21.0 Informatienota 2020 - 2 - Kamerbrief over inspectierapport 'Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd'.pdf
Tekst van het document
4 Rechtspraak ‘Dossiers worden opgepakt en weer neergelegd, waarop gezinnen zeggen: “Jij bent de zoveelste, de volgende”. Casuïstiek Een gezin woonde in de maatschappelijke opvang. Moeder was verslaafd en zwanger van het vierde kind. Alle kinderen zijn verslaafd geboren. De vader van de jongste was ingetrokken in de maatschappelijke opvang. Er was af en aan sprake van huise lijk geweld, op dat moment niet. Het ging echt niet goed met de kinderen daar. Er was hulpverlening in het gezin, met veel stut en steun, die zei: ‘Het is op het randje, het is per dag bekijken hoe het gaat.’ We hebben als jeugdbescherming een onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming aangevraagd. Elke dag hebben we op de wip gezeten, steeds was de vraag: kunnen we het nog een dag langer aankijken? Uiteindelijk zijn de kinderen uithuis geplaatst, maar zij zijn de afgelopen vijf weken al drie- maal verplaatst. We hebben heel erg geprobeerd met stutten en steun en de kinderen langer in die situatie gelaten. Als we een geschikte plek zouden hebben gehad, dan hadden we eerder ingegrepen. Een kwetsbaar, getraumatiseerd kind met GGZ- problematiek heeft 24/7 één-op-één-begeleiding nodig. Het kind kan niet deel nemen aan de groepsactiviteiten in het gezinshuis en heeft dan aparte begeleiding nodig.
De één-op-één-begeleiding werd gevonden in combinatie met een zorgboerderij, die onder een andere zorgaanbieder valt. Dit brengt extra handelingen voor de jeugdbeschermer met zich mee, de code blijkt niet te kloppen. De jeugdbeschermer is een jaar bezig geweest met het vinden van een passende plek voor dit kind. Een kind moet naar een pleeggezin omdat het thuis niet veilig is. Er is geen pleeggezin beschikbaar. Het kind blijft in het eigen gezin. Het kind gaat naar een (crisis)pleeggezin als er een acute crisis is ontstaan, wat de jeugdbeschermer juist had willen voor- komen. Verschillende overplaatsingen volgen, er wordt op geschaald naar het ‘passend jeugdhulp overleg’. Daar wordt geconstateerd dat er geen passende plek beschikbaar is voor het kind. Na de scheiding wonen ouders in verschillende provincies. Er is sprake van complexe echtscheidings problematiek. Jeugd- bescherming wil hulp inzetten, ook kijkend naar de ggz-proble- matiek van vader in het verleden. Gezocht wordt naar een zorgaanbieder die de hulp in beide provincies kan bieden. Voor het hulpaanbod ‘ouderschap na scheiding’ is een wachtlijst van een halfjaar. Verder lopen er juridische procedures, waardoor “ouderschap na scheiding” zegt niet te kunnen starten. Voor het kind wordt besloten therapie in te zetten.
Maar omdat de verblijfplaats van het kind niet duidelijk is, geeft de therapeut aan niet te kunnen starten omdat het te onrustig is voor het kind. Behalve dat jeugdbeschermers regelmatig gesprekken hebben met ouders is er in een jaar tijd niets gebeurd. Een jeugdige wordt afgewezen bij een aanbieder voor LVB-hulp omdat het IQ van de jeugdige te hoog is. De jeugdige wordt afgewezen door een Jeugd- en Opvoed hulpaanbieder omdat het IQ te laag is. Aan het einde van veel telefoontjes, twee keer een aanmelding verzorgen en twee keer een wachtlijst doorlopen, is er nog geen plek voor deze jeugdige. Een jongere met jeugdreclassering zit op een plek waar hij zwaar overvraagd wordt. Er is een wachttijd voor een passender plek. De jongere heeft al een keer grens overschrijdend gedrag laten zien. Af en toe verblijft hij bij vrienden maar dat is ook niet de juiste plek. De medewerker van de jeugdreclassering maakt zich zorgen om de hele groep. De medewerker weet van de delicten die de jongere heeft gepleegd. Ook ouders van andere jongeren klagen.
College van burgemeester en wethouders - 14 januari 2020 - 2020_B&W_0001137/48 Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd - IGJ en IJenV - november 2019 | 17 5 Factoren die van invloed zijn op de uitvoering van jeugdbescherming en jeugdreclassering De inspecties hebben onderzocht welke factoren negatief van invloed zijn op de uitvoering van de jeugdbescherming en jeugd- reclassering door de gecertificeerde instellingen. Dit hoofdstuk beschrijft de volgende in- en externe factoren: • De complexiteit en zwaarte van de doelgroep; • Personeelstekorten, verloop en verzuim; • Onvoldoende direct inzetbaar, passend hulpaanbod; • Onvoldoende financiële zekerheid. 5.1 Complexiteit en zwaarte doelgroep De complexiteit van de problematiek van kinderen en ouders die met jeugd bescherming en jeugdreclassering te maken is groter geworden als gevolg van een verschuiving van de problematiek (o.a. veel complexe echtscheidingen), de decentralisatie en de wachtlijsten in de keten. De decentralisatie en transformatie hebben ertoe geleid dat alleen nog de kinderen uit de écht complexe gezinnen te maken krijgen met jeugdbescherming en jeugdreclassering. Geheel in lijn met de transformatiegedachte achter de Jeugdwet zoeken en vinden wijk- teams, Veilig Thuis en de Raad voor de Kinder bescherming mogelijk- heden in het vrijwillig kader om de ontwikkelingsbedreigingen van kinderen op te heffen.
Pas als alle mogelijkheden in het vrijwillig kader zijn uitgeput, komt het tot een kinderbeschermingsmaatregel, nadat ook de kinder rechter heeft bepaald dat er geen voorliggende alternatieven zijn. De inzet hiervan is een ultimum remedium om kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd te beschermen. Jeugdbescherming en jeugdreclassering vormen als het ware de intensive care van de samenleving. een signalement uit. Hierdoor hebben de professionals uitsluitend te maken met gezinnen met meervoudig complexe problematiek. Het gaat bijvoorbeeld om ouders met psychiatrische en/of versla- vingsproblematiek, ouders met een verstandelijke beperking, huis vestings- en financiële problemen. Het gaat om getrauma- tiseerde ouders en kinderen als gevolg van huiselijk geweld, seksueel misbruik, geweld in het land van herkomst (vluchtelingengezinnen). Het gaat om kinderen met complexe psychiatrische problematiek. Het betreft ook gezinnen waarin sprake is van ernstig geweld, wapenbezit, toenemende dreiging naar hulpverleners (inclusief jeugdbescherming), fysieke en verbale agressie, verbale agressie / intimidatie die zich ook uit via social media (bijvoorbeeld door filmpjes van gesprekken op internet te plaatsen of nepaccounts te maken). Ouders komen niet op afspraken of zijn niet thuis.
