6.6d Vaststelling bestemmingsplan Tuk Hooidijk 1 en 1A - ontwerp_toelichting_16122016.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a ID plan: NL.IMRO.1708.TUKHooidijk1aBP-ON01 datum: 16 december 2016 status: Concept ontwerp auteur: Joost Wierda Vastgesteld door de raad dd. ………. de griffier, de voorzitter,
Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 Inhoudsopgave toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1 1.1 Aanleiding 1 1.2 Plangebied 1 1.3. Bestemmingsplan Bedrijventerreinen 2 1.4 Leeswijzer 3 Hoofdstuk 2 Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling 4 2.1 Huidige situatie 4 2.2 Gebiedsomschrijving 5 2.3 Projectbeschrijving 5 2.4 Strijdigheid met het geldende bestemmingsplan 5 Hoofdstuk 3 Gebiedsvisie en uitgangspunten 6 3.1 Rijksbeleid 6 3.2 Provinciaal beleid 9 3.3 Gemeentelijk beleid 14 Hoofdstuk 4 Actuele waarden 20 4.1 Inleiding 20 4.2 Ecologie 20 4.3 Cultuurhistorie en archeologie 21 Hoofdstuk 5 Waterparagraaf 23 5.1 Inleiding 23 5.2 Waterbeleid 23 5.3 Watertoets 24 5.4 Conclusie waterparagraaf 24 Hoofdstuk 6 Milieuparagraaf 25 6.1 Milieu 25 6.2 Geluidhinder 25 6.3 Bodem 27 6.4 Luchtkwaliteit 27 6.5 Bedrijven en milieuzonering 28 6.6 Wet geurhinder en veehouderij 29 6.7 Externe veiligheid 29 6.8 Milieubescherming 30 6.9 Verkeer 30 6.10 Kabels en leidingen 31 6.11 Conclusie 31 Hoofdstuk 7 Juridische opzet 32 7.1 Inleiding 32 7.2 Uitgangspunten 32 7.3 De verbeelding 32 Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 7.4 De planregels 32 Hoofdstuk 8 Financiële uitvoerbaarheid 33 8.1 Financiële haalbaarheid 33 8.2 Exploitatieplan 33 Hoofdstuk 9 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 34 9.1 Inleiding 34 9.2 Procedure 34 9.3 Overleg 34 9.4 Zienswijzen
34 Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016
Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 1 Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Om de bedrijfsterreinen ‘Novac’ en ‘Hooidijk’ mogelijk te maken, zijn rond 2000 afspraken gemaakt met onder meer de eigenaar en bewoner van het toenmalige agrarisch perceel Hooidijk 1 te Tuk. Naast aankoop van gronden zijn planologische wijzigingen doorge- voerd waaronder wijziging van genoemde agrarische bestemming in de bestemming wo- nen (Hooidijk 1a). De bedrijventerreinen zijn planologisch ingepast en inmiddels in ge- bruik genomen door diverse bedrijven. Indertijd is met de toenmalige eigenaar van Hooi- dijk 1 afgesproken dat het bedrijventerrein ‘Hooidijk’ dat de inrichting een parkachtige uitstraling zou krijgen. De parkachtige uitstraling is in het bestemmingsplan voor het be- drijventerrein vertaald in ‘groene kamers’ tussen de bedrijfspercelen en hagen van een me- ter hoog op de bedrijfspercelen. Deze bepalingen zijn tevens opgenomen in een kettingbe- ding bij de koopovereenkomsten met de bedrijven die zich hebben gevestigd op het be- drijventerrein. Volgens de eigenaar en bewoner van het perceel Hooidijk 1a is hiermee niet (geheel) invulling gegeven aan de afspraken uit 2002. In 2014 is het bestemmingsplan dat de realisatie van het bedrijventerrein mogelijk heeft gemaakt geactualiseerd en zijn nieuwe gestandaardiseerde regels van kracht geworden.
De oorspronkelijke bepalingen om de parkachtige uitstraling van het bedrijventerrein te borgen zijn daarmee verdwenen uit het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft hiervoor bewust gekozen omdat enerzijds deze wijze van inrichten in de huidige situatie te realiseren is en anderzijds ook niet langer wenselijk is in relatie tot de gewenste uitstra- ling van de gevestigde bedrijven. Om tegemoet te komen aan de bezwaren van de eigenaar van het perceel Hooidijk 1a is er tussen hem en de gemeente een compromis bereikt, dat is uitgewerkt in een aantal afspra- ken. Dit behelst dat de op het perceel aanwezige recreatiewoning wordt omgezet naar een reguliere woning en een uitrit op de Hooidijk krijgt. Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt om een omissie in het geldende bestem- mingsplan op te heffen ter plaatse van het naastgelegen perceel Hooidijk 1. De op het per- ceel aanwezige bedrijfswoning is met het opstellen van het geldende bestemmingsplan per abuis niet bestemd. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de omzetting van de recreatiewoning naar een reguliere woning mogelijk en middels het toevoegen van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ de aanwezige bedrijfswoning te bestemmen. Hiertoe dient het geldende bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen’ herzien te worden. 1.2 Plangebied Het plangebied ligt aan ten zuidwesten van de dorpskern van Tuk aan de Hooidijk.
Deze weg verbindt de Tukseweg oostelijk van het plangebied met de Ruxveenseweg (N334) westelijk van het plangebied. Het plangebied bestaat gedeeltelijk uit het perceel, kadas- traal bekend als gemeente Steenwijk, sectie M, nummer 720 en heeft een oppervlakte van circa 6.000 m². Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 2 1.3. Bestemmingsplan Bedrijventerreinen Voor het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan Bedrijventerreinen. Dit be- stemmingsplan is op 28 januari 2014 vastgesteld. Dit bestemmingsplan is conserverend van aard en voorziet niet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In dit bestemmingsplan gelden voor het plangebied de bestemmingen ‘Wonen – 1, en ‘Tuin’ en de dubbelbestemming . De bestemming ‘Wonen – 1’ is bedoeld voor wonen met daaraan ondergeschikt tuinen, parkeervoorzieningen op eigen terrein, groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. In het plangebied is een bouwvlak opgenomen ten behoeve van één vrijstaande woning. Daarnaast is ten behoeve van het bouwen van bijgebouwen de bouwaanduiding bijgebouwen opgenomen. Ten noorden en ten zuiden van het bestemmingsvlak voor ‘Wonen – 1’ geldt de bestem- ming ‘Tuin’. Deze bestemming is uitsluitend bedoeld voor tuinen, parkeren en waterhuis- houdkundige voorzieningen. Het bouwen van bouwwerken is binnen deze bestemmi ng niet toegestaan.
Verder geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Deze dubbelbestemming is bedoeld voor het beschermen van eventueel in de ondergrond voorkomende archeolo- gische waarden. Bij omgevingsvergunningen voor het bouwen van bouwwerken groter dan 2.500 m² dient een archeologisch onderzoek overlegd te worden waarin wordt aange- toond dat eventueel voorkomende archeologische waarden niet in het geding zijn. Afbeelding 1: Ligging van het plangebied, weergegeven op de luchtfoto Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 3 1.4 Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige situatie, de gebiedsomschrijving en de voorgestelde ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voor het plan relevante beleid van de verschillende overheidsinstanties beschreven. In hoofdstuk 4, 5 en 6 wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan diverse milieu- en omgevingsaspec- ten. Vervolgens wordt in hoofdstuk 7 de juridische opzet van het bestemmingsplan toege- licht. In hoofdstuk 8 en 9 worden de maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan behandeld. Afbeelding 1: Uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen’ van de gemeen- te Steenwijkerland.
(Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 4 Hoofdstuk 2 Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie, de gebiedsomschrijving en de voorgestelde ontwikkeling beschreven. 2.1 Huidige situatie Op het perceel aan de Hooidijk 1a staat een woning met een aantal bijgeb ouwen en een re- creatiewoning. De woning staat tegen de westelijke grens van het plangebied. Bijgebou- wen staan meer in het oostelijk deel van het plangebied en zijn achter de bouwgrens van de woning gebouwd. De recreatiewoning staat tussen de woning en de bijgebouwen, vlak achter de bouwgrens van de woning. De afstand van de bouwgrens van de woning tot de Hooidijk bedraagt circa 50 meter. Het terrein rondom de woning en aan de zuidzijde van het perceel is ingericht als siertuin ten behoeve van de woning. De inrichting van het terrein rondom de bijgebouwen kent een meer functionele inrichting, meer gericht op het gebruik van de bijgebouwen. Het Afbeelding 2: Luchtfoto plangebied met daarop de globale begrenzing van het plangebied weergegeven. Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 5 plangebied is grotendeels onverhard en slechts ten behoeve van de inrit en het parkeren verhard. Het plangebied wordt rechtstreeks ontsloten op de Hooidijk.
In oostelijke richting is het plangebied via de Tukseweg verbonden met het centrum van Steenwijk en in westelijke richting via de Ruxveenseweg (N334) met het buitengebied van Steenwijk en de A32. 2.2 Gebiedsomschrijving 2.2.1 Ruimtelijke structuur Het plangebied ligt ten zuidwesten van de bebouwde kom van Tuk. Het plangebied ligt op de overgang van het bebouwde gebied van Steenwijk/Tuk en het open agrarische ge- bied ten westen daarvan. Ten noordoosten grenst het plangebied aan het bedrijventerrein NOVAC. Ten zuiden van het plangebied, aan de overzijde van de Hooidijk ligt het bedrij- venterrein Hooidijk. Het gebied ten westen en noorden van het plangebied is onbebouwd en heeft een open karakter. 2.2.2 Functionele structuur De omgeving van het plangebied wordt bepaald door de aanwezigheid van het bedrijven- terreinen en de ontsluiting van Steenwijk in westelijke richting enerzijds en het agrarische buitengebied anderzijds. De bedrijventerreinen bieden ruimte aan verschillende soorten bedrijven, variërend van volumineuze detailhandel tot autobedrijven en industriële pro- ductiebedrijven. Voor het bedrijventerrein Hooidijk geldt dat bedrijven tot en met catego- rie 3.2 zijn toegestaan. Voor het bedrijventerrein NOVAC geldt dat bedrijven tot en met categorie 3.1 zijn toegestaan, met uitzondering van het deel dat direct grenst aan het plan- gebied.
Hier is gezien de nabijheid van de woonbestemming in het plangebied, ruimte voor bedrijven tot en met categorie 2. Het agrarisch gebied ten noorden en westen van het plangebied bestaat uit weilanden. Op circa 320 ten westen van het plangebied wordt het agrarisch gebied doorsneden door de Ruxveenseweg (N334). Op circa 370 meter ten noordwesten van het plangebied ligt aan de Bergsteinlaan een agrarisch bedrijf. 2.3 Projectbeschrijving De herziening van het bestemmingsplan vloeit voort uit afspraken tussen de eige- naar/bewoner van het perceel en de gemeente Steenwijkerland. Deze afspraken houden onder meer in dat de gemeente Steenwijkerland het bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen’ ter plaatse van het bedrijventerrein Hooidijk niet wijzigt ten behoeve van de ‘parkachtige uitstraling’, maar dat de recreatiewoning Hooidijk 1Rb wordt omgezet naar een reguliere woning en een nieuwe uitrit op de Hooidijk wordt aangelegd. 2.4 Strijdigheid met het geldende bestemmingsplan Deze ontwikkeling is in strijd met het geldende bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen’. Dit bestemmingsplan staat vrijstaande woningen slechts toe binnen een op de verbeelding op- genomen bouwvlak. Ter plaatse van de huidige recreatiewoning is geen bouwvlak opge- nomen. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt deze strijdigheid weggenomen door op de verbeelding een bouwvlak op te nemen.
Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 6 Hoofdstuk 3 Gebiedsvisie en uitgangspunten Dit hoofdstuk behandelt het beleid dat betrekking heeft op dit bestemmingsplan. 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze structuurvisie staan de (rijks)plannen voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren. Het Rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De nieuwe structuurvisie vervangt verschillende bestaande nota’s, z o- als de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit, de agenda Landschap en de agenda Vitaal Platt e- land. Het Rijk zet zich voor wat betreft het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurre- rend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland.
In de SVIR worden drie hoofddoelen g e- noemd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): ˗ het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland do or het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; ˗ het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waar- bij de gebruiker voorop staat; ˗ het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke n atuurlijke en cul- tuurhistorische waarden behouden zijn. Voor de drie rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waa r- mee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil bo e- ken. De 13 nationale belangen zijn als volgt: Versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland ˗ een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren; ˗ ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietran- sitie; ˗ ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisle idingen; ˗ efficiënt gebruik van de ondergrond.
Verbeteren bereikbaarheid: Slim Investeren, Innoveren en Instandhouden ˗ een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belang- rijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen; ˗ betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en vaarwegen; ˗ het instandhouden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het func- tioneren van de netwerken te waarborgen. Waarborgen kwaliteit leefomgeving Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 7 ˗ verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water), bescherming tegen g eluids- overlast en externe veiligheidsrisico’s; ˗ ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendi- ge stedelijke (her)ontwikkeling; ˗ ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; ˗ ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; ˗ ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; ˗ zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke pla nnen. Voor het plangebied geldt dat er geen nationale belangen uit de structuurvisie in het ge- ding zijn. 3.1.2 AMvB Ruimte De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels rui m- telijke ordening (Barro).
Op 30 juni 2011 zijn alle ontwerpstukken van het Barro als bijlage bij de SVIR gepubliceerd. Met uitzondering van enkele onderdelen is het Barro eind d e- cember 2011 in werking getreden. In het Barro zijn de nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisten. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale bela n- gen in gemeentelijke bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: project Mainportontwikkling Rotterdam, kustfundamenten, grote rivieren, Waddenzee & wa d- dengebied en defensie (met uitzondering van radar). Ook het Barro geeft voor het plang e- bied geen nationale belangen aan. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd. Overheden dienen op grond van het ge- wijzigde Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren met behulp van drie opeen- volgende stappen. Deze stappen borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling wordt gekomen. Wettelijk kader De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is verankerd in artikel 3.1.6 van het Bro.
