CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

2.2 OD - 20231005 toelichting bij 2e wijziging GR OD IJsselland

Politieke Markt 12 december 2023, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Wijziging diverse gemeenschappelijke regelingen (GR)12.917 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Indien aan het algemeen bestuur blijkt dat een gemeente weigert deze uitgaven op haar begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan de gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet. Indien aan het algemeen bestuur blijkt dat de provincie weigert deze uitgaven op haar begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 198 en 199 van de Provinciewet. Geen wijzigingen. Begroting 32. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. Het dagelijks bestuur zendt jaarlijks vóór 15 april de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan Provinciale Staten en de raden van de deelnemers. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting acht weken voordat deze ter vaststelling aan het algemeen bestuur wordt toegezonden, doch uiterlijk 5 juni, toe aan de Provinciale Staten en de raden van de deelnemers. In de ontwerpbegroting wordt onder andere aangegeven welke bijdrage elke deelnemer verschuldigd is voor de uitvoering van de taken van het openbaar lichaam. De deelnemers kunnen binnen acht weken na toezending van de ontwerpbegroting van hun zienswijzen doen blijken.

Het dagelijks bestuur voegt, alvorens verzending van de ontwerpbegroting aan het algemeen bestuur plaatsvindt, de commentaren en zienswijzen van de deelnemers toe. Binnen twee weken na de vaststelling zendt het dagelijks bestuur de begroting aan de deelnemers, tenzij er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de ontwerpbegroting. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, en in ieder geval vóór 1 augustus, aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De bepalingen van artikel 59, eerste, derde en vierde lid van de Wet zijn niet van toepassing op wijzigingen van de begroting indien deze wijzigingen niet leiden tot een verhoging van de door de deelnemers verschuldigde bijdragen aan de Omgevingsdienst IJsselland. Begroting 28. De bepalingen van artikel 59, eerste, derde en vierde lid van de Wet zijn niet van toepassing op wijzigingen van de begroting indien deze wijzigingen niet leiden tot een verhoging van de door de deelnemers verschuldigde bijdragen aan de Omgevingsdienst IJsselland of een donatie of onttrekking aan een reserve. Alle bepalingen volgen reeds uit de wet. Om die reden staat het niet meer apart opgenomen in de regeling. Alleen voormalig lid 7 is blijven staan, waarbij het zodanig gewijzigd is zodat het overeenstemt met de bepaling uit de financiële verordening. Jaarrekening 33. 1. 2.

Het dagelijks bestuur biedt de voorlopige jaarrekening over het afgelopen kalenderjaar, met alle bijbehorende bescheiden, jaarlijks vóór 15 april aan aan het algemeen bestuur ter voorlopige vaststelling en aan Provinciale Staten en de raden van de deelnemers. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 juli volgend op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan Onze Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties en de deelnemers. 3. 4. a. b. a. b. Het algemeen bestuur kan besluiten de volgens de jaarrekening behaalde negatieve resultaten geheel of ten dele: af te boeken van het weerstandsvermogen voor zover toereikend; met in achtneming van de op grond van artikel 29 vastgestelde regeling ten laste te brengen van de deelnemers. Het algemeen bestuur kan besluiten de volgens de jaarrekening behaalde positieve resultaten geheel of ten dele: tot het op basis van artikel 30 vastgestelde maximum toe te voegen aan het weerstandsvermogen; met in achtneming van de op grond van artikel 29 vastgestelde regeling uit te keren aan de deelnemers. Jaarrekening 29. 1. 2. a. b.

