Algemene toelichting en artikelsgewijze toelichting VFL Steenwijkerland 2023
Tekst van het document
ALGEMENE TOELICHTING INLEIDING Aanleiding Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt 26 wetten en verschillende regels en voorschriften over onze fysieke leefomgeving in één wet. Procedures worden gestroomlijnd, regelgeving geharmoniseerd en in veel gevallen worden beslistermijnen versneld. De gemeentelijke regelgeving die betrekking heeft op de fysieke leefomgeving wordt na inwerkingtreding van de Omge- vingswet samengebracht in één gemeentebreed omgevingsplan. Het omgevingsplan bundelt de huidige bestemmingsplan- nen, beheersverordeningen, milieuregels en regels uit overige lokale verordeningen die betrekking hebben op activiteiten in de fysieke leefomgeving. Een deel van de huidige regelgeving gaat van rechtswege over in het tijdelijke deel van het om- gevingsplan. De overgangsfase van het tijdelijke deel omgevingsplan dat van rechtswege ontstaat bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet en het nieuwe deel omgevingsplan, is wettelijk vastgelegd. Elke gemeente moet voor 1 januari 2032 het omgevingsplan vaststellen dat voldoet aan alle regels uit de Omgevingswet. De regels in het nieuwe deel komen deels tot stand door bestaande regels uit het tijdelijk deel om te zetten naar het nieuwe deel. Daarnaast worden in het nieuwe deel nieuwe regels opgenomen voor ruimtelijke ontwikkelingen en beleid.
De regels uit de gemeentelijke verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving staan verspreid over ver- schillende verordeningen. De gemeente Steenwijkerland heeft daarom besloten om als tussenstap naar het uiteindelijke definitieve omgevingsplan één integrale verordening, de Verordening Fysieke Leefomgeving, op te stellen. In deze verorde- ning zijn de huidige verordeningen die over de fysieke leefomgeving gaan opgenomen. Dit betreft bijvoorbeeld regels over bomen, erfgoed, markten, ligplaatsen voor boten, terrassen of kabels en leidingen. De overgang van de verschillende regels ziet niet op inhoudelijke beleidswijzigingen, op één verordening na: de Afvalstoffenverordening Steenwijkerland 2017. De Verordening Fysieke Leefomgeving is dus bijna volledig beleidsneutraal opgesteld. Er zijn een aantal technische wijzigingen in de artikelen uit de overgezette verordeningen doorgevoerd. Deze zijn nodig vanwege de inwerkingtreding van de Omge- vingswet. Dit betreft verwijzingen naar wetten die opgaan in de Omgevingswet, regelingen die opgaan in verschillende AMvB’s en het vervallen van het begrip ‘inrichting’. Indien dit niet zou zijn aangepast voor de inwerkingtreding van de Om- gevingswet op 1 januari 2024, dan zouden de gemeentelijke verordeningen verwijzen naar wetten en regels die niet meer gelden.
Het gevolg hiervan zou zijn dat regels uit deze verordeningen niet meer toegepast kunnen worden. Voor de Afvalstoffenverordening Steenwijkerland 2017 geldt dat deze ook wordt opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving en daarnaast op twee onderdelen wordt aangevuld. Dit naar aanleiding van het door de gemeenteraad in 2021 vastgestelde Grondstoffenplan 2021-2025. Het gaat hierbij om het inzamelen van meer grondstoffen en het opnemen van de mogelijkheid om bij maatschappelijke organisaties (scholen en sportverenigingen) grondstoffen tijdens de huishou- delijke inzameling mee te nemen. Dit laatste betreft een uitzondering, omdat het bij scholen en sportverenigingen om be- drijfsafvalstoffen gaat. Doel Het vaststellen van één integrale verordening voor de fysieke leefomgeving is geen wettelijke verplichting. Het alternatief was om alle gemeentelijke verordeningen een update te geven met het oog op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en deze separaat ter vaststelling aan de raad aan te bieden. Hiervoor is echter bewust niet gekozen. Het vaststellen van één integrale verordening heeft namelijk een tweeledig doel. Enerzijds is met deze verordening sprake van een verbetering vanuit dienstverlenend oogpunt.
Door het nemen van deze tussenstap zijn zowel voor onze inwoners, bedrijven en maat- schappelijke instellingen, als ook voor onze gemeente, heel veel regels over de fysieke leefomgeving op één plek te vinden, waardoor sneller kan worden geraadpleegd welke regels gelden. Anderzijds vormt de verordening een belangrijke bouw- steen voor het omgevingsplan. Aan de hand van de Verordening Fysieke Leefomgeving kan namelijk efficiënter en samen- hangender worden onderzocht welke regels in de toekomst moeten worden aangevuld, gewijzigd dan wel afgeschaft. Met de Verordening Fysieke Leefomgeving zijn de volgende stappen al genomen: - Inventariseren van plaatselijke verordeningen; - Analyseren welke regels over de fysieke leefomgeving gaan en in het toekomstige omgevingsplan thuishoren; - Deze regels samenvoegen, ordenen en technisch aanpassen, met de juiste verwijzingen naar de Omgevingswet. De regels uit deze verordening worden na inwerkingtreding van de Omgevingswet stapsgewijs verwerkt in het omgevings- plan. Omdat de regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving met deze verordening al zijn gebundeld, zal het minder tijd in beslag nemen om deze regels in de toekomst een plek te geven in het nieuwe deel omgevingsplan. Uitgangspunten De verordening bestaat uit een samenvoeging van (delen van) bestaande verordeningen die over de fysieke leefomgeving gaan.
