Aanvullend ecologisch onderzoek 13-1-2022 Dwarsgracht 13, Giethoorn.pdf
Tekst van het document
- MEMO Memo DATUM 13 januari 2021 KENMERK 20211633 VAN Mink Enthoven AAN Bevoegd gezag CC PROJECT Dwarsgracht 13, Giethoorn OPDRACHTGEVER H.J.M. Brouwer AANWEZIG AFWEZIG BIJLAGE(N) BUREAUSTUDIE ECOLOGIE – EFFECTEN VAN DE BOUWFASE 1. INLEIDING Initiatiefnemer is voornemens de activiteiten van een reparatiebedrijf (rietmachines en buitenboordmotoren) rondom het perceel Dwarsgracht 13 te beëindigen /verplaatsen naar locatie elders. Daarmee komt er ruimte op het perceel voor een extra woning. Gezien de ligging van het perceel direct naast beschermde natuur, zie hoofdstuk 4, is het van belang dat vooraf duidelijk in beeld wordt gebracht wat de gevolgen zijn voor de natuur. De ontwikkeling valt onder te verdelen in een sloopfase, bouwfase en een gebruiksfase. Met betrekking tot de sloopfase is reeds een ecologische quickscan verricht en gevolgen voor de gebruiksfase worden behandeld in de uitwerking van het thema stikstof. In de uitwerking van het thema stikstof wordt tevens ingegaan op de mogelijke effecten van de bouwfase als het gaat om stikstofdepositie. Uit de verrichte ecologische quickscan (bijlage bij het bestemmingsplan) blijkt dat er tijdens de sloop geen effecten te verwachten zijn op beschermde natuurwaarden, mits deze wordt uitgevoerd buiten het broedsei- zoen.
Daarnaast is de natuur dynamisch dus kunnen er altijd toch nog beschermde soorten worden aangetroffen tijdens de werkzaamheden. Als dat gebeurt dienen de werkzaamheden te worden stilgelegd en moet een ecologische deskundige wor- den ingeschakeld om het proces verder te begeleiden. Resterend dient te worden onderzocht wat de gevolgen zijn van de bouw van de woning, het boothuis en het verlengen van de watergang. In deze memo wordt ingegaan op de effecten van deze werkzaamheden op beschermde natuurwaarden. Eerst wordt de aard van de werkzaamheden en het wettelijk kader beschreven, dan worden de werkzaamheden getoetst aan de kaders van gebiedsbescherming en vervolgens aan de kaders van soortbescherming binnen de Wet natuurbescherming. 2/7 2. BEOOGDE ONTWIKKELING Waar momenteel een bedrijfswoning en bedrijfsbebouwing is gevestigd, komen in de nieuwe situatie twee bouwvlakken geschikt voor woningen. Ook wordt het water aan de zuidzijde van het erf doorgetrokken zodat het perceel met nummer 13A ook grenst aan de watergang. In onderstaande figuur is de uitwerking van het inpassingsplan weergegeven. De onder- delen van de ontwikkeling waar het hier om gaat staan weergegeven bij de nummers 4, 9 en 11. Figuur 1.1 Inpassingsplan met de beoogde watergang (9) en het beoogde woonhuis met boothuis (4 en 11) Ook onderdeel van de ontwikkeling is ecologische inpassing.
Met de ontwikkeling wordt een deel ingericht om aan te sluiten bij de natuurlijke waarden van het naastgelegen Natura 2000-gebied ‘De Wieden’. Aan de westzijde van het perceel nummer 13 wordt een geleidelijke overgang gemaakt naar het natuurgebied. Deze overgang zal bestaan uit kruidenrijk grasland (ex- tensief beheer) met middenin een bosschage bestaande uit ecologisch waardevolle soorten zoals de zwarte els, zachte berk en grauwe wilg. De boompjes zullen conform het beplantingsplan aangeplant worden als bosplantsoen. Verder worden erf- afscheidingen ingericht met beplanting en komt er een hoogstamfruitboomgaard met diverse soorten in de achtertuin van het perceel 13A. Hiermee wordt het plangebied ingericht met (op termijn) biotopen geschikt voor een grote diversiteit aan soorten waaronder de steenuil en buizerd.
