8.1 Het bouwen van een stal op het perceel Kooiweg 6 te Giethoorn - bijlage ruimtelijke onderbouwing.pdf
Tekst van het document
Conclusie beschermde soorten Op basis van de quickscan zijn met betrekking tot de aanwezigheid van beschermde flora en fauna de volgende conclusies te trekken: Matig- en zwaar beschermde soorten Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor matig en zwaar beschermde flora en fauna. Licht beschermde soorten In en rond de planlocatie kunnen een aantal licht beschermde soorten voorkomen (veldmuis en mol). Voor deze soorten geldt een vrijstelling. Een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet is voor deze soorten niet nodig. De algemene zorgplicht is wel van kracht. Conclusie effecten en vervolg Matig- en zwaar beschermde soorten Effecten en vervolgstappen zijn niet aan de orde. Voor de in strijd met beheersverordening zijnde ontwikkeling en daaropvolgende bouw van één of meerdere stallen is geen ontheffing op de Flora- en faunawet nodig. Licht beschermde soorten Voor de licht beschermde soorten geldt alleen de zorgplicht. De zorgplicht bepaalt dat men wilde planten en dieren zo min mogelijk schade dient te berokkenen. Dit kan gedaan worden door enkele dagen voor de werkzaamheden de vegetatie rondom het gebouw kort af te maaien en beplanting langs de gevels te verwijderen. Op deze manier verdwijnt de dekking voor kleine dieren waardoor ze het werkterrein zullen verlaten. Het rapport is als bijlage 2 bijgevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing.
Gemeente Steenwijkerland Blad 31 van 40 Ruimtelijke onderbouwing Februari 2017 Kooiweg 6 Giethoorn Versie 02 4.5 Externe veiligheid Het doel van de toets op externe veiligheidsaspecten rond ruimtelijke plannen is na te gaan welke risico’s de voorgenomen ontwikkelingen met zich brengen. Dit om de mogelijkheid te bieden een externe veiligheidssituatie te creëren die voldoet aan de behoeften. Daartoe kan het ruimtelijk initiatief of specifieke wijze worden ingevuld en kunnen eventuele aanvullende maatregelen worden getroffen. Het aspect externe veiligheid bestaat uit verschillende onderdelen. Externe veiligheid gaat onder andere over buisleidingen (geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen), het transport van gevaarlijke stoffen over bepaalde transportassen (geregeld in het Besluit externe veiligheid transportroutes), de opslag van explosieven (geregeld in het Bestluit algemene regels ruimtelijke ordening) en het Bevi. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen richt zich primair op inrichtingen zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. In artikel 2, lid 1 van het Bevi staan de inrichtingen genoemd waarop het besluit van toepassing is. Aan hand van de Risicokaart Overijssel is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Fig. 4.4.: Uitsnede van de risicokaart Overijssel ter hoogte van het plangebied Kooiweg 6 te Giethoorn.
In de (directe) omgeving van het plangebied bevinden zich geen inrichtingen, transportleidingen en buisleidingen die van invloed zijn. Wel is er sprake van een gebied aangeduid als overstroombaar gebied (kleine kans)’. Overstromingsrisicoparagraaf Een deel van het buitengebied van Steenwijkerland ligt binnen de dijkringen. Een dijkring of dijkringgebied is een gebied dat beschermd wordt tegen buitenwater door een primaire waterkering of door hoge gronden. Gebieden zijn als dijkringgebied aangewezen in de Waterwet. Gedeeltelijk is het buitengebied ook gelegen op hoge gronden, die niet door dijkringen of primaire waterkeringen worden omgeven. De Beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland voorziet niet in nieuwe grootschalige ontwikkelingen. De bestaande aanwezige functies worden gehandhaafd en zo mogelijk van enige uitbreidingsruimte voorzien. Voor de veiligheid heeft dit geen onaanvaardbare consequenties.
