktober 2015. Hier- mee wordt de nadruk gelegd op de verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar om het hemel- en grondwater zoveel mo- gelijk zelf te verwerken. Het lozingsverbod dwingt perceeleigenaren om dat water ofwel in het oppervlaktewater of een hemelwaterstelsel te lozen, ofwel te infiltreren in de bodem. Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de grondslag van deze regels artikel 4.1 van die wet: de bevoegdheid om, met het oog op de doelen van de wet, regels te stellen over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Het lozen van hemelwater en grondwater in de openbare vuilwaterriolering is een activiteit die nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, zoals in het algemene deel van deze toelichting is aangege- ven. Die lozingen kunnen leiden tot wateroverlast en stankoverlast en tot ondoelmatig gebruik van energie. Lid 1 Het eerste lid bevat het verbod om in het hemelwaterscheidingsgebied afvloeiend hemelwater en grondwater te lozen in het openbare vuilwaterriool. Dit verbod geldt dus voor zowel bestaande als nieuwe lozingen.
Het lozingsverbod geldt voor alle eigenaren van bouwwerken, open erven en terreinen, voor zover deze in het hemelwaterscheidingsgebied liggen. Het lozingsverbod is niet beperkt tot het bouwwerk, maar betreft ook het erf of terrein. Het verbod betreft dus het afvloei- ende hemelwater dat afkomstig is van een bouwwerk en onder meer via een dakgoot, regenpijp en afvoerbuis het open- bare vuilwaterriool bereikt. Maar ook het afvloeiende hemelwater dat afkomstig is van een open erf of terrein en via onder meer goten, putten of afvoerbuizen het openbare vuilwaterriool bereikt. Een open erf of terrein waarin goten en putten zijn aangebracht, is bijvoorbeeld een terras, oprit, parkeerterrein of laad- en losperron. Bij inwerkingtreding van de verordening wordt het grootste gedeelte van de gemeente aangewezen als hemelwaterschei- dingsgebied. Hiermee worden de doelen, genoemd in de inleiding van de toelichting bij deze verordening, zo veel mogelijk behaald. Een paar gebieden, waar bestaande gemengde stelsels liggen, worden vooralsnog uitgezonderd van de gebieds- aanwijzing. Het is wel de bedoeling dat ook in deze gebieden op termijn hemelwater wordt gescheiden van vuil water. Het hemelwaterscheidingsgebied zal in de toekomst dus nog worden uitgebreid. Het hemelwaterscheidingsgebied is aangeduid op de kaart in bijlage 1 bij deze verordening.
De kaart is een weergave van een digitaal geografisch informatieobject. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt deze verordening onderdeel van het omgevingsplan dat van rechtswege ontstaat. De gemeente zal dan dit geografische informatieobject toevoegen als digitaal werkingsgebied in de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB). De regels over scheiden van hemelwater zijn dan ook vindbaar “met een prik op de kaart” in het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Lid 2 Het college kan een omgevingsvergunning voor afwijken van het lozingsverbod verlenen. Dat kan in uitzonderingssituaties waarin het lozingsverbod niet billijk is. Dit is het geval wanneer het lozingsverbod tot onevenredig grote nadelen voor de perceeleigenaar leidt. Het college kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen. Zo kan de vergunning bijvoor- beeld alleen betrekking hebben op de achterzijde van een bouwwerk of alleen gedurende een bepaalde overgangsperiode. Verder kan de gemeente voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden. Een voorschrift kan betrekking hebben op onder meer het treffen van een alternatieve (tijdelijke) voorziening. Het is gewenst dat het college een beleidsregel vast- stelt voor het verlenen van de omgevingsvergunning, zodat voor perceeleigenaren bij voorbaat duidelijk is of het aanvra- gen van die vergunning kans van slagen heeft.