In ar- tikel 1.1.1 Bro worden de relevante begrippen ‘stedelijke ontwikkelingen’ en ‘bestaand ste- delijk gebied’ gedefinieerd: ˗ stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of ze ehaven- terrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voor- zieningen; ˗ bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infra- structuur. In de toelichting op de wijziging van artikel 3.1.6. Bro is de wijziging gemotiveerd: ‘Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Daarom voegt artikel Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 8 II van dit besluit een tweetal nieuwe leden toe aan artikel 3.1.6 van het Bro, op grond waarvan overheden - indien zij een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk willen maken - standaard een aantal stappen dienen te zetten die borgen dat tot een zorgvuldige ruimte- lijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling wordt gekomen.
Deze stappen zijn geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikke- lingen. Dat zou voorbij gaan aan de specifieke lokale omstandigheden, die van invloed zijn op de inpassing van ruimte vragende functies en het regionale maatwerk dat de overhe- den moeten kunnen leveren. De stappen bewerkstelligen dat de wens om een nieuwe ste- delijke ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied, maar ook met oog voor de toe- komstige ruimtebehoefte, en voor de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt’. Werking van de Ladder De ladder voor duurzame verstedelijking bestaat drie treden. Trede 1 vraagt de regionale ruimtevraag (kwantitatief én kwalitatief) voor stedelijke ontwikkelingen te bepalen. Dit betreft wonen, werken, detailhandel en overige stedelijke voorzieningen. Kort gezegd is de vraag is gelijk aan de behoefte minus het aanbod (in plannen én in de bestaande voorraad met eenzelfde kwaliteit als de gevraagde kwaliteit). Met de regionale ruimtevraag in beeld kan worden beoordeeld of een voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actue- le regionale behoefte. Zo ja, dan is trede 2 aan de orde. Trede 2 motiveert of de beoogde ontwikkeling plaats kan vinden binnen het bestaand ste- delijk gebied.
Dit kan door op lege plekken de ruimte ‘in te vullen’, een andere bestem- ming te geven aan een gebied, door herstructurering van bestaande terreinen of door transformatie van bestaande gebouwen of gebieden. De motivering vraagt om te inventa- riseren wat de potentiële ontwikkelingslocaties zijn waar in de behoefte kan worden voor- zien en om een inschatting van de (financiële) haalbaarheid daarvan. Kan de vraag volledig opgevangen worden binnen bestaand gebied dan is de ladder suc- cesvol doorlopen en is de motivering na de afronding van deze stap klaar. Wanneer de re- gionale ruimtevraag niet of niet geheel binnen bestaand stedelijk gebied opgevangen kan worden, is trede 3 aan de orde. Trede 3 vraagt om een locatie te zoeken die multimodaal ontsloten wordt af kan worden. Uitwerking De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als nieuwe stedelijke ontwikkeling. In dat geval dient een uitwerking van de Ladder voor duurzame verstedelijking opg enomen te worden in de toelichting bij een bestemmingsplan. Echter gezien de beperkte omvang en het feit dat er in de bestaande situatie reeds sprake is van bebouwing waardoor er geen nieuw beslag op de ruimte wordt gelegd is het doorlopen van de treden van de Ladder is hierdoor niet noodzakelijk. 3.1.3 Conclusie rijksbeleid Voor het plangebied geldt dat er geen nationale belangen uit het relevante rijksbeleid in het geding zijn.
Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 9 3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel 2009 De Omgevingsvisie Overijssel 2009 betreft een integrale visie die het voorheen geldende Streekplan Overijssel 2000+, het Verkeer- en Vervoersplan, het Waterhuishoudingplan en het Milieubeleidplan samen brengt in één document. Hiermee is de Omgevingsvisie het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De Omg e- vingsvisie is op 1 juli 2009 vastgesteld door Provinciale Staten en op 1 september 2009 in werking getreden. Op 3 juli 2013 is de Omgevingvisie Overijssel 2009 gedeeltelijke g ewij- zigd. Deze wijziging is op 1 september 2013 van kracht geworden. Leidende thema’s voor de Omgevingsvisie zijn duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit. De hoofdambitie van Overijssel is om een vitale samenleving tot ontplooiing te laten komen in een mooi en vitaal landschap. Een samenleving, waarin alle Overijsselaars zich thuis vo e- len en participeren. Met bloeiende steden en dorpen als motoren voor cultuur en werkg e- legenheid, ingebed in een landschap, waarin wonen, natuur, landbouw en water elkaar versterken.
Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn: ˗ behoud en versterken van de verscheidenheid en identiteit van (binnen-)stedelijke kwa- liteit en mooie landschappen in het buitengebied; ˗ aantrekkelijke en gevarieerde woonmilieus, die voorzien in woonvraag; ˗ een vlotte en veilige reis over weg, water, spoor en per fiets van en naar stedelijke net- werken en streekcentra binnen en buiten Overijssel; ˗ een vitale en zichzelf vernieuwende regionale economie, met voldoende en diverse ves- tigingsmogelijkheden voor kennisintensieve maakindustrie en MKB; ˗ veilig, gezond en schoon kunnen wonen, werken, recreëren en reizen . 3.2.2 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel 2009 De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2009 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en de stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: 1. generieke beleidskeuzes; 2. ontwikkelingsperspectieven; 3. gebiedskenmerken. De omschreven drie niveaus sturen op basis van een inhoudelijke ontwikkelingsvisie of, waar en hoe een ruimtelijke ontwikkeling gerealiseerd kan worden.
Dus bij een initiatief tot woningbouw, bedrijfslocaties, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikke- ling, landbouw, water, etc. kan met deze drie niveaus bepaald worden of er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Onderstaand figuur geeft dit schematisch weer. De niveaus worden vervolgens nader toegelicht. Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 10 Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of provincie. Het zijn ke u- zes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Voor woningbouw, bedrijfslocaties en voorzieningen in zowel de groene als stedelijk omgeving hantee rt de provincie de SER-ladder. Deze komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaande bebo u- wing en herstructurering worden benut, voordat er uitbreiding kan plaat svinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffende onder andere reserveringen voor w aterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, besche r- ming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikk e- lingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, N a- tura 2000-gebieden en de Ecologische Hoofdstructuur. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend.
Als ze het gevolg zijn van provinciale keuzes staan ze in de Omg e- vingsverordening Overijssel 2009. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de generieke beleidskeuzes uit de pro- vinciale Omgevingsvisie. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorg e- nomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikk e- lingsperspectieven. In paragraaf 2.6 van de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ont- wikkelingsperspectieven beschreven voor de Groene en Stedelijke omgeving. Met dit spe c- trum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de beschreven beleids- en kwali- teitsambities. Op de kaart Ontwikkelingsperspectieven uit de Omgevingsvisie is hieraan nog een aantal geografisch bepaalde beleidskeuzes toegevoegd zoals de drinkwaterwi n- ning. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. De ontwikkeling van natuur past bijvoorbeeld niet in het ontwikkelingsperspe c- tief „buitengebied accent productie‟ of in „steden als motor‟. De aanleg van een bedrijven- terrein past weer niet in het ontwikkelingsperspectief „Zone Ondernemen met Natuur en Afbeelding 5: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 11 Water‟.
