5.3 VRIJ Concept gewijzigde gemeenschappelijke regeling VRIJ
Tekst van het document
de gemeenten zal worden gebracht. HOOFDSTUK 10 ARCHIEF Artikel 36 Archief 1. Het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de veiligheidsregio en haar organen, overeenkomstig een door het algemeen be- stuur vast te stellen regeling. Deze regeling wordt gedeputeerde staten mede- gedeeld. 2. De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig de door het dagelijks bestuur vast te stellen nadere regeling. in dezelfde bijeenkomst van het AB worden vastgesteld als de begroting. GS dienen de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling maar uiterlijk 15 juli te ontvan- gen. Artikel 35a Rekeningresultaat In de GR VRIJ staan nu geen afspraken over de besluitvorming van het algemeen bestuur over het rekeningresultaat, dat wordt bepaald bij vaststelling van de jaar- rekening. De financiële verordening geeft aan, dat het dagelijks bestuur de jaar- stukken en het bestemmingsvoorstel van het rekeningresultaat ter vaststelling voorlegt aan het algemeen bestuur. Deze bepaling beoogt de bestaande praktijk met de besluitvorming van het algemeen bestuur over het rekeningresultaat vast te leggen. Artikel 36 Archief Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 40 van de Archiefwet, dat het bestuur van een gemeenschappelijke regeling opdraagt de zorg voor de archiefbescheiden te regelen.
De inhoud van artikel 36 komt zoveel mogelijk overeen met de regels voor de gemeenten. 24 Gemeenschappelijke regeling VRIJ met (geel gearceerd) de voorgestelde wijzigin- gen en doorhalingen Artikelsgewijze toelichting 3. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de geldende Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het dagelijks bestuur een ar- chiefbewaarplaats aan. 4. De beheerder van de in het vorige lid aan te wijzen archiefbewaarplaats oe- fent overeenkomstig de regeling als bedoeld in het eerste lid toezicht uit op het beheer van de archiefbescheiden van de veiligheidsregio en haar organen, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbe- waarplaats. HOOFDSTUK 11 TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING Artikel 37 Toetreding en uittreding 1. Toetreding en uittreding van gemeenten is mogelijk na wijziging van de inde- ling van gemeenten in regio’s, zoals die wettelijk is voorgeschreven. Een col- lege dat wenst uit te treden maakt het voornemen tot uittreding per aangete- kende brief kenbaar aan het algemeen bestuur. 2. Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaar- den voor uittreding, welke worden vastgelegd in een door het algemeen be- stuur vast te stellen uittredingsplan. 3.
Het uittredingsplan bevat in ieder geval de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uit- treedsom die betaald moet worden door de uittredende gemeente en de ge- volgen voor de andere gemeenten. 4. De kosten voor het uittredingsplan komen voor rekening van de uittredende gemeente. 5. Voor het opstellen van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een on- afhankelijke adviseur aan die in opdracht van het dagelijks bestuur het con- cept-uittredingsplan voorbereidt. Het algemeen bestuur wijst de onafhanke- lijke adviseur aan op basis van een gezamenlijke voordracht van het college Artikel 37 Toetreding en uittreding In de praktijk komt uittreding uit de GR Veiligheidsregio IJsselland alleen voor als gevolg van een wetswijziging. In de bijlage bij artikel 7 van de Wet veiligheidsre- gio’s zijn de gemeenten aangewezen waarvan de colleges van burgemeester en wethouders een gemeenschappelijke regeling moeten treffen voor de veiligheids- regio. Uittreding op eigen initiatief is zonder wetswijziging niet mogelijk. Op het mo- ment dat de aanwijzing van gemeenten verandert die gevolgen hebben voor de indeling van gemeenten binnen de regio’s kan formele uittreding wel aan de orde zijn.
Daarom is het noodzakelijk om, zoals de WGR aangeeft, voorschriften op te nemen over uittreding voor het geval dit in de toekomst alsnog aan de orde is. Met de wetswijziging van 2022 wordt (in artikel 9 lid 1) verder verduidelijkt wat onder gevolgen moet worden verstaan. In elk geval moeten in de gemeenschap- pelijke regeling worden geregeld (dit kan niet doorgeschoven worden naar een overeenkomst of uittreedregeling): • de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden; • de gevolgen voor het vermogen van het samenwerkingsverband; 25 Gemeenschappelijke regeling VRIJ met (geel gearceerd) de voorgestelde wijzigin- gen en doorhalingen Artikelsgewijze toelichting van de uittredende gemeente en het dagelijks bestuur. Indien geen overeen- stemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het al- gemeen bestuur de onafhankelijke adviseur aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het alge- meen bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger in het alge- meen bestuur van het college dat voornemens is uit te treden. 6. De onafhankelijke adviseur neemt bij het bepalen van de uittreedsom het be- paalde in dit artikel in acht en baseert zich daarbij op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van het kenbaar maken van het voornemen van uittreding.
