CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

23.1 Recron - Stapeling lasten onderzoek ZKA Publieksversie.pdf

Raadsvergadering 5 november 2019, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Ingekomen stukken13.543 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Stapeling van lasten voor recreatie- ondernemers Rapportage in opdracht van RECRON Uitgevoerd door ZKA Strategy Merlijn Pietersma Ronald Haagen Tom Gosens ’s-Hertogenbosch, juni 2019

STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 2 Managementsamenvatting De lastendruk in de verblijfsrecreatie is in dit onderzoek gedefinieerd als “het aandeel van elke euro omzet (incl. btw en toeristenbelasting) dat de verblijfsrecreatieondernemer kwijt is aan belastingen, heffingen en regelingen, inclusief de externe kosten/uitgaven die worden gedaan om aan wet- en regelgeving te voldoen”. Aan de hand van vier elkaar aanvullende methodieken (diepte-interviews, deskresearch, online enquête en telefonische interviews) heeft ZKA strategy deze lastendruk in kaart gebracht voor verblijfsrecreatiebedrijven. Lastendruk voor iedere euro omzet (incl. btw en toeristenbelasting) bedraagt minimaal 30 eurocent Over elke euro die verblijfgasten voor verblijf en aan voorzieningen op het bedrijf besteden (inclusief btw en toeristenbelasting) draagt de ondernemer in 2019 minimaal circa 30 eurocent af aan heffende instanties zoals het Rijk, de gemeente, de waterschappen en andere instanties (in 2018 nog minimaal 27 cent, door de verhoging van het lage BTW-tarief in 2019). Een klein aantal belastingen en heffingen draagt sterk bij aan dit bedrag, namelijk de toeristenbelasting, de loonbelastingen en pensioenlasten, de vennootschapsbelasting, de vaste lasten voor water en de btw. Het grootste deel van de heffingen komt terecht bij het Rijk, ongeveer tweederde van het totaal.

Kwalitatief is aandacht besteed aan de verschillen tussen typen recreatiebedrijven (bungalowparken, toeristische campings, jaarplaatscampings, gemengde bedrijven). In verhouding tot de omzet zijn er naar verwachting weinig verschillen in lastendruk, omdat de meeste lasten aan de verblijfsgast worden doorberekend. Tussen typen bedrijven bestaan echter verschillen in verhouding tussen de lasten, door bijvoorbeeld een verschil in voorzieningenniveau. Met name onder gemeentelijke belastingen soms abrupte stijgingen en willekeur is aan de orde Uit het onderzoek naar lastenstijgingen blijkt dat een stijging van OZB of toeristenbelasting met tientallen procenten in één jaar tijd geen uitzondering is. Dit kan voor een verblijfsrecreatief bedrijf een onverwachte en forse lastenstijging betekenen tot tienduizenden euro’s per jaar. Gemeenten gebruiken de tarieven soms om gaten in de begroting te dichten. De verblijfsrecreatieondernemers krijgen steeds vaker met dit soort situaties te maken. De oorzaak is gelegen in de relatief grote vrijheid van gemeenten om de tarieven voor OZB, rioolheffing en toeristenbelasting vast te stellen. Ook landelijke tarieven stegen fors zoals energiebelastingen, waarvan enkele tarieven meer dan verdubbelden in vijf jaar tijd. Daarnaast is er sprake van willekeur: er zijn grote verschillen in tarieven per gemeente (tot factor 100 voor bijv.

de rioolheffing), niet transparante en forse verhogingen van de WOZ-waarde en sterke stijgingen van rioolheffing en OZB door het zelfstandig aanslaan van objecten zoals chalets, wat bijvoorbeeld tot veel hogere rioolheffingen (maar ook vastrecht voor waterverbruik) kan leiden. Deze ontwikkelingen leiden tot een groeiende onvoorspelbaarheid van het verwachte bedrijfsresultaat voor de recreatieondernemer op de lange termijn, die de stabiliteit van recreatiebedrijven kan bedreigen. STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 3 Gevolg van stijging lokale lasten: invloed op de concurrentiepositie en bedrijfsmarge Vijf landelijke heffingen (de vennootschapsbelasting, de BTW, de loonheffing voor werknemers en de pensioen- en sociale lasten van de werkgevers) vormen samen de grootste lastenposten voor de ondernemer (samen circa 23% van minimaal 27% in totaal in 2018). Afgezien van de BTW-verhoging van 6% naar 9% stijgen de landelijke belastingen en heffingen doorgaans niet sterk in één jaar tijd. Met name lokale belastingen en heffingen als toeristenbelastingen en OZB hebben juist veel invloed op het bedrijfsresultaat van de ondernemer omdat deze in sommige gemeenten wel tientallen procenten kunnen stijgen in één jaar. Met name een stijging van de toeristenbelasting is significant: een stijging van 20% kan de ondernemer al een procent marge op jaarbasis kosten.

Zo’n stijging kan hetzelfde effect hebben als de BTW-stijging en maakt de exploitatie van de verblijfsrecreatieonderneming kwetsbaar. De overheid bepaalt daarmee niet alleen een deel van de prijsvorming, maar bepaalt ook mede de marges en de concurrentiepositie van recreatieve bedrijven. De niet-transparante vaststelling van de WOZ-waarde en het betrekken van steeds meer chalets in de WOZ zorgen voor forse stijgingen van de OZB en de rioolheffing. Ook de berekening van vaste lasten voor waterlevering en rioolheffing zijn niet eenduidig. Stapeling van lasten die ook nog eens sterk stijgend zijn kunnen voor een verblijfsrecreatieve ondernemer in een jaar het verschil betekenen tussen winst en verlies. Inclusief de BTW-verhoging kan een stapeling en stijging van lasten leiden tot een margeverlies van 5% -10% in 2019. Lastenstijging heeft negatieve invloed op vitaliteit De overheid (Rijk, provincies en gemeenten) heeft tijdens de Vakantieparkentop in november 2018 krachtig aangegeven dat een levensvatbare verblijfsrecreatiesector essentieel is. Dat vraagt ook investeringen in bedrijven. De (lokale) overheid heeft daar een rol in gepakt door met flankerend beleid de sector te ondersteunen.

Het steeds verder beperken van de (fiscale) ontwikkelingsruimte door beperkingen in afschrijving en groeiende lasten (circa 30 cent van elk euro omzet in de sector gaat naar de overheid) is strijdig met deze inzet op vitale vakantieparken. De overheid wil een centrale rol spelen in de vitalisering van vakantieparken. Maar juist op het vlak van de lastendruk (financiën en belastingen) ontbreekt regie en samenhangend beleid. Het gevolg is dat verblijfsondernemingen steeds meer met willekeur en stijgende lastendruk geconfronteerd worden en dat er steeds minder investeringen mogelijk zijn. Dit werkt uitholling van de verblijfsrecreatiesector in de hand. Beperking afschrijving gebouwen Voor gebouwen die worden geëxploiteerd binnen BV of NV geldt dat er niet meer mag worden afgeschreven dan tot de bodemwaarde, ofwel de WOZ-waarde. Is deze WOZ-waarde hoger dan de bedrijfswaarde, dan ondervindt de ondernemer hier nadeel van. Minder afschrijven betekent een hoger resultaat en dus evenredig meer vennootschapsbelasting. Dit kan ondernemers duizenden tot tienduizenden en (in sommige gevallen honderdduizenden) euro’s per jaar kosten. STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 4 Managementsamenvatting 2 Inhoudsopgave 4 Hoofdstuk 1. Inleiding 5 1.1 Aanleiding 5 1.2 Vraagstelling en resultaat 5 1.3 Leeswijzer 6 Hoofdstuk 2.