Het algemeen bestuur kan besluiten de volgens de jaarrekening behaalde negatieve resultaten geheel of ten dele: af te boeken van het weerstandsvermogen voor zover toereikend; met in achtneming van de op grond van artikel 29 vastgestelde regeling ten laste te brengen van de deelnemers. Het algemeen bestuur kan besluiten de volgens de jaarrekening behaalde positieve resultaten geheel of ten dele: tot het op basis van de in de bijdrageverordening vastgestelde maximum toe te voegen aan het weerstandsvermogen; met in achtneming van de op grond van artikel 29 vastgestelde regeling uit te keren aan de deelnemers. Voormalige leden 1 en 2 zijn komen te vervallen, omdat deze reeds in de wet beschreven staan. Net als bij het artikel over de begroting en overige artikelen die reeds in de wet beschreven staan, is ervoor gekozen om deze niet nogmaals in de regeling te regelen. a. b. info artikel lid sub huidige tekst Hoofdstuk 7 Wijziging, toetreding, uittreding en opheffing Wijziging 34. 1. Deze regeling kan op voorstel van het algemeen bestuur worden gewijzigd door een daartoe strekkend besluit van alle deelnemende colleges met toestemming van hun gemeenteraden dan wel Provinciale Staten. 2. 3. 4.

Indien het algemeen bestuur een wijziging van deze regeling wenselijk acht, zendt het dagelijks bestuur de door het algemeen bestuur vastgestelde ontwerpwijziging met een toelichting aan de colleges van de deelnemende gemeenten en de provincie. De colleges hebben de gelegenheid binnen acht weken na dagtekening hun zienswijzen naar voren te brengen dan wel toestemming als bedoeld in artikel 51 van de Wet te vragen aan hun gemeenteraden dan wel Provinciale Staten en een besluit te nemen. Een wijziging van de regeling is tot stand gekomen wanneer ter vergadering van het algemeen bestuur blijkt dat alle colleges van de deelnemende gemeenten en de provincie tot de wijziging hebben besloten. info artikel lid sub huidige tekst Hoofdstuk 7 Wijziging, toetreding, uittreding en opheffing Wijziging 30. 1. 2. 3. Deze regeling kan op voorstel van het algemeen bestuur onderscheidenlijk op voorstel van een college worden gewijzigd door een daartoe strekkend besluit van alle colleges met toestemming van hun vertegenwoordigende organen. Indien het algemeen bestuur een wijziging van deze regeling wenselijk acht, zendt het dagelijks bestuur de door het algemeen bestuur vastgestelde ontwerpwijziging met een toelichting aan de colleges.

Een wijziging van de regeling is tot stand gekomen wanneer ter vergadering van het algemeen bestuur blijkt dat alle colleges overeenkomstig artikel 51 van de Wet tot de wijziging hebben besloten. Lid 3 vervallen omdat de wet een andere procedure voorschrijft. Toetreding 35. 1. 2. Tot de regeling kunnen uitsluitend colleges van gemeenten, de provincie, dagelijkse besturen van waterschappen en dagelijkse besturen van andere openbare lichamen toetreden. De deelname gaat in met ingang van een nader te bepalen datum, vastgesteld door het algemeen bestuur en het orgaan van de deelnemer . 3. Het algemeen bestuur stelt voor de nieuwe deelnemer een toetredingsvergoeding vast gerelateerd aan de stand van het weerstandsvermogen. Toetreding 31. 1. 2. 3. Tot de regeling kunnen uitsluitend colleges van burgemeester en wethouders, colleges van gedeputeerde staten of dagelijkse besturen van waterschappen toetreden. De deelname gaat in met ingang van een nader te bepalen datum, vastgesteld door het algemeen bestuur en het orgaan van de deelnemer . Het algemeen bestuur stelt voor de nieuwe deelnemer een toetredingsvergoeding vast gerelateerd aan de stand van het weerstandsvermogen. Redactionele aanpassing Uittreding 36. 1. 2. 3. 4. 5.