Gemeente Steenwijkerland Blad 32 van 40 Ruimtelijke onderbouwing Februari 2017 Kooiweg 6 Giethoorn Versie 02 4.6 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een ruimtelijke onderbouwing indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. In voorliggend geval is wegverkeers-, railverkeers en industrielawaai niet van belang aangezien er geen geluidsgevoelig object wordt toegevoegd. Beoordeeld is of de uitbreiding van het agrarisch bedrijfsperceel mogelijk geluidshinder kan veroorzaken voor omliggende milieugevoelige objecten. De VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. De lijst is algemeen aanvaard als uitgangspunt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, zoals onder meer blijkt uit jurisprudentie van de Raad van State.
Op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ valt een melkveehouderij als inrichting onder ‘Fokken en houden van rundvee’. Voor een dergelijke inrichting wordt uitgegaan van een richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. De afstand tussen het toekomstig bestemmingsvlak ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf 1’ en het dichtstbijzijnde gevoelige object (Kooiweg 4 en 7) bedragen respectievelijk 135 meter en 80 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. Gesteld wordt dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor het initiatief. 4.7 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wet geving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder andere de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);.
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. Gemeente Steenwijkerland Blad 33 van 40 Ruimtelijke onderbouwing Februari 2017 Kooiweg 6 Giethoorn Versie 02 In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor NO2 en PM10. Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM.
Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring. Er zijn genoeg projecten die namelijk overduidelijk NIBM zijn en waar een berekening niets toevoegt aan de conclusie. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee aangetoond kan worden dat een uitbreiding/oprichting NIBM is. Deze staan in de onderstaande tabel, die gebaseerd is op de 3% NIBM grens. In de tabel kan bij de betreffende afstand de hoeveelheid emissie worden afgelezen waarmee een veehouderij nog kan uitbreiden om niet in betekende mate bij te dragen. Met behulp van de emissiefactorenlijst van de Rijksoverheid kan uitgerekend worden of de totale toename in emissie onder de NIBM grens blijft. De getallen in de tabel zijn worst-case genomen inclusief een veiligheidsmarge. Indien bij een bepaalde afstand niet méér wordt geëmitteerd dan is opgenomen in de tabel dan is de oprichting/uitbreiding zeker NIBM.
Afstand tot te toetsen plaats 70 m 80 m 90 m 100 m 120 m 140 m 160 m Totale emissie in g/jr van uitbreiding/inrichting 324000 387000 473000 581000 817000 1075000 1376000 Tabel 3: Getallen op basis van berekening met STACKS, versie 2008 (bron: ECN) Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtk waliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. In de toekomstige situatie wordt het aantal melk- en kalfkoeien met 105 stuks uitgebreid. Deze ontwikkeling zorgt in totaliteit voor een toename van (105 x 148 gram/dier/jaar) = 15.540 gram PM10 per jaar. Het dichtst bijgelegen te beschermen object (woning Kooiweg 7) ligt op een afstand van circa 80 meter gemeten vanaf de dichtstbijzijnde emissiepunt van een dierenverblijf van het bedrijf aan de Kooiweg 6.
De toename van emissie van de veestapel bij die afstand mag 387000 gram per jaar bedragen. Gezien de toename van fijn stof emissie van het Gemeente Steenwijkerland Blad 34 van 40 Ruimtelijke onderbouwing Februari 2017 Kooiweg 6 Giethoorn Versie 02 bedrijf van 15540 gram per jaar, en de afstand tot de dichtstbijzijnde gevoelige object, kan er vanuit worden gegaan dat deze emissie niet in betekende mate bijdraagt aan de concentratie PM10. Tot slot wordt de nieuwe stal niet aangemerkt als gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. 4.8 M.E.R.-beoordeling In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport opgesteld dient te wo rden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r.. In bijlage D van het Besluit m.e.r. (D14) zijn de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren opgenomen. Voor koeien geldt een drempelwaarde vanaf 200 melk- of kalfkoeien of 340 stuks vrouwelijk jongvee. Als combinatie geldt een drempelwaarde vanaf 340 melk- of kalfkoeien en vrouwelijk jongvee.