Onderzoeksverantwoording 7 2.1 Inleiding 7 2.2 Definitie en afbakening lastendruk 7 2.3 Methodiek 8 Hoofdstuk 3. Omvang lastendruk 9 3.1 Inleiding 9 3.2 Typering lasten 9 3.3 Lastendruk verblijfsrecreatie 10 3.4 Lastendruk verblijfsrecreatie per type 13 Hoofdstuk 4. Ontwikkeling lastendruk 16 4.1 Inleiding 16 4.2 Ontwikkelingen in afgelopen jaren 16 4.3 Geografische verschillen lastendruk 20 Hoofdstuk 5. Effect lastendruk op verblijfsrecreatie 26 5.1 Inleiding 26 5.2 Impact lastendruk op concurrentiepositie en bedrijfsresultaat 26 5.3 Impact lastendruk op vitaliteit verblijfsrecreatie 27 5.4 Verwachte stijging van lasten 28 Bijlage 1 Overzicht van 120 lasten Bijlage 2 Definitie van lasten STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 5 Hoofdstuk 1. Inleiding 1.1 Aanleiding Rijk, gemeenten en nutsbedrijven heffen belasting maar zijn allemaal op verschillende speelvelden actief. Er is geen instantie die de totale belastingdruk overziet, laat staan regisseert voor ondernemingen actief in de verblijfsrecreatie. RECRON heeft de indruk dat een verblijfsrecreatief bedrijf door zijn samengestelde karakter (grondgebonden, accommodaties, centrumvoorzieningen en een mix aan faciliteiten) geconfronteerd wordt met een meer dan gemiddelde stapeling van lasten. Daarom wil RECRON feitelijke kennis ontwikkelen over de stapeling van lasten.

Ze wil zicht op de wijze waarop deze lastenstapeling de concurrentiepositie van verblijfsrecreatie beïnvloedt. Het element prijs vormt namelijk een belangrijk onderdeel van de marketingmix van een verblijfsrecreatieonderneming. En omdat de belastingdruk onderdeel is van de prijs, heeft RECRON behoefte aan een structuuronderzoek naar de gemiddelde belastingdruk van verblijfsrecreatie in Nederland. 1.2 Vraagstelling en resultaat Vraagstelling De hoofdvraag die RECRON met dit onderzoek beantwoord wil zien is de volgende: “In welke mate beïnvloedt de stapeling van lasten de concurrentiepositie van verblijfsrecreatie in Nederland?” Om deze vraag te kunnen beantwoorden, zal ZKA Strategy in het onderzoek aandacht besteden aan de volgende subvragen:  Hoe groot is de gemiddelde lastendruk in 2018 in relatie tot iedere euro die de consument betaalt voor verblijf en activiteiten op een verblijfsrecreatiebedrijf?  Hoe ontwikkelde de lastendruk voor recreatiebedrijven zich in de afgelopen jaren? Is er sprake van forse stijgingen van bepaalde lasten en in hoeverre worden lastenstijgingen consequent doorberekend in de verkoopprijs? Resultaat en bruikbaarheid Dit onderzoeksrapport biedt inzicht in de gemiddelde lastendruk voor de ondernemer actief in de verblijfsrecreatie.

Het biedt inzicht in het deel van de omzet dat wordt afgedragen aan de overheid en overige heffende instanties voor belastingen, heffingen en onontkoombare lasten. Het rapport duidt de belangrijkste ontwikkelingen en gaat in op de effecten die de lastendruk en –ontwikkeling op de verblijfsrecreatie heeft. STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 6 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt aandacht besteed aan de gehanteerde methodiek en definities. In hoofdstuk 3 worden de belastingen en heffingen die onderdeel uitmaken van het onderzoek getypeerd en wordt de gemiddelde lastendruk per euro omzet gerapporteerd. In hoofdstuk 4 komt een aantal cases aan bod. Hierbij is aandacht voor opvallende stijgingen in lasten, en voor verschillen in de omvang van heffingen tussen gebieden en bedrijven. Hoofdstuk 5 gaat in op de effecten die de lastendruk en de ontwikkeling hierin hebben op de concurrentiepositie van de verblijfsrecreatie in Nederland. In hoofdstuk 6 worden de belangrijkste conclusies samengevat. STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 7 Hoofdstuk 2. Onderzoeksverantwoording 2.1. Inleiding In dit hoofdstuk is uiteengezet hoe het onderzoek heeft plaatsgevonden. Achtereenvolgens wordt aandacht besteed aan de definitie en afbakening van lastendruk, en de methodiek tijdens het onderzoeksproces.

Samenvatting hoofdstuk 2 De lastendruk in de verblijfsrecreatie is in dit onderzoek gedefinieerd als “het aandeel van elke euro omzet (incl. btw en toeristenbelasting) dat de verblijfsrecreatieondernemer kwijt is aan belastingen, heffingen en regelingen, inclusief de externe kosten/uitgaven die worden gedaan om aan wet- en regelgeving te voldoen”. Aan de hand van vier elkaar aanvullende methodieken (diepte-interviews, deskresearch, online enquête en telefonische interviews) heeft ZKA deze lastendruk in kaart gebracht voor verblijfsrecreatiebedrijven. 2.2. Definitie en afbakening lastendruk De recreatieondernemer heeft te maken met belastingen, regelingen en heffingen vanuit verschillende overheidslagen. Deze lasten zetten druk op de exploitatie van een verblijfsrecreatiebedrijf. De mate waarin dit gebeurt kan worden uitgedrukt in een percentage. Wij definiëren in dit onderzoek lastendruk als “het aandeel van elke euro omzet (incl. btw en toeristenbelasting) dat de verblijfsrecreatieondernemer kwijt is aan belastingen, heffingen en regelingen, inclusief de externe kosten/uitgaven die worden gedaan om aan wet- en regelgeving te voldoen”.

Om de situatie in de verblijfsrecreatiesector in kaart te brengen heeft RECRON een lijst opgesteld met circa 120 heffingen, belastingen, wetten en regels vanuit de overheid die leiden tot (verplichte) extra kosten voor de recreatieondernemer (zie bijlage 1). In overleg met ZKA zijn hiertoe circa 40 regelingen en heffingen geselecteerd, meer bepaald de heffingen en regelingen die het grootste effect hebben op de exploitatie van de recreatieonderneming1. Een overzicht van deze belastingen, heffingen en externe kosten die ontstaan door wet- en regelgeving is te vinden in paragraaf 2.2. 1 Deze heffingen en regelingen zijn nog verder gecategoriseerd naar typen heffingen en regelingen. Voorbeelden zijn de verschillende heffingen voor auteursrechten en naburige rechten en alle heffingen rondom de beloning en pensioenen van werknemers. Deze heffingen worden met één percentage gerapporteerd, in plaats van via zes of zeven verschillende percentages. Ook de externe kosten vanwege wet- en regelgeving worden gezien de variëteit aan onderliggende posten als één percentage gerapporteerd. Het aantal regelingen dat in paragraaf 2.2. wordt besproken is dus lager dan 40.

STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 8 Vervolgens is getracht aan de hand van de hieronder genoemde stappen het totaalbedrag van deze heffingen en regelingen te berekenen als percentage van de gemiddelde omzet van een recreatie- onderneming2. De beperking van 120 naar 40 regelingen leidt er wel toe dat het percentage van de omzet dat uiteindelijk wordt berekend een minimumpercentage is. Als we uitgaan van 120 regelingen is het percentage van de gerealiseerde omzet (incl. btw en toeristenbelasting) dat naar deze overheidsheffingen en regelingen gaat uiteindelijk hoger. De regelingen die niet opgenomen zijn in het onderzoek gaan vaak om niet-jaarlijkse leges en externe kosten, waardoor het (structurele) effect beperkt blijft. 2.3. Methodiek Om de omvang van de lastendruk in kaart te brengen is gebruik gemaakt van verschillende, elkaar aanvullende methoden, namelijk: 1. Diepte-interviews met verblijfsrecreatieondernemers; 2. Deskresearch naar belastingen, heffingen en wet- en regelgeving; 3. Online enquête onder RECRON-leden; 4. Korte telefonische interviews met taxateurs en advocaten. 2 In eerste instantie was de opzet dit percentage niet te berekenen voor één, maar vier verschillende typen recreatieondernemingen. Wegens een gebrek aan respons (zie hiervoor onder meer paragraaf 2.3. en 3.4.

is de beschouwing op de verschillen tussen typen verblijfsrecreatieondernemingen meer kwalitatief van aard geworden. STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 9 Hoofdstuk 3. Omvang lastendruk 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de lastendruk waarmee verblijfsrecreatiebedrijven te maken hebben in hun bedrijfsvoering toegelicht. Eerst lichten wij de belastingen, heffingen en lasten volgend uit wettelijke verplichtingen die worden geheven toe, met daarbij aandacht voor de heffingsinstanties en de heffingsgrondslag. Vervolgens rapporteren wij de omvang van de lastendruk voor recreatiebedrijven, uitgedrukt in een percentage van de omzet inclusief btw en toeristenbelasting. Tenslotte is aandacht voor verschillen tussen typen verblijfsrecreatiebedrijven, waarbij een onderscheid is gemaakt tussen bungalowparken, jaarplaatscampings, toeristische campings en gemengde bedrijven, en wordt een korte vergelijking gemaakt met een andere sector in de logiessector, de hotelsector. Samenvatting hoofdstuk 3 De lastendruk onder verblijfsrecreatiebedrijven is in dit hoofdstuk uiteengezet. Over elke euro die verblijfgasten voor verblijf en aan voorzieningen op het bedrijf besteden (inclusief btw en toeristenbelasting) draagt de ondernemer in 2019 minimaal circa 30 eurocent af aan heffende instanties zoals het Rijk, de gemeente, de waterschappen en andere heffende instanties.