Dat is namelijk het criterium dat de Omgevingswet hanteert voor het opnemen van regels uit verordeningen in het omgevingsplan. Verordeningen en regels die een ander motief hebben, zoals openbare orde en veiligheid, komen daarom niet voor integratie in deze verordening in aanmerking. In de Verordening Fysieke Leefomgeving zijn de volgende verordeningen - geheel dan wel gedeeltelijk - opgenomen: 1. Algemene plaatselijke verordening Steenwijkerland 2021 ; 2. Marktverordening gemeente Steenwijkerland; 3. Woonschepenverordening Steenwijkerland; 4. Afvalstoffenverordening Steenwijkerland; 5. Erfgoedverordening 2010 gemeente Steenwijkerland; 6. Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Steenwijkerland; 7. Algemene verordening ondergrondse infrastructuur gemeente Steenwijkerland; 8. Verordening afvoer hemel- en grondwater gemeente Steenwijkerland; 9. Vaarverordening gemeente Steenwijkerland; 10. Winkeltijdenverordening Steenwijkerland 2015. Leeswijzer/opzet verordening De verordening is opgedeeld in 26 hoofdstukken. Elk hoofdstuk is onderverdeeld in een of meer artikelen. Het eerste hoofdstuk bevat algemene bepalingen. Het gaat om onder andere de begripsbepalingen, beslistermijnen en wei- geringsgronden. De daarop volgende hoofdstukken bevatten regelingen over diverse onderwerpen, waaronder afvalstof- fen, erfgoed en woonschepen.
De laatste twee hoofdstukken zijn van algemene aard en gelden in samenhang met elk af- zonderlijk hoofdstuk. Deze hoofdstukken bevatten procedureregels en strafbepalingen, regels met betrekking tot toezicht- houders en overgangs- en slotbepalingen. Toelichting Zoals hierboven aangeven is de Verordening Fysieke Leefomgeving beleidsneutraal opgesteld. Dit geldt dus ook voor de bijbehorende toelichting. De verschillende toelichtingen van de verordeningen die opgaan in de Verordening fysieke leef- omgeving zijn integraal overgenomen. De enige wijziging die aangebracht is betreft de artikelnummers. Door het opnemen van verschillende verordening in één verordening, moesten de artikelnummers worden aangepast. De artikelsgewijze toe- lichting is echter integraal overgenomen uit de verschillende verordeningen. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hieronder behandeld. Artikel 1:1 Begripsomschrijving In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Over de in artikel 1:1 opge- nomen definities kan het volgende worden opgemerkt: 74. Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht. 94. Weg Voor de bepaling van het begrip ‘weg’ wordt aangehaakt bij de Wegenverkeerswet 1994.
Deze hanteert als definitie van ‘wegen’: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en dui- kers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Artikel 1:2 Beslistermijn Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In deze APV hebben wij, conform het model van de VNG, de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximumtermijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, wordt gesteld. Uiteraard kan een gemeente ook kiezen voor een andere, kortere, beslistermijn of zelfs voor per type besluit verschillende beslistermijnen. Dit laatste doet bij uit- stek recht aan het algemeen beginsel dat elke termijn redelijk moet zijn. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk be- stuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn hebben we in de verordening op acht weken gesteld (tweede lid). Ook hier geldt dat een individuele gemeente een andere termijn kan vastleggen.
Uitgangspunt blijft altijd dat die termijn redelijk moet zijn. Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aan- vrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan. Artikel 1:3 Indiening aanvraag In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige artikel ("kan") laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten behandeling hoeft te worden gelaten. Voor vergunningen die niet binnen drie weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht weken. Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen.
Daarbij moet ook - ten overvloede - worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld. Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze intrek- kingsbevoegdheid vastgelegd. De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen. Uiteraard is bestuursdwang niet mogelijk, wanneer alleen voorschriften zijn overtreden, die slechts beogen het toezicht op de naleving van de vergunning of ontheffing te vergemakkelijken, maar geen verband houden met de bescherming van het belang of de belangen met het oog waarop de vergunning of ontheffing is vereist. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de vergunning aanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag).
De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt of dit uit de aard van de vergunning voortvloeit. Artikel 1:6 Intrekking, schorsing of wijziging van vergunning of ontheffing De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter ("kan"). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoor- schriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking. Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebben- den in de gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb). Artikel 1:7 Termijnen Het streven naar lastenvermindering voor burger en overheid en toetsing aan de Europese Dienstenrichtlijn hebben ertoe geleid in artikel 1:7 te bepalen dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Artikel 11 van de Dienstenrichtlijn stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; b.
het aantal beschikbare ver- gunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Als een vergunning voor bepaalde tijd wordt verleend, worden beargumenteerd waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan. Artikel 1:8 Weigeringsgronden Vergunningstelsels zijn in de verordening als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te ver- richten behoudens vergunning. We hebben ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid binnen de verordening ervoor gekozen om in artikel 1:8 algemene weigeringsgronden te benoemen. Alleen als er voor een vergunning andere wei- geringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd. In een enkel geval is van artikel 1:8 afgeweken. Artikel 1:9 Lex silencio positivo van toepassing Algemene toelichting De juridische vormgeving van de lex silencio positivo wordt geregeld in paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuurs- recht (Awb). De lex silencio positivo (LSP) houdt in dat wanneer een bestuursorgaan niet tijdig op een vergunningaanvraag beslist, deze vergunning van rechtswege geacht wordt te zijn verleend.
Deze eis is bedoeld als prikkel voor de overheid om tijdig te be- sluiten en vormt één van de maatregelen om de regeldruk voor het bedrijfsleven terug te dringen. Bij de toepassing van LSP binnen deze verordening wordt uitgegaan van de volgende vier mogelijkheden: 1. De LSP wordt actief toegepast op vergunningen. 2. De LSP wordt toegepast doordat de vergunning of ontheffing valt onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn. 3. De LSP wordt toegepast doordat de vergunning of ontheffing valt onder de Wet algemene bepalingen omgevings- recht (Wabo). 4. De LSP wordt actief uitgesloten. Tweede lid Om mogelijke misbruik van vergunningen van rechtswege te voorkomen, is er gekozen voor een uniforme uitsluitingsgrond van de LSP op die vergunningen waarbij een Bibob-advies bij Bureau Bibob wordt aangevraagd. Bureau Bibob voert op ver- zoek van bestuursorganen integriteit screenings uit. Zij adviseren over de mate van gevaar van misbruik van vergunningen, subsidies of aanbestedingen.