Tevens kan de onafhankelijke adviseur bij de berekening van de uittreedsom een risico-opslag van maximaal 5% op de uittreedsom toepassen om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerela- teerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende gemeente van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 7. Het college dat voornemens is uit te treden wordt gedurende een termijn van twaalf weken in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op het concept- uittredingsplan. 8. Uiterlijk twaalf maanden nadat het college zijn voornemen tot uittreding over- eenkomstig het eerste lid bekend heeft gemaakt stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende gemeente omschre- ven financiële verplichtingen zijn bindend. 9. Het algemeen bestuur is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. Het algemeen bestuur onderzoekt in dat kader met de uittredende gemeente de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Het voorgaande behoeft echter niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ont- vangst door het algemeen bestuur van het college-besluit tot uittreding. 10.
Nadat het uittredingsplan is vastgesteld en het college definitief heeft beslo- ten uit te treden, • de gevolgen voor het vermogen van de deelnemende gemeenten (zowel de uittreder als de overblijvende gemeenten). De nieuwe uittreedbepaling in artikel 37 geeft als het ware een chronologische volgorde voor het uittreden: − Het college maakt het voornemen tot uittreding kenbaar aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur zal in de praktijk ook de andere deelnemende colleges hiervan op de hoogte stellen. − Het dagelijks inventariseert vervolgens de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding. Deze zaken worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan. − Dit doet het dagelijks bestuur niet zelf, maar hiervoor wordt een onafhankelijk deskundige ingeschakeld. Deze wordt aangewezen door het algemeen bestuur, op basis van een gezamenlijke voordracht van het college van de uittredende gemeente en het dagelijks bestuur. − De inventarisatie van de gevolgen zal in de praktijk gebeuren in samenwerking met de uittredende gemeente, met de andere colleges en met eventueel andere betrokken partijen (bijv. de partij die bepaalde taken gaat overnemen). Dit mede om goede afspraken te maken met het oog op het zoveel mogelijk beperken van de kosten gemoeid met de uittreding.
− Het uittredingsplan bevat in ieder geval de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens zal in het plan stil moeten worden gestaan bij zaken als: a. de financiële gevolgen voor de andere gemeenten; b. voorwaarden en andere verplichtingen voor de uittredende gemeente, die aan de uittreding worden verbonden; c. afspraken om de uittreding en de uitvoering van het uittredingsplan bestuurlijk, financieel, juridisch en feitelijk in goede banen te leiden. − Voor wat betreft de financiële gevolgen die in het uittredingsplan worden 26 Gemeenschappelijke regeling VRIJ met (geel gearceerd) de voorgestelde wijzigin- gen en doorhalingen Artikelsgewijze toelichting a. geldt voor de uittreding uit de regeling een opzegtermijn van 1 jaar, in- gaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar. b. is de uittredende gemeente gehouden om binnen 6 maanden de voor haar vastgestelde financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen, tenzij het algemeen bestuur unaniem tot het hanteren van een andere termijn besluit. 11. Het algemeen bestuur regelt de procedure en alle gevolgen van de toetreding van een gemeente of de uittreding en kan voorwaarden verbinden aan de toetreding. De gevolgen en de voorwaarden worden vastgelegd in een toetre- dingsplan. of uittreding.
Bij uittreding geldt als uitgangspunt dat de uittre- dende gemeente de kosten draagt die het rechtstreekse gevolg zijn van de uit- treding en dat de overige gemeenten geen financieel nadeel van de uittreding ondervinden. Artikel 38 Wijziging 1. Zowel het algemeen bestuur, op voorstel van het dagelijks bestuur, als de col- leges van tenminste vier deelnemende gemeenten kunnen met redenen om- klede voorstellen aan alle gemeenten doen tot wijziging van de regeling. onderscheiden gaat het om in elk geval de volgende kostensoorten: a. frictiekosten (eenmalige personele en materiële kosten als gevolg van het uittreden); b. desintegratiekosten (kosten voor afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s); c. direct en op termijn vervallen kosten (kosten die vervallen bij de uittreding en daaraan verbonden overname van taken); d. schaalnadelen (kosten die niet wijzigen als gevolg van het uittreden); e. aandeel in de reserves en voorzieningen. − Als het uittredingsplan in concept gereed is kan het college dat het voornemen heeft om uit te treden hier nog op reageren. Na vaststelling van het uittredingsplan door het AB neemt het college dat het voornemen heeft om uit te treden een definitief besluit. Hiervoor moet het college overigens ook toestemming hebben van de eigen raad.