De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend om flexibiliteit voor de to e- komst te hebben. Het plangebied ligt in het ontwikkelingsperspectief ‘Steden als motor: geplande woon- wijk’. Dit ontwikkelingsperspectief omvat de steden. De ambitie Brede waaier aan woon -, werk en mixmilieus is hier de belangrijkste kwaliteitsambitie. De binnensteden leggen de basis voor de identiteit van de steden. Veel stedelijke voorzie- ningen (winkels, cultuur, openbaar vervoer) zijn hier te vinden. Behoud en gebruik van historisch erfgoed versterkt die identiteit en maakt de toeristische aantrekkin gskracht gro- ter. Rond de binnensteden liggen de diverse woonwijken en bedrijventerreinen elk met hun eigen woon-, werk- of gemengd milieu. Herstructurering van de woon-, werk- en voorzieningenmilieus moet deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan mili- eus versterken. Stedelijke ontwikkeling worden afgestemd op kenmerken van het watersysteem. In laag- gelegen gebieden wordt in bouw en evacuatieplannen rekening gehouden met risico’s op overstroming en wateroverlast. De steden kennen veelal gebieden met bijzondere condities voor specifieke functiecombi- naties en identiteiten. Zo zijn er in veel stedelijke gebieden havengebieden en oude indu- striecomplexen die zeer geschikt zijn als aantrekkelijke stadskwartieren gebruikmakend van de bestaande bebouwing.
Deze gebieden bieden vestigingskansen voor kennisinten- sieve maakindustrie of innovatieve MKB’ers die belang hebben bij een goede positionering ten opzichte van binnensteden en kennisinstellingen. Binnen het ontwikkelingsperspectief is het plangebied aangewezen als ‘geplande woon- wijk’. Dit betekent dat het gebied is aangewezen voor geplande nieuwe woonmilieus. De behoefte hieraan dient onderbouwd te worden middels een woonvisie en de SER lad- der/Ladder voor duurzame verstedelijking. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cul- tuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoor- waarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De bijlage Catalogus Gebied s- kenmerken behorende bij de Omgevingsvisie geeft meer in detail inzicht in de kenmerken van verschillende gebieden en wat in die gebiedskenmerken van provinciaal belang is voor hoe een ontwikkeling invulling krijgt. De kwaliteitsopgaven en –voorwaarden op ba- sis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke inpassing, in- frastructuur, milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend.
De ‘Natuurlijke laag’ De natuurlijke laag is ontstaan doordat abiotische processen – zoals ijs- wind- en water- stromen, erosie en sedimentatie – en biotische processen – zoals vestiging van plant- en diersoorten – inwerken op de ondergrond van bodem en geologie. Overijssel bestaat voor- namelijk uit een dekzandcomplex dat afloopt van oost naar west. Een paar noord -zuid ge- oriënteerde stuwwallen doorsnijden het dekzand. Het is een van oudsher bij tijd en wijle heel nat landschap waar het water maar moeilijk uit weg kon. Hier heeft zich hoogveen ontwikkeld. In het westen loopt dit landschapstype tot aan de kustlijn van de voormalige Zuiderzee, waar in de delta van IJssel, Vecht en Zwarte Water kleicomplexen en laagvee n- Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 12 gebieden zijn ontstaan. De zoetwaterdelta met de laagveenmoerassen is (nationaal en in- ternationaal gezien) het meest bijzondere deel in deze laag en vraagt nadrukkelijk aa n- dacht. Vanouds bestaat er in deze laag een sterke samenhang tussen het natuur - en watersys- teem; het watersysteem maakt in essentie één grote beweging van de brongebieden (op de flanken van de stuwwallen), naar de beken en weteringen (in de zandgebieden), naar Vecht en Zwarte Water en tenslotte naar de IJssel en de Randmeren.
Dit proces heeft in Overijssel geleid tot een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Ver- volgens heeft dit natuurlijke landschap plek en betekenis gekregen in het menselijk occ u- patieproces. Het natuurlijk landschap vormt daarmee de basis voor het gehele grondg e- bied van de provincie. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart ‘Natuurlijke laag’ aangeduid met het ge- biedstype ‘laagveengebieden (in cultuur gebracht)’. Grote gebieden waar onder invloed van grondwater en kwel veenmoeras is ontstaan met afwisselend open water, rietmoeras , veenmoeras en opgaand bos. Relicten van dit gebiedstype bestaan nog in de Wieden en Weerribben (laagveenrestanten). Voldoende water van goede kwaliteit en een hoge wate r- stand houden het veenpakket, de plaatselijke veengroei en hoge natuurkwaliteit in sta nd. Ambitie is de Wieden en Weerribben als grootste laagveenmoeras van Europa, aan elkaar verbinden via een brede overgangszone en ontwikkelen als een groot aaneengesloten (half) natuurlijk vaar- en recreatielandschap, met hoge biodiversiteit, met aanliggende kernen als poorten naar de natuur. Ook in de overige veenweidelandschappen is een hoog waterpeil van belang om inklin- king tegen te gaan. Het open karakter is zowel ruimtelijk waardevol, als voor weidevogels en ganzen.
Door de uitbreiding van het agrarisch bedrijf in het lint op te vangen in plaats van verder het landelijk gebied in, wordt aantasting van het open karakter voorkomen en sluit dus aan bij de ambities die gesteld zijn. De ‘Laag van agrarische cultuurlandschap’ In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuur- lijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Het agrarisch cultuurlandschap is bij uitstek een gebruikslandschap. Het aanzien van ruim tweederde van het oppervlak van Overijssel wordt bepaald door het agrarisch gebruik. Van deze landschappen maken zowel de agra- rische productiegronden, de landschappelijke beplantingen, routes, waterlopen, reliëfs etc, als de erven, buurtschappen en dorpen deel uit. Vanuit de nederzettingen werden de o m- liggende gronden ooit ontgonnen, daardoor is er een sterke ruimtelijke en functionele rel a- tie met het omringende landschap ontstaan. Bij de ontwikkeling van de cultuurlandschappen hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. Daarbij speelt ook de cultuurhistorie als ‘het verhaal van het landschap’ een steeds belangrijkere rol. Er zijn grote verschillen in de leeftijd van de verschillende landschappen.
De eerste hoge plekken van de dekzand werden vanaf 400 na Christus op een nu nog herke nbare wijze in cultuur gebracht, steeds werden andere gebieden en mogelijkheden gezocht, tot in de jaren 60 van de afgelopen eeuw zijn natuurlijke gebieden gecultiveerd. Dit verschil in ‘tijdsdiepte’ geeft mede richting aan de ontwikkeling van de deze gebieden. Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 13 Afhankelijk van bijvoorbeeld de stand van de techniek en de beschikbaarheid van mes t- stoffen is door de eeuwen heen een geschakeerd patroon van akkers, weiden, hooiland en bebouwing (hoeven, kernen, dorpen) gegroeid. Structuur, maatvoeringen en landschap s- elementen worden keer op keer aan de veranderende omstandigheden aangepast. De locatie is op de gebiedskenmerkenkaart ‘Laag van agrarische cultuurlandschap’ aange- duid met het gebiedstype ‘laagveenontginningen’. Open, laag en nat landschap ontstaan door occupatie vanuit de bewoonde hogere randen. Deels door vervening, deels door a l- leen ontwatering. Kenmerkende zonering van intensief gebruik langs de bewoonde ran- den en extensief gebruik naar het achterland. Boerderijen langs vaarten en wegen.