Op dit moment is in de verordening “Uitvoering en vuistregels ten aanzien van de uitvoering van de wet Bibob in de ge- meente Steenwijkerland” geregeld dat dit geldt voor: - elke aanvraag waarover wij informatie over ontvangen of hebben ontvangen van Justitie; - elke aanvraag waarover wij een tip van andere overheden of bestuursorganen hebben ontvangen; - elke aanvraag die betrekking heeft op het verkrijgen van een exploitatievergunning voor een seksinrichting, speel- automatenhal of een coffeeshop; - alle andere aanvragen waarin handhaving gegevens, of indicaties die de vergunningverlener krijgt bij een aanvraag om een vergunning en/of ontheffing, aanleiding kunnen geven tot het instellen van een nader onderzoek. Uitzondering zijn die aanvragen die direct, dus zonder tussenkomst van derden, afkomstig zijn van een instantie waarover een overheidsdienst het bevoegde gezag is. Artikel 2:1 Voorwerpen op of aan de weg Algemeen Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsie- rend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of containers. Het artikel regelt het gebruik van de openbare weg voor andere doeleinden dan het hoofddoel, namelijk de verkeersfunc- tie. Hierbij gaat het in de meeste gevallen om het plaatsen van objecten/voorwerpen op gemeentegrond.
Het doel van de regel is greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Hierbij kan gedacht worden aan het voorkomen van onveilige verkeerssituaties en het waarborgen van een onbelemmerde doorgang op de weg voor bijvoorbeeld voetgangers en hulpverleningsdiensten. Ook kan gedacht worden aan het voorko- men van wildgroei bij uitstallingen. Eerste lid In het kader van de deregulering en de vermindering van administratieve lasten is bekeken of de vergunningplicht in dit artikel kan vervallen. Dat is een discussie met vele kanten, en voor diverse oplossingen valt iets te zeggen. Er is voor geko- zen om een breed gestelde algemene regel op te nemen in plaats van het voorheen bestaande vergunningsstelsel. De ge- meenteraad maakt daarmee een nadrukkelijke keuze voor het bieden van meer ruimte aan burger en bedrijfsleven. Daartegenover staat dat burgers en bedrijven een zorgplicht krijgen. Ze mogen voorwerpen plaatsen, zolang ze bijvoor- beeld de verkeersveiligheid niet in gevaar brengen. Gelet op de huidige praktijk is de inschatting dat via algemene regels de openbare orde en veiligheid voldoende kunnen worden gewaarborgd. Voor een groot aantal voorwerpen die in de open- bare ruimte worden geplaatst, is een omgevingsvergunning overbodig. Ze veroorzaken geen overlast of dragen zelfs bij aan de leefbaarheid.
Een bijkomend voordeel van een algemeen verbod is dat een aantal "losse" bepalingen waarin specifieke handelingen wor- den verboden, kunnen vervallen. De rechthebbende op een boom, heester, heg, enige andere beplanting of voorwerp die het vrije uitzicht belemmert of op andere wijze het verkeer in gevaar brengt, kan nu op basis van artikel 2:1 van deze veror- dening worden verplicht deze beplanting of dit voorwerp tot de aan te geven afmetingen of afstand terug te brengen. Met name bij ondernemers speelt dat zij een bijzonder gebruik van de openbare weg willen maken. Bijvoorbeeld: • tijdelijke plaatsing van puincontainers, bouwsteigers, ecotoiletten voor (ver)bouw en onderhoudswerkzaamheden; • tijdelijke plaatsing van verhuiscontainers; - bloembakken; - uitstallingen (kledingrekken en -manden, kaartenrek- ken, kippengrillen, speeltoestellen, losstaande reclameborden); • kleine, losstaande menuborden, driehoeksreclameborden om lantaarnpalen; • hoogwerkers en hijskranen (voor zover geen stremming van het doorgaand verkeer plaatsvindt en geen noodzaak bestaat de weg af te zetten voor de werkzaamheden); • bedrijfsafvalcontainers (zie specifieke opmerking hierna). Bedrijfscontainers Het komt nogal eens voor dat ondernemers afvalcontainers en andere inzamelmiddelen op de weg plaatsen voor de opslag van bedrijfsafval.
De opslag van bedrijfsafval is de primaire verantwoordelijkheid van de ondernemer, maakt onderdeel uit van de normale bedrijfsvoering en moet dus ook binnen de eigen inrichting plaatsvinden. De openbare weg is niet bedoeld om te fungeren als opslagplaats voor bedrijfsafval en als verlengstuk van de inrichting van de ondernemer. Blijkens jurisprudentie is plaatsing van bedrijfsafvalcontainers op de openbare weg in strijd met de bestemming. Bovendien komt het doelmatig en veilig gebruik van de weg in het geding. Afvalcontainers kunnen ook bouwwerken zijn waarvoor een omgevingsvergunning is vereist. Dit hangt af van de construc- tie, omvang constructie en plaatsgebondenheid. Tweede lid Voor bepaalde voorwerpen kan regulering via de algemene regels in het eerste lid onvoldoende zijn. Daarom is het tweede lid opgenomen, waarin het bevoegd bestuursorgaan de bevoegdheid krijgt nadere regels te stellen. Afhankelijk van de be- hoefte en noodzaak in de gemeente worden in het tweede lid voorwerpen genoemd, waarvoor nadere regels worden vast- gesteld. Gelet op de huidige situatie zijn dit in onze gemeente nodig voor terrassen, uitstallingen en driehoeksreclamebor- den. Bij uitstallingen en driehoeksborden is het college het bevoegde bestuursorgaan.