Na inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de omgevingsvergunning als een (binnenplanse) omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet. Het overgangsrecht voor reeds verleende omgevingsvergunningen is opgenomen in artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet: bestaande omgevingsvergun- ningen op grond van deze verordening worden gelijkgesteld met een omgevingsvergunning op grond van het omgevings- plan. Artikel 21:2 Termijn De termijn van één jaar biedt voldoende ruimte voor een eventuele beroepsfase tegen de wijziging van het hemelwater- scheidingsgebied en voor de eigenaren van bouwwerken, open erven en terreinen om de werkzaamheden te kunnen (la- ten) verrichten. Artikel 21:3 Werkingsgebied Eerste lid De gemeenteraad heeft de verordenende bevoegdheid op grond van artikel 147 van de Gemeentewet. Op grond van arti- kel 156 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad deze bevoegdheid delegeren aan het college. Voor het wijzigen van het hemelwaterscheidingsgebied maakt de gemeenteraad hier gebruik van. Het college is ook de beheerder van het gemeente- lijk riool en gaat over het verlenen van de omgevingsvergunning op grond van deze verordening. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet berust deze delegatiebepaling op artikel 2.8 van die wet.
Tweede lid Bij het wijzigen van het hemelwaterscheidingsgebied houdt het college rekening met het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Het GRP is in de Omgevingswet geen verplicht programma, maar de gemeente Steenwijkerland is wel van plan om na af- loop van de termijn van het GRP een rioleringsprogramma vast te stellen. Het college kan in het werkingsgebied onderscheid maken in het lozen van hemelwater vanaf de voorkant (wegzijde) van het bouwwerk en vanaf de achterkant. Het kan in bepaalde gevallen immers vrij lastig zijn om hemelwater dat aan de ach- terzijde van een bouwwerk afstroomt naar een openbaar hemelwaterstelsel aan de wegzijde te brengen. Dit zal meestal voor een hele straat of een rij woningen hetzelfde zijn. Artikel 22:1 Verbod uitoefening rondvaart- en/of botenverhuurbedrijf zonder vergunning De gemeente wenst dat de uitoefening van een rondvaart- en botenverhuurbedrijf plaatsvindt vanuit locaties die daar ge- schikt voor zijn. Om die reden is gekozen voor een vergunningstelsel. Artikel 22:2 Weigeringsgronden vergunning uitoefening rondvaartbedrijf en/of botenverhuurbedrijf Voor de vergunning als bedoeld in artikel 22:1 van deze verordening wordt een koppeling gemaakt met het omgevingsplan of exploitanten van een Bed and Breakfast.
Terbeschikkingstelling door recreatie (nacht) verblijven respectievelijk exploi- tanten van een Bed and Breakfast dienen plaats te vinden aan de eigen gasten. Anders zou sprake zijn van een zelfstandig verhuurbedrijf. Artikel 22:3 Verbod tot gebruik verhuurboten en rondvaartboten voortbewogen door middel van een verbrandingsmo- tor In dit artikel is bepaald dat verhuurboten en rondvaartboten uitsluitend elektrisch aangedreven mogen worden. Dit is een maatregel die in het verleden al gold voor verhuurbedrijven in de gemeente. Het zorgt voor positieve effecten op milieu, rust en belevingswaarde, maar geeft ook een impuls voor het elektrisch varen als kenmerk van de vaarrecreatie in Steen- wijkerland. Op dit moment zijn er nog rondvaartboten die varen met een verbrandingsmotor. In het tweede lid is daarom een moge- lijkheid opgenomen om een ontheffing te krijgen. Artikel 22:4 Kentekenplicht Er is voor gekozen om het bestaande stelsel van een verplicht kenteken voor verhuur- en rondvaartboten te handhaven, zodat op efficiënte wijze nagegaan kan worden of de eigenaren ervan voldoen aan de vereisten die in de verordening zijn gesteld. Daarnaast worden de kentekens gebruikt voor het innen van de vermakelijkhedenretributie.
