Aanvullend verkennend bodemonderzoek asbest.pdf
Tekst van het document
5.2.2 Zintuiglijke waarnemingen De bodem bestaat voornamelijk uit matig siltig, zeer fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak hu- meus. De ondergrond is plaatselijk zwak gleyhoudend. De bovengrond ter plaatse van het kavelpad is plaatselijk zwak tot matig puinhoudend. Verder is de bovengrond zeer plaatselijk zwak aardewerkhoudend. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Tabel II geeft een overzicht van de zintuiglijk waargenomen verontreinigingen, die in het opgeboorde materiaal zijn aan- getroffen. Tabel II. Zintuiglijk waargenomen verontreinigingen Boornummer Einddiepte boring (m -mv) Traject (m -mv) Waargenomen verontreinigingen 16 2,0 0,3-0,9 zwak aardewerkhoudend 22 0,5 0,0-0,2 zwak puinhoudend 23 2,0 0,0-0,8 matig puinhoudend Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de bodem ter plaatse van het onverharde kavelpad, puin(resten) aangetroffen. Dit maakt dit deel van de onderzoekslocatie asbestverdacht. Hierbij wordt opgemerkt dat gelet op de doelstelling van het onderzoek de veldwerkzaamheden niet conform de NEN 5707 ("Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond") zijn uitgevoerd. De uitkomst van het onderzoek is met betrekking tot de parameter asbest derhalve indicatief.
Rapport 10489.003 versie D1 Pagina 7 van 13 5.3 Grondwateronderzoek 5.3.1 Uitvoering veldwerk Stroomafwaarts en stroomopwaarts op de onderzoekslocatie zijn 2 peilbuizen (filterstellingen 2,95- 3,95 m -mv) geplaatst. De filterstelling is bepaald op basis van de grondwaterstand, zoals deze tij- dens de veldwerkzaamheden op 9 augustus 2019 is ingeschat. 5.3.2 Bemonstering De grondwaterbemonstering is op 22 augustus 2019 uitgevoerd door de heer T. Willems. Deze me- dewerker van Econsultancy staat geregistreerd als ervaren veldwerker voor het protocol 2002 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek". De bemonstering is uitgevoerd conform de eisen uit het protocol 2002 van de BRL SIKB 2000 en de NEN 5744:2011. Tabel III geeft een overzicht van de peilbuisgegevens en de resultaten van de veld- metingen. Tabel III.
Overzicht gegevens peilbuizen en veldmetingen grondwater Peilbuis- nummer Situering peilbuis Filterstelling (m -mv) Grondwaterstand (m -mv) Elektrisch Gelei- dingsvermogen (µS/cm) Troebelheid (NTU) Zuurgraad (pH) 13 kavelpad stroomopwaarts op onderzoekslocatie 2,95-3,95 2,43 334 128 5,5 18 stroomafwaarts op onderzoekslocatie 2,95-3,95 2,29 729 6,3 4,1 Rapport 10489.003 versie D1 Pagina 8 van 13 6 LABORATORIUMONDERZOEK 6.1 Uitvoering analyses Alle grond- en grondwatermonsters zijn aangeboden aan een laboratorium dat is erkend door de Raad voor Accreditatie en AS3000- geaccrediteerd is voor milieuhygiënisch bodemonderzoek. De grondmengmonsters en de grondwatermonsters zijn geanalyseerd op de volgende pakketten: - standaardpakket grond: droge stof, lutum en organische stof, metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, mo- lybdeen, nikkel en zink), polychloorbifenylen (PCB), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en minerale olie; - standaardpakket grondwater: metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromaten (BTEX), styreen, naftaleen, gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX) en minerale olie. Na het bekend worden van de analyseresultaten zijn de individuele grondmonsters, waaruit grond- mengmonster MM3 (bovengrond) is samengesteld, separaat geanalyseerd op de parameter kwik.
Tabel IV geeft een overzicht van de samenstelling van de grondmengmonsters en de analysepakket- ten. Tabel IV. Overzicht van de samenstelling van de grondmengmonsters en de analysepakketten Grondmeng- monster Traject (cm -mv) Analysepakket Bijzonderheden MM1 01 (0-50) + 02 (0-30) + 04 (0-50) + 05 (0-30) + 06 (0-30) + 07 (0-50) standaardpakket bovengrond (zintuiglijk schoon) MM2 08 (0-50) + 09 (0-50) + 10 (20-50) + 11 (0-50) + 14 (20-50) + 15 (0-50) standaardpakket bovengrond (zintuiglijk schoon) MM3 16 (0-30) + 17 (0-50) + 19 (0-50) + 20 (0-30) + 21 (0-50) + 24 (0-50) standaardpakket bovengrond (zintuiglijk schoon) MM4 22 (0-20) + 23 (0-50) + 23 (50-80) standaardpakket kavelpad bovengrond (zwak tot matig puinhoudend) MM5 03 (80-130) + 09 (100-150) + 16 (90-140) + 18 (80-100) + 23 (80-120) standaardpakket ondergrond (zintuiglijk schoon) MM6 03 (160-200) + 09 (150-200) + 13 (170-200) + 16 (140-190) + 18 (130-180) standaardpakket ondergrond (zintuiglijk schoon) 6.2 Toetsingskader De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering en aan de achtergrondwaarden voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, tabel 1).