Volgens vaste jurisprudentie is de burgemeester het bevoegde bestuursorgaan bij terrassen die behoren bij een voor het publiek openstaand gebouw of een horecabedrijf. Ook voor terrassen bij horecabedrijven kan de burgemeester nadere regels stellen over onder andere terras- omvang, periode van plaatsing en sluitingstijden. Uitstallingen Het plaatsen van uitstallingen is al geruime tijd uitgezonderd van de vergunningplicht, mits bij de plaatsing een aantal voor- waarden in acht worden genomen. Deze voorwaarden zijn opgenomen in het beleid ten aanzien van reclame. Het toestaan van uitstallingen in combinatie met nadere regels van het college, waarin de voorwaarden voor plaatsing zijn uitgewerkt, sluit aan bij de huidige situatie. Driehoeksreclameborden De driehoeksreclameborden worden veelal gebruikt voor het aankondigen van evenementen, festiviteiten, de opening van een dansseizoen, theaterseizoen et cetera. Ze worden ook wel aankondigingsborden genoemd. Veelal worden ze rond lan- taarnpalen langs de weg geplaatst. Om deze borden goed te kunnen reguleren is er in het beleid ten aanzien van reclame voor gekozen om bepaalde straten aan te wijzen waar deze borden zijn toegestaan met een maximum aantal per plaats. Om wildgroei te voorkomen en te waarborgen dat de reclames tijdig worden verwijderd is voortzetting van het huidige beleid nodig.
Hiervoor kan het college gebruik maken van zijn bevoegdheid tot het vaststellen van nadere regels. Oudejaarshuisjes Oudejaarshuisjes worden geplaatst in de periode rond kerst en de jaarwisseling. Een oudejaarshuisje wordt veelal door de jeugd gebruikt om hierin samen deze periode door te brengen. Een oudejaarshuisje kan o.a. zijn een zeecontainer, keet of eigen bouwwerk. Om overlastsituaties te voorkomen, om grip te kunnen houden op de locaties waar oudejaarshuisjes wor- den geplaatst en om toezicht op het veilig gebruik te kunnen waarborgen, geldt voor deze oudejaarshuisjes een vergun- ningplicht. Het college heeft van haar bevoegdheid gebruik gemaakt om nadere regels vast te stellen voor oudejaarshuis- jes. Derde lid Nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften. Dus alleen het college kan hier worden genoemd, ook voor de ge- vallen waarvoor de burgemeester bevoegd gezag is. Immers, de bevoegdheid van de burgemeester op grond van artikel 174 van de Gemeentewet betreft toezicht en uitvoering van verordeningen, niet het vaststellen van regelgeving. Vijfde lid Gedragingen waarop dit artikel ziet, kunnen ook onder de reikwijdte van de Omgevingswet, provinciale omgevingsverorde- ning, waterschapsverordening of artikel 5 van de Wegenverkeerswet vallen.
Voor zover een hinderlijke gedraging plaats- vindt op de weg, zoals omschreven in de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening, waterschapsverordening of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is dit artikel van de verordening niet van toepassing. Handhaving Op ondernemers en burgers rust de civielrechtelijke zorgplicht om datgene te doen, dat redelijkerwijs mag worden ver- wacht om de veiligheid te waarborgen. Handelt een ondernemer niet zorgvuldig, dan kunnen burgers binnen het civiel recht de ondernemer aanspreken. Burgers kunnen ook via klachten ongewenste situaties aan de gemeente kenbaar ma- ken. De gemeente kan daartegen, indien nodig, handhavend optreden. Er wordt hierin gekozen voor “ja, mits je voldoet aan deze algemene regels”. Toezichthouders en handhavers moeten nu ter plekke bepalen of het verbod in het eerste lid wordt overtreden, met andere woorden of een object gevaar oplevert of storend is. Hierbij kan discussie ontstaan over de uitleg van de voorwaarden. Zo kan een toezichthoudend ambtenaar een oordeel moeten vellen over de noodzakelijke plaatsingsduur van een steiger of stortcontainer. Vanwege de ontsiering van het straatbeeld of doelmatig gebruik van de weg mogen deze voorwerpen niet onnodig lang blijven staan. Een dergelijke situatie vraagt inschattingsvermogen, zelfstan- digheid en tact van de toezichthoudende ambtenaren.
Artikel 2:1 van deze verordening ziet met name op de tijdelijke plaatsing van objecten. Wanneer een object zijn tijdelijkheid verliest en een zelfstandige functie krijgt, bijvoorbeeld als permanente opslag of verblijfsruimte, dan zal het in beginsel bouwvergunningplichtig zijn. Inboedels Het plaatsen van inboedels op de weg gebeurt dikwijls in het kader van de ontruiming van woningen. Het is echter in strijd met artikel 2:1 van de verordening. In de VNG ledenbrief, kenmerk 97/39, wordt ingegaan op het toepassen van bestuurs- dwang ten aanzien van de op de weg geplaatste zaken. Ook preventief optreden tegen dergelijke overtredingen wordt in deze ledenbrief behandeld. Artikel 2:2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen of veranderen van een weg Eerste lid Aan artikel 2:2 van de verordening ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg. Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden.
Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven omgevingsvergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft. Tweede lid Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip "weg" uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een om- gevingsvergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde "eigen wegen" die feitelijk voor het open- bare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d.
Vierde lid Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepa- lingen van de verordening van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, AMvB, provinciale verordening of waterschapsverordening wordt voorzien. De term "onderwerp" in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:2 een omgevingsvergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommuni- catiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de Telecommunicatiewet. Artikel 2:3 Maken, veranderen van een uitweg Algemeen In veel gevallen kan de aanleg of verandering van een uitweg zonder meer gebeuren zonder dat dit problemen oplevert. Overheidsbemoeienis is dan niet nodig. In andere gevallen is overheidsbemoeienis wel noodzakelijk ter bescherming van het algemeen belang.