Artikel 22:5 Verbod op innemen van ligplaats In de huidige verordening is per bedrijf een vergunning verleend voor het innemen van ligplaats in de Jan Balsvaart, Jan Hozenvaart, Smitsvaart, Cornelisgracht en Dorpsgracht. Deze locaties tot het innemen van ligplaats blijven gehandhaafd. Uitbreiding van de ligplaatsen of nieuwe ligplaatsen wil de gemeente, met het oog op de verkeersafwikkeling, hiermee voorkomen. Artikel 22:6 Intrekken of wijzigen van vergunningen of ontheffingen Deze bepaling behoeft geen nadere toelichting. Artikel 22:7 Register In het register wordt de actuele stand van zaken voor alle op grond van deze verordening afgegeven vergunningen opgeno- men. Er zijn gegevens opgenomen over de naam en adres van de houder van de vergunning, het aantal en type boten waarvoor vergunning is verleend en kentekennummers van de boten waarvoor vergunning is verleend. Het register is openbaar en is in te zien en/of te downloaden op de internetsite van gemeente Steenwijkerland. Artikel 23:1 (Algemene) vrijstelling Deze bepaling bevat een algemene vrijstelling voor alle winkels. Aan deze vrijstelling is de beperking verbonden dat op de zondagen en op eerste Kerstdag de winkels voor het publiek geopend mogen zijn van 12.00 uur tot 20.00 uur en op de ove- rige feestdagen van 09.00 uur en 20.00 uur.
Artikel 23:2 Individuele ontheffingen In dit artikel wordt voor het college de mogelijkheid gecreëerd om ontheffing te verlenen om een winkel open te hebben op werkdagen voor 6.00 uur en na 22.00 uur. Tevens kan op grond van dit artikel ontheffing worden verleend van het ver- bod om op de in artikel 2, lid 1, van de Winkeltijdenwet genoemde dagen en tijden in de uitoefening van een bedrijf, an- ders dan in een winkel, goederen te koop aan te bieden of te verkopen aan en in rechtstreekse aanraking met particulie- ren. Het gaat in dit gevallen om individuele aanvragen. Artikel 23:3 Beslistermijn In dit artikel is gekozen voor een beslistermijn van acht weken, welke met acht weken verlengd kan worden. Hierbij is aan- gesloten bij artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht en de jurisprudentie waarin is aangegeven dat een redelijke termijn in ieder geval na acht weken is verstreken. Artikel 23:4 Intrekken of wijzigen ontheffing Dit artikel behelst de gronden waarop een verleende ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd. Artikel 24: 1 Wijze van meten Bij de wijze van meten moet worden bedacht dat het woonschip in zijn geheel niet die omvang mag hebben dat de door- vaartmogelijkheden van de beroeps- of recreatievaart worden bemoeilijkt. Ook kunnen de mogelijkheden van verplaatsing een rol spelen. Voor onderhoud aan ijzeren casco's moet immers een werf bereikbaar zijn.
Artikel 24:2 Verboden ligplaatsen Uitgangspunt is dat het slechts is toegestaan om binnen de gemeente met een woonschip een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen op de daartoe aangewezen plaatsen. Bij het aanwijzen van ligplaatsen gaat het om een afweging van diverse belangen (zoals planologische en nautische). Daarnaast is andere wetgeving (zoals een provinciale landschaps- of woonschepenverordening, het Besluit activiteiten leefomgeving, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Binnenvaartpolitiereglement) relevant bij het al dan niet aanwijzen van ligplaatsen. Op de ligplaatsenkaart bedoeld in artikel 24:4 zijn een aantal locaties aangewezen als ligplaats. Artikel 24:3 Woonschepen in aanbouw of reparatie Het verbod om met een woonschip een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen op de daartoe aangewe- zen plaatsen is niet van toepassing op woonschepen die zich vanwege aanbouw of reparatie op of bij een scheepswerf of reparatie-inrichting bevinden. Artikel 24:4 Aangewezen ligplaatsen op ligplaatsenkaart De verordening gaat ervan uit dat de acceptabele ligplaatsen worden aangegeven op een kaart die onderdeel vormt van de verordening. Deze kaart is bijgevoegd als bijlage 2.