Volgens onderzoek van de GGD Amsterdam en JBRA zijn in ten minste 70% van de gevallen sterke vermoedens van psychiatrische problematiek bij ten minste één van de volwassenen.5 Het gaat om gezinnen waarin de ouders of jeugdigen niet (langer) openstaan voor hulp, of waar hulp in het vrijwillig kader ontoereikend is gebleken. Hierdoor zijn zij niet of moeilijk te bereiken voor de gecertificeerde instelling. De jeugdreclassering heeft in toenemende mate te maken met jongeren die ernstige delicten hebben gepleegd. Jeugdbeschermers hebben te maken met ouders in complexe echt- scheidingen (ook wel: vechtscheidingen) waardoor jeugdbeschermers bij de bescherming van een kind met meerdere gezinssystemen te maken hebben (één van de gecertificeerde instellingen maakte de inschatting dat het 60-80% van de casussen betreft). Behalve de complexiteit van de problematiek zoals hierboven beschreven is daarnaast sprake van juridisering van het werk (klacht- en tuchtprocedures), met name bij hoog opgeleide ouders. Dit levert extra mentale druk op bij de jeugd beschermers. Daarnaast kosten verslaglegging en verant woording extra tijd in geval van klacht- en tuchtprocedures. 5 Trimbos Instituut ‘Met echtscheidingszaken kun je geen kant op, welke kant je opgaat, er is altijd een andere ouder die dan een klacht gaat indienen’.
Zowel bij de wijkteams, Veilig Thuis, de Raad voor de Kinder- bescherming, de gecertificeerde instellingen als bij de gespeciali- seerde hulp is sprake van wachtlijsten die afhankelijk van de regio in omvang verschillen. De meest kwetsbare kinderen en hun gezinnen komen dus op achtereenvolgende wachtlijsten terecht. De problematiek van deze kinderen wordt door deze wachtlijsten ernstiger. Hierover brengen de inspecties gelijktijdig met dit rapport College van burgemeester en wethouders - 14 januari 2020 - 2020_B&W_0001138/48 18 | Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd - IGJ en IJenV - november 2019 5.2 Personeelstekorten, verloop en verzuim Er is onvoldoende personeel beschikbaar voor de complexe en zware opdracht om deze kinderen bescherming en begeleiding te bieden en met deze ouders te werken. Het vergt deskundigheid, vakmanschap en professionele ruimte om deze ouders en jeugdigen te motiveren voor hulp voor henzelf en voor hun kinderen, deze hulp te organiseren en om soms ingrijpende keuzes te maken die nodig zijn om de veiligheid van een kind te herstellen. De gecertificeerde instellingen lopen er tegenaan dat onvoldoende ervaren en deskundige professionals beschikbaar zijn voor de uitvoering van jeugdbescherming en jeugdreclassering.
‘Hoeveel mensen zijn er die bij een gezin proberen binnen te komen, terwijl je vooral wordt buiten gehouden? Je wordt bedreigd, uitgescholden. Ook wordt van alle kanten naar je gekeken en aan je getrokken, door cliënten en alle ketenpart ners. De hulpverlening zegt: “Ik heb zorgen, jij moet er wat mee”. De gemeente zegt: “Jij bent aan zet, we vinden er dit of dat van’’.’ De instellingen kampen met een structureel tekort aan (ervaren) personeel. Doordat collega’s vertrekken, moeten zaken worden overgenomen, wat veel tijd kost. Dit gaat ten koste van de kinderen in de eigen zaken. Jeugdbeschermers kunnen onvoldoende de tijd nemen om met het gezin te verkennen welke hulp nodig is, die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder. ‘Er is tegenwoordig een breed scala aan mogelijkheden om te gaan werken, waardoor jeugdbeschermers soms na 1 of 2 jaar denken aan een andere baan. Ze hebben er geen zin meer in. Vroeger werd er 5 jaar werkervaring gevraagd voor je über haupt bij de gecertificeerde instelling als jeugdbeschermer kon beginnen. Dat kun je nu niet meer vragen. Dan komt er helemaal niemand meer.’ De complexiteit en zwaarte van het werk en de toegenomen juridi- sering maken het vak van jeugdbeschermer en jeugd reclasseerder niet aantrekkelijk. In de huidige krappe arbeids markt zijn de mogelijkheden om elders aan het werk te gaan groot.
Jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders geven aan dat een reden voor collega’s om te vertrekken is dat de waar dering van het werk (zowel financieel als maatschappelijk) niet in verhouding staat tot de zwaarte en complexiteit van het werk. Vertrekkende professionals kiezen voor 9 tot 5-banen, met minder verantwoordelijkheid en zwaarte waarvoor net zoveel of zelfs beter wordt betaald. Er is een tekort aan ervaren arbeidskrachten in de hele jeugd- en zorgketen. Medewerkers krijgen actief banen aangeboden bij andere gecertifi- ceerde instellingen, Veilig Thuis en de Raad voor de Kinder- bescherming en in het voorliggend veld. Over de hele linie geldt dat de uitstroom van personeel zo’n 20% is. Ook instellingen die er alles aan doen om personeel te werven en te behouden (zie hoofdstuk 6), hebben een structureel personeels tekort van 20%. Dat maakt dat één op de vijf gezinnen in de (preventieve) jeugdbescherming of jeugd reclassering geen vaste jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder heeft. Een aantal instellingen ervaart dat nieuwe medewerkers na een jaar weer afhaken omdat zij niet zijn berekend op hun zware taak. Nieuwe medewerkers starten met de verwachting met kinderen te gaan werken, maar in de praktijk werken zij met volwassen ouders met complexe proble matiek en met de druk die ontstaat als gevolg van de juridische procedures die zij inzetten.
