CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

5.1 Het aanleggen van een ontsluitingsweg in Belt Schutsloot - bijlage ruimtelijke onderbouwing.pdf

Politieke Markt 28 maart 2017, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Het aanleggen van een ontsluitingsweg in Belt-Schutsloot7.851 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 ID plan: NL.IMRO.1708.Havezatheweg13-ON01 datum: 25 januari 2017 status: Versie 1.1 auteur: Joost Huizing

Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 Inhoudsopgave toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1 1.1 Aanleiding 1 1.2 Leeswijzer 2 Hoofdstuk 2 Beschrijving plan 3 2.1 Ruimtelijke en functionele structuur plangebied en omgeving 3 2.2 Planbeschrijving 3 Hoofdstuk 3 Wettelijke en beleidsmatige kaders 4 3.1 Rijksbeleid 4 3.2 Provinciaal beleid 5 3.3 Gemeentelijk beleid 12 Hoofdstuk 4 Actuele waarden 14 4.1 Inleiding 14 4.2 Ecologie 14 4.3 Cultuurhistorie en archeologie 15 Hoofdstuk 5 Waterparagraaf 17 5.1 Inleiding 17 5.2 Waterbeleid 17 5.3 Watertoets 18 5.4 Waterhuishouding 18 5.5 Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer 18 5.6 Aanleghoogte van de bebouwing 18 5.7 Watertoetsproces 19 Hoofdstuk 6 Milieuparagraaf 20 6.1 Milieu 20 6.2 Geluidhinder 20 6.3 Bodem 20 6.4 Luchtkwaliteit 20 6.5 Bedrijven en milieuzonering 21 6.8 Externe veiligheid 22 6.9 Milieubescherming 22 6.10 Verkeer 22 6.11 Kabels en leidingen 23 Hoofdstuk 8 Financiële paragraaf 24 8.1 Financiële haalbaarheid 24 8.2 Exploitatieplan 24

Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 1 Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemers zijn voornemens om een deel van een in onbruik geraakte oude weg langs de huidige Havezatherweg te Belt-Schutsloot opnieuw in gebruik te nemen. Het doel is om hiermee de bereikbaarheid van een woning aan de Havezatherweg 13 te verbeteren. In de thans geldende ‘Beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014’ is deze ontwikkeling niet mogelijk. Er kan medewerking worden verleend aan de ontwikkeling door een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan te verlenen. Voorwaarde daarvoor is dat de vergunning is voorzien van een goede ruimtelijke onde r- bouwing. Voorliggende onderbouwing voorziet hier in. Figuur 1 Globaal tracé aan te leggen weg

Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 2 1.2 Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 het plan beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het voor het plan relevante beleid van de verschillende overheidsinstanties beschreven. In de hoofdstukken 4, 5 en 6 wordt de ontwikkeling getoetst aan de omgevingsaspecten. Ve r- volgens wordt in hoofdstuk 7 de uitvoerbaarheid van het plan behandeld. Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 3 Hoofdstuk 2 Beschrijving plan 2.1 Ruimtelijke en functionele structuur plangebied en omgeving Het plangebied aan de Havezatherweg ligt net ten westen van Belt-Schutsloot in het krag- genlandschap. Dit landschap is een gevarieerd, kleinschalig landschap van rietland, kra g- gen, open water en moerasbos. Het gebied is grotendeels te nat voor bewoning. De bew o- ning die er is ligt geconcentreerd in lange linten langs het water. Deze waterstreekdorpen als Belt-Schutsloot waren oorspronkelijk alleen per boot bereikbaar. De woningen zijn dan ook met de voorzijde gericht naar het water. 2.2 Planbeschrijving De opnieuw aan te leggen weg ligt gedeeltelijk evenwijdig aan de Havezatherweg bij het dorp Belt-Schutsloot (zie Figuur 1). Het tracé dat evenwijdig ligt aan de Havezatherweg betreft een voormalige weg. Hier is de oude verharding nog steeds aanwezig.

Op deze verharding heeft zich in de loop der jaren een laag humus gevormd, waarop riet tot ont- wikkeling is gekomen. Door de aanwezigheid van het riet is het bestaande tracé nu niet exact te af te bakenen; dit wordt in het veld bepaald. Op de verbeelding en in de vergu n- ningaanvraag wordt hier rekening mee gehouden. Het deel van het tracé dat haaks op de Havezatherweg staat is een nieuw aan te leggen weg. De totale lengte van het tracé is circa 150 meter. Zoals al aangegeven, is een groot deel van de opnieuw in te richten weg nog steeds ve r- hard. De bedoeling is om de rietbegroeiing en de laag humus op de oude weg te verwijde- ren. Hierop wordt een nieuwe verharding aangelegd. Deze zal bestaan uit halfverharding in de vorm van zand en grint. De verharding is ongeveer 3,5 m breed. Aan weerszijden wordt een berm aangelegd. De bedoeling is dat hier te zijner tijd een bloemrijke berm tot ontwikkeling kan komen. De nieuwe weg is niet doorgaand en ontsluit slechts één bestaande woning. Bij gebruik van de woning is er sprake van slechts enkele verkeersbewegingen per dag. Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 4 Hoofdstuk 3 Wettelijke en beleidsmatige kaders Dit hoofdstuk behandelt het beleid dat betrekking heeft op dit project.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de- ze structuurvisie staan de (rijks)plannen voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren. Het Rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De nieuwe structuurvisie vervangt verschillende bestaande nota’s, z o- als de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit, de agenda Landschap en de agenda Vitaal Platt e- land. Het Rijk zet zich voor wat betreft het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurre- rend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. In de SVIR worden drie hoofddoelen g e- noemd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden vo or de middellange termijn (2028): ˗ het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; ˗ het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; ˗ het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waa r- mee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boe- ken. De 13 nationale belangen zijn als volgt: Versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland ˗ een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio’ s met een concentratie van topsectoren; ˗ ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energi e- transitie; ˗ ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisle i- dingen; ˗ efficiënt gebruik van de ondergrond. Verbeteren bereikbaarheid: Slim Investeren, Innoveren en Instandhouden ˗ een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de b e- langrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen; ˗ betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en vaarwegen; ˗ het instandhouden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen.

Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 5 Waarborgen kwaliteit leefomgeving ˗ verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water), bescherming tegen ge- luidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s; ˗ ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatb e- stendige stedelijke (her)ontwikkeling; ˗ ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cu ltuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; ˗ ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; ˗ ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; ˗ zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plan- nen. Voor het plangebied geldt dat er geen nationale belangen uit de structuurvisie in het g e- ding zijn. 3.1.2 AMvB Ruimte De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels rui m- telijke ordening (Barro). Op 30 juni 2011 zijn alle ontwerpstukken van het Barro als bijlage bij de SVIR gepubliceerd. Met uitzondering van enkele onderdelen is het Barro eind d e- cember 2011 in werking getreden. In het Barro zijn de nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisten. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale bela n- gen in gemeentelijke bestemmingsplannen.

De onderwerpen in het Barro betreffen: project Mainportontwikkling Rotterdam, kustfundamenten, grote rivieren, Waddenzee & wa d- dengebied en defensie (met uitzondering van radar). Ook het Barro geeft voor het plang e- bied geen nationale belangen aan. 3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel De Omgevingsvisie Overijssel betreft een integrale visie die het voorheen geldende Streekplan Overijssel 2000+, het Verkeer- en Vervoersplan, het Waterhuishoudingplan en het Milieubeleidplan samen brengt in één document. Hiermee is de Omgevingsvisie het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De Omg e- vingsvisie is in 2009 in werking getreden. In 2013 is de Omgevingsvisie geactualiseerd. De laatste partiële herziening van de Omgevingsvisie dateert van 2015. Leidende thema’s voor de Omgevingsvisie zijn duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit. De hoofdambitie van Overijssel is om een vitale samenleving tot ontplooiing te laten komen in een mooi en vitaal landschap. Een samenleving, waarin alle Overijsselaars zich thuis vo e- len en participeren. Met bloeiende steden en dorpen als motoren voor cultuur en werkg e- legenheid, ingebed in een landschap, waarin wonen, natuur, landbouw en water elkaar versterken.

Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 6 Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn: ˗ behoud en versterken van de verscheidenheid en identiteit van (binnen-)stedelijke kwaliteit en mooie landschappen in het buitengebied; ˗ aantrekkelijke en gevarieerde woonmilieus, die voorzien in woonvraag ; ˗ een vlotte en veilige reis over weg, water, spoor en per fiets van en naar stedelijke netwerken en streekcentra binnen en buiten Overijssel; ˗ een vitale en zichzelf vernieuwende regionale economie, met voldoende en diverse vestigingsmogelijkheden voor kennisintensieve maakindustrie en MKB; ˗ veilig, gezond en schoon kunnen wonen, werken, recreëren en reizen . 3.2.2 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en de stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: 1. generieke beleidskeuzes; 2. ontwikkelingsperspectieven; 3. gebiedskenmerken. De omschreven drie niveaus sturen op basis van een inhoudelijke ontwikkelingsvisie of, waar en hoe een ruimtelijke ontwikkeling gerealiseerd kan worden.

Dus bij een initiatief tot woningbouw, bedrijfslocaties, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikke- ling, landbouw, water, etc. kan met deze drie niveaus bepaald worden of er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Onderstaand figuur geeft dit schematisch weer. De niveaus worden vervolgens nader toegelicht. Figuur 2 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 7 Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of provincie. Het zijn ke u- zes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Voor woningbouw, bedrijfslocaties en voorzieningen in zowel de groene als stedelijk omgeving hanteert de provincie de SER-ladder. Deze komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaande bebo u- wing en herstructurering worden benut, voordat er uitbreiding kan plaat svinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffende onder andere reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, besche r- ming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikk e- lingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, N a- tura 2000-gebieden en de Ecologische Hoofdstructuur.

De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Als ze het gevolg zijn van provinciale keuzes staan ze in de Omg e- vingsverordening Overijssel. Ten aanzien van onderhavig plan wordt opgemerkt dat de ontwikkeling aan de Have- zatherweg deels het herstel van een bestaande weg betreft en deels de aanleg van een nieuwe weg in een Natura 2000-gebied. In paragraaf 4.2 Ecologie wordt onderbouwd dat er daarbij geen sprake is van significant negatieve effecten op de natuurwaarden. Ge- zien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het plan in overeenstemming is met het provinciaal beleid. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorg e- nomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikk e- lingsperspectieven. In paragraaf 2.6 van de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ont- wikkelingsperspectieven beschreven voor de Groene en Stedelijke omgeving. Met dit spe c- trum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de beschreven beleids- en kwali- teitsambities. Op de kaart Ontwikkelingsperspectieven uit de Omgevingsvisie is hieraan nog een aantal geografisch bepaalde beleidskeuzes toegevoegd zoals de drinkwaterwi n- ning. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden.