In de gewenste situatie worden op het bedrijf wel meer dan 340 stuks vee gehouden, echter bedraagt de toename 105 stuks. Deze uitbreiding van vee blijft hiermee onder de drempelwaarde, zodoende is een nadere beschouwing van de invloed van de ruimtelijke onderbouwing in relatie tot de m.e.r. – plicht niet noodzakelijk. 4.9 Milieuhinder Nieuwe functies kunnen milieuhinderlijk zijn voor omringende woningen dan wel bedrijven. Er dient een beoordeling plaats te vinden of de nieuwe functie wel milieu hygiënisch inpasbaar is. Er dient daarom beoordeeld te worden of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die gehinderd kunnen worden door onderhavig project of waarvan het project juist hinder ondervindt. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Deze uitgave geeft weer wat de richtafstanden zijn voor milieubelastende activiteiten. In deze publicatie worden de indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2.
laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede Gemeente Steenwijkerland Blad 35 van 40 Ruimtelijke onderbouwing Februari 2017 Kooiweg 6 Giethoorn Versie 02 ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ valt een melkveehouderij als inrichting onder ‘Fokken en houden van rundvee’. Het wordt hiermee aangemerkt als een inrichting in milieucategorie 3.2 met als grootste richtafstand voor het aspect geur. Opgemerkt wordt dat bij veehouderijen niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend zijn. Hier wordt in paragraaf 4.10 nader op ingegaan. Indien het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten geldt er een richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. Zoals reeds beschreven in paragraaf 4.6 wordt aan deze afstand voldaan. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. De nieuwe stal kan niet worden aangemerkt als milieugevoelige object.
Anderzijds worden omliggende functies niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.10 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor inrichtingen, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient tussen een emissiepunt van een dierenverblijf waarin melkkoeien en/of vrouwelijk jongvee worden gehouden en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom een afstand van 100 meter en buiten de bebouwde kom een afstand van 50 meter te worden aangehouden. Voor de overige dieren welke binnen de inrichting worden gehouden, is in de Wet geurhinder en veehouderij een geurnorm opgenomen. Deze bedraagt voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom 14 odour units per kubieke meter lucht. Voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom bedraagt deze 3 odour units per kubieke meter lucht. Voor een melkveehouderij geldt op basis van de Wet geurhinder en veehouderijen in beginsel vaste afstanden. In voorliggend geval betreft het meest nabijgelegen geurgevoelig object een woning (Kooiweg 7).
Op basis van artikel 4 lid 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geldt dat de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden (…), en een geurgevoelig object bedraagt ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. In voorliggend geval bedraagt de afstand tussen de uitbreiding van de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf 1’ en de woning gelegen op het perceel Kooiweg 7 circa 80 meter. Hiermee wordt voldaan aan het bepaalde in de Wgv. Gemeente Steenwijkerland Blad 36 van 40 Ruimtelijke onderbouwing Februari 2017 Kooiweg 6 Giethoorn Versie 02 Geurverordening Steenwijkerland De gemeente heeft in 2014 haar eigen geurverordening vastgesteld. In deze verordening is besloten om de genoemde vaste afstand te verlagen naar 25 meter indien er sprake is van een geurgevoelig object gelegen in het buitengebied. De afstand bedraagt zogezegd circa 80 meter meter, zodat ten aanzien van het aspect geur ook wordt voldaan aan de norm. 4.11 Verkeer en vervoer en parkeren De ontsluiting van het erf aan de Kooiweg blijft ongewijzigd. Door de voorgenomen uitbreiding van het bedrijf zal het aantal verkeersbewegingen in beperkte mate toenemen. De Kooiweg zal de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen eenvoudig en veilig af kunnen wikkelen.
