6.2b aanvullende Natuurtoets Harmonie.pdf
Tekst van het document
Aan de overzijde van de Dorpsgracht ligt het natuurgebied De Wieden. Dit gebied is aangewezen als Natura 2000‐gebied en is begrensd als Ecologische Hoofdstructuur (vanaf nu EHS). Figuur 1.1 Ligging plangebied ten noorden van Giethoorn. NATUURTOETS HOTEL DE HARMONIE GIETHOORN 5 Beoogde plannen (Onderstaande tekst is grotendeels gebaseerd op het conceptbestemmingsplan Giethoorn ‘Uitbreiding hotel De Harmonie’ van 14 juni 2012.) De ontwikkeling betreft het uitbreiden van het hotel. Hierbij wordt het stuk grasland ten noorden van de huidige bebouwing ontwikkeld ten behoeve va n het hotel. Het plan gaat uit van de realisatie van een vrijstaand gebouw, direct aansluitend op de bestaande bebouwing. Hierin wordt maximaal 40 hotelkamers ondergebracht. Tevens worden functies ten behoeve van de gasten voorgesteld. Hierbij kan gedacht worden aan een sportruimte en eventueel een binnenzwembad. Aan de noordzijde van het terrein zal worden voorzien in de parkeerbehoe fte voor circa 100 auto’s. Aan de achterzijde worden dagrecreatieve voorzieningen voorgesteld.
De oostzijde van het terrein wordt ingericht ten behoeve van buitenrecreatie. De oostelijke rand wordt ingericht als een brede groene strook, zonder bouwwerken, waarmee een geleidelijke overgang naar het achterliggende natuurgebied wordt bereikt. Halve rwege het graslandperceel wordt vanaf de Dorpsgracht een nieuwe sloot gegraven. De oeverbescherming langs de Dorpsgracht zal worden verwijderd, waarna de oevers van de dorpsgracht natuurvriendelijk worden ingericht. Ook de oevers van de nieuwe sloot zullen natuurvriendelijk worden ingericht. Langs de noordzijde wordt ook een groenstrook voorgesteld. Deze dient ter afsch erming van het parkeerterrein en voor de privacy van het noordelijke gelegen woonperceel. Ten behoeve van de plannen worden enkele groenstructuren verwijderd. Bebouwing wordt niet gesloopt. Voor een inrichtingsschets van de plannen wordt verwezen naar bijlage 1. Figuur 1.2 In het zuidelijke deel van het plangebied bevindt zich hotel De Harmonie met een haventje voor recreatief gebruik. Figuur 1.3 Het noordelijke deel van het plangebied betreft een intensief gebruikt grasland, omzoomd door enkele bomen.
NATUURTOETS HOTEL DE HARMONIE GIETHOORN 6 1.3 Algemene opzet Om inzicht te krijgen in de aanwezige natuurwaarden en mogelijke beperkingen in relatie tot natuurwet‐ en regelgeving is het volgende in beeld gebracht: • Ten eerst is nagegaan welke beschermde planten‐ en diersoorten in het gebied voorkomen of kunnen voorkomen (hoofdstuk 2); • Ten tweede is in kaart gebracht welke gebiedsgerichte natuurbescherming uitwerking heeft in het plan gebied (hoofdstuk 3 en 4). Hoewel het hele perceel onderzocht is, gaat de toetsing alleen in op de aangeleverde, geplande inrichting volgens het conceptbestemmingsplan. Wanneer de inrichting wijzigt, verruimd wordt of anderzijds afwijkt, is mogelijk een nieuwe toetsing of actualisatie noodzakelijk. NATUURTOETS HOTEL DE HARMONIE GIETHOORN 7 2 Flora‐ en faunawet 2.1 Juridisch kader De Flora‐ en faunawet voorziet in de bescherming van een aantal plant‐ en diersoorten en gaat hierbij uit van het nee, tenzij‐beginsel. Centraal in de bescherming staat de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun lee fomgeving.
Samengevat kan worden gesteld dat alle vogels, de meeste zoogdieren, amfibieën en reptielen en een aantal, meest zeldzame planten, vlinders, libellen, vissen en ongewervelden beschermd zijn. In de praktijk betekent dit dat bepaalde handelingen ten aanzien van dieren en planten slechts onder strikte voorwaarden mogelijk zijn. De Flora‐ en faun awet heeft in die zin de nodige consequenties bij ruimtelijke ontwikkelingen. Om te bepalen of door een bepaalde activiteit beschermde soorten verstoord of verontrust worden, is kennis nodig over de al dan niet aanwezigheid van beschermde soorten. Deze informatie kan bijvoorbeeld afkomstig zijn uit recente onderzoeken of verspreidingsatlassen. Vaak ontbreekt ec hter specifieke informatie over de locatie waar werkzaamheden of herinrichtingen gepland zijn. Het (laten) uitvoeren van een inventarisatie biedt dan uitkomst. Voor een nadere toelichting op de Flora‐ en faunawet wordt verwezen naar bijlage 2.
2.2 Methode Voorliggende ecologische beoordeling is voor een belangrijk deel gebaseerd op een locatiebezoek op 25 juni 2012. Tijdens dit veldbezoek is aandacht besteed aan de beschermde soorten binnen de Flora‐ en faunawet en vooral aan de juridisch zwaarder beschermde soorten (tabel 2‐ en 3‐soorten) en aan bedreigde (Rode Lijst) soorten. Voor zover mog elijk zijn alle soortgroepen geïnventariseerd. In combinatie met de terreingesteldheid, bekende verspreidingsgegevens (zie Geraadpleegde bronnen) en expert judgement is vervolgens een uitspraak gedaan over (mogelijk) aanwezige beschermde soorten. In onderstaande paragrafen worden de onderzochte soortengroepen beschreven die in het onderzoeksgebied en de directe omgeving zijn aangetroffen en/of te verwachten. 2.3 Flora Omdat het veldbezoek in het groei‐ en bloeiseizoen is uitgevoerd, is een redelijk goed beeld verkregen van de aanwezige plantensoorten (de meeste verwachte soorten zouden aangetroffen kunnen worden). De in het zuidelijke deel aanwezige vegetatie bestaat geheel uit erfbeplanting. Beschermde of bedreigde soorten worden hier niet verwacht.
Op het noordelijke perceel kenmerkt de aangetroffen vegetatie zi ch als grasland van matig tot voedselrijke omstandigheden. Opvallende soorten zijn Gestreepte witbol, Gewone smeerwortel, Kruipende boterbloem, Rode klaver, Veldzuring, maar het grasland wordt verder gedomineerd door Engels raaigras. Langs de Beulakerweg staan enkele eiken en langs de Dorpsgracht enkele elzen, Gewone vlier en Gewone es. De ondergroei is hier wat ruiger dan het grasl and en de dominante soort betreft hier Riet. In het water van de sloot aan de noordkant van het plangebied en de Dropsgracht werden soorten als Witte waterlelie, Gele Plomp, Drijvend fonteinkruid, Pijlkruid en Krabbenscheer aangetroffen. Langs de oevers zijn nog enkele a ndere soorten aangetroffen zoals Riet, Pitrus, Gele lis, Liesgras en Grote egelskop. Mogelijk komt in de oevers ook Gewone dotterbloem voor. Omdat de soort in het voorjaar bloeit, is de soort in juni vaak niet meer te herkennen. Het blad wat dan nog enkel zichtbaar is staat vaak tussen het hogere riet. Ge wone dotterbloem is NATUURTOETS HOTEL DE HARMONIE GIETHOORN 8 opgenomen in tabel 1, algemene soorten, wat betekent dat bij ruimtelijke ingrepen een vrijstelling geldt op de verbodsbepalingen.