De ontwikkeling van natuur past bijvoorbeeld niet in het ontwikkelingsperspe c- tief „buitengebied accent productie‟ of in „steden als motor‟. De aanleg van een bedrijven- terrein past weer niet in het ontwikkelingsperspectief „Zone Ondernemen met Natuur en Water‟. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend om flexibiliteit voor de to e- komst te hebben. Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 8 In dit geval zijn vooral de ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving van b e- lang. In de groene omgeving gaat het – kortweg gezegd – om het behoud en de versterking van het landschap en het realiseren van de groen-blauwe hoofdstructuur alsmede om de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw en andere economische dragers. Hieron- der is een uitsnede van de perspectievenkaart te zien behorende bij de Omgevingsvisie. Figuur 3 Ontwikkelingsperspectievenkaart (bron: http://www.atlasvanoverijssel.nl) Het gebied waar het plangebied is gelegen, is aangewezen als bestaande natuur binnen de ‘Zone ondernemen met Natuur en Water’. Het perspectief op provinciaal/regionaal niveau is om, via private initiatieven en de realisering van de EHS, gebieden met hoge natuur- waarden (weer) in een onderling verband te brengen en gelijktijdig de regionale economie te versterken.

Hierdoor ontstaat er een samenhangend netwerk van gebieden waar plant- en diersoorten stevige levensgemeenschappen kunnen ontwikkelen, waar natuurlijke pro- cessen weer vrij spel kunnen krijgen, waartussen vrije uitwisseling van plant en dier m o- gelijk is en waar de economische potenties van natuurkwaliteit optimaal benut worden. Dit raamwerk levert mooie, stoere landschappen op waar het goed toeven is Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cul- tuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoor- waarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De bijlage Catalogus Gebieds- kenmerken behorende bij de Omgevingsvisie geeft meer in detail inzicht in de kenmerken van verschillende gebieden en wat in die gebiedskenmerken van provinciaal belang is voor hoe een ontwikkeling invulling krijgt. De kwaliteitsopgaven en –voorwaarden op ba- sis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke inpassing, i n- frastructuur, milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend.

De ‘Natuurlijke laag’ De natuurlijke laag is ontstaan doordat abiotische processen – zoals ijs- wind- en water- stromen, erosie en sedimentatie – en biotische processen – zoals vestiging van plant- en

Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 9 diersoorten – inwerken op de ondergrond van bodem en geologie. Overijssel bestaat voo r- namelijk uit een dekzandcomplex dat afloopt van oost naar west. Een paar noord -zuid ge- oriënteerde stuwwallen doorsnijden het dekzand. Het is een van oudsher bij tijd en wijle heel nat landschap waar het water maar moeilijk uit weg kon. Hier heeft zich hoogveen ontwikkeld. In het westen loopt dit landschapstype tot aan de kustlijn van de voormalige Zuiderzee, waar in de delta van IJssel, Vecht en Zwarte Water kleicomplexen en laagveen- gebieden zijn ontstaan. De zoetwaterdelta met de laagveenmoerassen is (nationaal en i n- ternationaal gezien) het meest bijzondere deel in deze laag en vraagt nadrukkelijk aa n- dacht. Vanouds bestaat er in deze laag een sterke samenhang tussen het natuur- en watersys- teem; het watersysteem maakt in essentie één grote beweging van de brongebieden (op de flanken van de stuwwallen), naar de beken en weteringen (in de zandgebieden), naar Vecht en Zwarte Water en tenslotte naar de IJssel en de Randmeren. Dit proces heeft in Overijssel geleid tot een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Ve r- volgens heeft dit natuurlijke landschap plek en betekenis gekregen in het menselijk occ u- patieproces.

Het natuurlijk landschap vormt daarmee de basis voor het gehele grondge- bied van de provincie. De locatie is op de gebiedskenmerkenkaart ‘Natuurlijke laag’ aangeduid met het g e- biedstype ‘Laagveenrestanten’. Dit zijn grote gebieden, waar onder invloed van stagne- rend water en grondwater uitgestrekte veenmoerassen zijn ontstaan. Hier bestonden d i- verse verlandingsstadia naast elkaar: open water – rietmoeras – opgaand moerasbos. Het semi-natuurlijk laagveenrestant van de Weerribben en de Wieden bestaat uit relicten van dit gebiedstype met een hoge waterkwaliteit en natuurkwaliteit. Samengesteld landschap van rietland op een pakket veenlagen (kraggen) en vaarten, afgewisseld met bos. Ontstaan door turfwinning, rietteelt en extensieve veehouderij. Elders verder in cultuur gebracht als veenweidegebied of polder. Figuur 4 Kaart ‘Natuurlijke laag’ (bron: http://www.atlasvanoverijssel.nl)

Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 10 De ambitie is de Wieden en Weerribben als grootste laagveenmoeras van Europa, aan e l- kaar verbinden via een brede overgangszone en ontwikkelen als een groot aaneengesloten (half) natuurlijk vaar- en recreatielandschap, met hoge biodiversiteit, met aanliggende kernen als poorten naar de natuur. Ook in de overige veenweidelandschappen is een hoog waterpeil van belang om inklinking tegen te gaan. Het open karakter is zowel ruimtelijk waardevol, als voor weidevogels en ganzen. De laagveenrestanten krijgen een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instan d- houding van de waterkwaliteit en de natuurkwaliteit. Als ontwikkelingen plaats vinden in de laagveenrestanten, dan dragen deze bij aan verhoging van het waterpeil om bodemd a- ling en verdwijnen van het veenpakket tegen te gaan en, waar mogelijk, aan toename van natuurkwaliteit en het areaal levend laagveen. De ‘Laag van agrarische cultuurlandschap’ In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuu r- lijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Het agrarisch cultuurlandschap is bij uitstek een gebruikslandschap. Het aanzien van ruim tweederde van het oppervlak van Overijssel wordt bepaald door het agrarisch gebruik.

Van deze landschappen maken zowel de agr a- rische productiegronden, de landschappelijke beplantingen, routes, waterlopen, reliëfs etc, als de erven, buurtschappen en dorpen deel uit. Vanuit de nederzettingen werden de om- liggende gronden ooit ontgonnen, daardoor is er een sterke ruimtelijke en functionele rel a- tie met het omringende landschap ontstaan. Bij de ontwikkeling van de cultuurlandschappen hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. Daarbij speelt ook de cultuurhistorie als ‘het verhaal van het landschap’ een steeds belangrijkere rol. Er zijn grote verschillen in de leeftijd van de verschillende landschappen. De eerste hoge plekken van de dekzand werden vanaf 400 na Christus op een nu nog herkenbare wijze in cultuur gebracht, steeds werden andere gebieden en mogelijkheden gezocht, tot in de jaren 60 van de afgelopen eeuw zijn natuurlijke gebieden gecultiveerd. Dit verschil in ‘tijdsdiepte’ geeft mede richting aan de ontwikkeling van de deze gebieden. Afhankelijk van bijvoorbeeld de stand van de techniek en de beschikbaarheid van mest- stoffen is door de eeuwen heen een geschakeerd patroon van akkers, weiden, hooiland en bebouwing (hoeven, kernen, dorpen) gegroeid.

Structuur, maatvoeringen en landschap s- elementen worden keer op keer aan de veranderende omstandigheden aangepast. De locatie is op de gebiedskenmerkenkaart ‘Laag van agrarische cultuurlandschap’ aange- duid met het gebiedstype ‘kraggenlandschap’. Hiervoor geldt de ambitie en sturing zoals genoemd onder de kop ‘Natuurlijke laag’. Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 11 Figuur 5 Kaart ‘Laag van agrarisch cultuurlandschap’ (bron: http://www.atlasvanoverijssel.nl) De ‘Stedelijke laag’ De locatie heeft op de gebiedskenmerkenkaart ‘Stedelijke laag’ geen bijzondere eige n- schappen. Deze laag kan dan ook buiten beschouwing worden gelaten. De ‘Lust- en leisurelaag’ Met de natuurlijke laag, de laag van het agrarisch cultuurlandschap en de stedelijke laag is het spectrum voor ruimtelijke kwaliteit nog niet compleet. Aan de (relatieve) autonomie van de natuurlijke processen in de natuurlijke laag, het ‘nut’ van het agrarisch cultuur- landschap en de sociale en functionele dynamiek van de stedelijke laag voegt de laag van de lust- en leisurelandschappen de dimensie van het welbehagen, het plezier, de trots en de beleving toe. Deze laag is het domein van de belevenis, betekenis en identiteit.

De lust - en leisurelaag voegt eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken, en recre a- tieve routes, maar benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen. Het stelt kwalite i- ten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze beleefbaar en tot een belevenis. De locatie is op de ‘Lust- en leisurelaag’ aangeduid met ‘Donkerte’. Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie: de steden en dorpen, de auto- snelwegen, de kassengebieden, de attractieparken, de grote bedrijventerreinen en de ge- bieden met veel bebouwing. De donkere gebieden geven een indicatie van de ‘buitenge- bieden’ van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het ‘s nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief ‘luwe’ dun bewoonde gebieden met een lage ge- bruiksdruk. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige ‘donkere’ gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze ‘s nachts uit kan of anders lichtbronnen

Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 12 selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikk e- ling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de ‘lichte’ gebieden. In de donkere gebieden wordt gestuurd op alleen minimaal noodzakelijke toepa ssing van kunstlicht. Dit vereist het selectief inzetten en ‘richten’ van kunstlicht. Veel aandacht is er daarnaast voor het vermijden van onnodig kunstlicht bij ontwikkelingen in het buiteng e- bied. Verder wordt gestuurd op het behoud van het rustige en onthaaste karakter van de ‘donkere’ gebieden. Conclusie In de provinciale Omgevingsvisie is een uitvoeringsmodel opgenomen dat uitgaat van respectievelijk de drie niveaus generieke beleidskeuzes, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken. Generieke beleidskeuzes vloeien voort uit keuzes van EU, het Rijk of de provincie. Het zijn keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig, dan wel mogelijk zijn. In de Omgevingsvisie zijn geen strikte voorschriften opgenomen van welke functie op welke plek moet plaatsvinden.