Indien een deelnemer na verkregen toestemming van zijn gemeenteraad/staten heeft besloten uit de regeling te treden, doet deze van het voornemen hiertoe mededeling aan het algemeen bestuur . Het algemeen bestuur zendt het voorgenomen besluit onverwijld aan de andere deelnemers. Indien een deelnemer wil uittreden, zal in het kader van de afwikkeling van de financiële gevolgen daarvan een toewijzing van personeel aan deze deelnemer plaatsvinden en/of zal er een compensatie verschuldigd zijn voor de rechten en verplichtingen die de Omgevingsdienst IJsselland voor de uitvoering van taken voor deze deelnemer is aangegaan. De hoogte van deze compensatie wordt nader bepaald door het algemeen bestuur op basis van de begroting over het jaar voorafgaand aan het jaar van uittreding en met inachtneming van de Bijdrageverordening. Op basis van de vastgestelde compensatie neemt de betreffende deelnemer een definitief besluit over uittreding uit de regeling. Hij zendt het definitieve besluit aan het algemeen bestuur . Het algemeen bestuur zendt het definitieve besluit van de deelnemer onverwijld aan de andere deelnemers. De uittreding uit de regeling treedt in werking met inachtneming van een termijn van een jaar, te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin het uittredingsbesluit, zoals bedoeld in het derde lid is toegezonden.

Na uittreding wordt de dienstverleningsovereenkomst als bedoeld in artikel 8 ontbonden, tenzij anders wordt overeengekomen. Uittreding 32. 1. Een deelnemer kan besluiten tot uittreding uit de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 51 van de wet en bij of krachtens artikel 18.21 van de Omgevingswet. Een deelnemer die wenst uit te treden maakt het voornemen tot uittreding per aangetekende brief kenbaar aan het algemeen bestuur . Ook bij een omgevingsdienst is het mogelijk uit te treden, denk bijvoorbeeld aan een herindeling. Het nieuwe artikel 32 geeft als het ware een chronologische volgorde voor het uittreden. Het college maakt het voornemen tot uittreding kenbaar aan het algemeen bestuur . Het algemeen bestuur zal in de praktijk ook de andere deelnemende colleges hiervan op de hoogte stellen. Het dagelijks inventariseert vervolgens de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding. Deze zaken worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan. Dit doet het dagelijks bestuur niet zelf, maar hiervoor wordt een onafhankelijk deskundige ingeschakeld. Deze wordt aangewezen door het algemeen bestuur, op basis van een gezamenlijke voordracht van het college van de uittredende gemeente en het dagelijks bestuur .

Het uittredingsplan bevat in ieder geval de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens zal in het plan stil moeten worden gestaan bij zaken als: a. de financiële gevolgen voor de andere gemeenten; b. voorwaarden en andere verplichtingen voor de uittredende gemeente, die aan de uittreding worden verbonden; c. afspraken om de uittreding en de uitvoering van het uittredingsplan bestuurlijk, financieel, juridisch en feitelijk in goede banen te leiden. De inventarisatie van de gevolgen zal in de praktijk gebeuren in samenwerking met de uittredende gemeente, met de andere colleges en met eventueel andere betrokken partijen (bijv. de partij die bepaalde taken gaat overnemen). Dit mede om goede afspraken te maken met het oog op het zoveel mogelijk beperken van de kosten gemoeid met de uittreding. Voor wat betreft de financiële gevolgen die in het uittredingsplan worden onderscheiden is het te overwegen om in elk geval de volgende kostensoorten te onderscheiden: a. frictiekosten (eenmalige personele en materiële kosten als gevolg van het uittreden); b. desintegratiekosten (kosten voor afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s); c.

direct en op termijn vervallen kosten (kosten die vervallen bij de uittreding en daaraan verbonden overname van taken); d. schaalnadelen (kosten die niet wijzigen als gevolg van het uittreden); e. aandeel in de reserves en voorzieningen. Als het uittredingsplan in concept gereed is kan het college dat het voornemen heeft om uit te treden hier nog op reageren. Na vaststelling van het uittredingsplan door het AB neemt het college dat het 2. Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan. 3. Het uittredingsplan bevat in ieder geval de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende deelnemer. 4. De kosten voor het uittredingsplan komen voor rekening van de uittredende deelnemer . 5. Voor het opstellen van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een onafhankelijke adviseur aan die in opdracht van het dagelijks bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt.

Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke adviseur aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur . Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke adviseur aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het algemeen bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger in het algemeen bestuur van de deelnemer die voornemens is uit te treden. 6. De onafhankelijke adviseur neemt bij het bepalen van de uittreedsom het bepaalde in dit artikel in acht en baseert zich daarbij op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van kenbaar maken van het voornemen van uittreding. Tevens kan de onafhankelijke adviseur bij de berekening van de uittreedsom een risico-opslag van maximaal 5% op de uittreedsom toepassen om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 7. De deelnemer die voornemens is uit te treden wordt gedurende een termijn van twaalf weken in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op het concept-uittredingsplan. 8.

Uiterlijk twaalf maanden nadat de deelnemer zijn voornemen tot uittreding overeenkomstig het eerste lid bekend heeft gemaakt stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend. 9. Het algemeen bestuur is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. Het algemeen bestuur onderzoekt in dat kader met de uittredende deelnemer de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Het voorgaande behoeft echter niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer. voornemen heeft om uit te treden een definitief besluit. Hiervoor moet het college overigens ook toestemming hebben van de eigen raad. Na het definitieve uittredingsbesluit treedt de opzegtermijn in werking van (tenminste) een vol kalenderjaar. De uittredende gemeente moet de financiële verplichtingen die zijn opgenomen in het uittredingsplan binnen zes maanden nadat het uittredingsplan is vastgesteld en het college definitief heeft besloten uit te treden voldoen. Daarvan kan worden afgeweken als het algemeen bestuur hiervoor unaniem een andere termijn vaststelt.

Denk bijvoorbeeld aan het hanteren van een afbouwregeling over enkele jaren. 10. a. b. Nadat het uittredingsplan is vastgesteld en het college definitief heeft besloten uit te treden, geldt voor de uittreding uit de regeling een opzegtermijn van 1 jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, is de uittredende gemeente gehouden om binnen 6 maanden de voor haar vastgestelde financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen, tenzij het algemeen bestuur unaniem tot het hanteren van een andere termijn besluit. Beëindiging structurele facultatieve taken 37. 1. 2. Een deelnemer kan het afnemen van facultatieve taken op basis van inbreng zoals genoemd in artikel 5 beëindigen. Op deze beëindiging zijn de bepalingen van artikel 36 tweede lid tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing. Beëindiging structurele facultatieve taken 33. 1. 2. Een deelnemer kan het afnemen van facultatieve taken op basis van inbreng zoals genoemd in artikel 5 beëindigen. Op deze beëindiging zijn de bepalingen van artikel 32 van overeenkomstige toepassing. Artikelverwijzing aangepast Beëindiging facultatieve taken op basis van overeenkomst 38. 1. 2. Een deelnemer of een derde kan het afnemen van facultatieve taken als genoemd in artikel 6 en 7 van deze regeling verminderen of beëindigen.

Vermindering dan wel beëindiging van het afnemen van facultatieve taken kan slechts plaatsvinden met inachtneming van de opzegtermijn die bij overeenkomst is vastgelegd. Beëindiging facultatieve taken op basis van overeenkomst 34. 1. 2. Een deelnemer of een derde kan het afnemen van facultatieve taken als genoemd in artikel 6 en 7 van deze regeling verminderen of beëindigen. Vermindering dan wel beëindiging van het afnemen van facultatieve taken kan slechts plaatsvinden met inachtneming van de opzegtermijn die bij overeenkomst is vastgelegd. Geen wijziging Opheffing en liquidatie 39. 1. 2. 3. 4. 5. Indien de wet dit toelaat, kan deze gemeenschappelijke regeling op voorstel van het algemeen bestuur worden opgeheven door een daartoe strekkend besluit van de betrokken bestuursorganen van de deelnemers met toestemming van hun gemeenteraad dan wel Provinciale Staten. Door het algemeen bestuur wordt een liquidatieplan vastgesteld na alle deelnemers te hebben geraadpleegd. In het liquidatieplan worden de financiële verplichtingen en de overige gevolgen van de opheffing geregeld. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Het liquidatieplan omvat een sociaal plan en voorziet in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel dat in dienst is van de Omgevingsdienst IJsselland.