Naast verloop is het ziekteverzuim hoog, over de hele linie is dit zo’n 7%. Het verzuim verschilt opvallend tussen instellingen en binnen instellingen. Er zijn uitschieters van ruim 15% tot zelfs 27% in regioteams. Dit alles vergroot de werkdruk op het zittende personeel. De case load is bij een aantal instellingen noodgedwongen te hoog. Er is een verschil in hoe de gecertificeerde instellingen de kinderen en gezinnen opvangen na het wegvallen van een medewerker door vertrek of verzuim. De keuze wordt hetzij gemaakt om de kinderen en hun gezinnen (opnieuw) op de instroomlijst te plaatsen, hetzij de caseload van de vertrokken of zieke jeugdbeschermer of jeugd- reclasseerder onder te verdelen in het team. Ook het inwerken van nieuw personeel verhoogt de werkdruk van ervaren professionals. Het gegeven dat de nood zakelijk geachte hulp niet te realiseren is voor kinderen in de knel werkt frustrerend en werkdrukverhogend, omdat jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders hun verant- woordelijkheid voor deze kinderen niet waar kunnen maken. College van burgemeester en wethouders - 14 januari 2020 - 2020_B&W_0001139/48 Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd - IGJ en IJenV - november 2019 | 19 Voor [de gecertificeerde instelling] is het vinden en behouden van jeugdbeschermers een uitdaging op de krappe arbeids- markt. Er is daarmee sprake van veel verloop en wisselingen.
Dit is zichtbaar in de hoeveel heid voogden, namelijk twaalf, die betrokken zijn geweest bij de jeugdige. In het laatste levensjaar van de jeugdige zijn bovendien vanuit de bureau- dienst verschillende vervangende voog den betrokken geweest gedurende twee langere periodes van afwezigheid van de vaste voogd. Er is geen langdurige professional in het leven van de jeugdige waar de jeugdige vertrouwd mee was. Casusonderzoek Zuid-Holland. Onderzoek na overlijden van een jeugdige (IGJ, juli 2019). ‘Er wordt rustig gezegd: over een halfjaar is er plek, ben jij aan de beurt. Dat geldt overal, voor elke organisatie. Geen wacht lijsten van twee maanden, maar altijd minimaal zes maanden. Dat maakt dat je in zo’n zaak heel weinig ziet. We proberen er wel zelf heen te gaan, maar dat lukt niet altijd, daar is geen ruimte voor. Het is dan weer roeien met de riemen die je hebt, proberen zo veel mogelijk via contacten uit het netwerk aan informatie te komen om zicht te houden op de veiligheid’. Jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders ervaren dat het aanbod voor sommige vormen van hulp niet toereikend is. Dit geldt ook voor hulp waarvan de kinderrechter bij beschikking heeft bepaald dat deze noodzakelijk is.
Het betreft zowel residentiële hulp (bedden), waaronder JeugdzorgPlus, als ambulante hulp, met name bij gecombineerde problematiek (GGZ- en gedrags problematiek bijvoorbeeld) en hulp bij echtscheidings proble matiek. Zorgaanbieders hebben soms al vanaf april een opnamestop. Maatwerk komt nauwelijks tot stand, kinderen worden heen en weer geschoven tussen verschillende zorg aanbieders op het moment dat het aanbod niet precies passend is voor de problematiek. De resultaatgerichte financiering van het zorgaanbod, waar in sommige gemeenten mee gewerkt wordt, leidt tot de perverse prikkel dat zorgaanbieders ‘te moeilijke gevallen’ niet accepteren. Een afweging van de zorgaanbieder kan daarnaast bijvoorbeeld zijn dat de plaatsing van een kind met ernstige (gedrags)proble- matiek te risicovol wordt geacht voor de rest van de kinderen. Zorgaanbieders kunnen ‘nee’ zeggen en doen dit ook.6 Deze kinderen en hun ouders met complexe problematiek vormen juist de doelgroep van de gecertificeerde instellingen. Het effect is dat juist de kinderen die dit het hardst nodig hebben, niet de hulp krijgen die zij nodig hebben. 6 Het programma Ondersteuning passend zorgaanbod (OPaZ) heeft een nadere analyse gemaakt van de knelpunten bij het organiseren van zorg aan cliënten/patiënten met complexe problematiek.
Zie bijvoorbeeld Programma Ondersteuning passend zorgaanbod: brochure anders denken anders werken ‘Aan alle kanten lijkt het of de hulpverlening niet ingesteld is op gezinnen die op allerlei gebieden problemen hebben. Er is altijd wel ergens te veel gedoe om aan het probleem te werken.’ 5.3 Onvoldoende direct inzetbare, passende hulp Jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders kunnen in de praktijk hun verant woordelijkheid om hulp in te zetten onvoldoende waarmaken als gevolg van: • Onvoldoende ingekocht hulpaanbod en onvoldoende mogelijkheid tot maatwerk; • Bemoeienis van gemeenten met door de gecertificeerde instelling gestelde indicaties; • Beschikbaarheid van en samenwerking met zorg voor volwassenen. Onvoldoende ingekocht hulpaanbod en onvoldoende mogelijkheid tot maatwerk In de Jeugdwet staat dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor een passend hulpaanbod. Wat de gecertificeerde instelling bepaalt dat nodig is voor een kind of gezin, moet ook beschik baar zijn. Jeugdbescherming en jeugdreclassering zijn hiertoe verplicht op casusniveau te overleggen met de gemeente (art. 3.5 van de Jeugdwet). In de praktijk is de noodzakelijke hulp vaak niet beschik- baar en moeten kinderen en hun ouders lang wachten op de geïndiceerde hulp. Dit komt enerzijds doordat passende hulp onvoldoende is ingekocht door de gemeente.