In het tweede lid is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om de ligplaatsenkaart te actualiseren inge- val er een nieuwe planologische regeling is opgesteld of een bestaande planologische regeling is herzien. Wanneer een aanvraag van een ligplaats bijvoorbeeld wordt ingediend voor een plaats die op grond van het omgevingsplan is aangewe- zen als ligplaats, maar op grond van de woonschepenverordening moet worden geweigerd omdat de ligplaatsenkaart nog niet is geactualiseerd, ligt het voor de hand dat burgemeester en wethouders de aanvraag aanhouden, de ligplaatsenkaart actualiseren en vervolgens de vergunning verstrekken (indien althans aan de overige voorwaarden van de verordening wordt voldaan). Voorkomen moet worden dat het gemeentebestuur in strijd moet handelen met eigen regelgeving (bij- voorbeeld: het omgevingsplan). Artikel 24:5 Ligplaatsvergunning De eigenaar van het woonschip moet beschikken over een ligplaatsvergunning, ook in die gevallen waarin er sprake is van een verhuurd woonschip. De in het tweede lid genoemde termijn vangt aan op het moment waarop de aanvraag compleet is. Dit is het geval als bij de aanvraag voldoende gegevens zijn gevoegd voor een goede beoordeling van de aanvraag (zie artikel 4:5 Awb). Dit arti- kellid kan worden beschouwd als een invulling van artikel 4:13, eerste lid, van de Awb.
Lid 3 omvat de weigeringsgronden voor de ligplaatsvergunning. Er worden geen eisen met betrekking tot de aanvrager ge- steld. Onder b is bepaald dat de ligplaatsvergunning wordt geweigerd indien voor de betreffende ligplaats al vergunning is ver- leend. Te denken valt aan een situatie waarbij twee aanvragers bijna tegelijkertijd een ligplaatsvergunning hebben aange- vraagd om een lege ligplaats in te nemen. Burgemeester en wethouders hebben aan de aanvrager die het eerst een aan- vraag heeft ingediend een ligplaatsvergunning verstrekt, maar de vergunninghouder heeft de ligplaats nog niet ingenomen met zijn woonschip. Op grond van de bepaling onder b kunnen burgemeester en wethouders de andere aanvraag weige- ren. De maximale lengte-, breedte- en hoogtemaat alsmede de maximale diepgang worden aangegeven in nadere regels (zie onderdeel c). Voordeel hiervan is dat per locatie verschillende, op de situatie toegesneden maxima kunnen worden gesteld (vergelijkbaar met stedenbouwkundige accenten). Op grond van het derde lid, onder e, is het mogelijk om eisen te stellen aan het woonschip die verband houden met het aanzien van de gemeente. Deze eisen zijn te vergelijken met welstandseisen aan bouwwerken. Nadere eisen inzake behoud van het aanzien van de gemeente worden in nadere regels opgenomen.
In het derde lid wordt de eventuele verstoring van het landschap niet als weigeringsgrond genoemd. Reden hiervan is dat dit aspect doorgaans in provinciale woonschepenverordeningen wordt geregeld en derhalve niet meer in een verordening van een lagere overheid kan worden geregeld. Onder f wordt verwezen naar ernstige constructieve gebreken. Een toelichting op deze gebreken is vervat in nadere regels. In het derde lid, onder g wordt een termijn van 12 weken gesteld voor het innemen van de ligplaats na het indienen van de aanvraag voor een ligplaatsvergunning. Van deze termijn kan slechts worden afgeweken indien de aanvrager middels ob- jectief verifieerbare bescheiden (bijvoorbeeld leveringsakte van het woonschip) kan aantonen dat de ligplaats zo spoedig mogelijk na het verstrijken van de 12-wekentermijn door zijn woonschip zal worden ingenomen. Lid 4 bepaalt welke gegevens de ligplaatsvergunning omvat: de gegevens van de eigenaar, de ligplaats, de voorzieningen behorende bij het woonschip, de kenmerken van het betreffende woonschip (zoals de maatvoering en de naam van het woonschip), het gebruik van de ruimte rondom het woonschip en de toegestane voorzieningen op de wal. De opsomming in lid 4 betreft geen limitatieve opsomming. Het opnemen van meer informatie of gegevens in de ligplaats- vergunning is derhalve toegestaan.
