2.4 OD 20231005 geconsolideerde versie GR OD IJsselland
Tekst van het document
Hoofdstuk 8 Wijziging, toetreding en uittreding De deelnemers zijn wettelijk verplicht samen te werken in een gemeenschappelijke regeling met openbaar lichaam. In dit hoofdstuk wordt geregeld hoe toe- of uitgetreden kan worden. Opheffing van de gemeenschappelijke regeling is, gelet op het verplichte karakter, evenmin mogelijk. De Wgr bepaalt echter dat regelingen die voor onbepaalde tijd worden aangegaan bepalingen inhoudingen over de wijziging, toetreding en uittreding van deelnemers (artikel 9 Wgr). De bepalingen uit hoofdstuk 8 zien op deze verplichting. 1 Wet gemeenschappelijke regelingen hoofdstuk 4, afdeling 3, paragraaf 7. Geldt voor een regeling getroffen tussen gemeenten en provincies met openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie of gemeenschappelijk orgaan. 32 Artikel 30 Wijziging Voor het wijzigen van de regeling is een daartoe strekkend besluit van alle colleges nodig. Het dagelijks bestuur zendt de deelnemers vervolgens het voorstel tot het wijzigen van de regeling. Voordat de colleges een voorlopig besluit nemen tot het wijzigen van de regeling, dient er eerst een zienswijzeprocedure te doorlopen worden. Dit betekent dat de raden in de gelegenheid worden gesteld om hun zienswijzen kenbaar te maken over de ontwerpregeling.
Vervolgens kan het algemeen bestuur overgaan tot vaststellen van de ontwerpregeling en start de procedure voor besluitvorming bij de deelnemers. Voordat de colleges kunnen overgaan tot definitieve besluitvorming, moeten de raden (resp. Provinciale Staten) eerst de benodigde toestemming geven. Colleges kunnen pas instemmen met de wijziging na verkregen toestemming van de raden/staten. Het is ook mogelijk dat de colleges (nog) niet kunnen instemmen met de ontwerpwijziging en zienswijzen indienen. Het algemeen bestuur zal op basis van de ingediende zienswijzen tot een aanpassing van het ontwerpbesluit kunnen besluiten dat dan weer opnieuw wordt voorgelegd aan de deelnemers. De wijziging van de regeling komt tot stand op het moment dat het algemeen bestuur vaststelt dat alle colleges hebben ingestemd met de wijziging (overeenkomstig artikel 51 Wgr). De wijziging van de regeling treedt overigens pas in werking nadat zij is bekendgemaakt. Artikel 31 Toetreding Toetreding geschiedt door een besluit van het toetredende bestuursorgaan en de deelnemers aan de gemeenschappelijke regeling (art. 51 derde lid jo eerste lid Wgr). Hiervoor is wel toestemming van de gemeenteraad respectievelijk Provinciale Staten nodig (art. 51 derde lid jo. tweede lid Wgr). Het algemeen bestuur bepaalt wanneer de toetreding ingaat (tweede lid). Het algemeen bestuur stelt een toetredingsvergoeding vast.
Dit is een extra financiële bijdrage die gevraagd wordt van deelnemers die op een later moment toetreden. Van hen wordt een weerstandsbijdrage gevraagd, waarvan de hoogte bepaald wordt door hun procentuele aandeel in de totale financiële bijdrage van alle deelnemers, gerelateerd aan de stand van het weerstandsvermogen per 1 januari van het jaar waarin toetreding plaats vindt. De ratio hierachter is dat de huidige deelnemers dit weerstandsvermogen samen gevormd hebben als buffer voor toekomstige risico’s binnen Omgevingsdienst IJsselland en het reëel is dat later toetredende deelnemers hierin ook bijdragen. Artikel 32 Uittreding Ook bij een omgevingsdienst is het mogelijk uit te treden, denk bijvoorbeeld aan een herindeling. Het nieuwe artikel 32 geeft als het ware een chronologische volgorde voor het uittreden. Het college maakt het voornemen tot uittreding kenbaar aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur zal in de praktijk ook de andere deelnemende colleges hiervan op de hoogte stellen. Het dagelijks inventariseert vervolgens de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding. Deze zaken worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan.Dit doet het dagelijks bestuur niet zelf, maar hiervoor wordt een onafhankelijk deskundige ingeschakeld.