Anderzijds komt dit doordat ná de interne multidisciplinaire besluitvorming bij de gecertificeerde instelling vanuit de gemeente het verzoek komt het besluit te heroverwegen. College van burgemeester en wethouders - 14 januari 2020 - 2020_B&W_0001140/48 20 | Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd - IGJ en IJenV - november 2019 ‘Het bureau van de gemeente [ ] beslist welke hulp wordt inge kocht en ingezet. Op het moment dat jeugdbescherming al een besluit heeft genomen over welke hulp nodig is, gaat de gemeente []daar nog eens naar kijken. Dat kan al weken duren en als daar dan ook nog eens iemand zegt “gaan we niet doen”, dan kunnen we weer opnieuw beginnen of moet je daar de discussie mee aan’(..).’ Overeenstemming met de gemeente per geval wordt niet geëist, omdat het uiteindelijk de gecertificeerde instelling is die de wette- lijke verantwoordelijkheid heeft om de door de rechter opgedragen maatregel uit te voeren. De Jeugdwet schrijft dus overleg voor, maar de eindverantwoordelijkheid ligt bij de gecertificeerde instelling. Dit houdt in dat de gecertificeerde instelling doorzettings- macht heeft als geen overeenstemming wordt bereikt. Hierbij geldt overigens dat voor jeugdhulp die rechtstreeks voortvloeit uit een strafrechterlijke beslissing geen wettelijke verplichting tot overleg met de gemeente is.
‘Normaal gesproken hebben we contact met de instelling zelf waar we horen over matching, wachtlijsten. Dat gaat nu niet meer. Je moet nu naar een Maatwerktafel waar allerlei instanties omheen zitten die met elkaar bekijken: “Is dit iets voor ons, is dit iets voor jullie”. Jeugdbescherming is hiermee ‘out of control’, de gemeente gaat dan kijken waar het kind naartoe moet. Dat geldt ook voor kinderen met een kinderbeschermingsmaatregel.’ Bemoeienis van gemeenten met indicatiestelling Artikel 3.5 van de Jeugdwet regelt dat de gecertificeerde instelling kan bepalen welke jeugdhulp de jongere nodig heeft. De instelling wordt verplicht om met de gemeente hierover te overleggen op casusniveau. Het idee hierachter is dat de jeugdbeschermer overlegt met een door de gemeente aangewezen deskundige over de even- tuele in te zetten jeugdhulp voor de jeugdige. Zodat de jeugd- beschermer op de hoogte is van het ingekochte hulpaanbod van de gemeente, maar ook de inbreng van de gemeente meeneemt in haar besluitvorming. In de casuïstiek is zichtbaar dat de bemoeienis van de gemeenten met de indicatiestelling mede als gevolg van (financiële) tekorten plaatsvindt. Jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders merken dat dit leidt tot extra procedures, waardoor een kind of gezin nog langer moet wachten op de inzet van hulp.
Jeugdbeschermers wordt gevraagd op zoek te gaan naar (goed- kopere) alternatieven, bijvoorbeeld te onderzoeken of ambulante hulp kan worden ingezet in plaats van een uithuisplaatsing. De ervaring is daarnaast dat dit verzoek vanuit de gemeente op het verkeerde moment komt, namelijk als de multidisciplinaire afweging over wat nodig is voor een kind al heeft plaatsgevonden, of na een rechterlijke machtiging. Dit gebeurt bijvoorbeeld aan ‘maatwer- ktafels’. Jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders ervaren dat het in gesprekken met gemeenten ook op casusniveau in de eerste plaats over de kosten gaat, in plaats van over wat er nodig is om het kind of gezin te helpen. Een en ander leidt ertoe dat registratie en verantwoording, bijvoorbeeld bij het organiseren van hulp, veel tijd kosten. Tijd die zij niet kunnen besteden aan de kinderen en gezinnen zelf. Beschikbaarheid van en samenwerking met zorg voor volwassenen De ontwikkelingsbedreiging van kinderen met een maatregel komt vaak voort uit de problematiek van ouders. Jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders ervaren dat zij onvoldoende mogelijkheden hebben om hulp en zorg voor de ouders in te zetten (GGZ, versla- vingszorg) en/of met de zorgverleners van ouders samen te werken. Jeugdbescherming kan zelf geen zorg voor ouders indiceren, alleen van ouders verlangen dat zij deze accepteren in het belang van de veiligheid van de kinderen.
‘In het gezin is eerder een kindje overleden. De vader krijgt via [zorgaanbieder] de kans om voor zijn andere kind te zorgen. De hulpverlener van vader verstrekt geen informatie in verband met privacy. Als de jeugdbeschermer vraagt of het veilig is voor het kind, dan zegt de hulpverlener: “Dat is niet mijn taak, ik ben er voor de vader”.’ Ook voor hulp en zorg aan ouders gelden wachtlijstproblemen. Daarnaast geldt als knelpunt dat de gespecialiseerde volwassenhulp onvoldoende gezinsgericht werkt en onvoldoende invulling geeft aan haar rol bij de uitvoering van een kinderbeschermings maatregel. College van burgemeester en wethouders - 14 januari 2020 - 2020_B&W_0001141/48 Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd - IGJ en IJenV - november 2019 | 21 Casuïstiek Over een jongere met jeugdreclassering, die vanwege een begeleid wonen plek naar een andere gemeente moest, ontstond gesteggel tussen beide gemeenten. Beide gemeenten vonden dat de andere moest betalen. Gevolg voor de jongere was dat deze tien weken bij moeder moest verblijven en weer in contact kwam met zijn oude netwerk. Hij is toen weer gaan blowen. Het effect van zijn eerdere buitenlandse plaatsing van anderhalf jaar ging zo teloor. Een jongere is eindelijk zo ver dat hij het hulpaanbod wil accepteren. Er is hard gewerkt om hem en zijn gezin zo ver te krijgen.
De gemeente geeft echter aan dat er geen contract mogelijk is. De gemeente geeft als optie de jongere bij de GGZ aan te melden, de jongere wil dat niet: “ik ben toch niet gek!”. De werkrelatie met het gezin is hierdoor verslech- terd, daar moet eerst opnieuw op geïnvesteerd worden. Deze jongere woont nog thuis maar het gaat daar niet goed. Een meisje kan na een verblijf op de open behandelgroep weer thuis gaan wonen. Voorwaarde hiervoor is dat Functional Family Therapy (FFT) wordt ingezet in de thuis- situatie. Met de aanbieder, het gezin en de jeugdige was bedacht dat dit zou starten terwijl het meisje nog op de open groep verbleef, zodat haar thuisplaatsing goed zou verlopen. Dat mocht niet van de gemeente. Er was immers al een aanbod (open groep) en dan kon er geen andere zorg gestapeld worden. Een jongere kreeg vanuit strafrecht therapie. De jongere was enthousiast. De jongere zat ook nog met andere proble- matiek, waarover met haar gesproken is, waarvoor ze hulp aangeboden kreeg én waar ze blij mee was. Deze hulp werd binnen de ondertoezichtstelling opgelegd, dus naast de JR-maatregel. De therapie werd niet door de gemeente gefinancierd, waarop mails over en weer moesten worden gestuurd met vragen. Daar gaat veel tijd overheen. Een jongere met jeugdreclassering was zwervend en is dat nog steeds. Zijn casus is aan de transformatietafel besproken.
