17.1 Uitgangspunten voorschoolse voorzieningen 2018-2021 - bijlage uitgangspuntennotitie.pdf
Tekst van het document
Uitgangspunten van het beleid voorschoolse voorzieningen 2018-2021 Gemeente Steenwijkerland versie 27 februari 2017 1 Inhoudsopgave 1. Inleiding ....................................................................................................................................................... 2 2. Het voorschools veld .................................................................................................................................. 2 2.1 Peuterspeelzaalwerk ....................................................................................................................... 2 2.2 Kinderopvang ................................................................................................................................ 3 2.3 Voor- en vroegschoolse educatie ..................................................................................................... 4 3. Gewijzigd rijksbeleid ten aanzien van voorschoolse voorzieningen ................................................... 6 4. Consequenties voor ouders en voorschoolse instellingen .................................................................... 9 5. Rol van de gemeente in het voorschools veld ....................................................................................... 11 6.
Visie en ambitie ......................................................................................................................................... 12 7. Uitgangspunten ........................................................................................................................................ 14 7.1 Doelgroep .................................................................................................................................... 14 7.2 Kwaliteit ..................................................................................................................................... 16 7.3 Financiële toegankelijkheid (ouderbijdrage) ................................................................................ 17 7.4 Fysieke toegankelijkheid en keuzevrijheid ................................................................................... 17 8. Doelstellingen ........................................................................................................................................... 19 9. Financieel .................................................................................................................................................. 21 Bijlage 1 Stip op de Horizon ........................................................................................................................
22 Bijlage 2 Huidige spreiding van voorzieningen ...................................................................................... 24 Begrippenlijst ................................................................................................................................................. 27 2 1. Inleiding In Steenwijkerland wonen 833 peuters (2 – 3 jarigen, peildatum 1 oktober 2015). Daarvan bezoeken 435 peuters een peuterspeelzaal en 297 een kinderdagverblijf. Een deel van deze peuters heeft een risico op taalachterstand, zij krijgen een specifiek educatief aanbod: voorschoolse educatie. Voor al deze kinderen, en vooral voor hun ouders, staan er belangrijke veranderingen voor de deur. Vanaf 1 januari 2018 verandert namelijk de wet- en regelgeving ten aanzien van voorschoolse voorzieningen. Deze wetswijziging staat bekend als ‘harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzalen’. Deze wijzigingen maken een herbezinning op het gemeentelijk beleid ten aanzien van de voorschoolse voorzieningen noodzakelijk. In deze notitie worden daarom (in paragraaf 8) de uitgangspunten geformuleerd voor het voorschools beleid in de periode 2018 -2021. 2. Het voorschools veld Met de term ‘voorschoolse voorzieningen’ doelen we in deze notitie op kinderdagverblijven en peuterspeelzalen. Deze voorzieningen verschillen onderling vooral als gevolg van verschillende ontstaansgeschiedenissen.
Peuterspeelzalen zijn ontstaan vanuit de behoefte om – in een tijdsgewricht waarin gezinnen steeds kleiner werden - een plek te creëren waar peuters met elkaar konden spelen en zich zo al spelenderwijs verder kunnen ontwikkelen. Kinderdagverblijven zijn ontstaan in een situatie waarin steeds vaker beide ouders werken waardoor er behoefte ontstond aan een opvangvoorziening van de kinderen. 2.1 Peuterspeelzaalwerk Wettelijk kader Gemeenten hebben al decennia lang bemoeienis met het peuterspeelzaalwerk. In 1987 werd de gemeente op grond van de Welzijnswet bestuurlijk en financieel verantwoordelijk voor het welzijnswerk, waar het peuterspeelzaalwerk onder viel. De Welzijnswet ging in 2007 op in de Wet Maatschappelijke Ontwikkeling (WMO), waarbij het peuterspeelzaalwerk viel onder het prestatieveld ‘opgroei- en opvoedingsondersteuning’. In 2015 werd de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor opgroei- en opvoedingsondersteuning opgenomen in de Jeugdwet. Op grond van deze wet is de gemeente verplicht om beleid te maken dat gericht is op het “voorkomen en de vroege signalering van en vroege interventie bij opgroei en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen” en “het versterken van het opvoedkundig klimaat in gezinnen, wijken buurten, scholen, kinderopvang en peuterspeelzalen”.