Er is daarom, in het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten, voor geko- zen de vergunningplicht te wijzigen in een meldingsplicht. Daarbij is wel een zogenaamde “noodrem” opgenomen: bij onac- ceptabele gevolgen kan het college de uitweg alsnog verbieden. Het stellen van algemene regels in plaats van een mel- dingsplicht is wel overwogen, maar is niet goed mogelijk, omdat het hierbij veelal om specifiek maatwerk gaat. Doel artikel 2:3 Artikel 2:3 van de verordening beoogt de aanleg van uitwegen zoveel mogelijk vrij te laten, maar te voorkomen dat er ge- vaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan, dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen, en desgewenst ook dat een uitweg feitelijk opheffing betekent van soms (zeer) schaarse parkeerruimte. Uit de jurisprudentie over artikel 14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een publiek- rechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente.
Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft. De indiener van de melding moet bij zijn melding een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie ter plaatse voegen. Aan de hand van deze gegevens kan het college sneller de afweging maken of de gewenste uit- weg al of niet kan worden toegestaan. Een verbod dat in het belang van de verkeersveiligheid wordt gesteld, strijdt evenmin met artikel 14 Wegenwet. De grond bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente kan bijvoorbeeld gebruikt worden om het maken van een uitweg te verbieden als dat op een onaanvaardbare manier ten koste gaat van het openbaar groen. Juridisch karakter van een melding In januari 2015 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) haar rechtspraak rond mel- dingsstelsels aangepast. Beknopt samengevat komt de wijziging er op neer dat alleen een melding in de vorm van een pure mededeling niet leidt tot een appellabel besluit. In andere gevallen is dat wel het geval. Ook als er op een melding niet of slechts met een ont- vangstbevestiging wordt gereageerd, wanneer sprake is van een beslissing, al is die stilzwijgend, is er sprake van een appel- label rechtsoordeel.
Voor de uitspraken van de Afdeling van 14 januari 2015 zie: ECLI:NL:RVS:2015:14 (Leeuwarden-Lek- kum) en ECLI:NL:RVS:2015:36 (Stein-Elsloo). Artikel 3:1 Hinderlijke bepaling of gevaarlijk voorwerp Deregulering Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of de beplanting te verwijderen of te snoeien. Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert. Artikel 3:2 Rookverbod in bossen en natuurterreinen Algemeen Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken in de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen, niet meer mogelijk is. De periode waarin het rookverbod geldt zou van 1 maart tot 1 november kunnen zijn.
Afbakening In artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald: Met hechtenis van ten hoogste veertien da- gen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg ge- vaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan. Artikel 3:3 Voorzieningen voor verkeer en verlichting Afbakening De in het tweede lid genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties waarbij het desbetreffende specifieke be- lang, waterstaatswerken, verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke, zich verzetten tegen het aanbrengen van aller- lei voorzieningen daarop. In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt. Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar ver- keer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.
Artikel 4:1 Neerzetten van fietsen en bromfietsen Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met een wisselende bedoeling: de instandhou- ding van het plantsoen, het tegengaan van diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van over- last. Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de eigenaren van de voertuigen worden be- zocht of op plaatsen waar deze voertuigen hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel 4:1 van de verordening geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden. Artikel 4:2 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde wegen worden geweerd. De ach- tergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden gebracht. Er kunnen echter andere motie- ven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk.
Regen- jassen worden besmeurd, nylonkousen sneuvelen. Het verbod moet wel aan de bezoekers van het terrein kenbaar worden gemaakt. Artikel 4:3 Verontreiniging door honden Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. Los daarvan staat het probleem al jaren hoog op de ranglijsten van ergernissen. Handhaving vraagt betrapping op heterdaad, de bedoeling van de bepaling is daardoor deels preventief. Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de politie. Artikel 4:4 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Het is een ontheffing van een aanwijzingsbesluit van het college dat het op een bepaalde plaats verboden is om hinderlijke of schadelijke dieren te houden. Dit wil zeggen dat er op een bepaalde plaats toch dieren gehouden mogen worden. Dit is een ontheffing die zelden voorkomt en locatie specifiek is. De aard van het besluit op de aanvraag is goed in te schatten. De lex silencio positivo kan daarom goed worden toegepast. Door in het eerste lid de zinsnede " buiten een activiteit zoals benoemd in artikel 5.58 Bkl,” op ten nemen wordt de afbake- ning met de Omgeivngswet direct vastgelegd.
Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de con- structie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van be- paalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Voor zover het college bij een aanwijzing die be- trekking heeft op gedeelten van de gemeente bevoegd is verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Omgevingswet, waarin regels worden gegevens ter bescherming van dieren. Artikel 5:1 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuur- werk wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding daarvan in de Nederlandse volkscultuur.
Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van consumenten- vuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met rieten daken, in winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van consumentenvuurwerk altijd verboden is. Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of een volksverzameling. Artikel 5:2 Carbidschieten De achterliggende gedachte van dit artikel is om handhavend te kunnen optreden tegen carbidschieten. In landelijke regel- geving is hier niets over geregeld. In onze gemeente is er een aantal locaties bekend waar jaarlijks in groepsverband met carbid wordt geschoten (zowel binnen- als buiten de bebouwde kom). Op basis van inventarisatie van plaatsen in de gemeente (door gemeente en politie) waar met carbid wordt geschoten zal een apart aanwijzingsbesluit met toegestane locaties door college worden aangewezen waar carbidschieten onder voor- waarden is toegestaan. Tijdstip Het tijdstip wijkt af van het tijdstip van het afsteken van vuurwerk.
Gezien het bij carbidschieten om de knal en niet zozeer een siervuur in de lucht gaat is gekozen voor een ontheffing op 31 december van 10.00 tot 20.00 uur. Ook gezien de veilig- heid (vroeg donker) en rusttijden voor huisdieren en ouderen/omwonenden. Artikel 6:1 Aanwijzing collectieve festiviteiten Bruidsschat In hoofdstuk 22 van het Omgevingsplan Steenwijkerland staat de bruidsschat verwerkt. Om strijdigheden met artikel 6:1 van deze verordening te voorkomen wordt artikel 22:73 van het Omgevingsplan Steenwijkerland uitgezet. Eerste lid De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit het omgevingsplan. Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele-, sport- en recrea- tieve manifestaties. In artikel 6:1 van de verordening is de uitvoering van de regeling neergelegd bij het college. Er hoeft dus niet jaarlijks een raadsbesluit te worden genomen om te bepalen welke feesten als collectieve festiviteiten worden aangewezen. Het ver- dient aanbeveling dat het college jaarlijks – in samenspraak met het plaatselijke bedrijfsleven – vaststelt op welke data de betreffende voorschriften uit het omgevingsplan niet van toepassing zijn. Voor de collectieve dagen is geen begrenzing voor het aantal dagen opgenomen.