Een klein aantal belastingen en heffingen draagt sterk bij aan dit bedrag, namelijk de toeristenbelasting, de loonbelastingen en pensioenlasten, de vennootschapsbelasting en de btw. Het grootste deel van de heffingen komt terecht bij het Rijk, ongeveer tweederde van het totaal. Kwalitatief is aandacht besteed aan de verschillen tussen typen recreatiebedrijven (bungalowparken, toeristische campings, jaarplaatscampings, gemengde bedrijven). In verhouding tot de omzet zijn er naar verwachting weinig verschillen in lastendruk, omdat de meeste lasten aan de verblijfsgast worden doorberekend. Tussen typen bedrijven bestaan echter verschillen in verhouding tussen de lasten, door bijvoorbeeld een verschil in voorzieningenniveau. 3.2 Typering lasten Bedrijven in de verblijfsrecreatie hebben in de bedrijfsvoering te maken met verschillende belastingen, heffingen en andere lasten die voortvloeien uit wettelijke regelingen. Meerdere instanties, op verschillende niveaus, heffen deze belastingen. Alle belastingen, heffingen en lasten zijn grofweg in te delen naar de volgende heffende instanties:  Rijk;  Gemeente;  Waterschap;  Overig. Bijlage 2 bevat een overzicht van deze lasten.

STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 10 3.3 Lastendruk verblijfsrecreatie Resultaten gebaseerd op diepte-interviews en aanvullende data Op basis van interviews en aanvullend een online enquête heeft ZKA strategy de lastendruk waarmee bedrijven in de verblijfsrecreatie worden geconfronteerd in kaart gebracht3. Het beeld dat in deze paragraaf wordt gepresenteerd is derhalve gebaseerd op deze gegevens. Hierbij valt het volgende op te merken:  Bedrijven uit tien van de twaalf provincies hebben aan het onderzoek meegewerkt, enkel bedrijven in Groningen en Zuid-Holland ontbreken in de analyse. Groningen kent in de regel minder bedrijven in de verblijfsrecreatie dan andere provincies. De meeste Zuid-Hollandse bedrijven zijn qua structuur vergelijkbaar met bedrijven in Zeeland en Noord-Holland, die relatief vaak hebben geparticipeerd;  Het merendeel van de bedrijven (62%) beschikt over minder dan 400 eenheden c.q. plaatsen, terwijl een klein deel van de bedrijven (13%) als groot kan worden betiteld (meer dan 800 eenheden c.q. plaatsen). Minimaal 30% van de totale omzet (incl. btw en toeristenbelasting) gaat op aan lasten De lasten waarmee een bedrijf in de verblijfsrecreatie te maken krijgt kunnen worden vergeleken met de omzet die het bedrijf genereert door verblijf van gasten4.

Het gaat hierbij om omzet die het bedrijf weet te realiseren uit logies, maar ook uit andere omzet zoals horeca, winkel en overige recreatie. In onderstaande tabel zijn de belangrijkste posten waarmee een recreatiebedrijf te maken krijgt opgenomen en in verhouding tot de omzet geplaatst5. Uit de tabel blijkt dat de lastendruk voor een verblijfsrecreatiebedrijf over 2019 minimaal circa 30% is. Over elke euro die een gast besteedt aan verblijf op of voorzieningen van het verblijfsrecreatiebedrijf wordt minimaal 30 eurocent uitgegeven aan belasten, heffingen en onontkoombare lasten. Het Rijk is de voornaamste bestemming van genoemde belastingen, met circa 18 eurocent (2018) voor iedere bestede euro en dus tweederde van het totaal (zie taartgrafiek op de volgende pagina). 3 Voor meer informatie over de gehanteerde methodiek, zie hoofdstuk 2. 4 Wanneer in het vervolg van deze paragraaf wordt gerefereerd aan omzet geldt dat de omzet inclusief toeristenbelasting en btw wordt bedoeld. Deze definitie is gehanteerd omdat de onderzoeksvraag gaat over welk deel van de bestedingen van verblijfstoeristen aan belastingen opgaat. Omdat btw en toeristenbelasting hiervan deel uitmaken is de omzet inclusief beide posten als basis genomen. 5 De percentages in de tabel zijn ongewogen gemiddelden.

De keuze om het ongewogen gemiddelde op te nemen heeft sterk te maken met het relatief lage aantal participerende bedrijven. Bij de keuze voor een gewogen gemiddelde is de invloed van de grootschalige bedrijven groot op een aantal posten, zoals de toeristenbelasting (sterk afhankelijk van locatie) en de btw (sterk afhankelijk van gedane investeringen). STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 11 Tabel 3.1. Overzicht lastendruk verblijfsrecreatie (2018) LASTEN AANDEEL T.O.V. OMZET INCL. BTW EN TOERISTENBELASTING Rijksbelastingen 18,1% Loonheffing en premies volks- en werknemersverzekeringen 8,4% Belasting over de toegevoegde waarde 6,0% Assurantiebelasting 0,2% Vennootschapsbelasting 1,9% Energiebelasting gas plus opslag duurzame energie 0,7% Energiebelasting elektriciteit plus opslag duurzame energie 0,8% Belasting op Leidingwater <0,05% Motorrijtuigenbelasting 0,1% Gemeentelijke belastingen en heffingen 5,5% Toeristenbelasting 4,5% Onroerendezaakbelasting 0,6% Rioolheffing 0,4% Overige gemeentelijke belastingen en heffingen <0,05% Waterschapsbelastingen 0,9% Watersysteemheffing 0,1% Zuiveringsheffing / Verontreinigingsheffing 0,8% Overige lasten 2,6% Pensioenlasten 2,1% Heffingen auteursrechten en naburige rechten 0,3% Overige lasten n.a.v. wet- en regelgeving 0,2% Totaal >27,1% In 2019 bedraagt de lastendruk minimaal 30%. Figuur 3.1.

Onderlinge verhoudingen typen belastingen 66,8% 20,3% 3,3% 9,6% Rijksbelastingen Gemeentelijke belastingen en heffingen Waterschapsbelastingen Overige lasten STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 12 De posten in de tabel verdienen enige toelichting:  De belasting over de toegevoegde waarde (btw) komt gemiddeld uit op het verlaagde tarief van 6%. Het is echter niet zo dat recreatiebedrijven enkel btw betalen over goederen met verlaagd tarief. Dat het btw-percentage gemiddeld niet tussen het verlaagde en algemene tarief eindigt, heeft te maken met bijvoorbeeld de aftrekbaarheid van investeringen in bedrijfsmiddelen. Het aandeel van de omzet incl. btw dat een bedrijf afdraagt als btw schommelt mede als gevolg van de aftrekposten tussen bedrijven;  Schommelingen tussen bedrijven zijn ook zichtbaar in andere posten, zoals de vennootschapsbelasting en de toeristenbelasting. Gemiddeld is het bedrag dat als vpb wordt afgedragen bijna 2% van de omzet, maar tussen bedrijven verschilt het belastbare bedrag sterk door enerzijds de hoogte van de bedrijfswinst en anderzijds de investeringsaftrek, fiscale reserves en enkele vrijstellingen. Om die reden zijn er bedrijven die na boekjaar 2018 circa 5% van de omzet afdroegen aan de Belastingdienst, maar ook bedrijven die geen vpb betaalden.

Ook wat betreft de toeristenbelasting zijn de verschillen tussen sommige bedrijven omvangrijk (variërend van 2-3% van de omzet tot 10% van de omzet). De variatie in toeristenbelasting heeft te maken met twee factoren: o Bedrijven gevestigd in toeristisch sterke regio’s zoals de kust hebben te maken met een hogere belasting per overnachting dan bedrijven in (van origine) minder sterke toeristische regio. Een hoger tarief per persoon per nacht wordt direct doorgerekend aan de consument. Een hoog aandeel van de toeristenbelasting ten opzichte van de totale omzet geeft aan dat de concurrentiepositie van het recreatiebedrijf onder druk kan komen te staan; o Gemeenten hanteren niet altijd een gedifferentieerd tarief per type verblijf of een percentage van de overnachtingsprijs als toeristenbelasting. Hierdoor kunnen kampeerders verblijvend op een standaard toeristische kampeerplaats soms evenveel toeristenbelasting betalen als een hotelgast. Een hotel genereert echter aanmerkelijk meer omzet per overnachting dan een toeristische camping; o De toeristenbelasting kan behoorlijk hoog oplopen. Het kan zelfs voorkomen dat de toeristenbelasting voor een jaarplaats vergelijkbaar of hoger is dan OZB op voor een gemiddelde woning.