Er wordt dus ook niet vooraf tot op detailniveau bepaald of bijvoorbeeld een specifieke ontwikkeling mogelijk is. Het doel is juist om de dynamiek, duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit te bevorderen. Bij voorliggend plan is sprake van een kleinschalige ontwikkeling in de vorm van deels herstel en deels aanleg van een ontsluitingsweg over een afstand van circa 150 meter voor een bestaande woning. Bij de vormgeving van het plan wordt rekening gehouden met de karakteristieken en waarden van het gebied. De weg wordt halfverhard aangelegd met een breedte van circa 3,5 meter en bloemrijke bermen aan weerszijde. De weg wordt niet voor- zien van kunstlicht. Dit is passend binnen het ter plekke geldende ontwikkelingsperspe c- tief, gericht op het behoud en de ontwikkeling van de natuurkwaliteit. 3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Beheersverordening Buitengebied Voor het plangebied is de beheersverordening ‘Buitengebied Steenwijkerland 2014’ van toepassing. Deze verordening is vastgesteld op 9 september 2014. In de beheersverorde- ning ligt het perceel binnen de besluitvlakken ‘Natuur’ en ‘wro-zone natura 2000’. Ter plaatse van de bestaande overgroeide weg geldt daarnaast het besluitvlak ‘Waarde - Ar- cheologie 1’. De gronden zijn in hoofdzaak bestemd voor de instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden.

De aanleg van een weg is niet toegestaan binnen de natuurbestemming. Om de realisatie van de weg mogelijk te maken dient medewerking verleend te worden middels een projectafwijking op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3 van de Wet a l- gemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 13 3.3.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Op grond van artikel 2.1 Wabo is het verboden om zonder vergunning gronden te gebrui- ken in strijd met het bestemmingsplan: 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, (…) is bepaald c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (...) Zoals hiervoor aangegeven, voldoet het plan niet aan alle voorwaarden van de beheers- verordening. Omdat het plan landschappelijk gezien passend is in de omgeving, is de g e- meente bereid medewerking te verlenen aan een afwijking van het bestemmingsplan. De- ze mogelijkheid wordt geboden door toepassing van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3: 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, o n- der c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend: a.

indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: 3°. indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Op grond van artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht dient tevens een verklaring van geen bedenkingen te worden afgegeven door de gemeenteraad wanneer de procedure van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 Wabo wordt gevolgd: 1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, on- der c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de behee rsverorde- ning, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoof d- zaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, te n- zij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is. De raad van de gemeente Steenwijkerland heeft nog geen algemene verklaring van geen bedenkingen afgegeven voor plannen die passend zijn binnen het gemeentelijk beleid. In- dien nodig wordt daarom een verklaring van geen bedenkingen aangevraagd voor dit pro- ject.

Op grond van artikel 2.1 Wabo is het tevens verboden om zonder vergunning een bouwwerk te bouwen of werken te realiseren. De omgevingsvergunning zal worden aan- gevraagd voor zowel het afwijken van het bestemmingsplan als het bouwen v an een bouwwerk als het realiseren van werken. Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 14 Hoofdstuk 4 Actuele waarden 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de actuele waarden die aanwezig zijn in het gebied. Specifiek wordt ingegaan op de ecologische waarden, cultuurhistorie en archeologie. 4.2 Ecologie Bij elk ruimtelijk plan dient met het oog op de natuurbescherming rekening te worden g e- houden met de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. Hierbij dient te worden aangetoond dat als gevolg van de geplande activiteiten de gunstige staat van instandhou- ding van waardevolle dier- en plantensoorten niet in het geding komt. Hierbij wordt on- derscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. 4.2.1 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is vastgelegd in de Natuurbeschermingswet 1998 (Stb. 1998, 403 en Stb. 2005,195). Deze wet is de implementatie van de Europese Vogel - en Habitatrichtlijn voor wat betreft de gebiedsbescherming en is vanaf 1 oktober 2005 in werking get reden.

Op grond van deze gebiedsbescherming vallen beschermde natuurmonumenten en de g e- bieden die op grond van de beide Europese richtlijnen zijn aangewezen als speciale b e- schermingszones (de zogenoemde Vogel- en Habitatrichtlijngebieden) onder het regime van de Natuurbeschermingswet 1998. Het plangebied maakt onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en bevindt zich in Natura 2000-gebied de Wieden. Voor het plan is daarom een Voortoets Natuurbe- schermingswet uitgevoerd (Altenburg & Wymenga, 24 augustus 2016). De conclusies van de Voortoets zijn als volgt: • Het tracé van de nieuwe weg grenst aan een perceel dat deels is aangewezen als N atura 2000-habitattype H7140B Veenmosrietland. Veenmosrietlanden zijn gevoelig voor ontwatering. Om verdroging van het veenmosrietland te voorkomen is het van belang om tussen de aan te leggen weg en het veenmosrietland geen ontwateringssloot te graven. In dat geval zijn er geen negatieve effecten te verwachten en is er geen kne l- punt met de Natuurbeschermingswet. Voorgesteld wordt om de weg, binnen de be- schikbare ruimte, zo noordelijk mogelijk aan te leggen. Hiermee wordt de kans op b e- invloeding van het nabijgelegen veenmosrietland ge heel uitgesloten. • Er is geen kans op (significant) negatieve effecten ten aanzien van de overige aangewe- zen natuurwaarden van het Natura 2000-gebied 'De Wieden'.