Vaak zal er toch behoefte zijn om vooraf een bepaald maximum aantal festiviteiten vast te stellen. Dit maximum zou door het college kunnen worden vastgelegd in een beleidsregel. Als de gemeenteraad dit zelf wenst te bepalen, dan dient het maximum te worden vastgelegd in de verordening zelf. Tweede lid Volgens artikel 22.239 van het Omgevingsplan Steenwijkerland moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij collectieve festiviteiten staat in artikel 22.239, tweede lid, onder c, van het Omgevingsplan Steenwijkerland. Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die bui- ten de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit is een sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen. Ook hier verdient het aanbeveling het college - in samenspraak met de plaatselijke sportverenigingen - vast te laten stellen op welke data de betreffende beperkingen niet van toepassing zijn. In het omgevingsplan wordt net als voor de festiviteiten als bedoeld in het eerste lid geen maximum gesteld voor het aantal collectieve festiviteiten.
Derde lid De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen. De gemeenteraad kan het grondgebied van de gemeente in de verordening bijvoorbeeld verdelen naar verschillende dorpskernen of wijken. De vaststelling van deze gebieden dient plaats te vinden in een apart besluit waarop bezwaar en beroep volgens de Awb mogelijk is. Van deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt tijdens carnaval, ker- missen of culturele-, sport- en recreatieve manifestaties. Bij de vaststelling van deze gebieden moet er wel rekening mee worden gehouden dat deze de strekking van de regeling niet ondermijnt. Het onderscheid tussen collectieve en incidentele festiviteiten moet duidelijk blijken. Gebiedsdifferentiatie betekent ook dat het aantal aangewezen dagen of dagdelen per gebied kan verschillen. Zesde tot en met het achtste lid De Omgevingswet biedt gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de collectieve festiviteiten en activiteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat in artikel 22.63 van het Omge- vingsplan Steenwijkerland. Hierin wordt wel duidelijk gesteld dat het moet gaan om voorwaarden ter voorkoming van ge- luidhinder.
De voorwaarden kunnen gaan over bijvoorbeeld beperking van het geluidsniveau, het bepalen van het eindtijdstip of ge- dragsvoorschriften. De keuze om bepaalde voorschriften wel of juist niet op te nemen in de verordening is afhankelijk van de lokale situatie en bestuurlijke prioriteiten. Wanneer er veel (horeca- of andere) activiteiten dicht bij geluidgevoelige functies en ruimten zoals woonwijken liggen kan het wenselijk zijn om beperkende voorwaarden op te nemen. Anderzijds kan ook gekozen worden om bedrijven meer geluidsruimte te geven en geen voorwaarden in de verordening op te nemen. Het cluster milieu van de afdeling vergunningen, toezicht en handhaving adviseert het geluidsniveau te bepalen op 60 dB(A). Bij enkele gemeenten wordt mogelijk een aanvullende norm opgenomen voor lagere frequenties (gesteld in dB(C). De reden voor een geluidsnorm met gebruik van een C-filter is het effect van lage bastonen bij hogere geluidsniveaus. Bij de C-filter worden deze lage frequenties sterker worden meegewogen dan bij een A-filter vanwege de problematiek met lage geluidsfrequenties. Een andere mogelijkheid is, als woningen op grotere afstand van de inrichtingen liggen, een ge- luidsnorm op een vaste, kortere afstand van de inrichtingen op te nemen. In het zevende lid wordt gesproken over onversterkte muziek.
Onversterkte muziek is in principe uitgezonderd bij het be- palen van de geluidsniveaus. De reden hiervoor is dat maatregelen ter beperking van de geluidsemissies moeilijk zijn. Dit betekent dat voor onversterkte muziek in principe geen maximum geluidsnorm geldt. De reguliere geluidsnormen gelden niet bij festiviteiten, waardoor bedrijven dan meer geluid mogen produceren. Om de omgeving enige bescherming te bie- den en geluidniveaus van onversterkte muziek bij festiviteiten te begrenzen is onversterkte muziek meegenomen in de ge- luidsnorm. Bij de bepaling van het geluidsniveau wordt in het zevende lid de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid buiten beschou- wing gelaten. Toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid bij horecabedrijven die bijvoorbeeld om 1.00 uur sluiten brengt met zich mee dat het geluidsniveau in de nachtperiode hoger mag zijn door correctie voor de resterende nachtperiode. Omdat dit niet wenselijk is, is toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid niet toegestaan. In het achtste lid is een eindtijdstip voor muziekgeluid vastgesteld om te voorkomen dat feesten bij bedrijven zonder wet- telijke sluitingstijden (theoretisch) de hele nacht door kunnen gaan.
Het cluster milieu van de afdeling vergunningen, toe- zicht en handhaving heeft ten aanzien van dit lid aangegeven wanneer het ten gehore brengen van extra muziek moet wor- den beëindigd. Artikel 6:2 Melding incidentele festiviteiten Bruidsschat In hoofdstuk 22 van het Omgevingsplan Steenwijkerland staat de bruidsschat verwerkt. Om strijdigheden met artikel 6:2 van deze verordening te voorkomen wordt artikel 22:73 van het Omgevingsplan Steenwijkerland uitgezet. Eerste lid De gemeenteraad kan bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop individuele inrichtingen voor inci- dentele festiviteiten vrijstelling kunnen verkrijgen van de geluidsnormen. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een “vroege vogels”-toernooi. In artikel 22:73, eerste lid, onder a, van het Om- gevingsplan Steenwijkerland is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar betreft. Het betreft een maximum: de raad heeft de bevoegdheid om, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, in dit artikel het aantal te verlagen.