In de Wet Kinderopvang en Kwaliteitseisen Peuterspeelzalen zijn sinds 2010 wettelijke kwaliteitseisen opgenomen waar alle peuterspeelzalen aan moeten voldoen. Deze kwaliteitseisen verschillen van de kwaliteitseisen voor kinderdagverblijven. De gemeente is verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van de kwaliteit. Deze uitvoering van deze verantwoordelijkheid is wettelijk bij de GGD belegd. De praktijk in Steenwijkerland In Steenwijkerland subsidieert de gemeente al sinds jaar en dag het peuterspeelzaalwerk, dat wordt uitgevoerd door de Stichting Peuterspeelzalen Steenwijkerland (SPS). Het peuterspeelzaalwerk staat open voor alle peuters vanaf 2 jaar. Zij kunnen gedurende 2 dagdelen per week van het aanbod gebruik maken. Ouders betalen een vaste eigen bijdrage van € 45,00 per maand. Ouders met 3 een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm kunnen de kosten van de vaste ouderbijdrage via de bijzondere bijstand terugkrijgen (hoofdstuk 15 van de Leidraad Participatiewet Steenwijkerland). De jeugdgezondheidszorg stimuleert alle ouders om hun peuter een voorschoolse voorziening (kinderdagverblijf of peuterspeelzaal) te laten bezoeken. Op dit moment zijn er 17 peuterspeelzalen in onze gemeente, deze worden bezocht door 52% van alle Steenwijkerlandse peuters. Landelijk ligt het bereik op 38%. Een deel hiervan (landelijk ca.
9%) bezoekt zowel een peuterspeelzaal als formele kinderopvang. 2.2 Kinderopvang Wettelijk kader Het wettelijk kader voor de kinderopvang wordt gevormd door de We t Kinderopvang en Kwaliteitseisen Peuterspeelzalen. De bemoeienis van gemeenten met de kinderopvang is veel kleiner dan die met peuterspeelzalen. Op grond van deze wet is de gemeente alleen verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van de kwaliteit van de kinderopvang. De financiering van de kinderopvang is een gedeelde verantwoordelijkheid van ouders en rijksoverheid. Ouders betalen in eerste instantie zelf de kosten van de kinderopvang, en zij kunnen – onder voorwaarden – een inkomensafhankelijke kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) krijgen van de Belastingdienst. Eén van de voorwaarden is dat beide ouders werken en/of studeren dan wel dat er sprake is van een eenoudergezin waarbij de deze ouder betaald werk verricht of studeert. De eerste groep wordt in het vervolg van deze notitie ‘de tweeverdieners’ genoemd, de tweede groep de ‘alleenstaande eenverdiener’. Gemeenten kunnen voor specifieke doelgroepen, die geen recht hebben op KOT, een aparte regeling in het leven roepen om deze ouders toch tege moet te komen in de kosten van kinderopvang. Deze regeling staat veelal bekend onder de term ‘regeling sociaal medische indicatie’ (SMI) en valt onder de WMO.
De praktijk in Steenwijkerland In Steenwijkerland zijn er halverwege 2015 negen instellingen die kinderopvang in de leeftijd van 0-4 jaar aanbieden. Samen hebben zij 18 locaties, waar in totaal 297 peuters (2 en 3-jarigen) gebruik van maken. Hiermee is het lokale bereik van peuters in de kinderopvang 36%. Het landelijk bereik ligt op 46%. Op grond van de Nadere regels tegemoetkoming kinderopvang sociaal medische indicatie Steenwijkerland (SMI) kunnen sommige niet-KOT-gerechtigde ouders van de gemeente een tegemoetkoming krijgen in de kosten van de kinderopvang. Hierbij gaat het om de volgende groepen ouders: a. ouders met een lichamelijke, zintuiglijke, verstandelijke of psychische beperking en voor wie is vastgesteld dat een of meer van deze beperkingen kinderopvang noodzakelijk maken, of b. ouders die een kind hebben ten aanzien van wie bij is vastgesteld dat kinderopvang in het belang van een goede en gezonde ontwikkeling van dat kind noodzakelijk is. 4 2.3 Voor- en vroegschoolse educatie Wettelijk kader Sommige peuters hebben extra stimulans nodig. Uit onderzoek blijkt dat met name kinderen va n laagopgeleide ouders het risico lopen op taalachterstand. Deze kinderen starten in het basisonderwijs over het algemeen met een met forse achterstand, die in de loop van de basisschool niet meer wordt ingelopen.