4.2.2 Soortenbescherming Behalve de mogelijke effecten op natuurgebieden moet ook duidelijk zijn of het betreffe n- de plan effecten heeft, en zo ja welke, op beschermde soorten. De soo rtenbescherming is vastgelegd in de Flora- en faunawet (Staatsblad 1999, 264, laatstelijk gewijzigd Staatsblad 2009,617). Deze wet is de implementatie van de Europese Vogel - en Habitatrichtlijn voor wat betreft de soortenbescherming. De conclusies in het kader van de Flora- en faunawet (Altenburg & Wymenga, 24 augustus 2016) zijn dat de beoogde herinrichting geen conflict veroorzaakt met de Flora- en fauna- wet, mits voorkomen wordt dat de beoogde werkzaamheden verstoring veroorzaken van Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 15 broedende vogels en hun nesten. Deze voorwaarden worden meegenomen in de omge- vingsvergunning. Er zijn verschillende mogelijkheden om conflicten met de Flora - en faunawet ten aanzien van broedende vogels te voorkomen. De meest zekere optie is het plannen van werkzaa m- heden buiten het broedseizoen. Er kan eventueel vooraf aan het broedseizoen worden g e- start met de werkzaamheden, waardoor broedpogingen in het werkgebied achterwege zullen blijven door de verstoring die daarvan uitgaat. Ook kunnen vooraf aan het broe d- seizoen eventueel geschikte broedplaatsen worden verwijderd.

Broedgevallen dienen ve r- der te worden voorkomen door geen geschikte plaatsen voor nesten te laten ontstaan. Mochten er toch vogels tot broeden komen die door de werkzaamheden kunnen worden verstoord, dan ontstaat er een conflict met de Flora- en faunawet en moeten de verstoren- de werkzaamheden gestaakt worden tot na de broedperiode van de betreffende soort(en). 4.3 Cultuurhistorie en archeologie 4.3.1 Cultuurhistorie In een (bestemmings)plan moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aan- dacht zijn voor het aspect cultuurhistorie. Het plan betreft deels herstel en deels aanleg van een halfverharde weg over een afstand van circa 150 meter. Deze ingreep is dusdanig kleinschalig van aard dat mogelijke cultuurhistorische waarden van het gebied niet on- evenredig worden aangetast. 4.3.2 Archeologie In 1992 is het Verdrag van Malta door de landen van de Europese Unie, waaronder Nede r- land, ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ (ter plekke) bewaard moeten blijven. Er dient te worden nagestreefd de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bo uwplan- nen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ (elders) worden bewaard.

Het Verdrag van Malta is via de Wet op de archeologische monumentenzorg doorvertaald in met name de Monumentenwet 1988, welke aangeeft dat de gemeente bevoegd gezag is o p het gebied van cultuurhistorie en archeologie. De gemeente Steenwijkerland beschikt over een archeologische waarden- en beleidskaart. Op deze kaart vallen de gronden van de bestaande overgroeide weg in een zone met ‘A r- cheologische waarde’ (rood). Het nieuw aan te leggen deel valt in een zone met een ‘Lage archeologische verwachting’ (groen). In Figuur 6 is een uitsnede van de beleidskaart weer- gegeven. Voor de gronden met een archeologische waarde geldt (op grond van de beheersverorde- ning Buitengebied Steenwijkerland 2014) dat werkzaamheden in de vorm van de aanleg van een halfverharde weg verboden zijn voor zover de ingreep dieper gaat dan 50 cm be- neden het maaiveld en een grotere oppervlakte dan 100 m² beslaat . Vervangingswerk- zaamheden van bestaande bestratingen zijn uitgezonderd van het verbod. Ter plaatse van de lage verwachtingswaarde is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. De (vervangings)werkzaamheden ter plaatse van de archeologische waarde zijn dusdanig beperkt van aard dat onderzoek naar archeologische waarden hier ook niet noodzakelijk is. Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 16 Figuur 6 Uitsnede archeologische beleidskaart

Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 17 Hoofdstuk 5 Waterparagraaf 5.1 Inleiding Het is verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is bepaald in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Dit hoofdstuk kan als zoda- nig beschouwd worden. 5.2 Waterbeleid 5.2.1 Waterwet De Waterwet regelt in hoofdzaak het beheer van watersystemen, waaronder waterkeri n- gen, oppervlaktewater- en grondwaterlichamen. De wet is gericht op het voorkomen dan wel beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, de bescherming en verbetering van kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke fun c- ties door watersystemen. In hoofdstuk 6 van de Waterwet wordt genoemd wanneer een waterwetvergunning nodig is. Deze is nodig wanneer sprake is van het lozen of storten van stoffen in oppervlaktewater of de zee of het onttrekken van grondwater of infiltreren van water. Hiervan is in dit geval geen sprake. Een waterwetvergunning is daarom niet nodig.