Een vergunning wordt in de regel voor onbepaalde termijn verstrekt. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen dat dit niet mogelijk of gewenst is. In die gevallen heeft het college van burgemeester en wethouders de mogelijkheid om aan de vergunning een termijn te koppelen (lid 5). Deze termijn bedraagt maximaal 5 jaren. Dit artikel bevat geen bepaling over het stellen van voorwaarden bij het verlenen van de vergunning. Ook zonder expliciete opname van deze mogelijkheid in de verordening, kunnen dergelijke voorwaarden echter wel worden gesteld. Artikel 24:6 Wachtlijst ligplaatsvergunning De verordening gaat uit van een wachtlijst voor de gemeentelijke ligplaatsen binnen de gemeente Steenwijkerland. De wachtlijst gaat uit van het beginsel 'wie het eerst komt, het eerst maalt'. De gegadigde die zich het eerst meldt, staat bovenaan de wachtlijst. Daarbij is het moment van ontvangst van een aanvraag voor een ligplaatsvergunning of een schrij- ven in de zin van lid 2, door het college bepalend. Als een gemeentelijke ligplaats vrijkomt, kan de hoogst geplaatste gegadigde als eerste een aanvraag om een ligplaatsver- gunning indienen. Daarbij wordt verwacht dat de betreffende gegadigde binnen zes weken reageert op het aanbod tot het indienen van een aanvraag voor een ligplaatsvergunning (lid 5).
Indien de gegadigde niet binnen de gestelde termijn rea- geert, wordt de naam van de betrokken persoon van de wachtlijst geschrapt (lid 7). Ook indien door een gegadigde driemaal een aanbod tot het indienen van een aanvraag wordt geweigerd, wordt de naam van de betrokken persoon van de wachtlijst geschrapt (lid 6). Artikel 24:7 Overdragen ligplaatsvergunning In dit artikel is geregeld dat de ligplaatsvergunning overdraagbaar is. Dit betekent dat in geval de eigenaar zijn woonschip met ligplaats verkoopt aan een ander, die als rechtsopvolger tevens in bezit komt van de ligplaatsvergunning. Dit is logisch omdat de vergunning geen eisen stelt aan de eigenaar van het woonschip. Indien de eigenaar zijn woonschip wil vervangen door een ander schip, dan is een nieuwe ligplaatsvergunning of wijziging van de bestaande vergunning vereist. In dit artikel is niet bepaald dat de nieuwe vergunning pas geldt nadat zij aan de betrokkene is gezonden, omdat de Awb dat bepaalt (artikel 3:40). Als de eigenaar zijn woonschip verkoopt en de ligplaatsvergunning aan de nieuwe eigenaar geeft zonder medeweten van de gemeente, kunnen burgemeester en wethouders die vergunning intrekken. De gegevens op de vergunning komen immers niet meer overeen met de werkelijke situatie. Dit waarborgt dat de gemeente een actueel over- zicht behoudt van de eigenaren van de woonschepen.