Andere beschermde of bedreigde zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht op basis van de aangetroffen vegetatie en groeiplaats‐omstandigheden. Vervolgstappen als een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is voor flora niet aan de orde. 2.4 Zoogdieren Grondgebonden soorten Het onderzoeksgebied vormt alleen het leefgebied van enkele algemeen voorkomende soorten als Egel, Veldmuis, Bosmuis en Rosse woelmuis. Mogelijk wordt het ook incidenteel gebruikt als foerageergebied door Haas of Steenmarter. Van deze soorten valt alleen Steenmarter in de categorie waarvoor geen vrijstelling geldt op de verbodsbepalingen bij ruimtelijke ontwikkelingen (zg n. tabel 2‐soort: overige soorten). Omdat het echter alleen gaat om incidenteel foerageergebied is dit niet beschermd. Voor de overige soorten geldt de vrijstelling wel, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze zoogdieren niet aan de orde is. De oevers van de watergangen zijn tevens onderzocht op de geschiktheid voor de strikt beschermde ‐ en in De W ieden relatief algemeen voorkomende – Waterspitsmuis (tabel 3‐ soort). Nergens vormt het plangebied of de aangrenzende watergangen geschikt leefgebied, waardoor aanwezigheid van deze soort uitgesloten kan worden.
Schade aan de algemene en laag beschermde zoogdieren kan – indien de planning van de werkzaamheden dit toelaat ‐ geminimaliseerd worden door werkzaamhede n zoveel mogelijk uit te voeren buiten de voortplantingsperiode (maart tot augustus). De minst schadelijke periode is september tot december (mits vorstvrij). Vleermuizen Omdat slechts één dagbezoek is uitgevoerd, heeft geen gericht vleermuisonderzoek plaatsgevonden. Het plangebied zelf (het grasland) is slechts beperkt geschikt voor vleermuizen en zal al leen incidenteel dienen als foerageergebied. De aangrenzende Dorpsgracht en de opgaande lijnvormige beplanting langs de Dropsgracht en de Beulakerweg kunnen wel een functie hebben als foerageergebied of vliegroute. Door de soort bomen en de leeftijd hiervan wordt niet verwacht dat hier verblijfplaatsen aanwezig zullen zijn. De huidige bebouwing blijft behoud en. Op de locatie waar de aanbouw plaats vindt zijn geen invliegopeningen, waardoor vaste verblijfplaatsen hier kunnen worden uitgesloten. Geconcludeerd wordt dan ook dat geen negatieve effecten zullen optreden op eventueel aanwezige verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen.
Omdat als gevolg van de plannen naar verwachting een toename van de verlichting gaat plaatsvinden, be staat de kans dat leefgebied van vleermuizen (vliegroute of foerageergebied) verstoord wordt. De mate van verstoring door verlichting verschilt per soort. Meervleermuis1 is bijvoorbeeld zeer verstoringsgevoelig voor lichtverstoring, terwijl Laatvlieger soms juist bij verlichting gaat foerageren op insecten die aangetrokken worden door deze verlichting. Voor Meervleermuis fungeert de Dorpsgracht naar verwachting als foerageergebied of migratieroute van individuen die overdag in gebouwen in de wijde omgeving verblijven (actieradius 10 km). De soort is hier (bove n het water) alleen ’s nachts actief. Meervleermuis mijden gebieden (wateroppervlaktes) die verlicht worden. Als verstoringsmaat van Meervleermuis wordt vaak 0,5 lux (ter referentie, de volle maan heeft bij helder weer een lichtintensiteit van circa 0,27 lux) gehanteerd als grenswaarde (Zoogdiervereniging, 2012). (Zoogdiervereniging, 2012). En bekend is zelfs dat bij volle maan sommige vleermuissoorten soorten minder actief zijn (Zoog diervereniging 2012).
De Dropsgracht ter hoogte van het plangebied is in de huidige situatie vrij donker. Indien het plaatsen van kunstlicht (met name langs de Dorpsgracht) noodzakelijk is, wordt het noodzakelijk geacht om de lichtintensiteit ter hoogte van de Dorpsgracht niet boven de 0,5 lux 1 Meervleermuis is als Habitatrichtlijnsoort aangewezen voor De Wieden en kolonies van deze soort zijn bekend uit Giethoorn en omgeving (Tuitert & Haarsma 2005, Zoon 2008 en Douma et al. 2011). NATUURTOETS HOTEL DE HARMONIE GIETHOORN 9 te laten komen, zodat geen negatieve effecten op vleermuizen zullen optreden. Dit kan naar verwachting bereikt worden door bijvoorbeeld gebruik te maken van zogenaamde marterverlichting. Dit type verlichting verstrooit niet naar de omgeving, maar verlicht lokaal de grond. Het toepassen van ‘Amber verlichting‘ verdient sterk de aanbeveling.
Op dit moment is het onduidelijk of de Dorpsgrac ht als foerageergebied of migratieroute fungeert voor vleermuizen. Nader onderzoek kan hier uitsluitsel over geven. Wanneer geen vliegroute aanwezig is, hoeft daar ook geen rekening mee gehouden te worden. Wanneer deze wel aanwezig is en het betreft een migratieroute of foerageergebied van een lichtgevoelige soort als Meervl eermuis, dan moeten de plannen dusdanig worden aangepast dat de lichtintensiteit ter hoogte van de Dorpsgracht niet hoger dan 0,5 lux is. Dit kan uiteraard ook zonder extra onderzoek al in de plannen worden opgenomen. Wanneer de lichtintensiteit ter hoogte van de Dorpsgracht niet boven de 0,5 Lux uitkomt, worden in het kader van de Flora‐ en fa unawet geen negatieve effecten verwacht op mogelijk aanwezige vliegroutes of foerageergebied van vleermuizen.
2.5 Vogels Algemene soorten Door de aanwezigheid van groenstructuren in en in de directe omgeving van het plangebied en de aanwezige bebouwing, is broedbiotoop aanwezig voor vogels van bos en struweel en bebouwing zoals Merel, Winterkoning, Koolmees, Witte kwikstaart en Spreeuw. In de watergangen kunnen enkele algemeen voorkomende soorten voorkomen, waarbij gedacht kan worden aan Wilde eend, Wate rhoen of Meerkoet. Het grasland is door het gebruik en de ligging bij opgaande beplanting, bebouwing en parkeerterrein) niet geschikt is voor weidevogels (te kleinschalig en te intensief gebruik). De aangetroffen en te verwachten soorten zijn algemeen voorkomende soorten. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt, ook voor algemene soorten, ec hter wel een verbod op handelingen die soort, nesten, eieren of vaste rust‐ of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. Voor schadelijke werkzaamheden (die gepland worden) in het broedseizoen wordt geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt. Wanneer werkzaamheden uitgevoerd worden buiten he t broedseizoen is voor vogels in dit geval geen ontheffing nodig.
Broedvogels met jaarrond beschermde nesten Voor een aantal soorten geldt echter dat hun verblijfplaatsen (nest) en de functionele omgeving daarvan jaarrond beschermd is. Bij verstoring of vernieling van nesten of leefgebied moet voor deze soorten ook buiten het broed seizoen een ontheffing aangevraagd worden. Dit betreffen de broedvogels Boomvalk, Buizerd, Gierzwaluw, Grote gele kwikstaart, Havik, Huismus, Kerkuil, Oehoe, Ooievaar, Ransuil, Roek, Slechtvalk, Sperwer, Steenuil, Wespendief en Zwarte wouw. Wanneer een dergelijke soort broedend aanwezig is en deze broedlocatie gaat verloren of wordt verstoord, moet worden bepaald of in de om geving geschikte uitwijkplaatsen zijn en is mogelijk een ontheffingsaanvraag nodig. Tijdens het veldbezoek is een roepend mannetje Huismus waargenomen op de nok aan de achterzijde van het hotel. Dit territorium indicerend gedrag duidt op de aanwezigheid van een nest van Huismus in het gebouw. Deze nestlocatie blijft echter behouden, waardoor geen ne gatieve effecten op Huismus verwacht worden. Op het graslandperceel staat een nestpaal voor Ooievaars. Deze nestpaal is recentelijk geplaatst en heeft nog niet gediend als nestplaats van Ooievaar (mond. med. hoteleigenaar).