Deze wordt aangewezen door het algemeen bestuur, op basis van een gezamenlijke voordracht van het college van de uittredende gemeente en het dagelijks bestuur. 33 Het uittredingsplan bevat in ieder geval de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens zal in het plan stil moeten worden gestaan bij zaken als: a. de financiële gevolgen voor de andere gemeenten; b. voorwaarden en andere verplichtingen voor de uittredende gemeente, die aan de uittreding worden verbonden; c. afspraken om de uittreding en de uitvoering van het uittredingsplan bestuurlijk, financieel, juridisch en feitelijk in goede banen te leiden. De inventarisatie van de gevolgen zal in de praktijk gebeuren in samenwerking met de uittredende gemeente, met de andere colleges en met eventueel andere betrokken partijen (bijv. de partij die bepaalde taken gaat overnemen). Dit mede om goede afspraken te maken met het oog op het zoveel mogelijk beperken van de kosten gemoeid met de uittreding. Voor wat betreft de financiële gevolgen die in het uittredingsplan worden onderscheiden is het te overwegen om in elk geval de volgende kostensoorten te onderscheiden: a. frictiekosten (eenmalige personele en materiële kosten als gevolg van het uittreden); b.
desintegratiekosten (kosten voor afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s); c. direct en op termijn vervallen kosten (kosten die vervallen bij de uittreding en daaraan verbonden overname van taken); d. schaalnadelen (kosten die niet wijzigen als gevolg van het uittreden); e. aandeel in de reserves en voorzieningen. Als het uittredingsplan in concept gereed is kan het college dat het voornemen heeft om uit te treden hier nog op reageren. Na vaststelling van het uittredingsplan door het AB neemt het college dat het voornemen heeft om uit te treden een definitief besluit. Hiervoor moet het college overigens ook toestemming hebben van de eigen raad. Na het definitieve uittredingsbesluit treedt de opzegtermijn in werking van (tenminste) een vol kalenderjaar. De uittredende gemeente moet de financiële verplichtingen die zijn opgenomen in het uittredingsplan binnen zes maanden nadat het uittredingsplan is vastgesteld en het college definitief heeft besloten uit te treden voldoen. Daarvan kan worden afgeweken als het algemeen bestuur hiervoor unaniem een andere termijn vaststelt. Denk bijvoorbeeld aan het hanteren van een afbouwregeling over enkele jaren.
34 Artikel 33 Beëindiging facultatieve taken op basis van inbreng van personeel Het terugbrengen van het aantal facultatieve taken kan voor Omgevingsdienst IJsselland leiden tot desintegratiekosten. Artikel 32 ziet op de financiële afwikkeling hiervan. Ook hier is het uitgangspunt dat de desintegratiekosten ten laste komen de deelnemer die zijn pakket terugbrengt. De regels over uittreding zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 34 Beëindiging facultatieve taken op basis van overeenkomst Op de vermindering of beëindiging van facultatieve taken die op basis van overeenkomst worden afgenomen, zijn de bepalingen in de desbetreffende overeenkomst van toepassing. Artikel 35 Opheffing en liquidatie Een gemeenschappelijke regeling kan niet met één deelnemer bestaan. Stel dat slechts één deelnemer de regeling niet wil opheffen, dan wordt de regeling alsnog opgeheven. Immers, je kan niet alleen een gemeenschappelijker regeling voortzetten. Om die reden wordt gesproken van ‘alle deelnemers minus één’. Het algemeen bestuur stelt, in geval van opheffing, een liquidatieplan vast en hoort daartoe de raden en staten (tweede lid). Het liquidatieplan bevat ten minste de gevolgen van de opheffing bij zowel een batig als negatief saldo (derde lid). Het liquidatieplan bevat tevens een sociaal plan en de personele gevolgen (vierde lid). De ondernemingsraad wordt daarbij betrokken.