Er zijn evidence-based programma’s beschikbaar waarmee deze achterstanden aan de hand van een speelse methodiek kunnen worden teruggedrongen. Deze programma’s staan bekend onder de naam VVE-programma’s (programma’s voor Voor- en Vroegschoolse Educatie). De VVE-programma’s zijn gericht op kinderen van 2,5 (soms 2) tot en met 6 jaar. Op grond van de Wet op het Primair Onderwijs (hierna: WPO) is de gemeente sinds 2010 verplicht te zorgen voor een dekkend aanbod van VVE-plaatsen bij voorschoolse voorzieningen. De schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de vroegschoolse educatie: de uitvoering van de VVE-programma’s in de groepen 1 en 2. Vanwege het belang van een goede aansluiting tussen de voorschoolse en de vroegschoolse educatie, zijn gemeenten en schoolbesturen – op grond van de WPO – verplicht om met elkaar afspraken te maken over (onder andere) de doorgaande leerlijn en de resultaten van vroegschoolse educatie. Voor VVE gelden wettelijke kwaliteitseisen. Deze zijn beschreven in het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. De gemeente is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van deze wettelijke kwaliteitseisen. Deze verantwoordelijkheid is bij wet belegd bij de GGD. De onderwijsinspectie houdt daarnaast signaal-gestuurd toezicht op de kwaliteit van de uitvoering van VVE bij voorschoolse voorzieningen bij scholen.
Dit betekent dat toezicht pas aan de orde is als er – bijvoorbeeld op basis van de GGD-inspecties - signalen zijn dat de kwaliteit tekort schiet. Het toezicht van de onderwijsinspectie wordt in overleg met de gemeente vormgegeven. De praktijk in Steenwijkerland In Steenwijkerland wordt de Stichting Peuterspeelzalen Steenwijkerland gesubsidieerd voor de uitvoering van VVE-programma’s. De gemeente stelt, bovenop de wettelijke kwaliteitseisen, aanvullende eisen. Deze hebben onder andere betrekking op de (warme) overdracht van kinderen naar groep 1 en het aanleveren van gegevens ten behoeve van monitoring. De eerste twee peuterspeelzalen startten in 2001 met het aanbieden van VVE in Steenwijk W est en in De Gagels. Dit deden ze in samenwerking met vier scholen in de omgeving. Financiering vond plaats vanuit een rijksstimuleringsregeling. Toen de gemeente in 2010 wettelijk verantwoordelijk werd voor het realiseren van dekkend aanbod van VVE-plekken is het aantal peuterspeelzalen met een VVE-aanbod uitgebreid. VVE wordt momenteel op 8 peuterspeelzalen uitgevoerd. Alle leidsters op de VVE-speelzalen zijn specifiek geschoold in het werken met het programma. Peuters kunnen aan deze programma’s deelnemen vanaf een leeftijd van 2,5 jaar. De programma’s zijn het meest effectief als kinderen hier 10 uur per week, verspreid over drie of vier dagdelen, aan deelnemen.
Voor de eerste twee dagdelen betalen de ouders de vaste ouderbijdrage van € 45 ,00 per maand. Voor de twee extra dagdelen betalen ouders in Steenwijkerland een vaste bijdrage € 5,00 per maand. 5 Het consultatiebureau signaleert welke kinderen een verhoogd risico op taalachterstand hebben en stimuleert de ouders om gebruik te maken van het aanbod van voorschoolse educatie. In Steenwijkerland hadden in 2015 88 peuters een indicatie. Dit is 14% van alle peuters tussen 2,5 en 4 jaar. Naast de door de gemeente gesubsidieerde VVE-plekken werkt een aantal kinderdagverblijven met een wettelijk erkend VVE-programma. De leidsters zijn geschoold in het gebruik van dat programma en zij bieden het programma in principe aan onder dezelfde condities als de peuterspeelzalen. Dit VVE-aanbod wordt door de betreffende instellingen voor kinderopvang zelf bekostigd. De GGD beoordeelt op deze locaties wel de basiskwaliteit van de kinderopvangvoorziening, maar kijkt niet naar de kwaliteit VVE. Ook de onderwijsinspectie bezoekt deze locaties niet. 6 3. Gewijzigd rijksbeleid ten aanzien van voorschoolse voorzieningen In de vorige paragraaf is kort ingegaan op de rijksregelgeving die van toepassing is op het voorschoolse veld.