Binnen de beoogde ontwikkeling blijft de nestpaal behouden. In het deel van het plangebied waar de nestp aal staat, zal de rust in de in de toekomstige situatie gehandhaafd blijven. Negatieve effecten op deze potentiële nestlocatie van Ooievaar zullen zodoende niet optreden. Overige broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn worden niet broedend verwacht binnen het plangebied. Negatieve effecten op deze soortgroep kunnen dan ook worden uitgesloten. Vervolgstappen zijn voor broedvogels met jaarrond bescher mde nesten dan ook niet aan de orde. NATUURTOETS HOTEL DE HARMONIE GIETHOORN 10 2.6 Amfibieën Binnen en grenzend aan het plangebied zijn diverse watergangen aanwezig die geschikt kunnen zijn voor amfibieën. Het gaat dan met name om de sloot aan de noordzijde van het plangebied. De Dorpsgracht en het haventje zijn te diep en te steil om als voortplantingsgebied van amfibieën te kunnen fungeren.
Tijdens het ve ldbezoek zijn in de sloot ten noorden van het plangebied alleen algemene laag beschermde amfibiesoorten aangetroffen, namelijk Bastaardkikker en Kleine watersalamander. Daarnaast wordt ook de laag beschermde Bruine kikker en Gewone pad verwacht. Ondanks intensieve bemonstering van de watergangen zijn geen strikt beschermde amfibieën als Poelkikker (Ff‐wet tabel 3, HRL Bi jlage IV) aangetroffen. Poelkikker en Heikikker zijn soorten die bekend zijn in het naastgelegen natuurgebied De Wieden. Voortplanting van deze soort wordt op basis van het veldonderzoek en aangetroffen biotoop in het plangebied uitgesloten. Ook overwintering van Poelkikker, die voornamelijk onder begroeiing overwinterd, is eveneens niet te verwachten. Andere strikt beschermde a mfibieën worden op basis van het ontbreken van geschikt leefgebied eveneens niet verwacht. Vervolgstappen zoals een gerichte inventarisatie is dan ook niet noodzakelijk.
Effecten op overwinterende en voortplantende laag beschermde amfibieën kunnen – mits de planning van de werkzaamheden dit toelaat ‐ geminimaliseerd worden door de werkzaamheden zoveel mogelijk uit te voeren bui ten de overwinterings‐ en voortplantingsperiode van amfibieën (respectievelijk half november – februari/maart en maart – half augustus). De maanden september en oktober zijn in de regel het meest geschikt (minst schadelijk) voor het uitvoeren van werkzaamheden op zowel het land als in of nabij water. 2.7 Vissen Voor vissen geldt dat met name de sloot ten noorden van het plangebied geschikt leefgebied vormt. Tijdens het veldbezoek is hier naast de algemenere vissoorten Snoek en Zeelt ook de beschermde Kleine modderkruiper aangetroffen (Ff‐wet Tabel 2, HRL Bijlage II) (figuur 2.1 en bijlage 3). Voor de soort zijn tevens in standhoudingsdoelen opgesteld binnen het Natura 2000‐ gebied De Wieden. Ondanks intensieve bemonstering van deze sloot zijn geen andere, strikt beschermde, maar in De Wieden relatief algemeen voorkomende soorten als Grote modderkruiper of Bittervoorn aangetroffen. Binnen deze sloot kunnen deze soorten dan ook worden uitgesloten. Overigens geldt dat binnen de ze sloot geen werkzaamheden plaatsvinden, waardoor negatieve effecten op in deze sloot aanwezige beschermde Kleine modderkruiper kunnen worden uitgesloten.
De oevers van de brede Dorpsgracht bestaan uit steile beschoeiing van stalen platen. Hierdoor ontbreekt een goed ontwikkelde vegetatie, waardoor het water hier geen geschikt leefgebied vormt voor beschermde vissensoorten. We l zal de Dorpsgracht door vissen gebruikt worden als migratieroute tussen belangrijke leefgebieden. Binnen de beoogde plannen zal de stalen beschoeiing aan de oevers van de Dorpsgracht worden verwijderd, waarna deze natuurvriendelijk worden ingericht. Dit leidt uiteindelijke tot een positief effect op vissensoorten, omdat het leefgebied wordt vergroot. Alleen tijdens de a anlegwerkzaamheden kunnen kortstondig effecten op eventueel aanwezige beschermde vissensoorten optreden omdat in het water gewerkt wordt. Bij aanvang van deze werkzaamheden kunnen vissen echter wegzwemmen, waardoor geen negatieve effecten op beschermde vissoorten verwacht worden. Figuur 2.1 Aangetroffen Kleine Modderkuiper in de sloot ten noorden van het plangebied. NATUURTOETS HOTEL DE HARMONIE GIETHOORN 11 Wel dient opgemerkt te worden dat bij het graven van de nieuwe sloot het van belang is om vanaf het land te werken. Hierdoor worden effecten op eventueel migrerende vissen geminimaliseerd. 2.8 Overige soorten Tijdens de inventarisatie zijn geen beschermde soorten uit andere soortgroepen (reptielen en ongewervelden) aangetroffen.
Omdat uit het nabij gelegen natuurgebied de beschermde soorten Groene glazenmaker, Gevlekte witsnuitlibel, Noordse winterjuffer en Ringslang bekend zijn, kan niet worden uitgesloten dat zwervende exemplaren van deze soorten de locatie aandoen. In het plangebied ontbreken voor deze soorten gesc hikte voortplantings‐ en overwinteringlocaties, waardoor eventuele negatieve effecten op deze soorten in deze situatie niet aan de orde zijn. De soorten Gestreepte waterroofkever en Platte schijfhoren zijn eveneens bekend uit het nabij gelegen natuurgebied. Gezien het ontbreken van geschikt biotoop en het intensieve veldonderzoek ‐ waarbij beide soorten niet zijn aangetroffen ‐ worden Ge streepte waterroofkever en Platte schijfhoren niet in het plangebied verwacht. Vervolgstappen als nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag zijn in deze situatie voor ongewervelden en reptielen niet aan de orde.
2.9 Conclusie Flora‐ en faunawet Geconcludeerd wordt dat negatieve effecten te verwachten zijn op individuen en leefgebied van beschermde soorten. De negatieve effecten op groeiplaatsen en vaste rust‐ en verblijfplaatsen hebben hoofdzakelijk betrekking op algemene soorten (tabel 1‐soorten van de Flora‐ en faunawet), vogels (beoordeeld als tabel 2‐soorten van de Flora‐ en faunawet) en vl eermuizen (tabel 3‐soorten). Voor de algemene soorten geldt een algehele vrijstelling op de ontheffingsplicht bij ruimtelijke ingrepen. Het aanvragen van een ontheffing op de verbodsbepalingen uit de Flora‐ en faunawet is voor deze soorten dan ook niet noodzakelijk. De zorgplicht blijft, ongeacht de status van de soorten, wel van kracht. Voor alle voge lsoorten geldt dat voor schadelijke werkzaamheden in het broedseizoen geen ontheffing wordt verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt.
Daarnaast bestaat de kans dat negatieve effecten op foerageergebied of vliegroutes van vleermuizen optreden als gevolg van een toename van ve rlichting binnen het plangebied. De Dropsgracht ter hoogte van het plangebied is in de huidige situatie vrij donker. Indien het plaatsen van kunstlicht (met name langs de Dorpsgracht) noodzakelijk is, wordt het noodzakelijk geacht om de lichtintensiteit ter hoogte van de Dorpsgracht niet boven de 0,5 lux te laten komen, zodat geen ne gatieve effecten op vleermuizen zullen optreden. Bij het graven van de nieuwe sloot is het van belang dat deze vanaf het land naar de Dorpsgracht wordt gegraven. Hierdoor worden effecten op eventueel migrerende vissen geminimaliseerd.
NATUURTOETS HOTEL DE HARMONIE GIETHOORN 12 3 Natuurbeschermingswet 3.1 Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Natura 2000 en de Natuurbeschermingswet Natura 2000 is het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke soorten beschermd moeten worden. De EU‐lidstaten wijzen daarvoor speciale beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze g ebieden te beschermen. De Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn in Nederland geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998. Deze wet kent voor de Natura 2000‐ gebieden een vergunningenstelsel en beheerplannen. Hiermee is een zorgvuldige afweging van activiteiten in en rond de natuurgebieden die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000‐ gebieden en hun natuurwaarden gewaarborgd. Activi teiten en projecten mogen in principe alleen uitgevoerd worden wanneer geen significante schade aan de beschermde natuurwaarden (uit gedrukt in instandhoudingdoelen) wordt gedaan.