Dit terwijl de jaarplaats in principe een onbebouwd stuk grond is, terwijl de gemiddelde woning doorgaans enkele tonnen waard is;  Door het hogere verbruik aan elektriciteit is het gemiddelde aandeel van de energiebelasting op elektriciteit (incl. opslag duurzame energie) ten opzichte van de omzet hoger dan het gemiddelde aandeel van de energiebelasting op gas (incl. opslag duurzame energie). Het aandeel van de belasting op leidingwater is lager, maar sterk wisselend tussen bedrijven. De verschillen tussen bedrijven op het vlak van belasting op leidingwater worden in hoofdstuk 4 uitgebreid behandeld. Dat geldt ook voor de onroerendezaakbelasting en de rioolheffing;  De watersysteemheffing is minder omvangrijk dan de andere waterschapsbelastingen, de zuiveringsheffing en/of verontreinigingsheffing. Daarnaast verschilt de hoogte van de aanslag van de watersysteemheffing (t.o.v. de omzet) aanzienlijk minder dan de hoogte van de aanslag van de zuiveringsheffing. Reden hiervoor is dat door het rekenen met vervuilingseenheden bij de zuiveringsheffing meer naar verbruik wordt geheven dan bij de watersysteemheffing. Tussen waterschappen bestaan overigens duidelijke verschillen in tarieven. Waterschappen die hogere kosten hebben aan waterkering en waterzuivering hanteren hogere tarieven.

De waterschappen hebben de wettelijke opdracht om kostendekkend te zijn; STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 13  Verblijfsrecreatiebedrijven hebben door de variëteit aan voorzieningen te maken met allerlei wet- en regelgeving bedoeld om de veiligheid voor hun gasten te waarborgen. Daarnaast heeft het bedrijf als werkgever bij ziekte verplichtingen naar haar werknemers toe. Tijdens interviews is daarom gevraagd naar de out-of-pocket costs en tijd die bedrijven in de verblijfsrecreatie investeren in het voldoen aan de wet- en regelgeving omtrent personeel en voorzieningen op het bedrijf6. De out-of-pocket costs zijn sterk afhankelijk van het type voorzieningen en de omvang van het personeelsbestand. Het type voorzieningen (bijv. binnen- en buitenzwembad, eigen horeca, eigen kampeerwinkel) heeft ook invloed op de tijd die bedrijven kwijt aan wet- en regelgeving. Het aantal fte besteed aan wet- en regelgeving varieert derhalve van circa 3% tot bijna 15% van het totale arbeidsbestand. Deze arbeidsuren zijn niet gemonetariseerd;  De lasten die gemiddeld het hoogst zijn, zijn de loonheffingen en premies voor volks- en werknemersverzekeringen. Het werkgevers- en werknemersdeel bedragen samen gemiddeld bijna 8,5% van de totale inkomsten van een verblijfsrecreatiebedrijf.

Vier andere posten dragen ook sterk bij aan de lastendruk van verblijfsrecreatiebedrijven, namelijk de toeristenbelasting, de btw, de vpb en de pensioenlasten. Samen zijn genoemde posten goed voor circa 85% van de lasten voor verblijfsrecreatiebedrijven. 3.4 Lastendruk verblijfsrecreatie per type In de vorige paragraaf is het percentage lasten voor alle typen verblijfsrecreatiebedrijven uiteengezet. Door een variëteit aan verblijfstypen (van toeristische kampeerplaatsen tot glamping en luxe vakantiewoningen) die allen een ander niveau aan voorzieningen en daarmee verbruik kennen, is er sprake van absolute verschillen in lasten tussen bedrijven. In deze paragraaf wordt een indicatie gegeven van de verschillen in lastendruk tussen de verblijfsrecreatietypen.

Er is uitgegaan van vier typen, te weten:  Jaarplaatscamping: een camping waarbij het verblijf op minstens tweederde van de plaatsen plaats vindt in (sta)caravans die gedurende het hele jaar blijven staan;  Toeristische camping: een camping waarbij het verblijf op minstens tweederde van de plaatsen plaats vindt op plaatsen of in accommodaties met wisselend kortverblijf of met seizoensarrangementen;  Bungalowpark: een park waarbij het verblijf op minstens tweederde van de plaatsen plaats vindt in stenen vakantiewoningen;  Gemengd bedrijf: een vakantiepark waarbij meerdere typen accommodaties worden gecombineerd en bijvoorbeeld wisselend kortverblijf in stenen vakantiewoningen wordt gecombineerd met wisselend kortverblijf op tentkampeerplaatsen. Op het oog weinig verschillen in totale lastendruk tussen typen door doorrekening lasten Op basis van de gerapporteerde hoogte van de belastingen en heffingen voor verblijfsrecreatiebedrijven zijn niet direct verschillen in totale lastendruk zichtbaar. Hiervoor is een aantal verklaringen:  Tussen de typen verblijfsrecreatiebedrijven bestaan duidelijke verschillen in de hoogte van een aantal belastingen en heffingen. Grotendeels zijn deze verschillen het gevolg van de eenheden die door de bedrijven worden aangeboden.

6 Bedrijven is gevraagd een inschatting te maken van de tijd en kosten die worden gemaakt om te voldoen aan wetgeving op het vlak van hygiëne, legionella, voedselveiligheid en brandveiligheid. De tijd die een bedrijf kwijt is aan bijvoorbeeld loonadministratie of betaling van aanslagen is buiten beschouwing gelaten. STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 14 Een bedrijf met vakantiewoningen beschikt bijvoorbeeld over meer eenheden met voorzieningen die elektriciteit behoeven dan een toeristische camping met vooral tentplaatsen. Automatisch is daarmee de aanslag voor energiebelasting van elektriciteit groter voor een bungalowpark dan voor een toeristische camping. Dat de totale lastendruk weinig afwijkt heeft grotendeels te maken met het feit dat ondernemers voor een solide bedrijfsvoering genoodzaakt zijn de lasten door te rekenen in de overnachtingsprijs. De logiesprijzen voor een verblijf in een bungalow zijn mede hierom van een hoger niveau dan voor een verblijf met tent op een kampeerplaats7;  Voor vier van de vijf grootste lasten, namelijk de loonheffing en premies volks- en werknemersverzekeringen, pensioenlasten, btw en vpb geldt landelijk wet- en regelgeving, waardoor verschillen alleen kunnen ontstaan als sprake is van een afwijkende bedrijfsvoering. Hier is sprake van, bijvoorbeeld in termen van openstelling.

Toeristische campings zijn met name op de zomermaanden gericht, terwijl bungalowparken een meer jaarronde exploitatie hebben. Hierdoor hebben toeristische campings relatief meer seizoenskrachten in dienst dan bijvoorbeeld bungalowparken. Seizoenskrachten dragen vanwege de lagere inkomsten op jaarbasis en arbeidskorting/heffingskorting relatief minder belasting af dan vaste krachten. In theorie zouden toeristische campings daarom met lagere lasten op het vlak van arbeid te maken kunnen hebben. Bedrijven richten haar organisatie echter in op basis van de vraag die naar verblijf bestaat en de omzet die hiermee wordt gerealiseerd. Ook hier vertalen absolute verschillen dus niet automatisch door in relatieve verschillen;  Een deel van de belastingen en heffingen is gerelateerd aan de WOZ-waarde van de verblijfsrecreatiebedrijven. De WOZ-waarde kent een sterke relatie met de typen verblijf die op een bedrijf worden aangeboden; een bedrijf met een groot aantal vakantiewoningen heeft een hogere WOZ-waarde dan een bedrijf met alleen toeristische kampeerplaatsen. Om die reden wijken de percentages voor bijvoorbeeld de onroerendezaakbelasting relatief weinig af tussen bedrijven. Verschillen in tarifering door gemeenten zijn belangrijker als verklaring voor de gerapporteerde verschillen aan lasten tussen bedrijven.