− Na het definitieve uittredingsbesluit treedt de opzegtermijn in werking van (tenminste) een vol kalenderjaar. De uittredende gemeente moet de financiële verplichtingen die zijn opgenomen in het uittredingsplan binnen zes maanden nadat het uittredingsplan is vastgesteld en het college definitief heeft besloten uit te treden voldoen. Daarvan kan worden afgeweken als het algemeen bestuur hiervoor unaniem een andere termijn vaststelt. Denk bijvoorbeeld aan het hanteren van een afbouwregeling over enkele jaren. Als gevolg van de uittreding van zal ook de gemeenschappelijke regeling Veilig- heidsregio IJsselland moeten worden gewijzigd volgens de spelregels die daarvoor gelden. Artikel 38 Wijziging Dit artikel spreekt voor zich. 27 Gemeenschappelijke regeling VRIJ met (geel gearceerd) de voorgestelde wijzigin- gen en doorhalingen Artikelsgewijze toelichting 2. Een wijziging van de regeling is tot stand gekomen wanneer ter vergadering van het algemeen bestuur blijkt dat de colleges van ten minste tweederde van de deelnemende gemeenten tot de wijziging hebben besloten. Artikel 39 Opheffing 1. De regeling wordt opgeheven wanneer ter vergadering van het algemeen be- stuur blijkt dat colleges van ten minste tweederde van de deelnemende ge- meenten tot opheffing hebben besloten. 2.
Ingeval van opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liqui- datie en stelt daarvoor de nodige regelen in het liquidatieplan. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling worden afgeweken. 3. Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, de colleges van de deel- nemende gemeenten gehoord, vastgesteld. 4. Het liquidatieplan voorziet in ieder geval in: a. de verplichting van de deelnemende gemeenten tot deelneming in de finan- ciële gevolgen van de beëindiging van de regeling. b. de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel. c. de gevolgen voor de door de Veiligheidsregio en haar organen gevormde ar- chieven. 5. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie. 6. Zo nodig blijven de organen van de Veiligheidsregio in functie ook na het tijd- stip van opheffing, totdat de liquidatie is voltooid. Artikel 39 Opheffing De mogelijkheid tot opheffing ontstaat alleen bij het vervallen van de wettelijke verplichting voor de colleges om een gemeenschappelijke regeling te treffen voor de veiligheidsregio. HOOFDSTUK 12 GESCHILLEN Artikel 40 Geschillen 1. Voordat over een geschil als bedoeld in artikel 28 van de Wet gemeenschap- pelijke regelingen de beslissing van gedeputeerde staten wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een daartoe door partijen in te stellen geschillencommissie.
Artikel 40 Geschillen De bedoeling van dit artikel is om geschillen eerst op intergemeentelijk niveau te doen beslechten. Mochten partijen er op dit niveau niet uitkomen, dan staat de weg naar gedepu- teerde staten op grond van artikel 28 Wgr volledig open. 28 Gemeenschappelijke regeling VRIJ met (geel gearceerd) de voorgestelde wijzigin- gen en doorhalingen Artikelsgewijze toelichting 2. De geschillencommissie bestaat uit vertegenwoordigers, aangewezen door elk der bij het geschil betrokken partijen, alsmede een door deze vertegenwoor- digers aangewezen onafhankelijke voorzitter. 3. De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen. 4. De geschillencommissie brengt aan het algemeen bestuur advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen. HOOFDSTUK 13 SLOTBEPALINGEN Artikel 41 Duur van de regeling De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. Artikel 42 Inwerkingtreding De regeling treedt in werking met ingang van .................2024. Artikel 43 Titel De regeling wordt aangehaald als ‘Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio IJsselland’. Artikel 41 Duur van de regeling Dit artikel spreekt voor zich.
Artikel 42 Inwerkingtreding Artikel 26 Wgr: Het gemeentebestuur dat daartoe bij de regeling is aangewezen onderscheidenlijk het bestuur van de gemeente van de plaats van vestiging maakt de regeling in alle deelnemende gemeenten bekend in het door dat gemeentebe- stuur uitgegeven gemeenteblad. De regeling treedt in werking op de in de regeling aangewezen dag. De regeling treedt niet in werking voordat zij is bekendgemaakt. Artikel 43 Titel Dit artikel spreekt voor zich. Aldus vastgesteld door de colleges van de deelnemende gemeenten, zoals geconstateerd in het algemeen bestuur van Veiligheidsregio IJsselland op …………………………….. 2024. 29 P.H. Snijders, voorzitter A.H. Schreuders, secretaris