Het beschermingsregime van de Natuurbeschermingswet strekt zich uit tot gebieden die zijn aangewezen of aangemeld onder de Europese Vogel‐ en Habitatrichtlijn en de Beschermde Natuurmonumenten. Omdat de aanwijzing van he t bij deze studie betrokken Natura 2000‐ gebied nog in een ontwerpfase verkeert, wordt zowel aan het ontwerpbesluit als aan de originele aanwijzing/aanmelding getoetst. 3.2 Natura 2000‐gebied De Wieden Algemene beschrijving Het gebied De Wieden is een uitgestrekt laagveenmoeras met meren en kanalen met daartussen natte graslanden, natte heiden, trilvenen, galigaanmoerassen, rietland en moerasbos. Het gebied is een restant van het laagveengebied dat zich ooit van Zwolle tot ver in Friesland uitstrekte. Een groot deel bestaat nu uit uitgeveende petgaten. Alle suc cessiestadia van open water tot en met moerasheide en veenbos zijn aanwezig. Het gebied De Wieden is beïnvloed door het oude rivierstelsel van de Overijsselse Vecht. Er komen ondiepe kleiafzettingen voor. Door vervening met bredere petgaten zijn de grote meren ontstaan. Het Giethoornse‐ en Duiningermeer zijn natuurlijke meren (Ministerie van LNV 2008). De W ieden is aangewezen als speciale beschermingszone voor negen habitattypen, elf habitatrichtlijnsoorten, twaalf broedvogels en twaalf niet broedvogels (tabel 3.1) Tabel 3.1 Overzicht van habitattypen en soorten in het Natura 2000‐gebied De Wieden.
Habitattypen Kranswierwateren, Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, Vochtige heiden, Blauwgraslanden, Ruigten en zomen, Trilvenen, Veenmosrietland, Galigaanmoerassen en Veenbossen Habitatsoorten Platte schijfhoren, Gevlekte witsnuitlibel, Grote vuurvlinder, Gestreepte waterroofkever, Bittervoorn, Grote modderkruiper, Kleine modderkruiper, Rivierdonderpad, Meervleermuis, Geel schorpioenmos en Groenknolorchis. Broedvogels Aalscholver, Roerdomp, Purperreiger, Bruine kiekendief, Porseleinhoen, Kwartelkoning, Watersnip, Zwarte stern, Paapje, Snor, Rietzanger en Grote karekiet. Niet‐broedvogels Fuut, Aalscholver, Kleine zwaan, Kolgans, Grauwe gans, Smient, Krakeend, Tafeleend, Kuifeend, Nonnetje, Grote zaagbek en Visarend. NATUURTOETS HOTEL DE HARMONIE GIETHOORN 13 Ter hoogte van het plangebied Het plangebied ligt op circa 10 meter van de begrenzing van het Natura 2000‐gebied De Wieden. Alleen de Dorpsgracht ligt hier tussen het plangebied en Natura 2000‐gebied (figuur 3.1). In de directe omgeving van het plangebied zijn geen kwalifice rende habitattypen bekend (zie figuur 3.2) (Provincie Overijssel 2012). Ook uit de veldinventarisatie blijkt dat geen habitattypen binnen het plangebied of aangrenzende percelen aanwezig zijn. Meest nabijgelegen habitattypen betreft Ruigte en zomen op een afstand van 160 meter van het plangebied (Provincie Overijssel 2011).
In de sloot ten noorden van he t plangebied komt Kleine modderkruiper voor (zie hoofdstuk 2). Daarnaast is in de Dorpsgracht de aanwezigheid van Bittervoorn en mogelijk Platte schijfhoren en Gestreepte waterroofkever te verwachten. Mogelijk fungeert de Dorpsgracht als foerageergebied of migratieroute voor Meervleermuis. Voor overige soorten geldt dat binnen het plan gebied of in de directe omgeving geen (kenmerkend) leefgebied of groeiplaats aanwezig is. Binnen het plangebied ontbreekt geschikt biotoop voor de aangewezen broedvogels. Aan de overzijde van de Dorpsgracht broeden mogelijk Rietzanger en Snor (Van der Valk et al. 2009). Overige kwalificerende broedvogelsoorten worden, op basis van het ontbreken van geschikt biotoop en beke nde verspreidingsgegevens (Van der Valk et al. 2009) binnen de invloedsfeer van de plannen, uitgesloten. Ook voor kwalificerende niet‐broedvogels geldt dat zowel het plangebied als omliggend gebied niet geldt als belangrijk leef‐ en/of foerageergebied (Van der Valk et al. 2009). Figuur 3.1 Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000‐gebied De Wieden. (Bron: Provincie Overijssel 2011) Figuur 3.2 Ligging van het plangebied ten opzichte van habitattypen (bron: provincie Overijssel 2011).
NATUURTOETS HOTEL DE HARMONIE GIETHOORN 14 3.3 Effectanalyse en –beoordeling Bepaling mogelijke effecten Op basis van de verspreiding van habitats en soorten, de effectenindicator (Broekmeyer 2005, 2010; ministerie van LNV 2008a; ministerie van EL&I 2011) en de aard en omvang van het voorliggende project, is beoordeeld welke mogelijke effecten op het Natura 2000‐gebied De Wieden kunnen optreden. Omdat buiten de be grenzing van Natura 2000‐gebied De Wieden wordt gewerkt, zijn negatieve effecten als gevolg van oppervlakte vermindering en versnippering direct uit te sluiten. Effecten kunnen dan alleen nog optreden als gevolg van externe werking door de functiewijziging door de ligging op korte afstand van het Natura 2000‐gebied. De term externe we rking wordt gehanteerd om aan te geven dat activiteiten buiten een Natura 2000‐gebied kunnen leiden tot verslechtering van de natuurlijke kwaliteit van habitats van soorten, of significante verstoring veroorzaken van soorten waarvoor een Natura 2000‐gebied is aangewezen.
Veel habitattypen van De Wieden zijn sterk gebonden aan een hoge grondwaterst and en goede (grond)water kwaliteit. De plannen hebben naar verwachting geen wijziging van de hydrologische omstandigheden tot gevolg. Daarnaast ligt tussen het plangebied en de locaties waar de habitattypen gelegen zijn, de Dorpsgracht. Deze watergang zal als buffer werken wanneer wijzigingen in de hydrologie zouden optreden. Hierdoor kan met zekerheid gestel d worden dat geen negatieve effecten optreden op verdrogingsgevoelige habitats als gevolg van de uitbreiding van het hotel. Ingeschat wordt dat mogelijke effecten kunnen optreden als gevolg van een toename van geluid‐ en bewegingverstoring naar de omgeving tijdens de aanlegfase. Daarnaast wordt ingeschat dat als gevolg van de uitbreiding van het hotel een toename van het aan tal recreanten in De Wieden plaatsvindt. Dit kan leiden tot een toename van verstoring. In deze paragraaf zal worden getoetst of genoemde vormen van storing van invloed zijn op de instandhoudingsdoelen die gelden binnen Natura 2000‐gebied De Wieden.
Habitattypen Zoals in paragraaf 3.2 al beschre ven ligt de planlocatie buiten de begrenzing van het Natura 2000‐gebied. Van een directe aantasting van habitattypen door ingrepen of wijzigingen op het terrein kan dan ook geen sprake zijn. Het gebied waar de habitattypen gelegen zijn, zijn verder afgesloten voor recreanten. Ook liggen de habitattypen op dusdanige afstand tot doorgaande vaarroutes, wegen of pad en, zodat zowel tijdens de aanleg‐ als gebruiksfase geen negatieve effecten op habitattypen worden verwacht. Samengevat wordt gesteld dat door de ligging buiten de Natura 2000‐begrenzing, het ontbreken van habitattypen in de directe omgeving van het plangebied negatieve effecten op habitattypen, als gevolg van de uitbre iding van hotel De Harmonie, uitgesloten kunnen worden. Habitatsoorten Ter hoogte van het plangebied is het voorkomen bekend van Kleine modderkruiper. Daarnaast dient de Dorpsgracht mogelijk als foerageergebied of migratieroute van Meervleermuis. Mogelijk vormt het water van de Dorpsgracht een migratieroute voor Bittervoorn (zie ook hoofdstuk 2).