Jeugdreclasseerder vindt dat de sfeer aan tafel ‘ontmoe- digingsbeleid’ is: Moet deze jongere nu wel echt beschermd wonen, en moet dat echt in gemeente [ ]? 5.4 Onvoldoende financiële zekerheid De gecertificeerde instellingen hebben onvoldoende financiële zekerheid. Uit het Kostprijsonderzoek gecertificeerde instellingen (Berenschot, 2018) blijkt dat de gecertificeerde instellingen nog nauwelijks weerstandsvermogen hebben. Het rapport wijst uit dat het weer- standsvermogen van de gecertificeerde instellingen structureel te laag is. Op één gecertificeerde instelling na is het weerstands- vermogen overal onder de norm van 15%. Gemiddeld genomen over de periode 2016 tot en met 2018 was het weerstandsvermogen een magere 5,5%. Bij drie gecertificeerde instellingen is dat vermogen zelfs negatief. Faillissementen worden hierdoor reëel. Er zijn grote verschillen in de manieren waarop de gecertifi ceerde instellingen door gemeenten gefinancierd worden. De contractduur wisselt van zes jaar tot helemaal geen contract. Soms is sprake van een centrale inkoop, soms doen instellingen zaken met verschillende gemeenten, waardoor zij te maken hebben met verschillende afspraken en procedures. ‘Dat betekent op het moment dat ze bij de jeugdbescherming komen het al vijf voor twaalf is, het eigenlijk al te laat is.
Voordat hulpverlening lukt, in overleg met de gemeente, ben je soms al weken of maanden verder. Dan duurt het vaak nog maanden voordat de hulp überhaupt wordt ingezet.’ Gecertificeerde instellingen ervaren geen ruimte voor innovatie en ontwikkeling (zoals actieve deelname aan de gezamenlijke actie- programma’s van Rijk en gemeenten) door zowel het financiële als personeelstekort. Een aantal instellingen geeft aan dat geld niet het primaire probleem is, maar de beschik baarheid van personeel. Zij kunnen de budgetten niet opmaken aan personeel en geven geld terug aan de opdrachtgever. College van burgemeester en wethouders - 14 januari 2020 - 2020_B&W_0001142/48 22 | Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd - IGJ en IJenV - november 2019 6 Maatregelen bestuurders en lopende verbeter trajecten (programma’s) De inspecties zijn met de bestuurders van de gecertificeerde instellingen in gesprek geweest over de wijze waarop zij zicht houden op de uitvoering van hun wettelijke taken en hoe het ervoor staat met de uitvoering van de maatregelen die zij hebben genomen om tot verbetering te komen. Dit hoofdstuk geeft de bevindingen van de inspecties op dit punt weer. Daarnaast gaat dit hoofdstuk in op de diverse actieprogramma’s van de Rijksoverheid en gemeenten.
6.1 Maatregelen op de korte termijn Uitvoering wettelijke taken De inspecties hebben vastgesteld dat de bestuurders van de gecertificeerde instellingen over het algemeen op de hoogte zijn van de feiten en cijfers rondom de uitvoering van de wett elijke taken, en/of eraan werken om hier (meer) zicht op te krijgen. Het breed ingevoerde informatiesysteem WIJZ levert nog niet overal de gewenste sturingsinformatie. In hoofdstuk 2 zijn de maatregelen aan de orde geweest die de bestuurders (mede op basis van de sturingsinformatie) nemen om de wettelijke taken uit de kunnen blijven voeren binnen de huidige context. De instellingen zien zich genood zaakt tot noodoplossingen te komen als gevolg van de personeels tekorten waarmee zij kampen. Deze noodoplossingen gaan twee kanten op: er wordt óf gewerkt met een hogere instroom lijst/wachtlijst, waarna vervolgens methode- getrouw wordt gewerkt in zaken met een vaste jeugdbeschermer of jeugd reclasseerder. Óf er wordt gewerkt met minimale inzet, waarbij voor de kinderen en gezinnen alleen het hoogst nood- zakelijke wordt gedaan. Dit houdt in dat zij prioriteren, zicht houden op en zoveel als mogelijk zorgdragen voor de acute of actuele veiligheid van de kinderen, maar dat hulp verlening om de structurele onveiligheid aan te pakken niet of niet tijdig wordt ingezet.
Uitvoering preventieve jeugdbescherming Een aantal gecertificeerde instellingen is gestopt met de uitvoering van preventieve jeugdbescherming om in elk geval de maatregelen te kunnen uitvoeren. Deze trend is ongeveer eind 2018 ingezet, de gevolgen zijn nog niet te voorzien. Het vraagt in elk geval dat het voorliggend veld goed genoeg is toegerust om deze gezinnen te begeleiden en zicht te houden op de opgroeisituatie van de kinderen. Als dit niet het geval is, bestaat het risico dat zaken ten onrechte in het voorliggend veld blijven, het risico op meer en moeilijkere OTS-en, en zorg mijdende gezinnen die verder buiten beeld raken. Eén van de gecertificeerde instellingen die niet bij dit onderzoek is betrokken, werkt met een opnamestop. Sturen op in- en externe factoren Veel aandacht van de bestuurders van de gecertificeerde instellingen gaat uit naar het werven en behouden van toe gerust personeel. Prioriteit bij alle instellingen gaat uit naar het werven, inwerken en scholen van nieuwe jeugd beschermers en jeugdreclasseerders. Hoewel variatie zichtbaar is tussen de gecertificeerde instel lingen, wordt ervoor gewaakt dat de caseload niet te ver oploopt en nieuwe medewerkers niet beginnen met een volle caseload.