Dit toetsingskader voor de beoordeling van de gehalten en/of concentraties van verontreinigingen is gegeven in de toet- singstabel en bevat voor grond en grondwater elk drie te onderscheiden waarden met de verschillen- de niveaus: - achtergrondwaarde: deze waarde ("AW") geeft de gehalten aan zoals die op dit moment voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lo- kale verontreinigingsbronnen; Rapport 10489.003 versie D1 Pagina 9 van 13 - streefwaarde: deze waarde ("S") geeft het milieukwaliteitsniveau aan voor grondwater, waarbij als nadelig te waarderen effecten verwaarloosbaar worden geacht; - tussenwaarde: deze waarde ("T") is de helft van de som van de achtergrondwaarde (of in het geval van grondwater de streefwaarde) en de interventiewaarde. De tussenwaarde is de concentratie- grens waarboven in beginsel nader onderzoek moet worden uitgevoerd, omdat het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat; - interventiewaarde: deze waarde ("I") geeft het niveau voor verontreinigingen in grond en grondwater aan waarbo- ven ernstige vermindering of dreigende vermindering optreedt van de functionele eigenschap- pen, die de bodem heeft voor mens, plant of dier. Bij gehalten en/of concentraties boven de in- terventiewaarde is er sprake van een sterke verontreiniging.
Bij overschrijding van de interven- tiewaarde wordt vaak een nader onderzoek uitgevoerd om de ernst van de verontreiniging en de spoedeisendheid van de sanering te bepalen. Wanneer het boven de tussenwaarde of in- terventiewaarde gelegen gehalte een natuurlijke oorsprong heeft, is uitvoering van vervolg- onderzoek meestal niet noodzakelijk. In bijlage 5 is de toetsingstabel opgenomen uit de eerder genoemde circulaires. Deze bijlage bevat de achtergrondwaarden en de interventiewaarden voor een standaardbodem (10% organische stof en 25% lutum). De gemeten gehalten zijn door middel van een BoToVa-toetsing, met behulp van de door het laboratorium bepaalde waarden voor het organische stof- en lutumgehalte, omgerekend naar gehalten in een standaardbodem en vervolgens getoetst. De gebruikte analysetechnieken zijn weer- gegeven op de certificaten in bijlage 4a. Om de mate van verontreiniging aan te geven wordt de vol- gende terminologie gebruikt: Grond: - niet verontreinigd: gehalte < achtergrondwaarde en/of detectielimiet; - licht verontreinigd: gehalte > achtergrondwaarde en < tussenwaarde; - matig verontreinigd: gehalte > tussenwaarde < interventiewaarde; - sterk verontreinigd: gehalte > interventiewaarde.
Grondwater: - niet verontreinigd: concentratie < streefwaarde en/of detectielimiet; - licht verontreinigd: concentratie > streefwaarde en < tussenwaarde; - matig verontreinigd: concentratie > tussenwaarde < interventiewaarde; - sterk verontreinigd: concentratie > interventiewaarde. Rapport 10489.003 versie D1 Pagina 10 van 13 6.3 Resultaten grond- en grondwatermonsters Tabel V geeft een overzicht van de parameters in de grond die de geldende toetsingskaders over- schrijden. Tabel V. Overschrijdingen toetsingskaders grond Grondmeng- monster Traject (cm -mv) Gehalte > AW (licht verontreinigd) Gehalte > T (matig verontreinigd) Gehalte > I (sterk verontreinigd) MM1 01 (0-50) + 02 (0-30) + 04 (0-50) + 05 (0-30) + 06 (0-30) + 07 (0-50) - - - MM2 08 (0-50) + 09 (0-50) + 10 (20-50) + 11 (0-50) + 14 (20-50) + 15 (0-50) - - - MM3 16 (0-30) + 17 (0-50) + 19 (0-50) + 20 (0-30) + 21 (0-50) + 24 (0-50) - kwik - 16-1 16 (0-30) - - - 17-1 17 (0-50) - - - 19-1 19 (0-50) - - - 20-1 20 (0-30) - - - 21-1 21 (0-50) - - - 24-1 24 (0-50) - - - MM4 22 (0-20) + 23 (0-50) + 23 (50-80) cadmium koper lood zink minerale olie MM5 03 (80-130) + 09 (100-150) + 16 (90-140) + 18 (80-100) + 23 (80-120) - - - MM6 03 (160-200) + 09 (150-200) + 13 (170-200) + 16 (140-190) + 18 (130-180) - - - Tabel VI geeft een overzicht van de parameters in het grondwater die het geldende toetsingskader overschrijden. Tabel VI.