Leefgebied va n de Kleine modderkruiper bevindt zich in de sloot aan de noordzijde van het plangebied. Binnen deze sloot vinden geen werkzaamheden plaats, waardoor geen negatieve effecten verwacht worden op de hier aanwezige Kleine modderkuiper. Overigens wordt met de uitbreiding een grotere lengte aan natuurvriendelijke oevers gerealiseerd, waardoor meer potentieel leefgebied voor de so ort ontstaat. Uiteindelijk kunnen de plannen dus juist leiden tot een verbetering van de kwaliteit en oppervlak van het leefgebied van de soort. Deze verbetering geldt ook voor de overige soorten die hier mogelijk in het water aanwezig zijn.
Omdat als gevolg van de plannen naar verwachting een toename van de ve rlichting gaat plaatsvinden, bestaat de kans dat foerageergebied of een migratieroute van Meervleermuis verstoord wordt. De Dorpsgracht ter hoogte van het plangebied is in de huidige situatie vrijwel onverlicht. Omdat Meervleermuis zeer gevoelig is voor de verstoring van licht, kan elke NATUURTOETS HOTEL DE HARMONIE GIETHOORN 15 toename van de lichtintensiteit hier leiden tot een negatief effect (zei ook § 2.4). De verstoring grenswaarde van meervleermuis ligt bij de 0,5 lux. Ten aanzien van de verlichting van het plangebied in de toekomstige situatie zal een lichtplan moeten worden opgesteld, waaruit blijkt dat de lichtintensiteit ter hoogte van de Dropsgracht kleiner is dan 0,5 lux. W anneer hier aan voldaan wordt, zullen effecten op de draagkracht van het gebied voor Meervleermuis dan ook niet optreden. Negatieve effecten op het instandhoudingsdoel kunnen in die situatie dan ook worden uitgesloten. Wanneer de lichtintensiteit boven de 0,5 lux uit komt, kunnen negatieve effecten op het instan dhoudingsdoel van de Meervleermuis niet worden uitgesloten en moeten de effecten verder gekwantificeerd worden om de effecten te concretiseren.
Effecten op habitatsoorten als gevolg van een eventuele toename van recreanten worden niet verwacht. Het voorkomen van de habitatsoorten in De Wieden wordt in hoge mate gestuurd door de kwaliteit en de omvang van ge schikt habitat. Dit habitat komt nagenoeg alleen voor in voor vaartuigen (en recreanten) afgesloten watergangen en gebieden. Vanaf hotel De Harmonie zal De Wieden met name bereikbaar zijn via het water. Op basis van het hoge aantal vaarbewegingen dat al in het gebied plaats vindt, hebben de extra vaarbewegin gen als gevolg van de uitbreiding van hotel De Harmonie een verwaarloosbaar effect. Gezien dit lage aantallen beschermde soorten binnen het plangebied ‐ zowel in absoluut aantal als in verhouding tot het hele gebied De Wieden – en het ontbreken van waarde binnen het plangebied ten opzichte van het Natura 2000‐gebi ed De Wieden, kunnen negatieve effecten op de soorten worden uitgesloten (geen bijdrage aan de draagkracht).
Broedvogelsoorten en niet‐broedvogels Ook het aandeel aangewezen (niet‐)broedvogels is rondom het plangebied zeer beperkt (Van der Valk et al. 2009). Uit de verspreidingsgegevens blijkt dat deze soorten de drukste recreatieve kernen mijden. De uitbre iding van hotel De Harmonie heeft dan ook geen invloed op de aangewezen (niet‐)broedvogels, aangezien deze er niet voorkomen en het gebied direct langs de het plangebied – door de hoge recreatiedruk – ook in de toekomst niet gebruikt zal kunnen of gaan worden door deze soorten. He t plangebied levert geen bijdrage aan de draagkracht van het Natura 2000‐gebied De Wieden. Dit geldt eveneens voor de eventuele toename van recreanten over watergangen binnen het Natura 2000‐gebied. De recreatieve routes zijn al dusdanig aan verstoring onderhevig (maximaal verstoord door licht, geluid en beweging), dat het aantal extra bewegingen als gevol g van de uitbreiding van hotel De Harmonie hierop geen invloed zal hebben. Negatieve effecten op (niet‐)broedvogels kunnen dan ook met zekerheid worden uitgesloten.
3.4 Conclusie Natuurbeschermingswet Geconcludeerd wordt dat negatieve effecten op habitattypen, broedvogels, niet‐broedvogels en de meeste habitatsoorten uitgesloten kunnen worden. Alleen voor Meervleermuis kunnen mogelijke negatieve effecten optreden als gevolg van een toename van de lichtintensiteit ter hoogte van de Dorpsgracht die mogelijk als foerageergebied of migratieroute van de soort fungeert. Ten aanzien van de ve rlichting van het plangebied in de toekomstige situatie zal een lichtplan moeten worden opgesteld, waaruit blijkt dat de lichtintensiteit ter hoogte van de Dropsgracht kleiner is dan 0,5 lux. Wanneer hier aan voldaan wordt, zullen effecten op de draagkracht van het gebied voor Meervleermuis dan ook niet optreden. NATUURTOETS HOTEL DE HARMONIE GIETHOORN 16 4 Ecologische Hoofdstructuur 4.1 Beleidskader In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte zijn de plannen beschreven voor ruimte en mobiliteit. Hiertoe behoort onder andere de bescherming en realisatie van de Ecologisch Hoofdstructuur (EHS) waarvoor de provincies verantwoordelijk zijn gesteld. Door het Rijk en provincies is een beleidskader opgesteld met de spelregels die gelden bij ingrepen binnen de EHS. Hie rin is aangegeven dat ingrepen met significante negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS alleen onder voorwaarden worden toegestaan [nee, tenzij…].
Dit houdt kortweg in dat significante aantasting van deze wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS niet toegestaan is, tenzij er sprake is van het on tbreken van reële alternatieven en er redenen zijn van groot openbaar belang (Ministerie van I&M 2012). Wanneer niet teruggevallen kan worden op het tenzij‐gedeelte van het beschermingskader, zal aangetoond moeten worden dat door de plannen de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS niet significant aangetast worden. 4.2 Toetsing EHS‐beleid Ligging ten opzichte van de EHS Volgens de Atlas van Overijssel (Provincie Overijssel 2011) is het water van de Dorpsgracht en het haventje van hotel De Harmonie is begrensd als EHS. Daarnaast is het natuurgebied aan de overzijde van de Dorpsgracht begrensd als EHS (figuur 4.1).
Focus van de t oetsing Een toetsing aan het EHS‐beleid is niet noodzakelijk wanneer ten behoeve van de plannen geen bestemmingsplanwijziging nodig is. Dit omdat ervan uit wordt gegaan dat het behoud van natuurwaarden in het bestemmingsplan geregeld is. Voor voorliggende situatie is wel een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk en dient een toetsing aan het EHS‐be leid plaats te vinden. In dit kader moet eerst in beeld worden gebracht wat de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS in het plangebied zijn. De wezenlijke kenmerken en waarden zijn gedefinieerd in het Natuurbeheerplan Overijssel (Provincie Overijssel, 2011). Daarnaast kan gesteld worden dat de aanwezige waarden voor een groot de el vergelijkbaar zijn met de Figuur 4.1 Begrenzing EHS ten opzichte van het plangebied. (Bron: Provincie Overijssel 2011).