Dit is samengevat in onderstaande tabel: Wettelijk kader Regelt (o.a.): Wet Kinderopvang en Kwaliteitseisen Peuterspeelzalen kwaliteitseisen kinderopvang en peuterspeelzalen toezicht op kinderopvang en peuterspeelzalen toezicht kwaliteit VVE financiering van kinderopvang Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie Wet op het Primair Onderwijs (WPO) verantwoordelijkheid van de gemeente ten aanzien van VVE verplicht overleg gemeente en schoolbesturen inz. VVE basis van de rijksbekostiging van VVE (gemeentelijke middelen) Besluit Specifieke Uitkeringen gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid 2011-2017 Hoogte van de rijksuitkering voor o.a. VVE Jeugdwet Gemeentelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van preventief jeugdbeleid Het rijk is voornemens om met ingang van 1 januari 2018 belangrijke wijzigingen aan te brengen in de Wet Kinderopvang en Kwaliteitseisen peuterspeelzalen, in het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie en in het Besluit Specifieke Uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid. De inhoud van deze wijzigingen staan verwoord in deze paragraaf. Wetsvoorstel innovatie en kwaliteit kinderopvang Op 21 februari 2017 heeft Tweede Kamer ingestemd met het wetsvoorstel ‘Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang’.
Met dit wetsvoorstel wordt de Wet Kinderopvang en Kwaliteitseisen Peuterspeelzalen aangepast. Doel van het wetsvoorstel is een volledige gelijkschakeling van de kwaliteitseisen voor de opvang van de leeftijdsgroep 2-4 jaar in combinatie met een algehele verhoging van de kwaliteit. De nog algemene kwaliteitseisen in de wet zullen nader geconcretiseerd worden in een Algemene Maatregel van Bestuur. In de vorige paragraaf is aangegeven dat peuterspeelzalen en kinderopvang verschillen in kwaliteit(seisen) (en in financieringsstructuur). Deze verschillen zijn historisch verklaarbaar, maar vanuit het perspectief van kinderen en ouders volstrekt onlogisch. Alle kinderen hebben baat bij goede voorschoolse voorzieningen, of de ouders nu werken of niet. Daarom is het rijksbeleid al jaren gericht op het verkleinen van de verschillende tussen beide voorzieningen . Een belangrijke stap hierin was de invoering van landelijke kwaliteitseisen voor het peuterspeelzaalwerk in 2010 via de Wet Ontwikkelingskansen en Educatie (Wet Oke), later gevolgd door nog weer verdere gelijkschakeling in met name de kwaliteitseisen. Tot op heden is er echter nog steeds sprake van verschillen in kwaliteit. Een belangrijk verschil is bijvoorbeeld dat peuterspeelzalen mogen werken met één beroepskracht en één vrijwillige leidster op de groep, daar waar kinderdagverblijven met twee beroepskrachten moeten werken.
Deze verschillen verdwijnen wanneer dit wetsvoorstel ook door de Eerste Kamer wordt aangenomen. De verwachting is dat de nieuwe wet op 1 januari 2018 in werking zal treden. 7 Wetsvoorstel harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk Op 21 februari 2017 heeft Tweede Kamer eveneens ingestemd met het wetsvoorstel ‘Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk’. Ook dit voorstel behelst (primair) het aanpassen van de Wet Kinderopvang en Kwaliteitseisen Peuterspeelzalen. Het doel van dit wetsvoorstel is om de financiële toegankelijkheid van voorschoolse voorzieningen voor werkende ouders via één kanaal vorm te geven, waardoor een gelijk speelveld ontstaat voor voorschoolse voorzieningen. In de vorige paragraaf is aangegeven dat peuterspeelzalen en kinderopvang niet alleen verschillen in kwaliteit(seisen), maar ook in financieringsstructuur. Peuterspeelzalen worden als basisvoorziening gesubsidieerd door gemeenten. Kinderopvanginstellingen zijn marktpartijen, die de kosten in rekening brengen bij ouders. Ouders kunnen van de Belastingdienst een tegemoetkoming in de kosten ontvangen (de KOT). Door deze verschillen in financieringsstructuur kan oneerlijke concurrentie ontstaan, waardoor de gesubsidieerde peuterspeelzaal voor ouders goedkoper kan zijn dan een kinderopvanginstelling.