Overschrijdingen toetsingskader grondwater Grondwater- monster Situering peilbuis Concentratie > S (licht verontreinigd) Concentratie > T (matig verontreinigd) Concentratie > I (sterk verontreinigd) 13-1-1 kavelpad stroomopwaarts op onderzoekslocatie barium nikkel - - 18-1-1 stroomafwaarts op onderzoekslocatie cadmium koper zink - barium Bijlage 4a bevat de door het laboratorium aangeleverde analysecertificaten. Bijlage 4b bevat de ge- toetste analyseresultaten. Rapport 10489.003 versie D1 Pagina 11 van 13 6.4 Interpretatie analyseresultaten De zintuiglijk schone bovengrond is in het algemeen niet verontreinigd. In het mengmonster MM3 van de zintuiglijk schone bovengrond is in eerste instantie een matig verhoogd gehalte kwik gemeten. In de individuele monsters zijn geen verhoogde gehalten kwik aangetroffen. Vermoedelijk betreft het verhoogde gehalte kwik in het mengmonster MM3 een toevalstreffer. De zintuiglijk zwak tot matig puinhoudende bovengrond ter plaatse van het kavelpad is licht verontrei- nigd met cadmium, koper, lood, zink en minerale olie. In de zintuiglijk schone ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met barium, nikkel, cadmium, koper en/of zink. Plaat- selijk is de concentratie barium in het grondwater sterk verhoogd gemeten.
Deze metaalverontreini- gingen zijn waarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Ter verificatie is het aan te bevelen het grondwater uit peilbuis 18 opnieuw te be- monsteren en te (her)analysen op de parameter barium. Rapport 10489.003 versie D1 Pagina 12 van 13 7 SAMENVATTING, CONCLUSIES EN ADVIES Rho Adviseurs voor leefruimte heeft aan Econsultancy opdracht verleend voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek op de locatie Onderduikersweg 2 te De Bult (Steenwijk). Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen grondtransactie en bestem- mingsplanwijziging van de onderzoekslocatie. Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie grotendeels onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV-NL). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. Ter plaatse van het onverharde kavelpad is geconcludeerd, dat dit deel van de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met plaatselijk bodembelasting en met een duidelijke veront- reinigingskern" (VEP). Er zijn op basis van het vooronderzoek en tijdens de terreininspectie geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.
De bodem bestaat voornamelijk uit matig siltig, zeer fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak hu- meus. De ondergrond is plaatselijk zwak gleyhoudend. De bovengrond ter plaatse van het kavelpad is plaatselijk zwak tot matig puinhoudend. Verder is de bovengrond zeer plaatselijk zwak aardewerk- houdend. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie geen as- bestverdachte materialen aangetroffen. De zintuiglijk schone bovengrond is in het algemeen niet verontreinigd. In het mengmonster MM3 van de zintuiglijk schone bovengrond is in eerste instantie een matig verhoogd gehalte kwik gemeten. In de individuele monsters zijn geen verhoogde gehalten kwik aangetoond. Vermoedelijk betreft het verhoogde gehalte kwik in het mengmonster MM3 een toevalstreffer. De zintuiglijk zwak tot matig puinhoudende bovengrond ter plaatse van het kavelpad is licht verontreinigd met cadmium, koper, lood, zink en minerale olie. In de zintuiglijk schone ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetrof- fen. Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met barium, nikkel, cadmium, koper en/of zink. Plaat- selijk is de concentratie barium in het grondwater sterk verhoogd gemeten. Deze metaalverontreini- gingen zijn waarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater.
Gelet op het vermoedelijk regionale karakter van de lichte tot sterke metaalveront- reinigingen in het grondwater en het ontbreken van verontreinigingen in de grond kan het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie als "onverdacht" ten opzichte van haar omgeving worden be- schouwd. Conclusie en advies De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie grotendeels als "onverdacht, niet lijnvormig" kan worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er voor wat betreft het deel van de locatie dat als weiland in gebruik is, géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwa- liteit van de bodem géén belemmeringen voor de voorgenomen grondtransactie en bestem- mingsplanwijziging van de onderzoekslocatie. Rapport 10489.003 versie D1 Pagina 13 van 13 De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie ter plaatse van het kavelpad als "verdachte locatie met plaatselijk bodembelasting en met een duidelijke verontreinigingskern " dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor e en nader onderzoek.
Er zijn bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden ter plaatse van het kavelpad echter aanwijzingen gevonden, namelijk het plaat- selijk aantreffen van puin(resten) in de bodem, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten, waardoor Econsultancy adviseert een onderzoek asbest in bodem conform de NEN 5707 uit te voeren. In het kader van de grondtransactie kan gesteld worden dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem bij ongewijzigd gebruik niet tot gebruiksbeperkingen of gezondheidsrisico's zal leiden. Ook bij het aanvragen van een bouwvergunning in de nabije toekomst zullen, met het huidige beleid en de huidige normen, de aangetoonde verontreinigingen geen bezwaar vormen. Derhalve bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, volgens Econsultancy, geen belemmerin- gen voor de voorgenomen grondtransactie van de onderzoekslocatie. Algemeen Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Econsultancy Zwolle, 3 oktober 2019