NATUURTOETS HOTEL DE HARMONIE GIETHOORN 17 waarden van het Natura 2000‐gebied. Alleen de voorwaarden voor het werken binnen de EHS en de gevolgen hiervan wijken enigszins af. Dit betreft echter voorwaarden van bestuurlijke aard. De EHS‐toets zal alleen ecologisch‐inhoudelijk zijn, waarbij bepaald wordt welke waarden aanwezig zijn en hoe deze beïnvloed dan wel aangetast worden. Inhou delijk zal hiervoor grotendeels gebruik gemaakt worden van de informatie uit het Natuurbeheerplan Overijssel en de overige twee onderzoeken en toetsingen. Wezenlijke kenmerken en waarden Volgens de beheertypenkaart uit het Natuurbeheerplan 2012 van de provincie Overijssel (provincie Overijssel 2011), is het water van de Dorpsgracht, het haventje van hotel De Harmonie en de sloot ten noorden van he t plangebied aangemerkt als Natuurbeheertype Zoete plas (figuur 4.2). Daarnaast liggen er in de nabije omgeving van het plangebied verscheidene andere natuurbeheertypen (figuur 4.2). Binnen deze Natuurbeheertypen vinden echter geen ontwikkelingen plaats, waardoor op deze Natuurbeheertypen geen negatieve effecten zullen ontstaan. Deze natuurbeheertypen worden dan oo k niet meer behandeld.
Omdat de ontwikkelingen binnen en op korte afstand van het Natuurdoeltype Zoete plas plaatsvinden, wordt onderstaand een effectbeoordeling gegeven ten aanzien van dit Natuurbeheertype. In kader 4.1 wordt een beschrijving gegeven van het Natuurbeheertype. Effectbeoordeling In het water van zowel de Dorpsgracht als het haventje zijn enkele plantensoorten als Gele plomp en Witte waterlelie aanwezig die indicatief zijn voor het Natuurbeheertype Zoete Plas. Verder ontbreken alle overige kenmerken echter. Het water is troebel en de oevers van zowel de Dorpsgracht als het haventje bestaan uit ee n steile beschoeiing van stalen platen. Verlanding kan zodoende niet plaatsvinden. Daarnaast is de Dorpsgracht een intensief gebruikte watergang en in het haventje meren dagelijks bootjes aan. Hierdoor zijn de huidige natuurwaarden binnen de aangrenzende wateren beperkt (zie ook hoofdstuk 2) en kan gesteld worden dat de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natu urbeheertype Zoete plas ontbreken.
Een onderdeel van de ontwikkelingen is het verwijderen van de oeverbeschoeiing langs de Dorpsgracht en deze vervolgens natuurlijk in te richten. Daarnaast wordt een nieuwe sloot gegraven die in verbinding komt te staan met de Dorpsgracht. Ook deze nieuwe sloot zal Figuur 4.2 Ligging van het plangebied ten opzichte van Natuurbeheertypen zoals aangegeven op de Natuurbeheertypenkaart van de provincie Overijssel. (Provincie Overijssel 2011) Kader 4.1: beschrijving Natuurbeheertype Zoete plas Zoete plassen komen vooral voor in het lage deel van Nederland. Het gaat om grote en kleine wateren met voedselrijk, vrij helder, (vrijwel) stilstaand water, waarin waterplanten groeien en verlanding vanaf de oever plaatsvindt. In de diepste delen komen ondergedoken grote fonteinkruiden voor, wat ondieper staan waterplanten met grote drijvende bladen zoals W itte waterlelie en Gele plomp. De ondergedoken watervegetaties kunnen bestaan uit kranswieren. In ondiep water komen waterplanten als krabbenscheer en groot blaasjeskruid voor. De oevers bestaat uit drijftillen met grote zeggen of riet‐ en biezenkragen. Zoete plas is van grote betekenis als leefgebied voor libellen, kokerjuffers en waterplanten (Natuurbeheer.nu 20 09).
NATUURTOETS HOTEL DE HARMONIE GIETHOORN 18 natuurlijk worden ingericht. Hoewel deze ontwikkelingen naar verwachting tijdelijk tot extra vertroebeling van het water leiden en verstoring van het waterleven kunnen veroorzaken, zullen ze uiteindelijk leiden tot een positieve impuls op het Natuurbeheertype. Op de oevers kunnen zich in de toekomst namelijk zeggen of riet‐ en biezenkragen gaan vormen, waardoor libe llen en kokerjuffers worden aangetrokken. Omdat de Dorpsgracht een intensief bevaarde route betreft is het wel van belang dat de golfslag op de oevers beperkt wordt. Dit kan bereikt worden door het aanbrengen van een plasberm. 4.3 Conclusie EHS Geconcludeerd wordt dat de uitbreiding van hotel De Harmonie geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS to gevolg heeft. Tijdens de aanlegwerkzaamheden kunnen wel verstorende effecten optreden, maar na de inrichting zal het natuurvriendelijk inrichten van de oevers juist leiden tot een positieve impuls van de aanwezige waar den. Hierdoor treedt netto een positief effect op de waarden van de EHS op.
4.4 Waardevolle natuur buiten de EHS Op basis van de agrarisch beheertypenkaart uit het Natuurbeheerplan 2012 van de provincie Overijssel, zijn binnen de invloedssfeer van de beoogde ingreep geen gebieden met specifieke natuurwaarden buiten de EHS aanwezig als botanisch waardevol grasland, weidevogelgebied of ganzenfoerageergebied. Meest nabijgelegen gebied dat als zodanig is aangemerkt betreft weidevogelgebied en ligt op ee n afstand van ruim 500 meter ten noordoosten van het plangebied. Negatieve effecten op dergelijke gebieden kunnen op basis van de afstand tot het plangebied met zekerheid worden uitgesloten. NATUURTOETS HOTEL DE HARMONIE GIETHOORN 19 Geraadpleegde bronnen Literatuur Broekmeyer, M.E.A. (redactie), (2005). Effectenindicator Natura 2000‐gebieden; achtergronden en verantwoording ecologische randvoorwaarden en storende factoren. Wageningen, Alterra, Alterra‐rapport 1375. Broekmeyer, M.E.A. (2010). Update effectenindicator. Alterra, Alterra‐rapport 1976. Crombaghs B.H.J.M., Berg, N. van den & A.B. Goutbeek (2002). Vissen in Overijssel. Verspreidingsatlas van zoetwatervissen in stromende en stilstaande wateren in Ove rijssel. Douma M., C.P.M. Zoon & A.D. Bode (2011). De Zoogdieren van Overijssel, leefwijze en verspreiding in de periode 1970 t/m/ 2010. Uitgeverij Profiel, Bedum.
Heusden W.R.M. van & S.J. Vreugdenhil (2008). Handreiking Flora‐ en faunawet. Voor werkzaamheden en activiteiten in het kader van bestendig gebruik, bestendig beheer en ond erhoud en ruimtelijke inrichting en ontwikkeling. Concept, Versie 1.1. Dienst Landelijk Gebied, Ministerie van LNV. Ministerie van LNV (2004). Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit TRCJZ/2004/5727, houdende vaststelling van rode lijsten flora en fauna. Ministerie van LNV (2005). Concept ‐ Hoofdlijnen begrenzing en selectie Natura 2000 gebieden. Ministerie van LNV (2 008a). Effectenindicator Natura 2000‐gebieden. Aanvulling bij het Alterra‐rapport 1375 uit 2005. Ministerie van LNV (2008b). Ontwerpbesluit Natura 2000‐gebied De Wieden. Ministerie van LNV (2009). Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 28 augustus 2009, 25344, houdende vaststelling van geactualiseerde Rode lijsten flora en faun a. Natuurbeheer.nu (2009). Index Natuur en Landschap; Onderdeel natuurbeheer. versie 0.3 11 februari 2009. Provincie Overijssel (2009). Omgevingsvisie Overijssel; Visie en uitvoeringsprogramma voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel. Steunpunt Natura 2000 (2007). Toepassing begrippenkader Natuurbeschermingswet 1998. Intern werkdocument voor opstellers beheerplannen Natura 2000 en vergunningverleners Nb‐wet . Versie 17‐09‐2007.