Artikel 24:8 Wijziging ligplaatsvergunning Als er een wijziging van de ligplaatsvergunning nodig is (bijvoorbeeld omdat aan het schip veranderingen zullen worden aangebracht), moet de vergunninghouder een aanvraag tot wijziging van de ligplaatsvergunning indienen (lid 1). Een derge- lijke wijziging kan worden beschouwd als een nieuwe aanvraag voor een ligplaatsvergunning. Vandaar dat dezelfde proce- dureregels gelden, behoudens de bepaling dat de ligplaats op de ligplaatskaart moet zijn aangeduid en de ligplaatsvergun- ning wordt geweigerd als voor die ligplaats al vergunning is verleend. De bestaande vergunning heeft immers nog rechts- kracht en ziet op een bestaande ligplaats. Artikel 24:9 Intrekking ligplaatsvergunning De onder d opgenomen bepaling is bedoeld om te kunnen optreden tegen excessen. Gedacht wordt bijvoorbeeld aan een verwaarloosd woonschip dat deels gezonken is. Artikel 24:10 Aansluiting aan drinkwaterleiding De verplichting voor de eigenaar om te zijn aangesloten op de drinkwaterleiding kan de varende woonschipper beperken en brengt een zeker risico van vollopen en zinken van het woonschip met zich mee. Vandaar dat burgemeester en wethou- ders vrijstelling kunnen verlenen van deze verplichting, indien het schip is voorzien van een of meer drinkwatertanks. Eventuele kosten voor aansluiting komen voor rekening van de vergunninghouder.
Een waterleidingbedrijf heeft geen wettelijke verplichting om water te leveren, maar wel een morele. Doorgaans zal de levering van leidingwater langs kades geen problemen opleveren. In de zogenoemde 'onrendabele gebieden' echter zal het bedrijf water leveren, mits de aanvrager de kosten van de aansluiting betaalt. Artikel 24:11 Aansluiting op elektriciteitsnetwerk Dit artikel bevat de verplichting voor de houder van de ligplaatsvergunning om het woonschip aan te sluiten op het open- baar elektriciteitsnet. Onder aggregaten in de zin van het tweede lid wordt mede verstaan aggregaten waarbij gebruik wordt gemaakt van een verbrandingsmotor. Eventuele kosten voor aansluiting komen voor rekening van de vergunninghouder. Artikel 24:12 Aansluiting aan de riolering Dit artikel bevat de verplichting voor de houder van de ligplaatsvergunning om het woonschip aan te sluiten op de gemeen- telijke riolering. Het is gewenst dat van de gemeentelijke riolering gebruik wordt gemaakt. Artikel 24:13 Bijboot Deze bepaling behoeft geen nadere toelichting. Artikel 24:14 Nakoming aanwijzingen Deze bepaling behoeft geen nadere toelichting. Artikel 24:15 Nadere regels Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd nadere regels te stellen met betrekking tot het innemen, hebben of beschikbaar stellen van ligplaatsen en het gebruik van de ligplaatslocaties.
Deze regeling dient te worden gelezen in combinatie met artikel 24:5 van de verordening. Artikel 25:1 Strafbepalingen Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de maxima van de zes boetecategorieën opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt €450,- en van de tweede categorie €4.500,-. Het is overigens uiteindelijk de strafrechter die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op grond van artikel 24 Wetboek van Strafrecht rekening te houden met de draagkracht van de verdachte. Het algemeen geldende mini- mum van de geldboete bedraagt €3,- (artikel 23, tweede lid, Wetboek van Strafrecht). De Gemeentewet heeft aan de gemeenteraad de keuze gelaten op overtreding van verordeningen geldboete te stellen van de eerste óf de tweede categorie. De gemeenteraad heeft daarbij de ruimte om binnen de verordening onderscheid te ma- ken naar bepalingen waar bij overtreding een straf van de eerste dan wel van de tweede categorie op staat.
