CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

7.0 GasDrOvF - Zienswijze Nationale omgevingsvisie (NOVI).doc

Raadsvergadering 15 oktober 2019, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Ingekomen stukken1.698 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Steenwijk, 27 september 2019 Betreft zienswijze ontwerp NOVI Geachte, mevrouw, mijnheer, Met deze brief wil GAS DrOvF reageren op de Nationale Omgevingsvisie NOVI. GAS DrOvF behartigt de belangen van bewoners in het gebied van de gemeenten Steenwijkerland, Westerveld en Weststellingwerf waar het gaat om de gaswinning en de schadelijke gevolgen daarvan voor bewoners. Wij waarderen het zeer dat de NOVI uitgaat van integrale beleidsontwikkeling en daarbij een 4-tal prioriteiten benoemt. Voor GAS DrOvF zijn vooral de prioriteiten ‘klimaat en energie’ en ‘toekomstige ontwikkeling van het landelijk gebied’ van belang. Wij waarderen eveneens dat er ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Voorts stelt NOVI dat er bij wrijving tussen de verschillende prioriteiten drie afwegingsprincipes worden gehanteerd: 1. de combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. de kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3. het afwentelen van gevolgen naar elders of naar de toekomst wordt voorkomen. U stelt verder dat goed bestuur betekent dat andere overheden rekening houden met de NOVI en dat het Rijk bij het opstellen van de NOVI rekening houdt met het beleid van andere overheden. Er is een Interbestuurlijk Programma (IBP) teneinde urgente maatschappelijke opgaven gezamenlijk op te pakken; waaronder de fysieke woonomgeving.

Het Rijk zal haar rol bij het vormgeven van deze samenwerking vanuit een gelijkwaardig partnerschap oppakken. Aldus enkele citaten uit de NOVI. Bovenstaande citaten zouden ons het vertrouwen moeten geven dat de standpunten van lagere overheden voldoende meegewogen worden bij het vaststellen van beleid dat toch nog sectoraal plaatsvindt, zoals de energievoorziening door gaswinning. Zo zouden we gerustgesteld moeten zijn dat de Minister van EZ&K voldoende rekening houdt met de gevolgen van gaswinning voor het milieu rondom de boorputten, waar door de lekkende putten vervuiling van bodem en grond- en drinkwater kan plaatsvinden. Zo zouden we gerustgesteld moeten zijn dat de Minister van EZ&K onze veiligheid niet relateert aan de bevolkingsdichtheid van het gebied, maar aan de werkelijke kans op bodembeweging. Zo zouden we gerustgesteld moeten zijn dat de Minister van EZ&K goed luistert naar bevolking, de gemeenten en provincies die vragen om een sluitende schaderegeling voor inwoners die te maken hebben schades a.g.v. mijnbouw. Immers, het begrip ‘schade’ gaat over wat anders dan het begrip ‘veiligheid’. In de Nationale OmgevingsVisie staan mooie woorden, maar uiteindelijk gaat het om de OmgevingsWet. Recentelijk zijn enkele ingrijpende voorstellen ingediend om de Algemene wet bestuursrecht ((Awb) aan te passen ten behoeve van de Omgevingswet.

De wijziging Awb verwijst met name naar de hoofdstukken 10 en 15 van de Omgevingswet expliciet naar de Mijnbouwwet. Deze wijzigingen faciliteren en legitimeren het veroorzaken van schade. Mijnbouwbedrijven en overheid kunnen op deze wijze de kosten van schadelijk handelen afwentelen op de burger.

Bovendien wordt de juridische positie van de burger verzwakt. Deze wijzigingen staan o.i. haaks op de intentie en de mooie woorden uit de NOVI. Het gaat met name om de volgende voorstellen: a. alleen abnormale en bovenmatige schade komt voor compensatie in aanmerking; b. naast de ‘gedoogplicht’ wordt een ‘schadeforfait’ geïntroduceerd waarbij de eerste vijf procent waardedaling van onroerend goed wordt betiteld als ‘normaal maatschappelijk risico’; c. ‘normaal maatschappelijk risico’ komt niet in aanmerking voor vergoeding; immateriële schade wordt uitgesloten van compensatie. Belanghebbenden worden zwaar gedupeerd wanneer de genoemde wijzigingen van toepassing worden verklaard. Om te voorkomen dat het overleg en de integrale werkwijze van de NOVI schone schijn blijft, zou nu al ingegrepen moeten worden in de voorstellen van de Omgevingswet die verwijst naar de wijzigingen van de Awb. Zie ook de bijlage bij deze zienswijze. GAS DrOvF dringt er bij u op aan om bovengenoemde artikelen niet van toepassing te verklaren. Wij dringen er bovendien op aan om de schaderegeling voor bewoners die te maken krijgen met schades in mijnbouwgebieden, conform het advies van de TCBB van toepassing te verklaren en te werken met het zogenaamde bewijsvermoeden.

We hebben in Nederland slechts 1 soort burgers, hetgeen in dit verband betekent dat de schaderegeling zoals die in Groningen geldt, ook in de rest van Nederland van toepassing behoort te zijn. En dat volgens de Minister de schades in de rest van de winningsgebieden minder ernstig zouden zijn, maakt dat er helemaal geen bezwaar hoeft te zijn om de Groningse regeling in de rest van het land van toepassing te verklaren. Met vriendelijke groet, Stichting GAS DrOvF Namens deze Jeannette van der Velde, voorzitter Krekensingel 24 8332 ME Steenwijk BIJLAGE Gedoogplichten (10) Artikel 10.9 (gedoogplicht Mijnbouwwet) Een rechthebbende gedoogt dat de houder van een vergunning voor het opsporen van CO2- opslagcomplexen, het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte of het opslaan van stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet, in de ondergrond CO2-opslagcomplexen opspoort, delfstoffen of aardwarmte opspoort of wint respectievelijk stoffen opslaat volgens de voor die activiteiten geldende regels, voor zover die activiteiten plaatsvinden op een diepte van meer dan honderd meter beneden de oppervlakte.