Steunpunt Natura 2000 (2010a). Leidraad bepaling significantie. Nadere uitleg van het begrip ‘significante gevolgen’ uit de Natuurbeschermingswet. Versie 27 mei 2010. Tuitert A.H. & A.J. Haarsma (2005). Meervleermuizen in de Kop van Overijssel. Een onderzoek naar de verspreiding en de ecologie van de Meervleermuis in De Wieden en de We erribben. Uitgave Natuur en Milieu Overijssel, 2005 i.o.v. Provincie Overijssel. Van der Valk, M., T.J. Boudewijn, G.J. van Geest, R. Lensink & W.M. Liefveld (2008). Achtergronddocument 1:Ecologie, voortoets en maatregelen. Achtergronddocument bij het Natura 2000‐ beheerplan voor De Wieden en De Weerribben Burea Waardenburg i.s.m. Witteveen+Bos i.o.v. Provincie Overijssel. Culemb org. Zoon C. (2008). Hoe kan de Meervleermuis in Noordwest Overijssel beschermd worden? Versie 2, september 2008. Zoon, buro voor ecologie. Internet Ministerie van EL&I (www.rijksoverheid.nl/ www.drloket.nl). Piscaria/ Limnodata Neerlandica (www.limnodata.nl). Provincie Overijssel: • Provincie Overijssel (2009). Kaartmachine behorend bij ‘Omgevingsvisie Overijssel’ (http://gisopenbaar.overijssel.nl/website/omgevingsvisie/omgevingsvisie.html); • Provincie Overijssel (2 011). Atlas van Overijssel: Kaart Ecologische Hoofdstructuur (http://gisopenbaar.overijssel.nl/website/atlasoverijssel/atlasoverijssel.html). RAVON (www.ravon.nl).
Waarneming.nl, zoogdiervereniging.nl, telmee.nl (websites met soortenwaarnemingen in Nederland). Bijlage 1: Inrichtingsschets uitbreiding hotel De Harmonie
Bijlage 2: Wettelijk kader Flora‐ en faunawet Inleiding Sinds 1 april 2002 is de Flora‐ en faunawet van kracht. Onder de Flora‐ en faunawet zijn ongeveer 500 soorten in Nederland aangewezen als beschermde dier‐ of plantensoort. De doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van de gunstige staat van instandhouding van in het wild levende plant‐ en dierso orten. Het uitgangspunt van de wet is `nee, tenzij`. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten in principe verboden zijn. De Flora‐ en faunawet kent een groot aantal verbodsbepalingen die samenhangen met ruimtelijke ingrepen, plannen en projecten. Zo is het verboden beschermde inheemse planten te plukken of te beschadigen en geldt voor beschermd e dieren een verbod op het doden, verwonden en opzettelijk verontrusten. Ook is het verboden nesten, holen of andere voortplantings‐ of vaste rust‐ of verblijfplaatsen van beschermde inheemse dieren te beschadigen of te verstoren of eieren te rapen of te vernielen. De verbodsbepalingen betreffende planten op hun gr oeiplaats zijn opgenomen in artikel 8. De verbodsbepalingen betreffende dieren in hun natuurlijke leefomgeving zijn vermeld in artikel 9 tot en met 12. Van het verbod op schadelijke handelingen (`nee`) kan onder voorwaarden (`tenzij`) worden afgeweken, met een ontheffing of vrijstelling.
Het verlenen hiervan is de bevoegdheid van de mi nister van Economische zaken, Landbouw & Innovatie (EL&I) of, in geval van beheer en schadebestrijding, van gedeputeerde staten van de provincies. Beschermde dier‐ en plantensoorten Beschermde inheemse planten‐ en diersoorten zijn bij algemene maatregel van bestuur aangewezen. Het zijn soorten die van nature in Nederland voorkomen en die in hun voortbestaan worden bedreigd of het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd. Ook zijn soorten aangewezen die niet noodzakelijkerwijs in hun voortbestaan worden bedreigd, maar wel be scherming genieten ter voorkoming van overmatige benutting. De volgende diersoorten zijn beschermd volgens de Flora‐ en faunawet: 1) Alle van nature in Nederland voorkomende soorten zoogdieren, met uitzondering van gedomesticeerde dieren en met uitzondering van de zwarte rat, de bruine rat en de huismuis; 2) Alle van nature op het Europ ese grondgebied van de Lidstaten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels met uitzondering van gedomesticeerde vogels; 3) Alle van nature in Nederland voorkomende soorten amfibieën en reptielen; 4) Alle van nature in Nederland voorkomende soorten vissen, met uitzondering van de soorten waarop de Visserijwet 1963 van toepassing is; 5) Een aantal ongewervelden (o.
a. insecten, libellen en kevers) die in hun voortbestaan bedreigd zijn of het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd. Er zijn drie beschermingsregimes van kracht, mede afhankelijk van de zeldzaamheid van de soort en de status in Europese richtlijnen. Van licht naar zwaar besche rmd zijn de soorten opgenomen op Tabel 1, 2 of 3. Voor vogels gelden specifieke eisen, met name tijdens het broedseizoen. Bij ruimtelijke ingrepen geldt automatisch vrijstelling voor soorten van Tabel 1 waardoor de meeste aandacht gevraagd is voor soorten van Tabel 2/3 en voor vogels. Wijze van toetsing Door uitspraken van de Raad van State in het voorjaar van 2009 is de beoordeling aangepast bij ontheffingsaanvragen voor ruimtelijke ingrepen. Sinds 26 augustus van dat jaar werken we daardoor volgens een nieuw stroomschema (zie volgende pagina). Gaat u een ruimtelijke ingreep uitvoeren en zijn beschermde soorten aanwezig, dan zijn er vaak twee op ties: 1) Voorkom overtreding van de Flora‐ en faunawet. Het gaat dan om het behoud van de functionaliteit van de voortplantings‐ en/of vaste rust‐ en verblijfplaats van de soort. Het betreft de functies van het leefgebied die ervoor zorgen dat de soort succesvol kan rusten of voortplanten, bijvoorbeeld nesten, mi gratieroutes en foerageergebied. Als u deze veilig stelt door vooraf mitigerende maatregelen te
treffen, heeft u mogelijk geen ontheffing meer nodig. Om zeker te zijn dat uw maatregelen voldoende zijn, kunt u ze vóóraf laten beoordelen door Dienst Regelingen. Als deze voldoende zijn krijgt u een beschikking met daarin de goed keuring van uw maatregelen. De goedkeuring krijgt u in de vorm van een afwijzing van uw ontheffingsaanvraag. U heeft namelijk geen ontheffing nodig doordat u met uw maatregelen overtreding van de Flora‐ en faunawet voorkomt. 2 ) Kan de functionaliteit van de voortplantings‐ en/of vaste rust‐ en verblijfplaats van de soort niet worden gegarandeerd door mitigerende maatregelen? Dan dient u een reguliere ontheffingsaanvraag in waarbij de onderstaande vragen gesteld worden: • In welke mate wordt de functionaliteit van de voortplantings‐ en/of vaste rust‐ en verblijfplaats aangetast? • Is er een bij wet genoemd belang? (behalve bij Tabel 2‐soorten) • Is er ee n andere bevredigende oplossing? (behalve bij Tabel 2‐soorten) • Komt de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar? Beoordeling Dienst Regelingen Dienst Regelingen beoordeelt of het bij wet genoemd belang zwaarder weegt dan het overtreden van de verbodsbepaling(en). Voor Tabel 2‐soorten gelden minder zware eisen en kan een door het ministerie goedgekeurde gedragscode ook uitkomst bieden. De gedragscode
moet wel van toepassing zijn op uw activiteit en u moet kunnen aantonen dat u precies zo we rkt als in de gedragscode staat. Voor Bijlage 1‐soorten uit Tabel 3 krijgt u alleen ontheffing wanneer sprake is van een bij wet genoemd belang. Bij een ruimtelijke ingreep betreft het meestal één van de onderstaande vier belangen: • Bescherming van flora en fauna (b) • Volksgezond heid of openbare veiligheid (d) • Dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten (e) • Uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling (j) Voor vogels en soorten van bijlage IV van de Habitatr ichtlijn geldt dat u alleen ontheffing kunt krijgen op grond van een bij wet genoemd belang uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. In de praktijk zijn de mogelijkheden voor het verkrijgen van een ontheffing voor die soorten dan ook zeer beperkt, met name voor vogels 2 . Toetsingsschema Flora‐ en faunawet (Bron: Dienst Regelingen 2009. Aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijk ingrepen Flora‐ en faunawet).