3/7 3. NATUURWETGEVING EN -BELEID In Nederland is alle natuurwetgeving ondergebracht onder één wet: de Wet natuurbescherming. Deze bes laat gebiedsbe- scherming, houtopstanden en soortbescherming. Voor gebiedsbescherming en soortbescherming is er onderscheid te maken tussen verschillende onderdelen. Hieronder is een verdere uitwerking gegeven. 3.1 Gebiedsbescherming & bescherming van houtopstanden Natura 2000-gebieden Dit zijn Europees beschermde gebieden vanwege bijzondere nat uurwaarden. Voor deze waarden gelden instandhoudings- doelen. Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming niet toegestaan zonder vergunning projecten te realiseren of anderszins te handelen op een wijze die de gestelde instandhoudings doelen in het geding brengt. Hiervoor bestaat een tweedeling van doelsoorten en doelhabitatten. Natuurnetwerk Nederland De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ en zijn uitgewerkt in de provinciale verordeningen. Het beleid voor de NNN is gericht op het behoud en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’-regime.
Dit betekent dat areaal van het NNN in principe niet gebruikt kan worden, tenzij aangetoond dat er geen negatieve effecten optreden als gevolg van een ontwikkeling. Houtopstanden Om houtopstanden te beschermen is in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming geregeld dat een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte beslaat van 10 a re of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen, bescherming geniet. Belangrijkste uitzon- dering is dat deze bescherming niet geldt voor houtopstanden binnen de bebouwde kom. Het kappen van bomen die wel onder het besluit vallen dient vooraf gemeld te worden bij Gedeputeerde Staten en er geldt een herplantplicht. 3.2 Soortbescherming Zorgplicht De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming en luidt als volgt: 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nal aten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000 -gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a.
dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. 4/7 Vogelrichtlijnsoorten & Habitatrichtlijnsoorten Vogelrichtlijn artikel 3.1: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn artikel 3.5: 1.
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten Naast de Europese bescherming van soorten kent de wet een artikel gericht op de specifiek in ons land beschermde soorten. Dit is Artikel 3.10: 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, ge- noemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke ver spreidingsge- bied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Provinciaal vrijgestelde soorten Naast Europese wetgeving en het Rijk heeft een provincie de bevoegdheid om de soorten waarnaar verwezen wordt in artikel 3.10 op een lijst van vrijstelling te zetten. Dat betekent dat deze soorten specifiek voor die provincie niet als beschermde soorten worden gezien. Voor de provincie Overijssel gaat het om deze soorten1. 1 Aardmuis, Bastaardkikker, Bosmuis, Bruine kikker, Dwergmuis, Dwergspitsmuis, Gewone bosspitsmuis, Gewone pad, Haas, Huisspitsmuis, Kleine watersalaman- der, Konijn, Meerkikker, Ondergrondse woelmuis, Ree, Rosse woelmuis, Tweekleurige bosspitsmuis, Veldmuis, Vos, Woelrat. 5/7 4. GEBIEDSBESCHERMING 4.1 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is gelegen vlakbij (aangrenzend) het Natuurnetwerk Nederland. De ontwikkeling blijft binnen het eigen per- ceel en daarmee buiten het natuurareaal. In de provincie Overijssel kent het Natuurnetwerk Nederland geen bescherming tegen externe werking.
In figuur 4.1 is de ligging van het plangebied weergegeven ten opzichte van het Natuurnetwerk Ne- derland. 4.2 Natura 2000-gebieden Het plangebied is gelegen binnen een kleine woningoase omgeven door het Natura 2000-gebied ‘De Wieden’ (figuur 4.2). De ontwikkeling blijft met alle werkzaamheden buiten de grenzen van het Natura 2000 -gebied. Hierdoor kunnen er enkel ex- terne effecten optreden. Van areaalverlies en versnippering zal geen sprake zijn. Figuur 4.1 Ligging plangebied t.o.v. NNN Figuur 4.2 Ligging plangebied t.o.v. ‘De Wieden’ Het verlengen van de watergang heeft mogelijk lokaal effecten op de waarden van het Natura 2000-gebied. Gezien het hier echter om natte natuur gaat en de waterkwaliteit naar verwachting van afdoende kwaliteit is worden er geen negatieve effecten verwacht. Mogelijk biedt het verlengen van de watergang tot aan het natuurgebied zelfs een gemakkelijkere ver- binding tussen het water van de Dwarsgracht en het achter de woningen gelegen grasland. Significante vermesting en/of verzuring kan redelijkerwijs worden uitgesloten vanwege de zeer tijdelijke aard van de ontwik- keling. Een verdere uitwerking voor het aspect stikstof is opgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan. Binnen het perceel zijn in de huidige situatie geen elementen aanwezig die gebruikt kunnen worden door doelsoorten van ‘De Wieden’.