Artikel 10.12 (op aanvraag en ambtshalve) Het opleggen van een gedoogplicht op grond van deze afdeling geschiedt op aanvraag van de initiatiefnemer of ambtshalve Artikel 10.14 (gedoogplichten energie en mijnbouw) Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan, na overleg met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van: a. een net als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 of een windpark met een capaciteit van ten minste 5 MW, b. een gasproductienet of een gastransportnet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Gaswet, c. een mijnbouwwerk d. werken bestemd voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet, e. een inrichting waarvoor een vergunning is verleend op grond van artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet, f. een warmtenet als bedoeld in artikel 1 van de Warmtewet.

Artikel 10.20 (gedoogplicht vanwege het maken van een ontwerp) Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het uitvoeren van meetwerkzaamheden of graafwerkzaamheden, het aanbrengen van tekens in, boven of op een onroerende zaak, of het verrichten van onderzoek met gebruikmaking van de daarvoor benodigde hulpmiddelen, als die activiteiten nodig zijn voor het maken van een ontwerp voor de aanleg, instandhouding, wijziging, verplaatsing of opruiming van een werk als bedoeld in artikel 10.13, 10.14 of 10.15. Artikel 10.21 (gedoogplicht andere werken van algemeen belang) 1. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van een werk van algemeen belang dat geen werk of activiteit is als bedoeld in de artikelen 10.13 tot en met 10.19a, als het belang van de openbare veiligheid, het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving, zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen. 2. Als de oplegging van een gedoogplicht een belang dient waarvoor de zorg niet bij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat berust, beslist Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat.

Artikel 10.24 (bomen en beplantingen) Degene op wie een gedoogplicht op grond van paragraaf 10.3.2 rust, gedoogt dat de initiatiefnemer bomen en beplantingen rooit, inkort of snoeit voor zover die bomen en beplantingen hinderlijk zijn voor de het tot stand brengen of opruimen van het werk van algemeen belang. HOOFDSTUK 15 SCHADE AFDELING 15.1 NADEELCOMPENSATIE Artikel 15.1 (toepassingsbereik) i. een omgevingsvergunning, j. een projectbesluit, Artikel 15.2 (schade die niet voor vergoeding in aanmerking komt) Voor de toepassing van deze afdeling heeft de vergoeding van schade als bedoeld in artikel 4:126, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geen betrekking op immateriële schade. Artikel 15.3 (schadebepaling als een omgevingsvergunning is vereist) 1. Als voor een activiteit een omgevingsvergunning is vereist, wordt de schade die bestaat uit waardevermindering van een onroerende zaak bepaald aan de hand van een vergelijking van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor en na het tijdstip waarop het bevoegd gezag mededeling heeft gedaan Artikel 15.7 (normaal maatschappelijk risico) 1.

Bij een aanvraag om vergoeding van schade die bestaat uit waardevermindering van een onroerende zaak die wordt veroorzaakt door een besluit op grond waarvan een of meer activiteiten is of zijn toegestaan buiten de locatie waar de onroerende zaak is gelegen of door een maatregel die buiten die locatie wordt getroffen, wordt een deel ter grootte van vijf procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade aangemerkt als behorend tot het normale maatschappelijke risico als bedoeld in artikel 4:126, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 3. Het bevoegd gezag kan bij de behandeling van een aanvraag om schadevergoeding het eerste lid buiten toepassing laten als dat lid van toepassing is geweest bij de beslissing op een eerder ingediende aanvraag om vergoeding van schade die bestaat uit waardevermindering van de onroerende zaak. 4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen waarin de schade wordt geacht niet uit te gaan boven het normale maatschappelijke risico. Artikel 15.8 (bevoegd gezag) 1.

Als de aanvraag om schadevergoeding betrekking heeft op een besluit van de gemeenteraad, het algemeen bestuur van een waterschap of provinciale staten of op een algemene maatregel van bestuur, wordt als bestuursorgaan dat de schadevergoeding toekent als bedoeld in artikel 4:126, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, aangemerkt het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van het waterschap, het college van gedeputeerde staten respectievelijk Onze Minister die het aangaat, tenzij het tweede lid op die aanvraag van toepassing is. 2. Als de aanvraag om schadevergoeding betrekking heeft op een besluit ter uitvoering van een projectbesluit, is het bestuursorgaan dat het projectbesluit heeft vastgesteld, het bestuursorgaan dat de schadevergoeding toekent. Artikel 15.13 (omvang schadevergoeding bij gedoogplichten afdeling 10.2 met uitzondering van artikel 10.3, derde lid) 1. Schade die een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van een gedoogplicht als bedoeld in afdeling 10.2 wordt aan de rechthebbende die de schade lijdt vergoed: a. als die schade uitgaat boven het normale maatschappelijke risico, en b. voor zover de rechthebbende in vergelijking met anderen onevenredig zwaar wordt getroffen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/801f1b43-f325-447c-be8c-ebb98322e800?agendaItemId=17a1302f-18cb-459c-9cfb-dcead75b3378