In het onderhavige artikel dient de raad in de ver- ordening te bepalen hoeveel incidentele festiviteiten per inrichting maximaal zijn toegestaan in de gemeente. Het maxi- mum aantal van 12 incidentele festiviteiten is ongewijzigd in vergelijking met de vorige regeling voor horeca-, sport- en recreatie-activiteiten. In de verordening is het maximum bepaald op 12. Tweede lid Volgens artikel 22:239 van het Omgevingsplan Steenwijkerland moet bij activiteiten de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 22.239 kan hiervan worden afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een “vroege vogels”-toernooi. Volgens het artikel is het maxi- mum aantal dagen waarvoor de beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar. Kort- heidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid.
Ook bij gebruik van artikel 22.239, tweede lid blijft de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en duisterte voor de sportinrichtingen gelden, al is enige mate van hinder is bij incidentele activiteiten aanvaardbaar. De beoordeling of sprake is van onaanvaardbare lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is aan het bevoegd gezag. Zesde tot en met het negende lid Hoofdstuk 22 van het Omgevingsplan biedt gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de incidentele festiviteiten. Voor de algemene toelichting over de mogelijkheid om voorwaar- den te stellen bij festiviteiten en de toelichting bij het zesde tot en met het achtste lid wordt kortheidshalve verwezen naar bovenstaande toelichting bij artikel 6:1, zesde tot en met het achtste lid. Met betrekking tot het zesde lid heeft het cluster milieu van de afdeling vergunningen, toezicht en handhaving geadviseerd het equivalente geluidsniveau LAeq te bepalen op 60 dB(A). Voorts heeft dit cluster ten aanzien van het zevende lid aange- geven wanneer het ten gehore brengen van extra muziek wordt beëindigd. Gezien het karakter van de viering van oud en nieuw in de nacht van 31 december op 1 januari is het eindtijdstip voor het ten gehore brengen van extra muziek vastgesteld op 04.00 uur.
In het negende en tiende lid wordt de mogelijkheid om muziekgeluid te produceren bij een festiviteit beperkt tot binnen de gebouwen van de inrichting. Gebouwen hebben over het algemeen een bepaalde geluiddempende werking. Op het buiten- terrein zijn minder mogelijkheden voor het beperken van geluidemissies. Daarbij is het zo dat de regeling niet langer alleen geldt voor horeca, sport- en recreatie-inrichtingen maar ook voor alle andere type A- en B-inrichtingen, wat met name een belasting kan geven voor woningen met diverse bedrijven in de omgeving die op verschillende momenten festiviteiten or- ganiseren. Voor muziekgeluid op buitenpodia of het buitenterrein van horecagelegenheden bij evenementen, kan dit in de evenementenvergunning worden geregeld. Artikel 6:3 Onversterkte muziek Het artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit activiteiten in de zin van artikel 22:62 van het Omgevingsplan Steenwijkerland. In hoofdstuk 22 van het Omgevingsplan Steenwijkerland is onversterkte muziek uitgezonderd van de algemene geluidsniveaus. Gemeenten hebben, in artikel 22:70, eerste lid, onder i, van het Omgevingsplan Steenwijkerland, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor onversterkte muziek regels op te nemen in de verordening.
Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke wijze te worden beschermd. De geluidwaarden kunnen door de gemeenten zelf worden bepaald. Het kan zijn dat u er de voorkeur aan geeft hogere waarden vast te stellen, bijvoorbeeld vanwege oude, meer gehorige panden. Deze keuze is aan de gemeente. Artikel 6:4 Overige geluidhinder Het gaat hier om een ontheffing op het verbod op de vormen van geluidhinder waarin andere regelingen niet voorzien, zoals nachtelijke bouwwerkzaamheden, lawaaiige hobby’s, het gebruik van electro- of akoestische apparatuur, etc. Hoewel de beoordeling van de ontheffingsaanvraag specifiek en maatwerk is, kan de lex silencio positivo worden toege- past, omdat de aard van het besluit op de aanvraag makkelijk kan worden ingeschat. Afbakening Door in het eerste lid de zinsnede “een activiteit zoals benoemd in artikel 5.58 Bkl” op te nemen wordt de afbakening di- rect vastgelegd. Een activiteit in de zin van het Besluit kwaliteit leefomgeving heeft ofwel een omgevingsvergunning voor milieu nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) ofwel zijn algemene regels op grond van het Besluit van toepas- sing. In deze algemene regels zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.
In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Omgevingswet, Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit en de provin- ciale omgevingsverordening een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is gekozen om deze wetten afzonderlijk te be- noemen in lid 3. De provinciale omgevingsverordening is toegevoegd in het derde lid. In een provinciale omgevingsverordening kunnen na- melijk zogenaamde milieubeschermingsgebieden worden aangewezen, waaronder stiltegebieden. Voor deze stiltegebieden kunnen bij provinciale omgevingsverordening regels over het voorkomen en beperken van geluidhinder worden gesteld, waaronder verbodsbepalingen. De provinciale omgevingsverordening gaat in dit geval voor de gemeentelijke verordening. Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepa- lingen van de verordening van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verorde- ning wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Artikel 6:4 van de verordening heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien.
Onder andere valt te denken aan: - een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.; - het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen; - het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; - het gebruik van diverse geluid producerende recreatietoestellen; - het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen; - het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz.; - overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat. Voorts kunnen onder artikel 6:4 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro-akoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nage- gaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen.
Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften. Bedacht moet worden bedacht dat klachten over vormen van geluidhinder nogal eens een minder goede verstandhouding tussen buren of omwonenden als achtergrond hebben. Normale handelingen worden dan eerder als (geluid)hinderlijk erva- ren, terwijl men minder geneigd is aan een afdoende oplossing mede te werken. Artikel 7:1 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Deze bepaling behoeft geen nadere toelichting. Artikel 8:1 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden De vergunning voor het vellen van houtopstanden is aangewezen in dit artikel. Vaak zal naast deze omgevingsvergunning nog een ontheffing op grond van de Omgevingswet nodig zijn in verband met de bescherming van vogels en hun nesten in de bomen. Eerste lid (kapvergunning) Het eerste lid introduceert het vergunningenstelsel. De bepaling heeft voornamelijk ten doel juist een bepaalde boom of groep van bomen uit oogpunt van behoud van natuurwaarde, landschappelijke waarde, stads- en dorpsschoon of leefbaar- heid te sparen. Met een herbeplanting is men zelden gebaat. Het is dus zaak een maximale bescherming te scheppen.
Deze geeft het vergunningenstelsel in grotere mate een het meldingssysteem. In deze verordening wordt daarom een vergun- ningenstelsel gehanteerd, wat inhoudt dat er een algemeen kapverbod geldt, behoudens daartoe verkregen vergunning. Tweede lid, onderdelen a tot en met d Het tweede lid geeft een groep uitzonderingen op het in het eerste lid gestelde verbod. Hiertoe behoren onder andere wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit niet-geknotte populieren of wilgen. Tweede lid, onderdeel e (uitzondering voor dunning) Geen vergunning is vereist voor het vellen van houtopstand bij wijze van dunning, indien de doorsnede van de te vellen houtopstand een kleinere diameter heeft dan 40 centimeter. Tweede lid, onderdeel f De gemeenteraad is niet bevoegd regels te stellen ter bewaring van bossen en andere houtopstanden die gelegen zijn bui- ten de bebouwde kom (tenzij op erven en in tuinen of het een zelfstandige eenheid betreft van minder dan 10 are of een zelfstandige rijbeplanting van minder dan 20 bomen). Met het oog op het bestaan van verscheidene bebouwde kommen in de gemeente worden - de woorden ‘gelegen buiten een bebouwde kom’ gebruikt. Tweede lid, onderdeel g (uitzondering voor o.a.
iepziektebestrijding) Onderdeel g ziet op het geval dat bomen moeten worden geveld ter bestrijding van de iepziekte of in het kader van een instandhoudingsplicht dan wel krachtens (andere) bepalingen van de verordening, bijvoorbeeld in verband met de ver- keersveiligheid. Derde lid, noodkap Dit lid bestaat in verband met de behoefte aan een duidelijke bevoegdheid om bij onmiddellijk gevaar het kapverbod bui- ten werking te stellen. Artikel 8:2 Weigeringsgronden Over de afweging van belangen is inmiddels uitgebreide jurisprudentie ontstaan, die in het algemeen positief uitwerkt voor het behoud van bomen. Onder meer blijkt dat bomen niet zonder meer moeten wijken voor economische belangen, zoals het beter bewerkbaar zijn van akkers of het voorkomen van water- en voedselonttrekking of schaduwwerking. Niet alleen de visuele eigenschappen, maar ook andere kwaliteiten van een houtopstand kunnen aanleiding geven tot het weigeren van een kapvergunning. In de jurisprudentie worden als toetsingscriteria onder andere aangetroffen: - natuurwaarde; - landschappelijke waarde; - waarde voor stads- en dorpsschoon; - beeldbepalende waarde; - cultuurhistorische waarde; - waarde voor leefbaarheid.
Aan de hand van deze criteria kan bijvoorbeeld rekening worden gehouden met: - de recreatieve waarde van een op zichzelf lelijke klimboom, die bij de jeugd als speelobject waardering ondervindt; - de belevingswaarde van houtopstand vanuit cultuurhistorisch of planologisch oogpunt of wegens ouderdom of situering; - de natuurwetenschappelijke betekenis van houtopstand, bijvoorbeeld doordat daarop zeldzame epifytische of ter- restrische planten groeien, hetzij hogere planten dan wel mossen of korstmossen, de luchtzuiverende kwaliteiten, de invloed op de bodemhuishouding en het microklimaat en de nestel- of schuilgelegenheid voor bepaalde dier- soorten. Voor de beoordeling van deze eigenschappen kunnen van belang zijn de (stam) omvang van de boom, de plantwijze (al- leenstaand of in groepen), de standplaats (tussen de bebouwing of in het buitengebied), de soort (snelgroeiend of lang- zaam groeiend. Deze begrippen zijn niet nauwkeurig te omschrijven. De hier gegeven opsomming is bovendien niet uitputtend. Wel zal elke keer weer een afweging moeten worden gemaakt van alle betrokken belangen.
Een kapvergunning zal bijvoorbeeld in het algemeen moeten worden verleend, wanneer: - het gaat om het vellen van de houtwallen waarvan het gebruikelijk is dat deze bij gedeelten periodiek worden ‘af- gezet’, dat wil zeggen, geveld om een geleidelijke verjonging mogelijk te maken; - het gaat om het vellen van een waardevolle boom die een ernstig gevaar vormt voor de openbare veiligheid, bij- voorbeeld wegens het risico van omwaaien of het belemmeren van het uitzicht voor het verkeer; - de bezwaren, die de bewoners van woningen ondervinden wegens het belemmeren van licht en lucht, de vochtig- heid van de woning, het verstopt raken van goten, enz., zwaarder wegen dan de waarde van de houtopstand. Verder moet gedacht worden aan een beleid op lange termijn. Het is beter bepaalde houtopstanden geleidelijk te vernieu- wen en te verjongen, dan op een kwade dag voor het onontkoombare feit te staan dat die houtopstanden geheel moeten worden ‘afgeschreven’. Een al te starre toepassing van dit artikel kan fnuikend zijn voor de bereidheid van de burger om uit eigen beweging bomen aan te planten: hij zou immers terecht kunnen vrezen ’er voor eeuwig aan vast te zitten’. Tweede lid De in het eerste lid genoemde weigeringsgronden zullen middels door het college vast te stellen nadere regels verder wor- den uitgewerkt.