Andere genoemde maatregelen zijn een ‘APK’ voor het perso neel, ‘gezond werken’, (intensievere) begeleiding door de gedragswetenschapper van nieuwe medewerkers, werken met taakdifferentiatie (waarbij bijvoorbeeld het schrijven van het plan van aanpak op basis van de input van de jeugd beschermer wordt uitbesteed aan een administratieve kracht) en afspraken in de keten, waarmee het werven van elkaars personeel moet worden voorkomen. Voor het werven van nieuw personeel kijkt één van de gecertificeerde instellingen ook naar andere beroepsgroepen en potentiële jeugd- beschermers in het bestand van het UWV . Gecertificeerde instellingen werven in het vooruit, anticiperend op de (toe komstige) uitstroom. Er worden wervingscampagnes opgezet en informatiedagen georganiseerd. Het resultaat van al deze inspanningen is echter niet voldoende om alle vacatures te vervullen. Zelfs instellingen die vrijwel al deze maatregelen inzetten, blijven een structureel tekort van 20% aan personeel houden. Bestuurders zijn in gesprek met gemeenten over tarieven en in gesprek met het Rijk over de gesignaleerde knelpunten. Bestuurders geven aan in de gesprekken met gemeenten op dit moment geen ruimte te ervaren om in gesprek te gaan over de (gewenste) kwa liteit van de uitvoering van de wettelijke taken; de gesprekken gaan over de financiën.
Gecertificeerde instellingen nemen noodmaat- regelen om continuïteit en bedrijfsvoering te borgen, zoals het aanspreken van reserves en het verkopen van onroerend goed. De inspecties hebben beperkt structurele maatregelen van de bestuurders gehoord om het dringende knelpunt van het ontbreken van passend hulpaanbod samen met zorgaanbieders en gemeenten aan te pakken. Bestuurders trachten de knel punten die gaan over het ontbreken van passend hulpaanbod weg te nemen bij hun werknemers, door hierover met gemeenten en zorgaanbieders in dialoog te gaan op bestuurlijk niveau. Jeugd beschermers en jeugdreclasseerders kunnen casuïstiek intern opschalen. College van burgemeester en wethouders - 14 januari 2020 - 2020_B&W_0001143/48 Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd - IGJ en IJenV - november 2019 | 23 Een voorbeeld dat verder is genoemd om de druk bij de jeugd- beschermers en jeugdreclasseerders weg te nemen is een proce- dure voor ‘stalkende klagers’, cliënten die aanhoudend klachten indienen over hun jeugdbeschermer of jeugdreclasseerders. De bestuurder neemt de behandeling van deze klachten in voorkomende gevallen over. 6.2 Programma’s Rijk en gemeenten De ernstige tekortkomingen in de jeugdbeschermingsketen die de inspecties in dit rapport schetsen zijn niet onbekend.
De ministeries, gemeenten en uitvoeringsorganisaties zijn gezamenlijk actie- programma’s en plannen gestart om structu rele verbeteringen door te voeren: Zorg voor de jeugd, Scheiden zonder schade, Geweld hoort nergens thuis, Actieplan verbete ring feitenonderzoek, De best passende zorg voor kwetsbare jongeren. Er zijn gecertificeerde instellingen die pro-actief deelnemen aan de initiatieven. Andere instellingen slagen er onder de huidige omstandigheden niet in om hiervoor capaciteit vrij te maken. Deze instellingen zijn nu vooral bezig met ‘overeind blijven’ en investeren daar door niet in innovatie en minimaliseren de bijdrage aan de actie programma’s. Voorbeelden van actieve deelname door de gecertificeerde instellingen aan de actieprogramma’s zijn de pilots voor de inkorting van de jeugd beschermingsketen en de inzet van een sociaal psychia trisch verpleegkundige om problematiek bij ouders te herkennen en ouders waar nodig door te verwijzen naar zorg. College van burgemeester en wethouders - 14 januari 2020 - 2020_B&W_0001144/48 24 | Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd - IGJ en IJenV - november 2019 7 Conclusies en aanbevelingen Dit hoofdstuk geeft achtereenvolgens de conclusies, het oordeel en de aanbevelingen van de inspecties weer over de jeugdbescherming en jeugdreclassering.
7.1 Conclusies Kinderen met een ernstige ontwikkelingsbedreiging krijgen onvoldoende bescherming De inspecties constateren dat deze kwetsbare kinderen, waarvan is vastgesteld dat zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, of die in aanraking zijn gekomen met politie of justitie, niet tijdig de juiste hulp krijgen. Juist voor de kinderen en gezinnen met de meest complexe en zware problematiek is de noodzakelijke hulp niet of niet tijdig beschikbaar. Er wordt geen recht gedaan aan de urgentie van een kinderbeschermings maatregel als deze niet direct en goed wordt uitgevoerd en/of als de noodzakelijke hulp niet tot stand komt. Jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders voelen zich genoodzaakt de minst schadelijke in plaats van de meest passende optie in te zetten, omdat doeltreffende en doelmatige hulp om ontwikkelings - bedreigingen op te heffen onvoldoende beschikbaar is. Jeugd- beschermers en jeugdreclasseerders ervaren hierdoor dat zij hun verantwoordelijkheid niet kunnen waar maken, wat bij hen tot verhoogde werkdruk leidt. Het personeel raakt gefrustreerd en overbelast, wat ertoe leidt dat het verloop bij jeugdbeschermers hoog is. Er ontstaat een vicieuze cirkel waarvan het de vraag is hoe deze doorbroken kan worden.
Instellingen die hier namens de overheid verantwoordelijk voor zijn, kunnen op dit moment hun wettelijke opdracht onvoldoende uitvoeren De gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming en jeugd- reclassering kunnen hun taken op dit moment niet adequaat uitvoeren: • Gecertificeerde instellingen werken met een minimale variant bij de uitvoering van de wettelijke kerntaken en/of met een zogen- aamde instroomlijst. In de minimale variant of als de kinderen op een instroomlijst staan, is er zicht is op de veiligheid van deze kinderen en wordt ingegrepen bij acute veiligheidsrisico’s. Feitelijk gebeurt er niets om de ontwikkelingsbedreiging op te heffen. Werken met instroom lijsten en ‘de minimale variant’ leidt ertoe dat jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders in de beginfase onvoldoende contact kunnen maken met het gezin om de reële behoefte van ouders en kinderen in kaart te brengen. Normtijden voor het eerste contact en voor het maken van een plan van aanpak worden niet gehaald, waardoor het te lang duurt om te bepalen welke hulp moet worden ingezet; • Jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders slagen er niet of met de grootste moeite in om de noodzakelijke hulp tijdig in te zetten. Juist voor de kinderen en gezinnen met de meest complexe en zware problematiek is de noodzakelijke hulp niet of niet tijdig beschikbaar.