De ozb wordt gehanteerd om de gemeentelijke begroting te financieren en er geldt geen maximumtarief per gemeente voor de ozb. Hierdoor kunnen twee haast identieke bedrijven in twee aangrenzende gemeenten sterk verschillende aanslagen voor de onroerendezaakbelasting ontvangen. Hierdoor kunnen ook concurrentieverschillen tussen bedrijven ontstaan;  De toeristenbelasting wordt direct aan de consument doorbelast. De tarieven worden per gemeente vastgesteld, waardoor sowieso geografische verschillen in lastendruk kunnen ontstaan. Of ook verschillen tussen typen bedrijven ontstaan hangt af van de tarieven die gemeenten vragen voor specifieke verblijfstypen. Een deel van de gemeenten hanteert daadwerkelijk verschillende tarieven voor de typen verblijven, of gebruikt een percentage van de overnachtingsprijs. Hierdoor betalen gasten verblijvend in meer luxueuze verblijfstypen meer toeristenbelasting per overnachting dan gasten verblijvend op bijvoorbeeld toeristische kampeerplaatsen. 7 Een dergelijke redeneerlijn geldt ook voor lasten die anders worden toegepast voor de verschillende verblijfstypen. De belasting op leidingwater is in de afgelopen jaren bijvoorbeeld sterk gestegen voor sommige jaarplaatscampings, omdat stacaravans apart aangeslagen mogen worden. Meer aandacht voor deze aanpassing is in hoofdstuk 4.

Voor het bedrijfsresultaat ontkomt de ondernemer er niet aan een dergelijke lastenverzwaring door te belasten aan de verblijfsgast. Als bedrijven niet op dezelfde wijze aangeslagen ontstaan voor- en nadelen op concurrentievlak tussen typen bedrijven en binnen een bepaald type bedrijven. STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 15 Een deel van de gemeenten heft echter eenzelfde tarief per type verblijf, waardoor verschillen in lastendruk kunnen ontstaan. Met name verblijfsrecreatiebedrijven met een nadruk op toeristisch kamperen ondervinden hier nadeel van. Een hoger deel van iedere bestede euro aan logies gaat daarmee naar heffende instanties, in dit geval de gemeente. Op basis van de door de bedrijven gerapporteerde toeristenbelasting valt hier geen eenduidige conclusie over te trekken. STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 16 Hoofdstuk 4. Ontwikkeling lastendruk 4.1. Inleiding In dit hoofdstuk worden de meest opvallende stijgingen van lasten voor recreatieondernemers duidelijk (4.2.). Ook wordt aandacht besteed aan de verschillen in lasten die bestaat, bijvoorbeeld op het vlak van gemeentelijke belastingen en heffingen (4.3.). Samenvatting hoofdstuk 4 Uit het onderzoek naar lastenstijgingen blijkt dat een stijging van OZB of toeristenbelasting met tientallen procenten in één jaar tijd geen uitzondering is.

Dit kan voor een verblijfsrecreatief bedrijf een onverwachte en forse lastenstijging betekenen tot tienduizenden euro’s per jaar. Gemeenten gebruiken de tarieven soms om gaten in de begroting te dichten. De verblijfsrecreatieondernemers krijgen steeds vaker met dit soort situaties te maken. De oorzaak is gelegen in de relatief grote vrijheid van gemeenten om de tarieven voor OZB, rioolheffing en toeristenbelasting vast te stellen. Daarnaast is er sprake van willekeur: er zijn grote verschillen in tarieven per gemeente (tot factor 100 voor bijv. de rioolheffing), niet transparante en forse verhogingen van de WOZ-waarde en sterke stijgingen van rioolheffing en OZB door het zelfstandig aanslaan van objecten zoals chalets, wat bijvoorbeeld tot veel hogere rioolheffingen (maar ook vastrecht voor waterverbruik) kan leiden. Deze ontwikkelingen leiden tot een groeiende onvoorspelbaarheid van het verwachte bedrijfsresultaat voor de recreatieondernemer op de lange termijn, die de stabiliteit van recreatiebedrijven kan bedreigen. 4.2. Ontwikkelingen in afgelopen jaren In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de ontwikkeling van de lastendruk in de afgelopen jaren. Eerst komt de algemene ontwikkeling aan bod, daarna wordt specifieker ingegaan op een aantal gemeentelijke belastingstijgingen en specifieke cases die ter discussie staan.

4.2.1 Algemene ontwikkeling Verblijfsrecreatieondernemers betalen een aantal belastingen en heffingen die door de overheid zijn opgelegd. Een deel daarvan zijn door de landelijke overheid vastgestelde heffingen en belastingmaatregelen, sommige zijn gemeentelijk of regionaal bepaald. In het vorige hoofdstuk is aan de orde gekomen welke lastendruk dit betekent voor de recreatieondernemers. Naast de huidige lastendruk wordt ook de grootste stijgingen van tarieven in kaart gebracht, die uiteraard doorwerken in de lastendruk. Voor zover mogelijk zijn de actuele tarieven (2019) van de grootste lastenposten/ sterk stijgende posten vergeleken met de tarieven van 2014. Daaruit bleek dat de meeste tarieven zijn gestegen (met forse percentages). Tabel 4.1. geeft een overzicht van de berekende stijgingen. STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 17 De tabel toont voor de gemeentelijke heffingen de gemiddelde ongewogen tarieven (aangezien deze per gemeente variëren). Uit de tabel op de volgende pagina wordt duidelijk dat de genoemde heffingen sterk tot zeer sterk gestegen zijn:  In 2019 stijgt het verlaagde btw-tarief van 6% naar 9%, een toename van drie procentpunt.

Het lage tarief is van groot belang voor de recreatiebranche, aangezien een groot deel van de omzet (logies, horeca non-alcoholisch, supermarkt) onder het lage tarief valt;  Het (ongewogen) gemiddelde tarief voor toeristenbelasting steeg de afgelopen vijf jaar met 31%, waarvan het grootste deel in de laatste twee jaar (ontwikkeling 2017-2019 was +20%);  Het (ongewogen) OZB-tarief voor gebruik en bezit van niet-woningen (van belang voor de meeste campings en vakantieparken) steeg fors, met 21% in vijf jaar tijd. Met een krappe 4% per jaar is dat ruim boven de inflatie;  De energiebelasting op gas en elektriciteit steeg met tientallen procenten, terwijl de opslag duurzame energie voor gas en elektriciteit bijna negen respectievelijk tien keer zo hoog is geworden tussen 2014 en 2019.

Tabel 4.1 Overzicht ontwikkeling lastendruk8 (2018) LASTEN BASIS VOOR HEFFING TARIEF 2014 TARIEF 2019 ONTWIKKELING BTW Omzet 6% 9% 50% Toeristenbelasting Overnachtingen € 1,11 € 1,39 31% Vennootschapsbelasting Winst 25%9 25% 0% Onroerende zaakbelasting (niet-woningen) WOZ-waarde 0,3648% 0,44% 21% Onroerende zaakbelasting – (woningen) WOZ-waarde 0,1234% 0,1246% 1% Energiebelasting elektriciteit Verbruik in Kwh € 0,0115 € 0,01421 24% Energiebelasting gas Verbruik in m3 € 0,0446 € 0,06542 47% Opslag duurzame energie (elektriciteit) Verbruik in Kwh € 0,0007 € 0,0074 957% Opslag duurzame energie (gas) Verbruik in m3 € 0,0017 € 0,0161 847% Bron: Belastingdienst, COELO Atlas voor Gemeenten Het tarief vennootschapsbelasting ontbreekt in het overzicht en is in de afgelopen jaren niet gestegen. De landelijke overheid heeft echter bepaald dat vanaf 1 januari 2019 bedrijven fiscaal niet meer mogen afschrijven tot onder de WOZ-waarde. Voorheen mocht nog afgeschreven worden tot 50% van de WOZ- waarde. Deze bepaling over de afschrijving geldt overigens voor alle bedrijven, niet alleen voor de verblijfsrecreatiesector. Wel is deze beperkt tot ondernemingen met de rechtsvormen: BV en NV. Recreatiebedrijven die een VOF of eenmanszaak zijn betalen inkomstenbelasting en geen vennootschapsbelasting en krijgen hier dus niet mee te maken. De gevolgen kunnen echter groot zijn.