5.2.2 Watertakenplan Fluvius 2016-2021 Per 1 januari 2016 is het Watertakenplan Fluvius van kracht geworden voor de gemeenten Hoogeveen, Meppel, De Wolden, Midden-Drenthe, Westerveld en Steenwijkerland en Wa- terschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta). Gezamenlijk vormen ze het samenwe r- kingsverband Fluvius (Latijn voor rivier of stroom). In Fluvius werken de g emeenten en het waterschap samen aan stedelijk (afval)waterbeheer. Het Watertakenplan bevat een g e- zamenlijke visie en een uitvoeringsprogramma. Doel is om de kwaliteit van de dienstver- lening te verhogen en kostenstijgingen voor inwoners en bedrijven te beperken. Het W a- tertakenplan geldt voor de periode 2016-2021. Een goed functionerende keten van riolering en afvalwaterzuivering (afvalwaterketen) draagt bij aan een goede volksgezondheid, een goede kwaliteit van het oppervlaktewater én het tegengaan van wateroverlast. Binnen de regio Fluvius beheren de gemeenten de ri o- lering en het waterschap zeven afvalwaterzuiveringen. Een goed watersysteem beperkt wateroverlast en draagt bij aan een goed leefklimaat. Daar is goed onderhoud voor nodig. Zowel gemeente als waterschap hebben hierin een taak, zoals het maaien van oevers en baggeren van watergangen. Zowel voor een goed beheer van de afvalwaterketen als voor het watersysteem is samenwerking tussen gemeente en waterschap dus van groot belang.

Voorheen werden door de gemeenten en het waterschap afzonderlijk beleidsplannen g e- maakt. Het nieuwe Watertakenplan Fluvius is het eerste gezamenlijke plan waarin het be- leid en een aantal projecten voor het stedelijk (afval)waterbeheer op elkaar zijn afgestemd. Samenwerkingsprojecten in het plan zijn bijvoorbeeld gezamenlijk gemalenbeheer en het meten van waterstanden in de riolering. Door gebruik te maken van elkaars kennis en ge- zamenlijk projecten uit te voeren, wordt doelmatiger en efficiënter gewerkt. Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 18 5.3 Watertoets De initiatiefnemer heeft het Waterschap Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden) op 30 november 2016 geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte pro- cedure van toepassing is. Dit betekent dat er direct doorgegaan kan worden met de plan- vorming onder de voorwaarde dat de standaard waterparagraaf wordt toegepast. Deze tekst is hieronder weergegeven. In de waterparagraaf is het wateradvies van het wate r- schap automatisch verwerkt. Het waterschap Drents Overijsselse Delta beschouwt hiermee het plan als afgehandeld. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht de Watertoets uit te voeren.

De Watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. D e- ze standaard waterparagraaf heeft betrekking op het plan Ruimtelijke onderbouwing Ha- vezatherweg 13 te Belt-Schutsloot . 5.4 Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1.500 m 2. 5.5 Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Als de hemelwaterafvoer (a) niet wordt aangesloten op een gescheiden rioolstelsel of (b) er wordt niet afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltr e- ren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, i s lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kw a- liteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. Het project bestaat uit de aanleg van een weg die zal bestaan uit halfverharding in de vorm van zand en grint. Aan weerszijden wordt een berm aangelegd. Hemelwater kan in- filtreren in zowel weg als berm.

5.6 Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ont- wateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. Bij onderhavig project is geen sprake van het realiseren van bebouwing. Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 19 5.7 Watertoetsproces De initiatiefnemer heeft waterschap Drents Overijsselse Delta geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. "De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen conform de Handreiking Watertoets III. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta geeft een positief wateradvies".

Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 20 Hoofdstuk 6 Milieuparagraaf 6.1 Milieu Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellin gen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterrei- nen. 6.2 Geluidhinder In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat indien in het plangebied geluidgevoel ige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedsfeer van (rail - en weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Het onderhavige plan betreft de aanleg van een ontsluiting ten behoeve van één woning. De maximale snel- heid op de weg wordt 30 km/u. Het plan maakt geen nieuwe gevoelige functies mogelijk. Toetsing aan de Wgh is niet noodzakelijk. 6.3 Bodem In de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) is een lijst opgenomen met activiteiten die als bodembedreigend worden beschouwd.

Zo worden bijvoorbeeld de opslag van dieselolie in een bovengrondse tank, de opsla g van oliën in emballage, de opslag van ruwvoer en bijproducten (CCM) en de opslag van dierlijke mes t- stoffen in een put/bassin op grond van de NRB als bodembedreigende activiteiten aang e- merkt. In de omgevingsvergunning van het bedrijf worden gedragsregels en voorzienin- gen met het oog op de bescherming van de bodem voorgeschreven. Op grond van artikel 8 van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften o m- trent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Deze voorschriften hebben ui t- sluitend betrekking op bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend me n- sen aanwezig zullen zijn. In onderhavig geval wordt een weg aangelegd. Een bodemonderzoek is daarom niet noodzakelijk. De toe te passen grond/bouwstoffen moeten wel voldoen aan het beslu it Bo- demkwaliteit. Zo nodig dient het toepassen te worden gemeld in het kader van dit besluit. 6.4 Luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, welke onderdeel uitmaakt van de Wet Milieubeheer (hoofdstuk 5), gelden milieukwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn middels grenswaarden vastgelegd voor de luchtverontreinigingcomponenten sti k- stofdioxide (NO2), zwevende deeltjes (PM10 of fijnstof), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb), benzeen (C6H6) en koolmonoxide (CO).

De grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 21 Het Milieu- en Natuur Planbureau beschikt over kaarten met informatie over de luchtkwa- liteit in Nederland. De bestaande jaargemiddelde concentratie van fijn stof is 22,1 µg/m3 (achtergrondconcentratie 2011). Volgens de wettelijke normen mag deze concentratie maximaal 40,0 µg/m3 bedragen. Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer maakt onderscheid tussen projecten die ‘Niet in b e- tekenende mate’ (NIBM) en ‘In betekenende mate’ (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van geva l- len opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwal i- teit te realiseren.