Vanuit verkeerskundig oogpunt zijn er geen bezwaren tegen de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling. Parkeren In de toekomstige situatie zal sprake zijn van voldoende manoeuvreerruimte voor het laden en lossen. Parkeren zal op eigen terrein plaatsvinden. Het erf biedt hier meer dan voldoende ruimte voor. 4.12 Waterparagraaf Op 3 november 2016 is via de website www.dewatertoets.nl de zogeheten watertoets uitgevoerd. Op basis hiervan blijkt dat het plangebied zich bevindt in het beheersgebied van het waterschap Drents Overijsselse Delta. Op 15 november 2016 is van het waterschap het watertoetsdocument ontvangen. Het volledige watertoetsdocument is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Hierna volgen de voor het plan meest relevante onderdelen en de doorwerking daarvan in de planontwikkeling. Bestaande waterhuishouding Het plan ligt in het stroomgebied Stroink. Rond het plangebied liggen schouwsloten en watergangen van het waterschap. Het peilgebied heeft een maximumpeil van NAP - 2,7 m. Opgemerkt wordt dat dit peil de instelhoogte van het kunstwerk is en zodoende voor het laagste deel van het peilvak de drooglegging garandeert. Lokaal kunnen dus (grote) verschillen optreden. De hoogte van het maaiveld ligt gemiddeld op ongeveer NAP – 1.10 m. De bodem (deklaag) bestaat voornamelijk uit veen.
Veengronden veranderen langzaam naar moerige gronden en moerige gronden veranderen langzaam naar zandgronden. De maximale grondwaterstand ligt op 25 – 40 cm onder het maaiveld. Er kunnen, door de aanwezigheid van slecht doorlatende lagen, schijngrondwaterstanden tot dicht onder het maaiveld voorkomen. Gemeente Steenwijkerland Blad 37 van 40 Ruimtelijke onderbouwing Februari 2017 Kooiweg 6 Giethoorn Versie 02 Fig. 4.5.: Uitsnede van de bestaande waterhuishouding rond het plangebied Kooiweg 6 te Giethoorn. Uitgangspunten voor het plan Het waterschap geeft concrete uitgangspunten die in het plan moeten worden verwerkt . Onderstaand is weergave gedaan van de uitgangspunten per thema en de doorwerking daarvan in de planontwikkeling, daar waar het uitgangspunt van belang is. Thema (Grond) wateroverlast Doelstelling Vergroten veerkracht van watersysteem door niet afwentelen van problemen met water. Ontwerpen op basis van: 1 vasthouden – 2 bergen – 3 afvoeren. In voorliggend plan wordt geen schoon hemelwater vastgehouden en geborg en. Het schone hemelwater wordt direct via hemelwaterafvoeren (buizen) geloosd op omringende sloten. Ten behoeve van het plan is meer dan voldoende m 2 en m3 aan nieuwe sloten aangelegd om te kunnen voorzien in de opvang van het hemelwater. Er is dus geen sprake van vasthouden en bergen. Uitgangspunten: 1.
Compensatie: Voor middelgrote plannen geldt als regel dat 10% van het verharde oppervlak wordt ingezet als wateroppervlak ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende regenwater. In het plan wordt een verhard oppervlak van circa 3000 m2 gerealiseerd. Dit houdt in dat een waterbergend oppervlak van circa 300 m2 moet worden aangelegd. Er wordt ten behoeve van de planontwikkeling voor circa 600 m 2 aan extra sloten aangelegd, waarmee wordt voldaan aan de compensatie-eis.