Als de WOZ-waarde fors hoger is dan de getaxeerde waarde, mag een ondernemer dus niet meer afschrijven (meestal gaat het om gebouwen en inventaris. Dit kan tot forse kosten leiden voor een ondernemer. 8 Voor gas en elektriciteit is uitgegaan van een gemiddelde tariefklasse in het normale tarief (voor gas betreft dat een jaarverbruik van 170.000-1 miljoen m3 en voor elektriciteit 50.000-1 miljoen Kwh per jaar). 9 Voor een winst met een bedrag vanaf € 200.000,-. STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 18 Stel dat de boekwaarde van een recreatiebedrijf € 6.000.000,- is en de WOZ-waarde € 6.500.000,-. Wanneer een ondernemer dat jaar € 400.000,- wil afschrijven op gebouwen, dan is dat fiscaal niet toegestaan. De fiscale winst is hierdoor € 400.000,- hoger, waardoor de ondernemer € 100.000,- meer aan vennootschapsbelasting kwijt is. Wel wordt de vennootschapsbelasting qua tarief in 2020 en 2021 verlaagd naar 22,5% en respectievelijk 20,5%. 4.2.2 Ontwikkeling van gemeentelijke belastingen In deze subparagraaf wordt ingegaan op twee gemeentelijke belastingen die sterk zijn gestegen de afgelopen jaren: de toeristenbelasting en de OZB. Tabel 4.2. geeft inzicht in de gemiddelde stijging van (o.a.) deze twee belastingen. Er kunnen uiteraard op gemeenteniveau stijgingen hoger of lager dan het gemiddelde plaatsvinden.

De opbrengst van de toeristenbelasting is tussen 2009-2019 circa 2,5 keer zo groot geworden (van circa € 130 miljoen in 2009 naar circa € 300 miljoen in 2019)10. Voor 2019 wordt landelijk zelfs een 23% hogere opbrengst van de toeristenbelasting verwacht. Het komt voor dat sommige gemeenten de totale tariefstijging van de toeristenbelasting over vijf jaar in één jaar doorvoeren. Zo heeft de gemeente Zandvoort aangegeven de toeristenbelasting in 2020 te verhogen van € 2,25 per persoon per overnachting naar € 2,75, een stijging van 22%. Ook in 2019 verhoogden een aantal gemeenten hun tarieven toeristenbelasting met tientallen procenten. In Zaandam werd de toeristenbelasting meer dan verdubbeld. In tabel 4.2. geven we enkele voorbeelden. Tabel 4.2 Voorbeelden sterke stijgingen toeristenbelasting GEMEENTE TARIEF 2018 TARIEF 2019 ONTWIKKELING Zaandam € 3,- € 7,- 133% Utrechtse Heuvelrug € 1,05 € 1,50 57% Mook en Middelaar (L.) € 1,03 € 1,50 46% Bergen (L.) € 1,05 € 1,50 43% Amsterdam 4%-6% 7% (+€ 1-€ 3) 27% Schouwen-Duiveland € 1,15 € 1,40 22% Montferland € 1,00 € 1,25 25% Bron: verordening toeristenbelasting betreffende gemeenten Een stijging van de toeristenbelasting in een dergelijk gemeente kan een recreatieondernemer met 500 gemiddeld bezette kampeerplaatsen een lastenstijging opleveren van circa € 40.000,- in 2019.

Aangezien de beslissing door gemeenten hierover meestal pas in december genomen worden, betekent dit een grote onvoorspelbaarheid van de ondernemers voor hun lange termijn exploitatie. Eenzelfde situatie geldt voor de onroerendezaakbelasting. De OZB-opbrengst is in 2019 landelijk met 4,17% gestegen, hoger dan de beoogde norm van maximaal 4%. Ook hier voerden sommige gemeenten een forse stijging door, waaronder de gemeente Cuijk (zie tabel 4.3). 10 Bron: CBS STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 19 Het jaar daarvoor was het OZB-tarief in die gemeente ook al met 12% gestegen. Dit kan recreatieondernemers duizenden euro per jaar extra kosten. Een verblijfsrecreatiebedrijf met een waarde van bijvoorbeeld € 7 miljoen moet hierdoor in 2019 circa € 10.000,- extra aan OZB afdragen aan de gemeente Cuijk. Tabel 4.3 Voorbeelden sterke stijgingen OZB (2018-2019)( GEMEENTE ONTWIKKELING Cuijk 32% Brunssum 22% Sittard-Geleen 19% Teylingen 11% Lisse 10% Bron: Financieel InfoNu Zeker bij een (onverwachte) stijging van de WOZ-waarde, terwijl er geen sprake is geweest van de investeringen, ligt een stijging van de vennootschapsbelasting op de loer. 4.2.3 Gevolgen van ontwikkelingen voor verblijfsrecreatie Een forse stijging van de lasten kan binnen één jaar plaatsvinden. Tabel 4.4. geeft een exemplarische voorbeeldberekening van een dergelijke stijging per jaar weer.

Uitgangspunten:  Bedrijfsomzet fictief € 2.500.000;  Stijgingen toeristenbelasting 30%;  Stijging OZB 15%;  BTW-laag tarief stijgt van 6% naar 9%. Uit de tabel blijkt dat de genoemde btw-verhoging en de genoemde verhoogde toeristenbelasting en OZB leiden tot een kostenverhoging van € 138.000,- voor de ondernemer (als de verhogingen niet worden doorgerekend in de prijs). Deze verhoging van 43% gemiddeld over deze drie heffingen leiden tot bijna 5%punt omzetverlies in één jaar (43% verhoging, 11,3% aandeel in de omzet) als de ondernemer de stijging van kosten niet doorberekent in de eindprijs. Tabel 4.4 Fictieve berekening kostenstijging 2018-2019 POST AANSLAG 2018 AANSLAG 2019 STIJGING STIJGING (%) AANDEEL IN OMZET 2018 BTW € 150.000,- € 225.000,- € 75.000,- 50% 6,0% Toeristenbelasting € 150.000,- € 210.000,- € 60.000,- 40% 4,7% Onroerendezaakbelasting € 20.000,- € 23.000,- € 3.000,- 15% 0,6% Totaal € 320.000,- € 458.000,- € 138.000,- 43% 11,3% De ondernemer heeft de keuze in een dergelijk jaar (of een jaar later) om de kostenverhoging wel of niet door te berekenen: STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 20  Als de ondernemer de lastenstijging niet doorberekent, betekent dat circa 5%punt verlies van de omzet.

Uit gegevens van het CBS is bekend dat in een slecht exploitatiejaar als 2012 het resultaat voor belastingen in de logiessector gemiddeld slechts 5% van de omzet was. Een dergelijke lastenverhoging kan in slechte exploitatiejaren dus het verschil betekenen tussen winst of verlies;  Wordt de kostenstijging wel doorberekend, dan zou de prijs met circa 5% moeten worden verhoogd om het resultaat gelijk te houden. Uit een studie van Nyfer in opdracht van RECRON, bleek dat de prijselasticiteit van verblijfsrecreatie -0,79 is11. Dat betekent dat een prijsverhoging van 5% leidt tot een afname van de vraag van circa 4% in dat jaar. De andere mogelijkheid is het niet doorberekenen van de gestegen belastingen, waardoor de marge onder druk komt te staan. Beide gevolgen zijn fors voor de onderneming en bovendien onwenselijk. De omzet en/of marge komt door de stapeling van lasten hoe dan ook onder druk te staan. De ondernemers hebben naast sterke stijging van lasten ook te maken met grote geografische verschillen heffing van lasten. Deze verschillen kunnen voor een recreatieonderneming nog een veel grotere impact hebben dan de stijging van tarieven. In de volgende paragraaf gaan we hier verder op in. 4.3. Geografische verschillen in lastendruk Uit de vorige paragraf bleek dat bij sommige gemeenten belastingen de stijging van tarieven fors was. Dit geeft de schijn van willekeur.