De colleges besluiten als deelnemer tot opheffing van de regeling. Hoofdstuk 9 Overige bepalingen Artikel 36 Archief Het uitgangspunt is dat alle deelnemers de zorg blijven houden voor hun eigen archiefbescheiden, ook voor de taken die in mandaat worden uitgevoerd. Het archiefbeheer wordt dan ook niet gemandateerd. De reden hiervan is dat archiefbeheer aan bepaalde wettelijke eisen moet voldoen, zoals het Referentie Informatiemodel Handhaving en ZTC. Dit vereist een bepaalde deskundigheid bij het archiefbeheer. Omgevingsdienst IJsselland beschikt over onvoldoende capaciteit en expertise om aan deze eis voor alle deelnemers te voldoen. Dit betekent dat alle archiefbescheiden die door Omgevingsdienst IJsselland in een bepaald dossier worden geproduceerd, worden overgedragen aan het desbetreffende bevoegd gezag. Toch heeft ook de Omgevingsdienst een eigen verplichting tot archivering. Dit geldt voor de eigen taken die de Omgevingsdienst op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen heeft én voor andere taken op grond van de wet, zoals bijvoorbeeld de bestuurlijke strafbeschikking. Voor al deze taken is het bestuur van de Omgevingsdienst zelf verantwoordelijk en dus ook verplicht iets te regelen rond archivering. Daar ziet deze bepaling op. Zoals hierboven beschreven geldt dit dus niet voor de door de deelnemers gemandateerde taken.
Daarbij zijn de deelnemers zelf verantwoordelijkheid voor archivering. Artikel 37 Geschillen Uitgangspunt van de regeling is dat in eerste instantie wordt geprobeerd om op informele wijze tot een oplossing van geschillen te komen. Indien dit niet leidt tot een oplossing, zijn de wettelijke bepalingen van de Grondwet (artikel 136) van toepassing. 35 Hoofdstuk 10 Slotbepalingen Artikel 38 Evaluatie De voorgestelde evaluatiebepaling is bedoeld en geformuleerd als een open bepaling. Dat wil zeggen: deze biedt ruimte voor verschillende aanleidingen en/of verzoeken van één of meer raden, colleges of andere bestuursorganen (inspecties, ministeries, provincie) om te evalueren. Het algemeen bestuur zal daarop een besluit nemen om de regeling of één of meer onderdelen daarvan al dan niet te evalueren. Als het AB tot evaluatie besluit zal het dagelijks bestuur een evaluatievoorstel aan de deelnemende colleges voorleggen. Het is goed om te benadrukken, dat ook elke gemeenteraad (of meerdere raden gezamenlijk) een evaluatieverzoek kan (kunnen) richten aan het algemeen bestuur van de GR. Dit kan in de praktijk via het College verlopen, wat goed past binnen de bestuurlijke verhoudingen en de principes van ‘verlengd lokaal bestuur’, maar ook een rechtstreeks verzoek is mogelijk. De concrete vorm en diepgang van de evaluatie worden aan het algemeen bestuur overgelaten.
De insteek is wel, dat een evaluatie zo spoedig mogelijk daarna gaat starten, maar de duur ervan hangt af van onderwerp, breedte, diepgang en vorm, die samen met de colleges worden ingevuld. Artikel 39 Looptijd Voor deze gemeenschappelijke regeling is geen einddatum bepaald. Artikel 40 Bekendmaking Conform de Wet moet de provincie deze gemengde regeling bekendmaken. Artikel 41 Citeertitel Spreekt voor zich.