Of deze oneerlijke concurrentie zich voordoet, hangt af van het inkomen van de ouders en het gemeentelijk beleid ten aanzien van onder andere de ouderbijdrage. De kern van dit wetsvoorstel is dat het onderscheid tussen kinderopvang en peuterspeelzalen volledig verdwijnt. Wat thans nog het peuterspeelzaalwerk is, wordt onder de definitie van de kinderopvang gebracht. Hierdoor wordt het rijk verantwoordelijk voor de financiële tegemoetkoming (de KOT1) aan alle werkende ouders (tweeverdieners en alleenstaande eenverdieners), ongeacht of zij gebruik maken van een voormalige peuterspeelzaal of van een traditionele kinderopvangorganisatie. Na invoering van het wetsvoorstel is de gemeente verantwoordelijk voor de bekostiging van kortdurende peuteropvang2 voor kinderen van niet- KOT-gerechtigde ouders: (kostwinnergezinnen, werkloze eenoudergezinnen en gezinnen waarbij beide ouders geen werk hebben). Daarbij maakt het niet uit of deze kinderen naar een voormalige peuterspeelzaal gaan of een kinderdagverblijf: het onderscheid tussen deze voorzieningen is immers vervallen. De verwachting is dat ook deze wet – nadat deze door de Eerste Kamer is aangenomen – op 1 januari 2018 in werking zal treden.
Wijziging in de bekostigingssystematiek VVE Op grond van de Wet op het Primair Onderwijs is de gemeente verantwoordelijk voor het realiseren van dekkend aanbod van VVE-plekken voor kinderen met een dreigende taalachterstand. Hiervoor ontvangt de gemeente rijksmiddelen uit de Specifieke Uitkering Onderwijsachterstandenbeleid. Het rijk werkt momenteel aan een andere verdeelsleutel voor de gemeentelijke onderwijsachterstandsmiddelen, waardoor het financiële perspectief voor onze gemeente op dit moment nog niet duidelijk is. 1 Momenteel wordt de KOT uitgevoerd door de belastingdienst. Het rijk is voornemens om met ingang van 1 januari 2020 over te gaan op ‘directe financiering’ van de kinderopvang. Dit betekent dat het rijk (i.c. DUO) de kinderopvanginstelling voortaan rechtstreeks betaalt en dat DUO een inkomensafhankelijke ouderbijdrage int. Het huidige systeem van KOT, uitgevoerd door de belastingdienst, komt dan te vervallen. De financiering via DUO geldt in eerste instantie alleen voor de KOT-gerechtigde ouders. 2 Kortdurende peuteropvang is opvang gedurende een deel van de dag (2 à 3 uur). Dit in tegenstelling tot de langdurende opvang, die de hele dag beslaat. 8 Verhogen kwaliteitseisen voorschoolse educatie Als de Eerste Kamer de wetsvoorstellen rondom de harmonisatie heeft vastgesteld, zal het kabinet het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie aanpassen.
Hiermee beoogt het kabinet een verhoging van de kwaliteit van VVE. Bestuursakkoord Naast een gelijkschakeling en kwaliteitsverhoging van peuterspeelzaalwerk en kinderopvang, heeft het kabinet de ambitie dat in 2021 alle peuters naar een voorschoolse voorziening kunnen gaan. De VNG onderschrijft deze ambitie en heeft hierover in april 2016 bestuursafspraken gemaakt met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 3. Kern van de afspraken is dat het rijk extra middelen toevoegt aan het gemeentefonds (oplopend tot 60 mln. in 2021) en dat gemeenten zich zullen inspannen om een financieel toegankelijk aanbod van peuteropvang doen aan niet-KOT gerechtigde ouders. De afspraken betreffen bestuurlijke afspraken en zullen niet leiden tot wijzigingen in het wettelijk kader. Context: krimp De wijziging van het rijksbeleid vindt in onze gemeente plaats in een context van ontgroening. Het aantal peuters neemt af. Dit zet de mogelijkheden onder druk om verspreid over de gemeente een rendabel thuisnabij voorschools aanbod te realiseren. Bij de uitgangspunten in paragraaf 8 wordt hier nader op ingegaan. In de bijlage is een overzicht opgenomen van de huidige spreiding van voorzieningen in de gemeente. De verwachte ontwikkeling van het aantal peuters is weergegeven in onderstaande tabel.