Uiteraard kan in de verordening ook worden gekozen voor een enkele strafmaat. De gemeente verliest dan echter de mogelijkheid om scheiding aan te brengen tussen lichte en zwaardere overtredingen. Het is niet mogelijk om van de indeling in boetecatego- rieën af te wijken, bijvoorbeeld door een maximumboete van €1.000,,- te stellen. Artikel 25:2 Toezichthouders In dit artikel worden de toezichthouders aangewezen. De basis voor deze bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht. In dit hoofdstuk zijn algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Afdeling 1 van dit hoofdstuk geeft regels voor het toezicht. Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het Wetboek van Strafvordering ontlenen is een nadere regeling in de verordening niet (meer) nodig. De aanwijzing als toezichthouder in de verordening is de grond- slag voor het hebben van opsporingsbevoegdheid. Artikel 25:3 Strafbepalingen Deze bepaling biedt de mogelijkheid om in voorkomende gevallen strafrechtelijk op te treden. Artikel 25:4 Toezichthouders Beoogd wordt één of meer gemeentelijke functionarissen aan te wijzen als toezichthouders. Zij zullen toezicht houden op de naleving van de voorschriften bij of krachtens deze verordening.
Artikel 25:5 Strafbepalingen Ten aanzien van de in artikel 25:5 opgenomen strafbepaling geldt dat van overtreding alleen sprake kan zijn indien de ver- ordening een ge- of verbodsnorm (een verplichtende norm) inhoudt. Tegen overtredingen van de in deze verordening opgenomen bepalingen, alsmede tegen handelingen die de orde op de markt op enigerlei wijze kunnen verstoren, verdient voor wat de marktkooplieden betreft een administratieve afhandeling de voorkeur. Artikel 25:6 Toezicht In artikel 5:11 van de Awb wordt aangegeven dat onder toezichthouder wordt verstaan: een natuurlijk persoon, die bij of krachtens een wettelijk voorschrift is belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Een persoon die aangewezen is als toezichthouder beschikt in beginsel over alle in afdeling 5.2 van de Awb opgenomen bevoegdheden. Op grond van artikel 5:14 van de Awb kunnen deze bevoegdheden bij verordening of bij besluit van het college worden beperkt. Het ligt voor de hand de marktmeester als toezichthouder aan te wijzen. De heren De Boer en Alta zijn met naam toegewe- zen zodat zij als buitengewoon opsporingsambtenaar kunnen optreden. Artikel 25:7 Strafbepalingen Deze bepaling biedt de mogelijkheid om in voorkomende gevallen strafrechtelijk op te treden.
Over het algemeen zal geko- zen worden voor bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten en vormt de toepassing van strafrechtelijke sancties in be- ginsel een uiterst handhavingsmiddel. Artikel 25:8 Toezicht Beoogd wordt één of meer gemeentelijke functionarissen aan te wijzen als toezichthouders. Zij zullen toezicht houden op de naleving van de voorschriften bij of krachtens deze verordening, waaronder ook de verleende vergunningen en instem- mingsbesluiten. Artikel 25:9 Strafbepalingen Deze strafbepaling is alleen nog van toepassing op de nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 20:9, vierde lid. De strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt als economisch delict. Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet aan de raad een keuzemo- gelijkheid laat om op overtreding van verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uit- spraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen.
De op te leggen boete voor strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 450,- (januari 2022); in de tweede categorie maximaal € 4.500,- (janu- ari 2022). Het is de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën. Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijpen de wens om enige preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van de nadere regels voor de hand liggend. Artikel 25:10 Toezicht In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling 90.M van de Aanwijzingen voor de de- centrale regelgeving. Het is de bedoeling dat bij het eerste lid, onder a en b, functies van de ambtenaren die belast zijn met de opsporing worden ingevuld. Het aanwijzen van toezichthouders ingevolge het tweede lid kan door het college geschie- den. De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende voorschrif- ten.
Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift, zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve in de Erfgoedverordening kan plaatsvinden. In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toe- gekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien. Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van woningen zon- der toestemming van de bewoner. 'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld dat het college op grond van dit artikel niet zelf opspo- ringsambtenaren aanwijst als bedoeld in artikel 141 Strafvordering.