Gemeente Steenwijkerland Blad 38 van 40 Ruimtelijke onderbouwing Februari 2017 Kooiweg 6 Giethoorn Versie 02 2. Aanleghoogte bebouwing: Om wateroverlast en grondwateroverlast rond de bebouwing te voorkomen adviseert het waterschap om de bebouwing op voldoende hoogte aan te leggen. Het waterschap adviseert een aanleghoogte van tenminste 30 cm boven straatpeil. Met dit advies wordt rekening gehouden in de planvorming. 3. Grondwateroverlast bij bebouwing: In gebieden met een slechte bodemgesteldheid (keileem, klei, veen) of met een te hoge grondwaterstand dicht onder het maaiveld kan grondwateroverlast optreden. Dit wordt voorkomen door de volgende voorkeursvolgorde toe te passen: (1) kruipruimteloos bouwen, (2) ophogen van het plangebied of (3) toepassen van drainage in openbaar gebied en particulier terrein. Bij voorliggend plan wordt gebruik gemaakt van een vloeistofdichte betonkelder. Hier komt geen grondwater door. Ook het gewicht zal dusdanig zijn dat het grondwater deze kelder niet op kan stuwen. Thema Waterkwaliteit en ecologie Doelstelling In (stads)wateren wordt gestreefd naar een situatie met helder water en een rijke vegetatiestructuur met zowel in het oevercompartiment als het watercompartiment een aanzienlijke bedekking met ondergedoken waterplanten, drijfbladplanten en helofyten. 1.
Eutrofiëring (vermesting): de inrichting van het watersysteem moet dusdanig zijn dat een overmatige toevoer van stikstof en/of fosfaat naar het ecosysteem wordt voorkomen. Bij de inrichting van het agrarische terrein wordt rekening gehouden met het ‘activiteitenbesluit’. Er wordt gezorgd voor bemestings- en spuitvrije zones langs watergangen. Binnen het bedrijf wordt momenteel al gebruik gemaakt van een gescheiden afvoersysteem voor regenwater en perssappen bij de kuilvoeropslagen. Dit systeem voorkomt eutrofiëring van het oppervlaktewater. 2. Afkoppelen: Regenwater mag worden geloosd op oppervlaktewater in het stedelijke gebied. Minder schoon regenwater wordt via een zuiverende passage/voorziening geloosd op het oppervlaktewater. Schoon regenwater wordt afgevoerd naar het omringende (en uit te breiden) slotenstelsel. Thema riolering Doelstelling Verminderen hydraulische belasting RWZI en beperking van (vuilwater) overstorten. 1. Gescheiden afvoer: Er wordt in het plan rekening gehouden met gescheiden waterstromen. Het regenwater wordt niet afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie, maar binnen het plangebied verwerkt. Bij het gescheiden afvoeren van regenwater wordt rekening gehouden met de drempelhoogte in relatie tot de fluctuatie van het ontvangende water. Hieraan wordt voldaan, hemelwater gaat naar slotenstelsel.
Gemeente Steenwijkerland Blad 39 van 40 Ruimtelijke onderbouwing Februari 2017 Kooiweg 6 Giethoorn Versie 02 [Er is geen overstroomsrisicoparagraaf opgenomen] 5 Hoofdstuk 5 Economische uitvoerbaarheid Er is een kostenverhaalsovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Tevens is een planschade-overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Het kostenverhaal is daarmee dus anderszins verzekerd, waardoor vaststelling van een exploitatieplan niet nodig is. Uitvoerbaarheid vanuit Fosfaat Ten aanzien van fosfaat kan worden opgemerkt dat dit geen belemmering op zal leveren voor de uitvoering van het aangevraagde plan. Dit omdat de bank akkoord is met de financiële dekking van het vorenstaande en ter compensatie van rechten grond van de overbuurman is aangekocht welke ruimschoots voldoende is om de aangevraagde uitbreiding te realiseren. Gemeente Steenwijkerland Blad 40 van 40 Ruimtelijke onderbouwing Februari 2017 Kooiweg 6 Giethoorn Versie 02 Projectgegevens Project : Ruimtelijk onderbouwing tbv Kooiweg 6 Giethoorn Projectnummer : RB 20.060 IMRO : NL.IMRO. Versie : 02 Datum : Februari 2017 Opdrachtgever Naam Adres PC en Plaats RooBeek Advies Nautilusstraat 7b 7821 AG Emmen www.roobeek-advies.nl