400 450 500 550 600 650 700 750 800 850 2020 2025 2030 2035 2040 Prognose aantallen peuters 2020 -2040 2,5 en 3 jarigen 2 en 3 jarigen 3 “Bestuurlijke afspraken: een aanbod voor alle peuters”, april 2016 9 4. Consequenties voor ouders en voorschoolse instellingen In de vorige paragraaf zijn de hoofdlijnen van het rijksbeleid ten aanzien van voorschoolse instellingen beschreven. Met name de aanpassingen van de Wet Kinderopvang en Kwaliteitseisen Peuterspeelzaalwerk hebben grote consequenties voor ouders, voor instellingen voor peuterspeelzaalwerk en voor de kinderopvangorganisaties. Deze worden hieronder beschreven. Ook voor de gemeente hebben de wetswijzingen grote gevolgen. Die gevolgen worden beschreven in de volgende paragraaf. Ouders Bij de ouders kunnen we drie groepen onderscheiden: - ouders die thans gebruik maken van de kinderopvang. Voor hen verandert er niets , behalve dat de wettelijke kwaliteitseisen waaraan hun kinderdagverblijf moet voldo en, omhoog zullen gaan; - KOT-gerechtigde ouders (tweeverdieners en alleenstaande eenverdieners) die thans gebruik maken van de peuterspeelzaal. Voor hen verandert het volgende: o de hoogte van de ouderbijdrage verandert. Daar waar deze ouders nu een vaste ouderbijdrage van € 45,00 per maand betalen, vallen zij vanaf 1 januari 2018 onder het regime van de KOT.
Grofweg kan gesteld worden dat de invoering van de KOT voor ouders met een inkomen tot € 40.000,00/€ 50.000,00 een daling van de kosten betekent. Voor ouders met een inkomen hierboven zullen de kosten naar verwachting stijgen. Waar het omslagpunt precies komt te liggen, hangt af van de uurprijs die de instellingen in rekening gaan brengen. Naarmate die hoger ligt, zal het omslagpunt bij de lagere inkomenscategorieën komen te liggen; o De administratieve afhandeling van de ouderbijdrage verandert. Waar ouders nu alleen de vaste bijdrage betalen aan SPS, zullen zij straks de volledige kosten van de opvang moeten betalen aan de instelling voor kinderopvang. Bij de Belastingdienst kunnen zij een inkomensafhankelijke tegemoetkoming (de KOT) aanvragen; - niet-KOT-gerechtigde ouders die gebruik maken van het peuterspeelzaalwerk. Of er voor hen straks wat verandert, hangt af van het gemeentelijk beleid ten aanzien van de ouderbijdrage. De uitgangspunten hieromtrent worden geformuleerd in paragraaf 7.3. Bovenstaande geldt zowel voor de ouders van kinderen met een VVE-indicatie als de ouders van kinderen zonder indicatie. De Stichting Peuterspeelzalen Steenwijkerland In Steenwijkerland wordt het peuterspeelzaalwerk verzorgd door de Stichting Peuterspeelzalen Steenwijkerland (SPS).
Voor SPS heeft de harmonisatie grote consequenties: - zij krijgt te maken met hogere kwaliteitseisen (waaronder de verplichting te werken me t twee beroepskrachten op één groep, daar waar sommige peuterspeelzalen nu nog werken met één beroepskracht en een vrijwilliger).; - zij krijgt te maken met een hybride financieringsstructuur: bij KOT-gerechtigde ouders brengen zij de kosten voortaan rechtstreeks in rekening (bij de ouders zelf). Voor niet-KOT gerechtigde ouders is de financieringswijze hangt af van het gemeentelijk beleid (zie paragraaf 7). Hoe dan ook vergt het feit dat de financiering voor werkende ouders via de KOT gaat lopen, een aanpassing van de financiële administratie van SPS; 10 - zij wordt één van de vele instellingen voor kinderopvang en ondervindt daardoor meer concurrentie. De mate waarin er concurrentie zal gaan ontstaan, hangt onder meer af van de keuzes die traditionele instellingen voor kinderopvang zullen maken (in hoeverre gaan zij kortdurende peuteropvang aanbieden) en van de beleidskeuzes van de gemeente (waar en onder welke voorwaarden betrekt de gemeente de plekken voor kortdurende peuteropvang en VVE?). Instellingen voor kinderopvang Steenwijkerland heeft relatief veel verschillende instellingen voor kinderopvang. Voor deze instellingen betekent de harmonisatie in ieder geval een verhoging van de kwaliteitseisen.