Gewerkt wordt met noodverbanden en ‘second, third of fourth best’ oplossingen. Daarnaast worden beslissingen van kinderrechters soms niet uitgevoerd, omdat de hulp die in de beschikking is opgenomen niet beschikbaar is en komt; • De regievoering, monitoring en evaluatie van de ingezette hulp is vaak niet voldoende. Dit verschilt per gecertificeerde instelling en is afhankelijk van de keuzes die zijn gemaakt (‘methodegetrouw werken’ of ‘minimale inzet’). Factoren die hierin een rol spelen zijn de zwaarte van de doelgroep, personeelstekorten, verloop en verzuim, onvoldoende direct inzetbare, passende hulp en onvoldoende financiële zekerheid De noodzakelijke voorwaarden om kinderen adequaat te kunnen beschermen en begeleiden ontbreken. De gecertificeerde instellingen zijn onvoldoende toegerust om hun kerntaken uit te voeren als gevolg van: • De complexiteit van de problematiek van kinderen en ouders die met jeugdbescherming en jeugdreclassering te maken is groter geworden als gevolg van een verschuiving van de problematiek (o.a.
veel complexe echtscheidingen), de decentralisatie en de wachtlijsten in de keten; • Er is onvoldoende personeel beschikbaar voor de complexe en zware opdracht om deze kinderen bescherming en begeleiding te bieden en met deze ouders te werken; • Jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders kunnen in de praktijk hun verantwoordelijkheid om hulp in te zetten onvoldoende waarmaken als gevolg van: • Onvoldoende ingekocht hulpaanbod en maatwerk; • Bemoeienis van gemeenten met door de gecertificeerde instellingen gestelde indicaties; • Gewerkt wordt met noodverbanden en ‘second, third of fourth best’ oplossingen. • De gecertificeerde instellingen hebben onvoldoende financiële zekerheid. De inspecties stellen vast dat deze factoren een rol spelen bij nagenoeg alle instellingen in de hele jeugdbeschermingsketen. Hierover brengen de inspecties, gelijktijdig met dit rapport, een signalement uit.
College van burgemeester en wethouders - 14 januari 2020 - 2020_B&W_0001145/48 Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd - IGJ en IJenV - november 2019 | 25 7.2 Oordeel De inspecties vinden de wijze waarop jeugdbescherming en jeugdreclassering nu wordt uitgevoerd niet acceptabel De inspecties vinden het maatschappelijk niet acceptabel dat de door kinderrechters uitgesproken maatregelen niet onmiddellijk worden uitgevoerd en dat de noodzakelijk geachte, soms door de kinderrechter opgelegde, hulp niet of niet tijdig kan worden ingezet. De inspecties vinden dat de noodzakelijke hulp voor deze kwetsbare kinderen en hun ouders zonder vertraging moet worden verleend en dat hulp die door een kinderrechter is opgelegd per direct beschikbaar moet zijn. In de praktijk hebben jeugdbeschermers en jeugd reclasseerders wel de verantwoordelijkheid, maar niet de mogelijkheid om kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd te beschermen en daadwerkelijk te helpen.
De inspecties zijn van oordeel dat ingezette maatregelen hier op korte termijn geen adequaat antwoord op bieden De gecertificeerde instellingen kunnen de taken niet meer uitvoeren door de context van onvoldoende financiële zeker heid, onvol- doende ingekocht hulpaanbod, bemoeienis van gemeenten rond de indicatiestelling in combinatie met de financiële afhankelijkheid van de gemeenten, onvoldoende beschikbaarheid van personeel, en de complexiteit van de problematiek. De gevolgen voor deze kwetsbare kinderen en gezinnen zijn zeer nadelig, net als voor de maatschappij. Als deze kwetsbare kinderen niet op tijd passende hulp ontvangen, resulteert dat in hoge maatschappelijke kosten door het in stand houden van de intergenerationele problematiek en de kosten die verbonden zijn aan recidiverende jongeren. De inspecties stellen vast dat bestuurders van de gecertifi ceerde instellingen binnen hun mogelijkheden hun bestuur lijke verant- woordelijkheid nemen. Zij hebben zicht op de uitvoering en op de knelpunten. Zij zijn hierover in gesprek met opdracht gevers en ketenpartners. Zij nemen over het geheel genomen acute en struc- turele maatregelen ter verbete ring. Deze geven echter onvoldoende resultaat. Daarnaast vinden de inspecties dat de gecertificeerde instellingen te veel berusten in de bemoeie nis van gemeenten rond de indicatie stelling.
De inspecties zijn van oordeel dat het spanningsveld tussen doorzettingsmacht van de gecertificeerde instellingen, daar waar het gaat over in te zetten hulp, en de financiële afhankelijk heid van de gemeente voor de eigen finan- ciering, een negatief effect heeft op de kwaliteit van de hulp. De huidige financieringssystematiek leidt ertoe dat de gecertifi- ceerde instellingen onvoldoende hun verantwoordelijkheid kunnen nemen. De inspecties vinden het werken met instroomlijsten of met ‘minimale inzet’ navolgbaar, maar zeer ongewenst, gezien de zeer kwetsbare situatie waarin de kinderen in deze gezinnen zich bevin den, de opeenvolgende constateringen dat het kind in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dat vrijwillige hulp ontoereikend is. Deze kinderen hebben nodig dat ervaren, deskundige en betrokken jeugdbeschermers voldoende tijd kunnen nemen om met het gezin uit te zoeken wat er aan de hand is en welke hulp er nodig is om bescherming te bieden. Voor het realiseren van goede hulp zijn zowel de tijdigheid als de kwaliteit van de probleemanalyse, plan, uitvoering van de hulpverlening en de regievoering hierop essentieel. 7.3 Aanbevelingen De inspecties onderkennen dat de in dit rapport geschetste proble - matiek uitstijgt boven de verantwoordelijkheid van een bestuurder van een (individuele) organisatie.