Ook de bijbehorende bebouwingsstructuur en typologie verschillen sterk van elkaar: in het slagen- landschap linten van bebouwing, vanwaar uit de verkaveling zich opstrekt en in polder Mastenbroek de boerderijen op terpen langs het lineaire grid. De ambitie is de cultuurhistorische kwaliteiten van het laagveenlandschap zoveel als m o- gelijk in stand te houden en beleefbaar te maken. De grote ope n ruimtes, het patroon van sloten met beplantingen, de vochtige bloemrijke weides met weidevogels geven dit lan d- schap grote belevingswaarde. De grondgebonden landbouw is de drager van deze kwal i- teiten, echter een nieuw perspectief op een gebiedsgerichte bedrijfsvoering - eventueel in combinatie met andere functies - is voor de toekomst van deze gebieden zeer wenselijk. Het karakteristieke bebouwingspatroon (voorkant aan de openbare weg; achterkant aan het landschap en in polder Mastenbroek op terpen) vormt vertrekpunt bij herstructure- ring, verdichting en uitbreiding van de agrarische bebouwing en de woon - / werkmilieus. Onderhavig plan sluit hierop aan doordat het gaat om grondgebonden landbouw en het karakteristieke bebouwingspatroon in stand blijft. Bij de nieuwe erfindeling is het bebou- wingspatroon als vertrekpunt gehanteerd. De ‘Stedelijke laag’ Het plangebied heeft op de gebiedskenmerkenkaart ‘Stedelijke laag’ geen bijzondere ei- genschappen.
Deze laag wordt dan ook buiten beschouwing gelaten. De ‘Lust- en leisurelaag’ Het plangebied heeft op de gebiedskenmerkenkaart ‘Lust- en leisurelaag’ geen bijzondere eigenschappen. Deze laag wordt dan ook buiten beschouwing gelaten. 3.2.3 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving De provincie wil ontwikkelingen in de groene omgeving samen laten gaan met een impuls in kwaliteit. Daarom is de ‘Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving’ ontwikkeld als een ee n- duidige bundeling van diverse bestaande regelingen zoals rood voor rood, rood voor groen, vab’s, landgoederen etc. deze regelingen blijven daarin overigens wel herkenbaar. Er is een eenvoudige werkwijze ontwikkeld om principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar te maken voor sociaal-economische ontwikkelingen in de groene omgeving. De basis ligt in de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, de ontwikkelingsper- spectieven en de ‘Catalogus Gebiedskenmerken’. Ontwikkelingen in de groene omgeving worden als volgt benaderd: er wordt ruimte voor sociaal-economische ontwikkeling gebo- den als deze ontwikkeling vanuit zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik verantwoord is en Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 14 in het ontwikkelingsperspectief ter plekke past en volgens de ‘Catalogus Gebiedskenme r- ken’ wordt uitgevoerd.
Het borgen en versterken van de ruimtelijke kwaliteit bij ontwikkelingen in de groene o m- geving, is verankerd in artikel 2.1.6. van de Omgevingsverordening Overijssel 2009. deze verordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwe r- pen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omg e- vingsvisie Overijssel 2009 juridisch geborgd is. Aan de geboden ontwikkelruimte worden dus voorwaarden verbonden om ruimtelijke kwaliteit te handhaven dan wel in voork o- mende gevallen de gewenste ruimtelijke kwaliteit te kunnen realiseren. Het gaat hierbij in alle gevallen om een goede ruimtelijke inpassing van de ontwikkeling. Op deze manier wordt aantasting van de omgevingskwaliteit en een verlies aan ecologisch en landscha p- pelijk kapitaal als gevolg van de nieuwe ontwikkeling voorkomen dan wel in voldoende mate gecompenseerd. Een en ander moet nader worden onderbouwd in een bij het ruimt e- lijk plan behorende toelichting. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het beleid ten aanzien van de Kwaliteitsimpuls Groende Omgeving niet van toepassing. 3.2.4 Conclusie provinciaal beleid Voor het plangebied geldt dat er geen provinciale belangen uit het relevante provinciale beleid in het geding zijn.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Toekomstvisie Steenwijkerland 2030 De gemeente Steenwijkerland heeft een Strategische Toekomstvisie ontwikkeld. Deze be- vat een integrale visie op de ontwikkelingen van de gehele gemeente tot 2030. De gemeen- te ziet plattelandseconomie letterlijk en figuurlijk als de drager van het buitengebied. Z o- wel economisch als sociaal en ruimtelijk. Van Nationaal Park tot de landgoederen. De breedte van de plattelandseconomie in Steenwijkerland (veehouderij, rietteelt, visserij, n a- tuurbeheer, tuinbouw, grondstoffen/energie, zorglandbouw, etc.) is de kracht voor het g e- bied. Vanaf nu naar de toekomst toe wordt ingezet op grondgebondenheid (inclusief water en natuur) van plattelandseconomie omdat dit het meest duurzaam is: het is de beste co m- binatie om de veelzijdigheid van de bedrijven voor economie (werk, inkomen, producten), ruimte (inrichting en beheer) en sociaal (cohesie, identiteit, cultuur) naar de toekomst te borgen. 3.3.2 Toekomstagenda Steenwijkerland 2025 De gemeenteraad heeft 17 maart 2015 de Toekomstagenda Steenwijkerland vastgesteld. In de Toekomstagenda staan de belangrijkste opgaven en vraagstukken voor de toekomst van Steenwijkerland.
Vraagstukken zijn bijvoorbeeld ‘Hoe om te gaan met een verande- rende bevolking?’ of ‘Willen we meer samenwerken in de regio of richten we ons op lokale werkgelegenheid?’ De Toekomstagenda is tot stand gekomen in nauwe samenwerking tussen de gemeente met meer dan 100 ondernemers en maatschappelijke partners nage- dacht. De Toekomstagenda is een belangrijke stap op weg naar de Omgevingsvisie Steenwijker- land. Beleid gaat immers altijd over de toekomst. De raad heeft opdracht gegeven de Om- Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 15 gevingsvisie te maken. De vraagstukken geven aan waar de Omgevingsvisie zich op moet richten. Het wordt een brede visie met ambities op ruimtelijke, economische en sociale thema’s. De Omgevingsvisie geeft voor de komende 10 tot 15 jaar aan waar de gemeente voor staat. 3.3.3 Beleidsnotitie Facetbeleid In de Beleidsnotitie Facetbeleid, die is vastgesteld op 16 februari 2011, is voor een breed scala aan onderwerpen facetbeleid opgesteld. Deze facetten (beleidsaspecten) zijn onder- gebracht in een aantal thema’s. Hierbij wordt gedacht aan onder andere beleid ten aanzien van horeca of detailhandel, maar ook aan-huis-verbonden-beroepen en mantelzorg.