Deze paragraaf behandelt de verschillen in tarifering en gaat daarnaast in op de redenen voor het ontstaan van deze willekeur in specifieke cases. 4.3.1 Absolute verschillen in tarieven De tarieven van enkele van de belangrijkste gemeentelijke (of soms regionaal bepaalde) heffingen verschillen zeer sterk tussen gemeenten, voor met name rioolheffing, OZB en toeristenbelasting. Dat komt vanwege de relatief grote vrijheid van gemeenten in het bepalen van de tarieven. Dat betekent dat voor een verblijfsrecreatieondernemer het vestigingsklimaat per gemeente zeer sterk verschilt in termen van hoogte van de belastingen. Tabel 4.5. geeft een overzicht van de verschillen tussen deze drie heffingen. Tabel 4.5 Overzicht verschillen in gemeentelijke belastingen en heffingen 2019 LAST BASIS VOOR HEFFING MINIMUM 2019 MAXIMUM 2019 Toeristenbelasting Overnachting € 0,50 € 7,86 Onroerendezaakbelasting (niet- woningen) WOZ-waarde 0,244% 1,301% Onroerendezaakbelasting (woningen) WOZ-waarde 0,038% 0,25% Rioolheffing Verbruik 500 m3 € 76,- € 1.370,- Rioolheffing Verbruik 6.000 m3 € 117,20 € 16.125,- Bron: COELO 11 Gastvrijheid en de BTW: de economische risico’s van btw-verhoging in de gastvrijheidssector, NYFER, 2015 STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 21 De opvallendste verschillen zijn:  De tarieven voor de toeristenbelasting verschillen enorm per gemeente.

In 2019 was de toeristenbelasting het goedkoopst met € 0,50 per overnachting in de gemeenten Olst-Wijhe en Waddinxveen, het duurst in de gemeente Amsterdam met (gemiddeld) € 7,86 per overnachting, ofwel 16 keer zo hoog. Ook per provincie zijn de verschillen groot. Voor een overnachting in de provincie Noord- of Zuid- Holland (beide gemiddelde € 2,23 per overnachting) wordt twee keer zo veel toeristenbelasting betaald als in de provincie Overijssel (€ 1,12 per overnachting);  Voor de rioolheffing is het verschil tussen de goedkoopste en duurste gemeente groter dan een factor 100. De hier bovenstaande cijfers zijn het totale bedrag van de heffing voor eigenaren en gebruikers. De tarieven zijn gebaseerd op een gemiddeld verbruik (gemiddelde waterinname). In een aantal gemeenten is het tariefsysteem echter niet gekoppeld aan waterverbruik maar betreft een vast bedrag per perceel (meestal circa € 100,-), of is gekoppeld aan bijvoorbeeld de WOZ-waarde, het aantal werknemers of het oppervlakte van het bedrijf. De gemiddelde lasten per bedrijf voor deze drie laatste typen tariefsystemen is niet in bovenstaande tabel opgenomen. Het gevolg hiervan is dat als een recreatiebedrijf zich vestigt in de ene gemeente de rioolheffing iets meer dan € 100,- bedraagt en in een andere gemeente ruim € 16.000,-.

Dit zou tot een stijging kunnen leiden na bijvoorbeeld een fusie van de gemeente met het hoge en lage tarief;  Het meest in het oog springen de verschillen in OZB. In de gemeente Noordenveld (Drenthe) betaalt een eigenaar van een niet-woning 0,24384% van de WOZ waarde aan OZB. De Zuid-Hollandse gemeente Katwijk vraagt een tarief dat ruim zes keer hoger ligt (1,3% van de WOZ-waarde). Dat betekent dat een verblijfsrecreatiebedrijf met een waarde van € 5 miljoen, in de gemeente Noordenveld OZB betaalt ter hoogte van € 12.000,- per jaar, in de gemeente Katwijk zou een zelfde bedrijf circa € 65.000,- per jaar betalen. Ook voor woningen verschilt de OZB zeer sterk. De OZB is het laagst in de gemeente Amsterdam (0,0379% van de WOZ waarde), maar veel Amsterdamse woningeigenaren dragen ook nog erfpacht af. Het hoogst is de OZB in de gemeente Appingedam (0,2509% van de WOZ-waarde, acht keer zo hoog als Amsterdam). 4.3.2 Oorzaken verschillen in tarieven Grofweg zijn drie oorzaken te onderscheiden die leiden tot verschillen in gemeentelijke belastingen, te weten: 1. Vrijheid van gemeenten in vaststelling tarieven; 2. Gebrek aan transparantie rondom vaststelling WOZ-waarde; 3. Verschil in interpretatie afbakening WOZ. De drie oorzaken worden onderstaand uitgebreider besproken. 1.

Vrijheid gemeenten in vaststelling tarieven Bij de OZB, rioolheffing en toeristenbelasting is er sprake van grote verschillen tussen gemeenten. Er zijn veel wettelijke voorschriften over de wijze van heffen van OZB, maar niet over de hoogte van de tarieven. Voor een gemeente is geen maximum tarief of maximum stijging voorgeschreven. STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 22 De gemeenten worden vanuit de landelijke overheid alleen verzocht rekening te houden met de macronorm, die stelt dat de totale opbrengst uit de OZB jaarlijks met een bepaald percentage (doorgaans rond 2%) mag stijgen ten opzichte van het voorgaande jaar. In 2019 is de norm 4%12.Maar het COELO, dat de jaarlijkse lasten berekent voor alle gemeenten, heeft in mei 2019 aangegeven dat dit percentage overschreden zal gaan worden en de lasten dus sterker stijgen (4,17%).Nu er door het ministerie van BZK is geconcludeerd dat deze norm niet effectief is geweest voor het beperken van lokale lasten als de OZB (gezien de forse stijging) heeft het kabinet in april 2019 besloten een benchmark lokale lasten te ontwikkelen (vanaf 2020). Deze benchmark geeft een overzicht van de verschillen tussen gemeenten, maar legt geen beperkingen aan de gemeenten op. Dit vergroot de kans dat de verschillen in stand blijven. De tarieven worden vastgesteld in verordeningen.

Een ondernemer kan wettelijk niet in bezwaar gaan tegen de verordening waar de heffing op is gebaseerd bij een rechtbank (alleen bij de gemeente zelf), anders dan op grond van algemene rechtsbeginselen (onbehoorlijk bestuur, gelijkheidsbeginsel, etc.). Alleen zeer onredelijke of dubbele belastingheffing zijn inhoudelijke redenen op grond waarvan een rechtszaak kan orden toegepast. De afwezigheid van regelgeving op dit gebied leidt tot grote vrijheid voor gemeenten om dit soort heffingen fors te verhogen. 2. Gebrek aan transparantie rondom vaststelling WOZ-waarde De WOZ-waarde is niet alleen van belang voor de OZB en de afschrijvingen, maar ook voor de watersysteemheffing en soms ook voor de rioolheffing. De waarde is daarmee erg belangrijk voor de recreatiebedrijven. Voor verblijfsrecreatiebedrijven wordt door gemeenten doorgaans de Taxatiewijzer van de Vereniging Nederlandse Gemeenten gehanteerd om de WOZ-waarde vast te stellen13 (deze is overigens niet verplicht). Ook kan een erkend taxateur de waarde van de onderneming vaststellen. Dit zijn verschillende berekeningswijzen die in theorie tot een vergelijkbare uitkomst zou moeten leiden. Uit de interviews bleek echter dat er vaak grote verschillen zijn tussen de WOZ-waarde enerzijds en de taxatiewaarde of boekwaarde van een verblijfsrecreatief bedrijf.

Ook bleek dat er soms niet verklaarde, forse stijgingen van de WOZ-waarde van de ondernemingen plaatsvonden van het ene jaar op het andere, zonder dat het karakter van de onderneming is veranderd. Deze verschillen in WOZ-waarde en taxatiewaarde leiden soms tot meningsverschillen tussen ondernemers en gemeenten, die ook tot rechtszaken leiden. 12 Bron: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 13 De Taxatiewijzer berekent de WOZ-waarde aan de hand van de exploitatiemogelijkheden. De ondernemer moet capaciteit, tarieven, bezetting, kosten en aanwezige voorzieningen opgeven. Hieruit wordt door de gemeente met een rekenmodule een objectieve/normatieve omzet en kasstroom berekend. Aan de hand van een factor (doorgaans tussen 8 en12) wordt de kasstroom omgerekend naar de WOZ-waarde. De onderneming berekent de boekwaarde van het bedrijf anders: aan de hand van de balans (stichtingskosten/ investeringen en afschrijvingen op gebouwen en terreinen). STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 23 3. Verschil in interpretatie afbakening WOZ Er zijn verschillen ontstaan tussen gemeenten over de afbakening welke objecten in de WOZ (en OZB) worden betrokken en tegen welk tarief:  Afbakening van het begrip woning niet-woning .