Dat kan en hoeft het college ook niet te doen aange- zien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij verordening aangewezen toezichthouders ook opspo- ringsbevoegdheid toekomt. Deze buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid voor een beperkt aantal strafbare feiten. Artikel 25:11 Strafbepaling Deze bepaling biedt de mogelijkheid om in voorkomende gevallen strafrechtelijk op te treden. Artikel 25:12 Toezicht Dit artikel regelt de uitoefening van toezicht. Artikel 25:13 Toezicht Dit artikel regelt de uitoefening van toezicht. Artikel 25:14 Toezicht Een toezichthouder mag op grond van het evenredigheidsbeginsel van zijn bevoegdheden slechts gebruik maken voor zo- ver dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. Ook kan volgens artikel 5:14 van de Algemene wet bestuursrecht bij wettelijk voorschrift een beperking van de bevoegdhe- den worden gerealiseerd. Een toezichthouder moet een legitimatiebewijs bij zich hebben van het bestuursorgaan onder wiens verantwoordelijkheid deze werkzaam is. Toezichthoudende bevoegdheden mogen niet worden gebruikt met (uitslui- tend) het doel overtredingen vast te stellen met het oog op strafrechtelijke afdoening. Het binnentreden van woningen, tegen de wil van de bewoners is met grondwettelijke waarborgen omgeven.
Dat is niet het geval met het betreden van andere plaatsen dan woningen. Artikel 25:15 Opsporingsambtenaren Dit artikel regels de aanwijzing van opsporingsambtenaren. Artikel 25:16 Strafbepalingen Het innemen van een ligplaats buiten de aangewezen ligplaatsen en het innemen van een ligplaats zonder ligplaatsvergun- ning is een overtreding. Artikel 154, eerste lid, van de Gemeentewet laat aan de gemeentelijke wetgever de keuzemogelijk- heid om op overtreding van verordeningen een geldboete te stellen van de tweede of de eerste categorie. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor strafbare feiten in de tweede categorie is maximaal € 4.500. Het is de gemeente niet toege- staan om een hogere geldboete op te nemen dan in de genoemde categorie. Met de strafbepaling wordt beoogd om enige preventieve werking te bereiken. Artikel 25:17 Binnentreden De bevoegdheid tot het binnentreden is gestoeld op artikel 149a van de Gemeentewet. Van deze bevoegdheid kan in prin- cipe alleen gebruik worden gemaakt indien een machtiging op grond van de Algemene wet op het binnentreden is afgege- ven. Artikel 26:1 Intrekken verordeningen en vervallen artikelen De in dit artikel opgenomen verordeningen gaan op in de Verordening fysieke leefomgeving.
Voor sommige van deze veror- deningen geldt dat deze geheel over gaan, anderen gaan gedeeltelijk over. Verordeningen die geheel overgaan, worden ingetrokken. Voor de Algemene Plaatselijke Verordening geldt dat bepaalde artikelen vervallen, omdat deze over gaan naar de Verordening fysieke leefomgeving. Artikel 26:2 Overgangsrecht algemeen Omdat de Verordening fysieke leefomgeving een beleidsneutrale verordening is, zijn de regels in principe hetzelfde als die in de verordeningen die erin opgaan. Dat betekent dat voor lopende procedures de artikelen uit de Verordening fysieke leefomgeving kunnen worden gevolgd. Artikel 26:3 Overgangsrecht Markverordening Dit artikel regelt het overgangsrecht voor de Marktverordening. Artikel 26:4 Overgangsrecht Erfgoedverordening Dit artikel regelt het overgangsrecht voor de Erfgoedverordening. Artikel 26:5 Inwerkingtreding Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening. Artikel 26:6 Citeertitel Deze bepaling behoeft geen nadere toelichting.