Bij de ontbinding van het openbaar lichaam in verband met opheffing van de regeling of anderszins, blijft het openbaar lichaam voortbestaan voor zover dat voor de vereffening van het vermogen noodzakelijk is. Opheffing en liquidatie 35. 1. 2. De regeling kan worden opgeheven met instemming van alle deelnemers minus één, onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 18.21 van de Omgevingswet. Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de vertegenwoordigende organen gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze ter kennis van het college te brengen. Door het algemeen bestuur wordt een liquidatieplan vastgesteld na alle deelnemers te hebben geraadpleegd. In het liquidatieplan worden de financiële verplichtingen, de personele en de overige gevolgen van de opheffing geregeld. Het regelt ook de gevolgen van de door Omgevingsdienst IJsselland en haar organen gevormde archieven. De GR kan niet met één deelnemer bestaan, dus stel dat één deelnemer niet wil opheffen dan wordt de GR alsnog opgeheven, want je kan niet alleen een GR hebben. Om die reden is de zinsnede 'minus 1' toegevoegd en is het lid herschreven. Redactionele wijziging 3. 4. 5. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing.

Het liquidatieplan omvat een sociaal plan en voorziet in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel dat in dienst is van de Omgevingsdienst IJsselland. Bij de ontbinding van de Omgevingsdienst IJsselland in verband met opheffing van de regeling of anderszins, blijft de Omgevingsdienst IJsselland voortbestaan voor zover dat voor de vereffening van het vermogen noodzakelijk is. info artikel lid sub huidige tekst Hoofdstuk 8 Overige bepalingen Archief en Inrichtingenbestand 40. 1. De deelnemers zijn als bevoegd gezag verantwoordelijk voor het beheer van hun eigen archiefbescheiden. 2. 3. 4. 5. De Omgevingsdienst is verantwoordelijk voor een overdracht van archiefbescheiden die toekomen aan het bevoegd gezag op een zodanige wijze dat het bevoegd gezag in staat is om aan de wettelijke eisen voor archiefzorg te voldoen. Overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen regeling draagt het dagelijks bestuur zorg voor de eigen archiefbescheiden van de Omgevingsdienst. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid, en artikel 13, eerste lid, van de Archiefwet over te brengen archiefbescheiden van de Omgevingsdienst wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats aan. De Omgevingsdienst is bevoegd tot het beheer van het inrichtingenbestand dat in eigendom is van het bevoegd gezag. Archief en Inrichtingenbestand 36. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de bestuursorganen van de Omgevingsdienst IJsselland. De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van Omgevingsdienst IJsselland, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van de Omgevingsdienst IJsselland, die niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht. Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de bestuursorganen van de Omgevingsdienst IJsselland wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van een van de deelnemers. Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van de Omgevingsdienst IJsselland, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van de deelnemer, bedoeld in het vierde lid. De archivaris van de deelnemer, bedoeld in het vierde lid, brengt tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van de Omgevingsdienst IJsselland, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.