In het geval een planvoornemen strekt tot het realiseren of wijzigen van bronnen van luchtverontreiniging, die leiden tot een toename van de hoeveelheid luchtverontreiniging, dient onderzoek naar de exacte gevolgen voor de luchtkwaliteit uitgevoerd te worden. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM - grens blijft: a. aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling niet in betekenende mate bijdragen valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM (artikel 4, lid 1, van het Besluit niet in betekenende mate bijdr a- gen (luchtkwaliteitseisen)); b. op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criter i- um. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toe t- sing aan grenswaarden plaats te vinden. Indien een project boven de ge talsmatige grenzen uitkomt, is een project in betekenende mate (IBM), tenzij alsnog aannemelijk te maken is dat de bron minder dan 3% bijdraagt aan de concentratie.

Behoort een project tot een niet in de Regeling niet in betekenende mate bijdragen genoemde categorie dan zal steeds met behulp van onderzoek dienen te worden aangetoond of het project NIBM is. Voorliggend plan betreft de aanleg van een weg ter ontsluiting van één bestaande woning. Het project leidt niet tot een significante toename van het aantal voertuigbewegingen. Ge- steld kan daarom worden dat het project NIBM is. Een luchtkwaliteitonderzoek is daarom niet nodig. 6.5 Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijf s- activiteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze a f- Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 22 stemming wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” (2009). Een richtafstand kan worden b e- schouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsact i- viteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Het project maakt de aanleg van een weg mogelijk. Het betreft geen nieuwe gevoelige functie. In de omgeving van het projectgebied bevinden zich enkel andere woningen. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt dan ook geen belemmering voor het project.

6.8 Externe veiligheid Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening gehouden worden met het aspect externe veiligheid. De risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten moeten in beeld worden gebracht. De volgende bronnen kunnen aan de orde zijn: ˗ inrichtingen; ˗ transportactiviteiten met gevaarlijke stoffen; ˗ vuurwerkopslagplaatsen; ˗ opslagplaatsen ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. De risiconormen voor inrichtingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inric h- tingen (Bevi). Het besluit verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van milie u- vergunningen en het maken van bestemmingsplannen rekening te houden met bepaalde eisen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn voorts regels opgenomen betreffende de veiligheidsa f- standen en berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In de directe omgeving (straal 250 meter) zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Het planvoorn e- men voorziet ook niet in de ontwikkeling van een risicovolle inrichting. De normen voor het risico dat burgers mogen lopen als gevolg van een ongeval met transport van gevaarlijke stoffen zijn vastgelegd in de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (CRVGS).

Op basis van deze nota geldt het Basisnet Vervoer voor zowel wegen, spoorlijnen als vaarwegen. Hiermee moet voorkomen worden dat zich externe vei- ligheidsknelpunten zullen gaan voordoen langs spoor- en waterwegen en het hoofdwe- gennet. Het plan betreft de aanleg van een weg en maakt geen nieuwe gevoelige functies mogelijk. Het voornemen leidt niet tot mogelijke knelpunten met transpostroutes voor ge- vaarlijke stoffen 6.9 Milieubescherming Het plangebied is niet gelegen in een milieubeschermingsgebied, grondwaterbesche r- mingsgebied of stiltegebied. De ligging in Natura 2000-gebied de Wieden is in paragraaf 4.2 Ecologie reeds behandeld. 6.10 Verkeer 6.10.1 Verkeersstructuur De huidige wegenstructuur van de gemeente Steenwijkerland voldoet: de bereikbaarheid is goed. Er is een aantal lokale knelpunten, hier staat de Havezatherweg ter hoogte van het Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 23 projectgebied echter los van. Voor de korte termijn zijn geen grote ingrepen in de wegen- structuur nodig. 6.11 Kabels en leidingen In en rondom het plangebied zijn geen kabels of leidingen aanwezig die invloed hebben op de ontwikkelingen. De mogelijke kabels en leidingen binnen het projectgebied hoeven niet voorzien te worden van een regeling.

Ruimtelijke onderbouwing Belt-Schutsloot - Havezatherweg 13 – 25 januari 2017 24 Hoofdstuk 8 Financiële paragraaf 8.1 Financiële haalbaarheid Het planvoornemen betreft het herstel en de aanleg van een ontsluitingsweg. Tussen initi- atiefnemers en gemeente wordt een overeenkomst gesloten over de kostenverdeling voor de procedure, de ruimtelijke onderbouwing en de aanleg. 8.2 Exploitatieplan Het exploitatieplan biedt de grondslag voor het publiekrechtelijk kostenv erhaal. In artikel 6.12, eerste en tweede lid, Wro is bepaald in welke situatie een exploitatieplan gemaakt moet worden. In artikel 6.2.1 Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de g e- meenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Een exploitatiepla n wordt gelijktijdig vastgesteld met het ruimtelijk plan of besluit waarop het betrekking heeft. Dat kan een b e- stemmingsplan, een wijzigingsplan, een projectbesluit en een buitentoepassingverklarin g van een beheersverordening zijn. Een exploitatieplan is echter niet aan de orde aangezien het verhaal van kosten anderszins is verzekerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/b6081725-caa1-448b-aaba-acdd3830d4a7?agendaItemId=d6731feb-f7cc-403c-8ea3-c90c83abde32