In de- ze notitie is per thema achtereenvolgens het huidige Rijks-, provinciaal en gemeentelijk be- leid samengevat, waarna dit wordt toegepast op de facetten waarvoor nieuw dan wel aan- vullend beleid gewenst is. Per facet wordt vervolgens een uitgangspunt geformuleerd dat richting geeft aan de definitieve uitwerking van het beleid. Die uitgangspunten betreffen sectorale wensen. Hierna worden de thema’s besproken die relevant zijn voor voorliggend bestemmings- plan. Per thema worden de uitgangspunten genoemd die de richting van het nieuwe be- leid aangeven. Eén en ander is overeenkomstig de beleidsnotitie in de regels en verbeel- ding van dit bestemmingsplan verwerkt. Milieuaspecten - Geluid: Een akoestisch onderzoek is noodzakelijk in de gevallen zoals voorgeschreven in de Wet geluidhinder. Uit dit onderzoek zal moeten blijken dat de hoogst toelaatbare geluidsbelasting niet wordt overschreden. In overige gevallen kan de VNG uitgave “Bedrijven en milieuzonering” als uitgangspunt dienen ten aanzien van geluidsa spec- ten. Maatwerk in afwijking van deze brochure is mogelijk, mits dit goed wordt gemoti- veerd. Een akoestisch onderzoek kan daarbij de basis vormen. - Bodem: Een bodemonderzoek is noodzakelijk bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Met een dergelijk onderzoek kan worden vastgesteld of de bodemkwaliteit voldoende is voor het beoogde gebruik.
Ook bij het opnemen van de uitwerkings-, wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden in het bestemmingsplan dient een bodemonderzoek als voorwaarde opgenomen worden. Daarnaast dient nieuwe bodemverontreiniging voor- komen te worden. - Externe veiligheid bedrijventerreinen/landelijk gebied: Het beleid ten aanzien van ex- terne veiligheid is tweeledig. Enerzijds richt het beleid zich op de bescherming van per- sonen die zich bevinden in de nabijheid van een risico-bron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven (plaatsgebonden risico). Anderzijds is het be- leid gericht op de bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijke ramp met een groot aantal slachtoffers (groepsrisico). Het ‘plaatsgebon- den risico’ wordt aangegeven met de risicocontour (PR-contour). Op bedrijventerreinen zijn binnen deze PR-contour nieuwe beperkt kwetsbare objecten toegestaan, mits dit deugdelijk gemotiveerd is. In nieuwe situaties dient de PR-contour te allen tijde binnen de grenzen van de inrichting te vallen. Onder voorwaarden zijn uitzonderingen hierop mogelijk. Bovendien mag het invloedsgebied van een risicobron niet over een woonge- bied vallen. De toename van het groepsrisico (GR) wordt onder voorwaarden accepta- bel gevonden.
De oriëntatiewaarde voor de GR zal in nieuwe situaties als richtwaarde beschouwd worden. Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 16 - Luchtkwaliteit: Indien nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zich aandoen dient te wor- den aangetoond dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. Ook bij het opnemen van de uitwerkings-, wijzi- gings- en afwijkingsbevoegdheden in het bestemmingsplan dient deze voorwaarde op- genomen te worden. Natuur - Soortenbescherming: Indien nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt dienen deze te worden getoetst aan het wettelijk kader voor soortenbescherming. - Gebiedsbescherming: Indien nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt dienen deze te worden getoetst aan het wettelijk kader voor gebiedsbescherming, waarbij de beschreven habitattoets wordt uitgevoerd. - Ecologische hoofdstructuur: Indien nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt dienen deze te worden getoetst aan het provinciaal beleid ten aanzien van de EH S, waarbij de ‘EHS-spelregels’ worden gehanteerd. Bedrijvigheid - Zonering bedrijventerreinen: Bij de bestemmingsplanactualisatie wordt een maximale milieucategorie voor bedrijven op de bedrijventerreinen opgenomen.
Er dient een in- waartse zonering aangebracht te worden, dat wil zeggen dat lichte bedrijven aan de randen thuishoren en zwaardere bedrijven in het midden. Bestaande bedrijven die daar niet in passen worden positief, maar specifiek bestemd. Nieuwvestiging van risicovolle bedrijven dient te worden uitgesloten. - Bedrijfswoningen: Nieuwe bedrijfswoningen worden niet meer toegestaan op bedrij- venterreinen, omdat ze de milieuruimte van omliggende bedrijven beperken. Boven- dien ontbreekt de noodzaak van bedrijfswoningen tegenwoordig. - Uitbreiding bestaande bedrijven: Bij uitbreiding van bestaande bedrijven wordt de duurzaamheidsladder (conform artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening) aangehouden. Dat wil zeggen dat eerst op de locatie zelf gekeken wordt wat de moge- lijkheden zijn, bijvoorbeeld door middel van efficiënt ruimtegebruik. Zo is ondergronds bouwen onder bebouwing rechtstreeks toegestaan. Indien dit niet mogelijk is wordt gekeken naar andere beschikbare bedrijfskavels. Als deze ook niet voorhanden zijn kan uitbreiding overwogen worden. Deze uitbreiding dient landschappelijk goed te wor- den ingepast en moet voldoen aan milieuhygiënische en ecologische randvoorwaarden en randvoorwaarden ten aanzien van het aspect parkeren.
Bovendien dient het goede woon- en leefklimaat ter plaatse gewaarborgd te blijven en mag er geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Archeologie - Verankeren archeologisch beleid: Het reeds vastgestelde archeologiebeleid dient in nieuwe bestemmingsplannen verwerkt te worden conform de SVBP2012 . Nieuwe ruimtelijke initiatieven in strijd met het geldende bestemmingsplan moeten recht- streeks worden getoetst aan het vastgestelde archeologisch beleid. Het archeologiebe- leid van de gemeente Steenwijkerland is nader beschreven in paragraaf 4.3 van deze toelichting. Infrastructuur en openbare ruimte - Verkeer: Bij de bestemmingsplanactualisatie wordt voorzien in een voldoende ruimte regeling voor verkeer- en verblijfsgebieden, zodat herinrichting mogelijk is. Binnen de Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 17 verkeer- en verblijfsgebieden moet de aanleg van groen en waterhuishoudkundige voorzieningen voor de opvang en afvoer van hemelwater mogelijk zijn. - Parkeren: Indien door nieuwe ontwikkelingen extra parkeerbehoefte ontstaat, dient de aanvrager op eigen terrein in deze behoefte te voorzien. Deze plicht kan bewerkstelligd worden door middel van een bestemmingsregeling of door voorwaarden te stellen aan een planologisch besluit.