Er is voor deze soorten geen sprake van foerageergebied, sla ap- en rustplaatsen of broedgelegenheid. Wel dient rekening te worden gehouden met lichtuitstraling richting het water langs de perceelsgrenzen. Mogelijk wordt het water gebruikt door de Habitatrichtlijn doelsoort meervleermuis om te foerageren. Door geen werkzaamheden te verrichten na zonsondergang kan verstoring tijdens werkzaamheden worden voorkomen. Verstoring anderzijds wordt niet verwacht gezien de tijdelijke aard en kleinschaligheid van de ontwikkeling. Bij de verrichte quickscan ecologie voor het plangebied zijn tevens geen aanwijzingen gevonden van gebruik van het plangebied door doelsoorten.
6/7 4.3 Houtopstanden Er is geen beplanting aanwezig in het plangebied dat voldoet aan de definitie van houtopstand. Er hoeft voor de ontwikkeling geen rekening gehouden te worden met het maken van een melding vanwege kapwerkzaamheden of het herplanten van bomen. 5. SOORTBESCHERMING In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de verschillende beschermde soortgroepen en bijbehorende beschermde functies. Daarbij is aangegeven in hoeverre deze te verwachten zijn voor het plangebied en of er effecten te verwachten zijn door het bouwen van het woonhuis, het boothuis en het graven van de watergang. In een reeds verrichte quickscan is inge- gaan op effecten door de sloop van de schuren. Uit een analyse met de NDFF blijkt de aanwezigheid van ringslag, otter, groene glazenmaker, Kempense heidelibel en wiele- waal in de omgeving van het plangebied. Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde soorten. Habitatpotentie Aanwezigheid Functie Onderbouwing Broedvogels: cat. 5- soorten Niet aanwezig Nesten ● Nesten van categorie 5-soorten zoals spreeuw en huiszwaluw worden niet verwacht. Wellicht bevinden deze zich in de omgeving van de werkzaamheden. Om hier rekening mee te houden worden de moge- lijk verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd. Gierzwaluw, huismus Nesten ● Hier wordt niet getoetst op het verwijderen van bebouwing.
Aanwe- zigheid en verstoring van gierzwaluw- of huismusnesten kan daarmee worden uitgesloten. Ook bij deze soorten geldt dat werken buiten de broedperiode verstoring op nesten elders voorkomt. Uilen Essentieel foera- geergebied, nesten ● Verwijdering van bebouwing is reeds getoetst. Er worden geen oude kassen gesloopt of knotbomen aangetast die door de steenuil ge- bruikt kunnen worden. Hoewel het plangebied mogelijk functioneert als foerageergebied is vanwege de aanwezige alternatieven geen sprake van een essentieel foerageergebied. In de toekomstige situatie wordt het plangebied weer geschikt als foerageergebied en specifiek geschikt gemaakt als leefgebied voor de steenuil. Vleermuizen Essentieel foera- geergebied ● Hoewel het plangebied momenteel mogelijk functioneert als (onder- deel van) een foerageergebied betreft het geen essentieel foerageer- gebied. In de omgeving is er voldoende vergelijkbaar habitat aanwe- zig waar gebruik van kan worden gemaakt. In de toekomstige situatie komt er weer geschikt foerageergebied terug. Essentiële vliegrou- tes ● Het plangebied bezit geen lijnvormige landschapselementen zoals een bomenrij die kan functioneren als vliegroute. Er gaan geen derge- lijke elementen verloren. De voorzijde van het plangebied dient altijd 7/7 na zonsondergang onbelicht te blijven om geschikt te blijven voor vleermuizen.
Verblijfplaatsen ● Verwijdering van bebouwing is reeds getoetst en er worden geen oude bomen met gaten verwijdert. Daarmee kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen op voorhand worden uitgesloten. Kleine marterachtigen, boommarter en steen- marter Essentieel foera- geergebied, verblijf- plaatsen ● De projectlocatie bevat typerende elementen die deel uitmaken van het foerageergebied van marterachtigen. Mocht het momenteel func- tioneren als foerageergebied dan zijn voldoende alternatieven aan- wezig in de omgeving, van een essentieel foerageergebied is geen sprake. Verblijfplaatsen op de locatie zijn uitgesloten op basis van de reeds verrichte quickscan. Overige zoogdieren, reptielen, amfibieën, vissen, vlinders, libellen, overige insecten en vaatplanten Leefgebied ● Voorkomen van de beschermde soorten binnen deze soortgroepen is uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikte biotopen of kunnen worden uitgesloten op basis van het verrichte veldbezoek.