Over de proble matiek van de wachtlijsten en de personeelsproble matiek, die zich in de hele keten manifesteert, brengen de inspecties gelijktijdig met dit rapport een signalement uit. Dit signalement bevat aanbevelingen die gericht zijn aan de partners in de jeugdbeschermingsketen en hun opdracht gevers. De inspecties vragen in dit rapport om maatregelen van bestuur- ders van de gecertificeerde instellingen, van gemeenten en van het Rijk. Onderstaande aanbevelingen zijn gericht op de in dit rapport genoemde factoren die de uitvoering van de wettelijke opdracht van de gecertificeerde instellingen belemmeren. In verband met de complexiteit van de doelgroep: • Gecertificeerde instellingen en gemeenten: Zorg ervoor dat jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders voldoende zijn toegerust om met de problematiek van ouders om te gaan, waar relevant met gebruikmaking van expertise van en in samenwerking met bijvoorbeeld de GGZ en verslavingszorg. • Gecertificeerde instellingen en gemeenten: Neem maatregelen die ertoe leiden dat jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders voldoende tijd en ruimte hebben om hun werk te kunnen doen. Neem hierbij de toegenomen complexiteit van de problematiek van ouders en kinderen die met jeugd- bescherming te maken hebben in acht.
• Gecertificeerde instellingen: Maak aan opdrachtgevers expliciet wat er aan jeugdhulpvoor- zieningen nodig is om kinderen die in hun ontwikkeling worden bedreigd te beschermen en helpen om zo te kunnen voldoen aan de wettelijke opdracht van zowel de gemeenten als de gecertificeerde instellingen. College van burgemeester en wethouders - 14 januari 2020 - 2020_B&W_0001146/48 26 | Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd - IGJ en IJenV - november 2019 In verband met de problemen op de arbeidsmarkt: • Gemeenten: Zorg voor passende maatschappelijke en financiële waardering voor jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders. Zoals de inspecties ook in het signalement ‘Jeugdbeschermingsketen in gevaar’ benoemen, vergt het deskundigheid, vakman schap en professio nele ruimte om ouders en jeugdigen te motiveren voor hulp voor henzelf en voor hun kinderen, deze hulp te organiseren en om soms ingrijpende keuzes te maken die nodig zijn om de veiligheid van een kind te herstellen. Professionals die dit werk aandurven en aankunnen, verdienen hier erkenning én financiële en immateriële waardering voor. Zorg ervoor dat deze waardering er komt, zodat de meest deskundige, competente en ervaren jeugd professionals (duurzaam) kiezen voor een baan in de jeugdbeschermingsketen.
• Gecertificeerde instellingen: Zet de inspanningen om deskundig en competent personeel te werven en te behouden onverminderd voort, maak gebruik van elkaars ervaringen en ideeën op dit punt. In verband met de beschikbaarheid en tijdige inzet van passende hulp: • Gecertificeerde instellingen en gemeenten: In de Jeugdwet staat de verplichting dat de gecertificeerde instelling overlegt met de gemeente op casusniveau over welke jeugdhulp aangewezen is. Dit verplichte overleg is bedoeld zodat de gecertificeerde instelling op de hoogte is van het ingekochte hulpaanbod. Voorkom dat deze verplichting vertraging van de inzet van de benodigde hulp veroorzaakt, bijvoorbeeld als overeenstemming uitblijft. Voorop staat dat de gecertificeerde instelling bepaalt welke hulp een jongere nodig heeft en dus ingezet moet worden. De jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders hebben de (wettelijke) verantwoorde lijkheid om veilige, doeltreffende, doelmatige en cliënt gerichte hulp in te zetten. Hierbij geldt overigens dat over jeugdhulp die rechtstreeks voortvloeit uit een strafrechterlijke beslissing geen wettelijk verplichting tot overleg met de gemeente is.
• Gecertificeerde instellingen en gemeenten: Onderzoek de mogelijkheden om eerder, dat wil zeggen vóór de fase van multidisciplinaire besluitvorming bij de gecertificeerde instelling, in samenwerking met gezin, zorgaanbieders en financier gezamenlijk te komen tot een besluit over passende hulp (al dan niet in de vorm van maatwerk). • Gecertificeerde instellingen: Heb in gesprek met gemeenten over de benodigde hulp op casusniveau scherp dat jeugdbeschermers en jeugdreclass- eerders de (wettelijke) verantwoordelijkheid hebben om veilige, doeltreffende, doelmatige en cliëntgerichte hulp in te zetten en maak – indien snelle overeenstemming uitblijft – gebruik van de doorzettingsmacht die bij deze eindverant woordelijkheid hoort. • Gecertificeerde instellingen en gemeenten: Zorg ervoor dat rechterlijke uitspraken worden uitgevoerd. Dit betekent dat de gemeente zorgt voor tijdige beschik baarheid van deze opgelegde jeugdhulp en dat de gecertifi ceerde instellingen de gemeenten informeren over problemen hierbij. Denk bijvoorbeeld met de jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder mee om maatwerk mogelijk te maken. Zodat door kinderrechters en/of jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders noodzakelijk geachte hulp, zonder vertraging beschikbaar komt. • Gemeenten: Stel verwijzingen of indicaties van jeugdbeschermers of jeugd- reclasseerders niet ter discussie.
Het overleg dat op casusniveau plaatsvindt over de noodzakelijke hulp mag niet zijn ingegeven door (financiële) tekorten. In verband met het ontbreken van financiële zekerheid van de gecertificeerde instellingen: • Gemeenten: Zorg voor voldoende financiële zekerheid voor de gecertifi- ceerde instellingen, zodanig dat de beschermings- en reclasseringstaak adequaat kan worden uitgevoerd en de instellingen voldoende bestaanszekerheid hebben. • Gecertificeerde instellingen: Maak duidelijk wat nodig is aan kennis, competenties, tijd en ruimte van jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders en de hierbij behorende financiële middelen om de jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringstaak adequaat te kunnen uitvoeren. • Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Minister voor Rechtsbescherming: Zorg voor een financieringssystematiek die ertoe leidt dat de gecertificeerde instellingen hun verantwoordelijkheid daadwerkelijk kunnen waarmaken. College van burgemeester en wethouders - 14 januari 2020 - 2020_B&W_0001147/48 Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd - IGJ en IJenV - november 2019 | 27 Dit is een uitgave van Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd Bezoekadres Stadsplateau 1 | 3521 AZ | Utrecht IGJ.nl Postadres Postbus 2518 | 6401 DA Heerlen november 2019 College van burgemeester en wethouders - 14 januari 2020 - 2020_B&W_0001148/48