Voor de realisatie van de parkeergelegenheid zal voorts het stappenplan worden gehanteerd zoals is opgenomen in paragraaf 9.3 van de Beleidsno- titie facetbeleid. Zolang er geen gemeentelijke parkeernormen zijn vastgesteld wordt gemotiveerd gebruik gemaakt van de meest recente CROW-publicatie over de parkeer- kencijfers (publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’). Op het moment dat er een gemeentelijk vastgesteld parkeerbeleid is, is dit document het leidende do- cument. Indien uit het stappenplan blijkt dat niet voldaan kan worden aan de gestelde eisen, dan dient de aanvraag in beginsel te worden afgewezen, tenzij er andere zwaar- wegende belangen zijn die aanleiding geven alsnog medewerking te verlenen aan de nieuwe ontwikkeling. Recreatie - Bewoning van recreatiewoningen: Onder voorwaarden kunnen permanent bewoonde recreatiewoningen herbestemd worden tot reguliere woningen. Op rijksniveau zijn hiervoor een aantal criteria opgesteld. Zo dient de recreatiewoning op 31 oktober 2003 onrechtmatig bewoond te zijn, dient de recreatiewoning buiten waardevolle en/of kwetsbare gebieden gelegen te zijn en moet de woning voldoen aan het Bouwbesluit voor reguliere woningen. In het provinciale beleid is daaraan toegevoegd dat de recrea- tiewoning in een stads- of dorpsrandgebied (dat geen onderdeel is van de EHS of een Nationaal Landschap) dient te liggen.
Wonen - Aan huis verbonden beroepen: Aan huis verbonden beroepen worden rechtstreeks toe- gestaan in het bestemmingsplan, mits daarvoor specifieke gebruiksregels worden op- genomen. - Aan huis verbonden bedrijven: In tegenstelling tot aan huis verbonden beroepen wor- den aan huis verbonden bedrijven onder specifieke gebruiksvoorwaarden middels een afwijkingsbevoegdheid mogelijk gemaakt in een bestemmingsplan. - Ondergeschikte nevenactiviteiten bij wonen: Als ondergeschikte nevenactiviteit kan middels een afwijkingsbevoegdheid alleen detailhandel toegestaan worden. Hiervoor dienen een aantal specifieke randvoorwaarden ten aanzien van het gebruik opgenomen te worden. - Mantelzorg: Mantelzorg is mogelijk via een omgevingsvergunning voor afwijking van de gebruiksregels. Hieraan zijn duidelijke randvoorwaarden gekoppeld, gebaseerd op de regeling in het ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2007, maar toegespitst op het stedelijk gebied. - Woningsplitsing: Ten aanzien van woningsplitsing wordt een afwijkingsbevoegdheid opgenomen, met daaraan duidelijke randvoorwaarden gekoppeld. - Bijgebouwenregeling: Een zo helder mogelijke bijgebouwenregeling opstellen door zo- veel mogelijk regelen op de verbeelding en zo min mogelijk in de regels. De oppervlak- te dient te worden gekoppeld aan de oppervlakte van het (bouw)perceel , tot een maximum bebouwingspercentage.
De bijgebouwenregeling is nader uiteengezet in pa- ragraaf 7.4 van deze toelichting. Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 18 Duurzaamheid - Ondergronds bouwen: Ondergronds bouwen dient mogelijk gemaakt te worden door een expliciete regeling (aparte bouwregels) op te nemen binnen het bestemmingsplan. Deze regeling gaat tenminste in op de maximale verticale bouwdiepte en de maximale inhoud van het ondergrondse deel van het bouwwerk. Indien noodzakelijk kan een be- perkte overschrijding van de bouwgrenzen worden toegestaan, ten behoeve van de toegang tot ondergrondse verdiepingen zoals parkeerkelders. Ondergronds bouwen dient dusdanig plaats te vinden zodat wordt voldaan aan milieuhygiënische en ecolo- gische randvoorwaarden. Bovendien dient het goede woon- en leefklimaat ter plaatse gewaarborgd te blijven en mag er geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. 3.3.4 Landschapsontwikkelingsplan Steenwijkerland In 2005 is het Landschapontwikkelingsplan (LOP) voor de gemeente Steenwijkerland vastgesteld. Een belangrijke reden voor het opstellen van het LOP was de wens om te ko- men tot een eenduidige formulering van het landschapsbeleid.
Ook kan met het LOP wor- den ingespeeld op het proces van maatschappelijke veranderingen, zoals de ontwikkelin- gen in de landbouw, veranderingen in het omgaan met het milieu en het gewijzigde beleid en de regelgeving door de provinciale en rijksoverheid. Hiernaast was de wens tot in- standhouding, restauratie en verbetering van o.a. de in de gemeente aanwezige houtwal- len en de afstemming van dit beleid met andere beleidsvelden, zoals recreatie en natuur- ontwikkeling, een belangrijk speerpunt voor het opstarten van het plan. Het LOP geeft een visie op de wenselijke toekomstige ontwikkeling van het landelijk ge- bied van de gemeente. Het dient als instrument waarmee richting kan worden gegeven aan nieuwe ontwikkelingen die zich aandienen of die zich reeds hebben aangediend. In het LOP maakt het plangebied onderdeel uit van het landschapstype ‘Zandlandschap’ en specifieker het ‘Randveenontginningslandschap’. De bodem van de zandgebieden be- staat uit keileem, een door het ijs afgezette slecht doorlatende laag, met daarop zand. Deze gebieden zijn relatief hoog gelegen en kennen soms markante hoogteverschillen. In de ge- meente Steenwijkerland zijn drie grote zandgebieden te onderscheiden: - De rug tussen de Linde en de Steenwijker Aa; - De rug tussen de Steenwijker Aa en de riviertjes afkomstig uit Zuidwest Drenthe; - Het Hoge Land van Vollenhove.
Het plangebied ligt op de rug tussen de Linde en de Steenwijker Aa. Vroeger kwam op de rug verspreid staande bebouwing voor, nu vinden we er enkele kernen (Steenwijkerwold, Paasloo). Op de rug volgen de wegen de hoogteverschillen, waardoor ge en enkele weg recht is en het beeld verandert daarom voortdurend. Door de hoogteverschillen en de ver- spreid staande beplanting doet het gebied parkachtig aan. Langs de zuidrand liggen enke- le grote boerenerven. Op de hogere voormalige heidegronden bestaat de bebouwing deels uit voormalige keuterboerderijtjes. Binnen dit landschapstype is het plangebied onderdeel van cultuurhistorische landschaps- type ‘Randveenontginningslandschap’. Dit landschapstype ligt langs de randen van de hogere ruggen en vormen overgangsgebieden die gekenmerkt worden door de regelmati- ge strookvormige (slagen) verkaveling met houtwallen en singels, haaks op de richting van het stroomdal. Het gebied maakt verder onderdeel uit van de parel Ia: ‘Rug Oldemarkt - Steenwijk, be- houden en versterken kleinschalig karakter’. Deze gebieden zijn aardkundig, natuurwe- Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 19 tenschappelijk, archeologisch, cultuurhistorisch of vanwege een combinatie van deze as- pecten zo waardevol dat ze beschermd dienen te worden voor ontwikkelingen die afbreuk doen aan deze waarden.