De afgelopen jaren zijn er verschillende uitspraken geweest en is jurisprudentie gevormd over de interpretatie van het begrip woning/niet-woning voor de WOZ-waarde, met name van belang voor verblijfsrecreatiebedrijven met vakantiewoningen en/of chalets. Op 5 januari 2018 heeft de Hoge Raad bepaald dat recreatiewoningen voor de WOZ als woning moeten worden aangemerkt. Het gaat er daarbij om dat de recreatiewoning geschikt is om als woning te dienen, ongeacht het gebruik voor andere doeleinden (zoals bedrijfsmatige exploitatie). Een verblijfsrecreatie-bedrijf zonder woningen wordt als niet-woning gekenmerkt. Is voor een verblijfsrecreatiepark meer dan 70% van de waarde toe te rekenen aan (vakantie)woningen, dan geldt dat het park in hoofdzaak tot woning dient. Dit is van groot belang, omdat woningen alleen voor het eigenarendeel van de OZB worden aangeslagen en dus voor bedrijven die in hoofdzaak als ‘woning’ worden gedefinieerd de kosten voor de OZB jaarlijks veel lager zijn. Niet-woningen (bijvoorbeeld verblijfsrecreatieberdrijven met veel kampeerplaatsen) betalen OZB voor niet-woningen, met zowel een eigenaren-als een gebruikersdeel. Voor recreatieondernemers is een typering als woning dus gunstiger. In de afgelopen jaren zijn er rechtszaken gevoerd door ondernemers wiens bedrijf als niet-woning werden beschouwd.

De begripsbepaling van de Hoge Raad is helder en dient door de gemeenten te worden toegepast.  Keuze van objecten die aan WOZ-heffing onderhevig zijn. RECRON heeft gemerkt dat steeds meer chalets in belastingheffing worden betrokken. In principe, zo heef de Rechtbank Zeeland-West Brabant bepaald, horen niet alle chalets thuis in de BAG. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft vervolgens in 2016 een richtlijn opgesteld die stelt dat chalets wel in de BAG betrokken worden en stacaravans niet. Een ‘pand’ wordt daarbij aangemerkt als objectief verplaatsbaar en in zijn geheel verplaatsbaar. Dit onderscheid leidt ertoe dat steeds meer chalets in de WOZ betrokken worden. Immers, een pand is onroerend en is onderhevig aan een zelfstandige aanslag van de OZB. Dit heeft onder andere gevolgen gehad voor de rioolheffing. 4.3.3 Specifieke cases verschillen In deze paragraaf wordt ingegaan op twee specifieke cases van grote verschillen tussen gemeenten, wat betreft de rioolheffing en het vastrecht van het waterverbruik. Rioolheffing Rioolheffing kan worden geheven voor eigenaren en gebruikers van zowel woningen als niet-woningen. De gemeente is niet verplicht om zowel een eigenaren als gebruikersdeel te heffen. De rioolheffing kan een vast bedrag zijn, een variabel bedrag gebaseerd op de inname van water, of een bedrag dat wordt berekend als een percentage van de WOZ-waarde.

Rioolheffing is verankerd in gemeentelijke verordeningen. STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 24 De toepassing daarvan op recreatiebedrijven heeft de afgelopen jaren geregeld tot rechtszaken geleid tussen verblijfsrecreatieondernemers en gemeenten. Het is niet mogelijk te procederen tegen een gemeentelijke verordening, maar wel op de toepassing van de verordening door de gemeente, als de verblijfsrecreatieondernemer vindt dat de rioolheffing onredelijk hoog is of de aanslag van de heffing verkeerd is opgesteld. Enkele ondernemers maakten bezwaar tegen de aanslag, omdat deze tot veel hogere lasten voor de ondernemer zou leiden. Chalets worden door sommige gemeenten in de BAG opgenomen, waardoor het is voorgekomen dat eigenaren van chalets zelfstandig werden aangeslagen voor de rioolheffing, waar dat voorheen niet het geval was. Als er sprake is van een groter recreatiebedrijf (met bijvoorbeeld 100 chalets of woningen) leidt dat tot een enorme kostenverhoging. De gemiddelde rioolheffing voor een object tot 300 m3 waterinname, was circa € 200,- (bron: COELO) per object. Mocht de eigenaar van een park met bijvoorbeeld 100 chalets deze aanslag opgelegd krijgen (of de eigenaren van de objecten afzonderlijk), dan kan deze aanslag al snel € 20.000,- per jaar zijn, waar voorheen enkele honderden euro’s hoefde te worden betaald.

Dit kost de ondernemer in eerste instantie niets, maar sommige eigenaren van objecten accepteren deze verhoging niet omdat ze menen dat de exploitant van het recreatiebedrijf hiervoor moet opdraaien. Er wordt vaak immers al een vergoeding voor de jaarplaats betaald. De ondernemer heeft dan de mogelijkheid om de eigenaren te compenseren om de gast te behouden. De lasten voor de ondernemer worden hierdoor alsnog fors verhoogd. Een recente uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (29-6-2018) in een hoger beroep dat door een gemeente en de ondernemers was ingesteld, brengt hier meer duidelijkheid in. De ondernemer was aangeslagen voor het gebruikersdeel van de rioolheffing. Afgezien van juridische redenen (de ondernemer zou alleen eigenaar, geen gebruiker zijn) heeft het Hof geoordeeld dat de ondernemer wel als gebruiker mag worden aangemerkt. De gemeente gaf aan dat andere ondernemers, met chalets in plaats van vakantiewoningen, wel als één perceel worden aangeslagen en niet afzonderlijk. De rechtbank noemt dit een “onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de heffing van rioolheffing ten aanzien van een bepaalde groep belastingplichtigen, te weten de eigenaren van chalets op een recreatieterrein”. Uit deze uitspraak wordt duidelijk dat een gemeente aan de hand van de verordening eigenaren van chalets wel afzonderlijk mag aanslaan.

Dit betekent een forse stijging van lasten voor de verblijfsrecreatieondernemer, mocht de gemeente ertoe overgaan elk perceel of object van bijvoorbeeld een chalet afzonderlijk aan te slaan voor rioolheffing. Aangezien de uitspraak als jurisprudentie zal gelden, kunnen veel verblijfsrecreatieondernemers met woningen en/of chalets te maken krijgen met een stijging die niet enkele procenten omvat, maar een forse stijging die kan oplopen tot een factor van honderden malen van de huidige last van rioolheffing. Vastrecht water Vastrecht voor water, elektriciteit en gas is voor de bepaling van de lastendruk buiten beschouwing gelaten, omdat het feitelijk geen belastingen of heffingen zijn. STAPELING VAN LASTEN VOOR RECREATIE-ONDERNEMERS 25 Het vastrecht heeft echter wel invloed op de bedrijfsvoering van verblijfsrecreatiebedrijven en de manier waarop recreatiebedrijven worden aangeslagen is vergelijkbaar met hoe belastingen en heffingen worden onderbouwd. In principe slaat een waterleidingbedrijf een verblijfsrecreatiebedrijf aan op basis van het werkelijke waterverbruik, tenzij het aantal WOZ-objecten wordt doorgegeven. Dan wordt elk WOZ-object apart belast. Het verschilt per bedrijf welke variant voordelig is. In Zeeland heeft het waterleidingbedrijf de facturering van vastrecht voor waterverbruik gewijzigd.

Waar voorheen de grote vakantieparken (die hiervoor in 2017 samen met RECRON een rechtszaak tegen het waterleidingsbedrijf hebben aangespannen ) als grootverbruiker werden aangeslagen (kosten voor het hele park € 119,- per jaar tot 100.000 m3 of € 2.019,- tot 1.000.000 m3) wordt nu elk BAG-object tot kleinverbruiker bestempeld. Dat betekent een vastrecht van € 59,- per jaar per BAG-object (plus een tarief per kuub verbruik). Dat zou betekenen dat recreatiebedrijven en/of de bezitter van chalets per verblijfsrecreatiebedrijf duizenden tot tienduizenden euro’s per jaar extra gaan betalen voor de levering van water. Uit de uitspraak van de rechtbank blijkt dat het waterleidingbedrijf de ondernemingen als grootverbruiker moeten blijven zien tot en met 2017. De rechtbank kan echter niet verbieden dat deze ondernemingen in de toekomst alsnog als een kleinverbruiker te zien en een veel hogere aanslag krijgen. Een waterleidingbedrijf mag de voorwaarden namelijk wijzigen, al heeft de rechtbank de voorwaarden als discriminerend voor grote bedrijven beoordeeld.. Tegen de uitspraak zijn zowel RECRON en de vakantieparken als het waterleidingbedrijf in hoger beroep gegaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/3c160a8b-aede-48ac-9672-2009dbddbf77?agendaItemId=f91c11fb-d423-4f7d-8957-e746ac70ca4a