Rode lijsten Los van de Flora‐ en faunawet heeft de Minister van EL&I ter uitvoering van de bepalingen in artikelen 1 en 3 van het Verdrag van Bern een aantal Rode Lijsten voor bedreigde en kwetsbare soorten dieren en planten gepubliceerd 3 . Voor soorten van de Rode Lijsten heeft de overheid zich verplicht onderzoek en werkzaamheden te bevorderen die nodig zijn voor bescherming en beheer. Het voorkomen van een soort op de Rode Lijst heeft geen wettelijke beschermingsstatus tot gevolg. Opname op de Rode Lijst zegt alleen iets over de zeldzaamheid en populatieontwik kelingen van de betreffende soorten. 2 In de Vogelrichtlijn worden alleen de belangen b en d én de veiligheid van het luchtverkeer (belang c) genoemd; 3 Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van TRCJZ/2004/5727, houdende vaststelling van rode lijsten flora en fauna. Bijlage 3: Verspreding Kleine modderkruiper
Bijlage 4: Essentietabel Natura 2000‐gebied De Wieden Doelstelling Draagkracht SVI Landelijk Opp. Kwa. Pop. Aantal vogels Aantal paren Habitattypen H3140 Kranswierwateren ‐ ‐ > > H3150 Meren met krabbenscheer ‐ > > H4010 Vochtige heiden B subtype: laagveengebied ‐ > = H6410 Blauwgraslanden ‐ ‐ = > H6430 Ruigten en zomen A subtype: Moerasspirea + = = H7140 Overgangs‐ en trilvenen A subtype: Trilvenen ‐‐ > = B subtype: Veenmosrietlanden ‐ = = H7210 *Galigaanmoerassen ‐ > > H91D0 *Hoogveenbossen ‐ = > Habitatsoorten H1042 Gevlekte witsnuitlibel ‐‐ > > > H1060 Grote vuurvlinder ‐ ‐ > > > H1082 Gestreepte waterroofkever ‐ ‐ > > > H1134 Bittervoorn ‐ = = = H1145 Grote modderkruiper ‐ = = = H1149 Kleine modderkruiper + = = = H1163 Rivierdonderpad ‐ = = = H1318 Meervleermuis ‐ = = = H1393 Geel schorpioenmos ‐‐ > > > H1903 Groenknolorchis ‐ ‐ = = = H4056 Platte schijfhoren ‐ = = = Broedvogels A017 Aalscholver + = = 1.000 A021 Roerdomp ‐ ‐ = = 30 A029 Purperreiger ‐ ‐ = = 50 A081 Bruine Kiekendief + = = 20 A119 Porseleinhoen ‐ ‐ = = 20 A122 Kwartelkoning ‐ > > 20 A153 Watersnip ‐ ‐ = = 120 A197 Zwarte Stern ‐ ‐ = = 200 A275 Paapje ‐ ‐ > > 5 A292 Snor ‐ ‐ > > 100 A295 Rietzanger ‐ = = 3.000 A298 Grote karekiet ‐ ‐ > > 20 Niet‐broedvogels A005 Fuut ‐ = = 110 A017 Aalscholver + = = A037 Kleine Zwaan ‐ = = 8 A041 Kolgans + = (<) = 3.800
A043 Grauwe Gans + = (<) = 1.100 A050 Smient + = = 500 A051 Krakeend + = = 150 A059 Tafeleend ‐ ‐ = = 210 A061 Kuifeend ‐ = = 430 A068 Nonnetje ‐ = = 30 A070 Grote Zaagbek ‐ ‐ = = 20 A094 Visarend + = = 2 Legenda * Prioritair habitattype; voor deze habitattypen gelden iets andere criteria bij de selectie van Natura 2000‐gebieden en een zwaarder SVI landelijk = Landelijke Staat van Instandhouding: ‐‐ zeer ongunstig ‐ matig ongunstig + gunstig Doelstelling voor oppervlakte, populatie en/of kwaliteit: = behoudsdoelstelling > uitbreiding = (>) uitbreiding met behoud van de go ed ontwikkelde locaties < vermindering is toegestaan, ten gunste van met name genoemde habitattype of soort = (<) achteruitgang ten gunste van ander habitattype of soort toegestaan 25 Bijlage 3 Quickscan Adviesbureau Mertens
Eindrapport QUICK SCAN FLORA- EN FAUNAWET HOTEL – RESTAURANT HARMONIE TE GIETHOORN Eindrapport QUICK SCAN FLORA- EN FAUNAWET HOTEL – RESTAURANT HARMONIE TE GIETHOORN rapportnr. 2015.1946 februari 2016 In opdracht van: Rho adviseurs voor leefruimte Postbus 150 3000 AD ROTTERDAM Adviesbureau Mertens B.V. Bureau voor natuur, ruimtelijke ordening en ecotoxicologie Bezoekadres: Dr. Willem Dreeslaan 1 te Bennekom Postadres: Postbus 367, 6700 AJ te Wageningen T: 0317-428694 M: 06-29458456 E: info@adviesbureau-mertens.nl I: www.adviesbureau-mertens.nl © Adviesbureau Mertens BV, Wageningen, 2016. Deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming vrij worden vermenigvuldigd. De verzamelde data zijn alleen te gebruiken voor het hier geschetste onderzoek en mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt. Quick scan Flora- en faunawet hotel – restaurant Harmonie te Giethoorn. Eindrapport februari 2016 Adviesbureau Mertens 1 Wageningen INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING ....................................................................................................................................................... 2 1.1 INLEIDING .................................................................................................................................................
2 1.2 HET PLANGEBIED...................................................................................................................................... 2 1.3 DE PLANNEN ................................................................................. FOUT! BLADWIJZER NIET GEDEFINIEERD. 1.4 DOELSTELLING VAN HET ONDERZOEK ............................................. FOUT! BLADWIJZER NIET GEDEFINIEERD. 1.5 OPBOUW RAPPORT ................................................................................................................................... 5 2. FLORA- EN FAUNAWET ................................................................................................................................ 6 2.1 FLORA- EN FAUNAWET .............................................................................................................................. 6 2.2 RODE LIJST .............................................................................................................................................. 6 3. METHODE ....................................................................................................................................................... 8 4. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING ...................................................................................
9 4.1 FLORA ..................................................................................................................................................... 9 4.2 VLEERMUIZEN .......................................................................................................................................... 9 4.3 OVERIGE ZOOGDIEREN ............................................................................................................................. 9 4.4 BROEDVOGELS....................................................................................................................................... 10 4.5 AMFIBIEËN ............................................................................................................................................. 10 4.6 VISSEN .................................................................................................................................................. 10 4.7 REPTIELEN ............................................................................................................................................. 10 4.8 OVERIGE................................................................................................................................................ 10 5.
SAMENVATTENDE CONCLUSIE ................................................................................................................. 11 GERAADPLEEGDE LITERATUUR ................................................................................................................... 12 BIJLAGEN ......................................................................................................................................................... 13 1. PLANGEBIED ........................................................................................................................................ 14 2. BEGRIPPEN........................................................................................................................................... 15 Quick scan Flora- en faunawet hotel – restaurant Harmonie te Giethoorn. Eindrapport februari 2016 Adviesbureau Mertens 2 Wageningen 1. INLEIDING 1.1 Inleiding Er is het voornemen voor de uitbreiding van hotel – restaurant Harmonie te Giethoorn (zie figuur 1 voor dit gebied). Het voorkomen van beschermde soorten vormt een te onderzoeken aspect omdat met de plannen effecten kunnen gaan ontstaan op planten- en diersoorten die beschermd zijn via de Flora- en faunawet. Op grond hiervan heeft Rho adviseurs voor leefruimte te Rotterdam aan Adviesbureau Mertens B.V.