Ontwikkelingen in deze gebieden zijn alleen mogelijk indien ze de landschappelijke kwaliteiten ondersteunen en versterken (zoals waterberging in poten- tiële kwelgebieden of beekdalen). Het plangebied grenst aan het bebouwde gebied van Steenwijk/Tuk en is omgeven door recent ontwikkelde bedrijventerreinen. De landschappelijke karakteristiek zoals omschre- ven in het LOP is hier grotendeels aangetast. Daarnaast is de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is van dien aard dat er geen sprake is v an een verdere aantas- ting van deze landschappelijke karakteristieken. 3.3.5 Toekomstige bestemmingsplan De voorgenomen ontwikkeling is strijdig met het geldende bestemmingsplan. Als gevolg van de omzetting van de recreatiewoning ontstaat een nieuwe reguliere woning buiten het bestaande bouwvlak. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt een nieuw bouwvlak ter plaatse van de aanwezige recreatiewoning toegevoegd aan het bestemmingsvlak. 3.3.6 Conclusie gemeentelijk beleid Voor het plangebied geldt dat er geen gemeentelijke belangen uit het relevante gemeente- lijk beleid in het geding zijn. Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 20 Hoofdstuk 4 Actuele waarden 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de actuele waarden die aanwezig zijn in het gebied. Specifiek wordt ingegaan op de ecologische waarden, cultuurhistorie en archeologie.
4.2 Ecologie Bij elk ruimtelijk plan dient met het oog op de natuurbescherming rekening te worden g e- houden met de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. Hierbij dient te worden aangetoond dat als gevolg van de geplande activiteiten de gunstige staat van instandhou- ding van waardevolle dier- en plantensoorten niet in het geding komt. Hierbij wordt on- derscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. 4.2.1 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is vastgelegd in de Natuurbeschermingswet 1998 (Stb. 1998, 403 en Stb. 2005,195). Deze wet is de implementatie van de Europese Vogel - en Habitatrichtlijn voor wat betreft de gebiedsbescherming en is vanaf 1 oktober 2005 in werking getreden. Op grond van deze gebiedsbescherming vallen beschermde natuurmonumenten en de g e- bieden die op grond van de beide Europese richtlijnen zijn aangewezen als speciale b e- schermingszones (de zogenoemde Vogel- en Habitatrichtlijngebieden) onder het regime van de Natuurbeschermingswet 1998. Naast deze wettelijke beschermingsregelingen geldt voor gebieden binnen die liggen bin- nen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) het 'nee, tenzij-principe'. De Ecologische Hoofd- structuur bestaat uit een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden met als doel bestaande natuurgebieden en het omringende agrarische gebied met elkaar te verbinden.
4.2.2 Soortenbescherming Behalve de mogelijke effecten op natuurgebieden moet ook duidelijk zijn of het betreffe n- de plan effecten heeft, en zo ja welke, op beschermde soorten. De soortenbescherming is vastgelegd in de Flora- en faunawet (Staatsblad 1999, 264, laatstelijk gewijzigd Staatsblad 2009,617). Deze wet is de implementatie van de Europese Vogel - en Habitatrichtlijn voor wat betreft de soortenbescherming. Standaard geldt voor het gehele gebied de algemene zorgplicht zoals die in de Flora en faunawet centraal staat (artikel 2). Bovendien moeten de handelingen in logisch verband staan met het plan en geen doel op zich vormen. 4.2.3 Invloed voorgenomen ontwikkeling De planlocatie maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De afstand tot het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied Weerrib- ben-Wieden bedraagt 2.300 meter (het betreft de afstand tot het deel van dit gebied dat ten zuiden van Steenwijk ligt). De meest nabijgelegen delen van de EHS betreft het gebied Woldmeente, dat tussen het spoor richting Wolvega en de A32 ligt. De afstand tot dit ge- bied bedraagt circa 800 meter. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van negatieve effecten op de nabij gelegen beschermde gebieden.
Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 21 Het plangebied wordt sinds jaar en dag gebruikt ten behoeve van het wonen. Ook de re- creatiewoning kent dit gebruik. Als gevolg hiervan worden er geen beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied verwacht. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot aantasting van het leefgebied van beschermde dier- en plantensoorten. 4.2.4 Conclusie ecologie Het bestemmingsplan is ten aanzien van het aspect ecologie uitvoe rbaar. 4.3 Cultuurhistorie en archeologie 4.3.1 Cultuurhistorie In een bestemmingsplan moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aa n- dacht zijn voor het aspect cultuurhistorie. In en in de directe omgeving van het plangebied komen geen rijks- en gemeentelijke monumenten voor. Het plangebied is geen onderdeel van een beschermd stads- of dorpsgezicht, als zodanig aangewezen waardevol landschap en een cultuurhistorisch waardevolle structuur. 4.3.2 Archeologie In 1992 is het Verdrag van Malta door de landen van de Europese Unie, waaronder Neder- land, ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ (ter plekke) bewaard moeten blijven. Er dient te worden nagestreefd de waarden op de locatie te behouden.
Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwpla n- nen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ (elders) worden bewaard. Het Verdrag van Malta is via de Wet op de archeologische monumentenzorg doorvertaald in met name de Monumentenwet 1988, welke aangeeft dat de gemeente bevoegd gezag is op het gebied van cultuurhistorie en archeologie. De gemeente Steenwijkerland beschikt over een archeologische waarden- en verwachtin- genkaart. Op deze kaart (zie de hieronder weergegeven uitsnede) zijn de gronden bi nnen het plangebied aangeduid als ‘Hoge archeologische verwachtingswaarde’ (oranje) . Aan de archeologische waarden- en verwachtingenkaart is archeologisch beleid gekoppeld. Het beleid voor gebieden met een hoge archeologische verwachting is: - bij plannen groter dan 2.500 m² is het uitvoeren van archeologisch onderzoek (in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek) noodzakelijk. De voorgenomen ontwikkeling betreft de omzetting van een recreatiewoning naar een re- guliere woning met een maximale inhoud van 850 m³. De locatie van deze woning is mid- dels een bouwvlak vastgelegd op de verbeelding. Dit bouwvlak heeft een beperkte opper- vlakte en is in ieder geval kleiner dan de genoemde 2.500 m². Als gevolg hiervan is een ar- cheologisch onderzoek niet noodzakelijk. Hoewel archeologisch onderzoek niet nodig is, geldt er wel een algemene meldingsplicht.
Elke archeologische vondst dient gemeld te worden aan de Minister (artikel 53 en 54 van de Monumentenwet) door middel van het officiële vondstmeldingsformulier. Dit kunnen bijvoorbeeld scherven zijn, pijpenkopjes of munten. Een vondstmelding kan veel inform a- tie verschaffen over de archeologische waarden en verwachtingen in een gebied. Het maakt het verhaal van het verleden completer. Om die reden is het volgens de Monume n- Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 22 tenwet wettelijk verplicht gesteld archeologische vondsten te melden. Het maakt niet uit of een archeologische vondst gedaan is tijdens archeologisch onderzoek of als toevalsvondst bij niet archeologisch onderzoek. 4.3.3 Conclusie cultuurhistorie en archeologie Het bestemmingsplan is ten aanzien van het aspect cultuurhistorie en archeologie uitvoer- baar. Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 23 Hoofdstuk 5 Waterparagraaf 5.1 Inleiding Het is verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is bepaald in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Dit hoofdstuk kan als zod a- nig beschouwd worden.