Het dagelijks bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de bestuursorganen van de Omgevingsdienst IJsselland. Gelet op de nieuwe Archiefwet, is het gehele artikel herschreven op een zodanige wijze dat voldaan wordt aan de wettelijke verplichting en bij inwerkingtreding van de nieuwe Archiefwet, de regeling hoogstwaarschijnlijk niet opnieuw gewijzigd moet worden. Geschillen 41. 1. 2. 3. Een eventueel geschil tussen een deelnemer en de Omgevingsdienst IJsselland wordt door de ene partij schriftelijk voorgelegd aan de andere partij met het doel om gezamenlijk tot overeenstemming te komen. Het algemeen bestuur kan ten behoeve van de beslechting van geschillen als bedoeld in het vorige lid een regeling vaststellen, onverminderd het bepaalde in artikel 136 van de Grondwet. Indien zich zaken voordoen waarin de gemeenschappelijke regeling of de reglementen van orde niet voorzien, treft het algemeen bestuur de nodige voorzieningen. Het algemeen bestuur doet van deze voorzieningen onverwijld mededeling aan de deelnemers. Geschillen 37. 1. 2. 3. Een eventueel geschil tussen een deelnemer en de Omgevingsdienst IJsselland wordt door de ene partij schriftelijk voorgelegd aan de andere partij met het doel om gezamenlijk tot overeenstemming te komen.

Het algemeen bestuur kan ten behoeve van de beslechting van geschillen als bedoeld in het vorige lid een regeling vaststellen, onverminderd het bepaalde in artikel 136 van de Grondwet. Indien zich zaken voordoen waarin de gemeenschappelijke regeling niet voorziet, treft het algemeen bestuur de nodige voorzieningen. Het algemeen bestuur doet van deze voorzieningen onverwijld mededeling aan de deelnemers. Geen wijziging info artikel lid sub huidige tekst Hoofdstuk 9 Slotbepalingen Evaluatie 42. Het algemeen bestuur voert een evaluatie uit van het functioneren van de regeling uiterlijk drie jaren na inwerkingtreding. info artikel lid sub huidige tekst Hoofdstuk 9 Slotbepalingen Evaluatie 38. 1. 2. Het algemeen bestuur kan besluiten om de regeling of één of meer onderdelen daarvan te evalueren. Indien het algemeen bestuur een wijziging van deze regeling wenselijk acht, zendt het dagelijks bestuur de door het algemeen bestuur vastgestelde ontwerpwijziging met een toelichting aan de colleges. Het dagelijks bestuur zal in dat geval een evaluatievoorstel voorleggen aan de deelnemers. In dit artikel is de keuze voor evalueren neergelegd bij het algemeen bestuur . Indien een raad (resp. Provinciale Staten) van één van de deelnemers behoefte heeft aan evaluatie, dan kan de raad (resp. Provinciale Staten) daarom verzoeken.

Daarnaast staat het de raad ook vrij om een rekenkameronderzoek uit te voeren. Ook staat het de raad ook vrij om zelf een externe in te huren. Deze instrumenten kan de raad - los van deze evaluatiebepaling - zelf inzetten. Looptijd 43. Deze regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd. Looptijd 39. Deze regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd. Geen wijziging Bekendmaking 44. 1. 2. Gedeputeerde staten zijn belast met de tijdige bekendmaking overeenkomstig artikel 53, eerste lid van de Wet. Deze regeling treedt in werking de dag volgend op die van bekendmaking. Bekendmaking 40. 1. 2. Gedeputeerde staten zijn belast met de tijdige bekendmaking overeenkomstig artikel 52, eerste lid, aanhef en onder l, en artikel 26 van de wet. Deze regeling treedt in werking de dag volgend op die van bekendmaking. Gewijzigde verwijzing naar wettekst opgenomen. Citeertitel 45. Deze regeling kan worden aangehaald als Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst IJsselland. Aldus vastgesteld op 22 december 2016 door de colleges van burgemeester en wethouders van de Overijsselse gemeenten en het college van gedeputeerde staten van de provincie Overijssel. Citeertitel 41. Deze regeling wordt aangehaald als Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst IJsselland. Redactionele wijziging

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/bac8e985-5d22-408f-b1ec-86234ccca40e?agendaItemId=0ee97938-696e-4bc4-91df-2e5b1cfef3eb