De overige consequenties hangen voornamelijk af van het gemeentelijk beleid: bij welke instelling(en) betrekt de gemeente de kortdurende peuteropvang en waar de VVE -plekken, en onder welke voorwaarden. In deze notitie worden de kaders voor deze keuzes geschetst. 11 5. Rol van de gemeente in het voorschools veld De huidige wettelijke verantwoordelijkheid van de gemeente in het voorschoolse veld is samengevat: - Het realiseren van voldoende VVE-plekken voor kinderen met een risico op taalachterstand (Wet op het Primair Onderwijs, art. 166); - Het maken van afspraken met schoolbesturen, voorschoolse instellingen over (Wet op het Primair Onderwijs, art 167): o vaststellen welke kinderen een risico op taalachterstand hebben; o het toeleiden van deze kinderen naar een VVE-aanbod; o het organiseren van een doorgaande leerlijn van voorschoolse naar vroegschoolse educatie; - Toezicht en de handhaving peuterspeelzaalwerk en kinderopvang, incl. het toezicht op de naleving van de wettelijke kwaliteitseisen VVE (Wet Kinderopvang en Kwaliteitseisen Peuterspeelzalen, art. 1.61 en 2.19). Deze formele wettelijke verantwoordelijkheid verandert niet na de harmonisatie. Wel is er – met het bestuursakkoord van de VNG en het rijk - de inspanningsverplichting bij gekomen een aanbod te doen aan peuters van niet-KOT-gerechte ouders. Daarnaast verandert de rol van de gemeente doordat: 1.
het peuterspeelzaalwerk gelijkgeschakeld wordt met kinderopvanginstellingen en daarmee een marktpartij wordt net als alle andere kinderopvangorganisaties; 2. het rijk de financiering overneemt van het peuterspeelzaalwerk voor KOT-gerechtigde ouders. Om dit te compenseren wordt de decentralisatie uitkering à €35 mln. stopgezet met ingang van 2018. Gemeenten ontvangen deze uitkering voor het versterken van de peuterspeelzaalwerk. Het gelijke speelveld dat ontstaat na invoering van de wijzigingen op de Wet Kinderopvang en Kwaliteitseisen Peuterspeelzalen, is direct van invloed op de wijze waarop de gemeente de haar wettelijk toebedeelde taken kan uitvoeren. Het subsidiëren van een basisvoorziening peuterspeelzaalwerk, zoals nu gebruikelijk, is immers niet meer mogelijk. De gemeente zal nieuwe keuzes en afspraken moeten maken over: - het beleggen van de verantwoordelijkheid voor VVE en het behoud van kwaliteit van het VVE-aanbod; - de financiële ondersteuning van verschillende doelgroepen; - de bekostigingssystematiek van kortdurende peuteropvang voor niet-KOT gerechtigde ouders terecht; - De wijze waarop de GGD haar toezicht uitvoert, passend bij de lokale ambities.
In de volgende twee paragrafen worden de uitgangspunten geformuleerd die leidend zullen zijn bij de inkoop- en/of subsidieafspraken, de hoogte van de ouderbijdrage, het kwaliteitsbeleid en de doorontwikkeling van het gemeentelijk beleid in de periode 2018 -2021. 12 6. Visie en ambitie De centrale ambitie Voorschoolse voorzieningen maken deel uit het van het sociaal domein. Het kader voor het gemeentelijke voorschoolse beleid wordt dan ook gevormd door het Beleidsplan Sociaal Domein. Onze centrale ambitie in het sociaal domein is: elke inwoner kan deelnemen aan het maatschappelijke, economische en sociale verkeer (zie beleidsplan sociaal domein 2017 -2020). Tegelijkertijd zien we dat de eisen die de samenleving stelt aan inwoners, steeds hoger worden. Hierdoor wordt voor een groeiende groep mensen steeds lastiger om zich zelfsta ndig staande te houden in de samenleving. De maatschappij verandert voortdurend. De kinderen van nu moeten worden voorbereid op banen die we nu nog niet eens kennen. Nieuwe kennis, nieuwe vaardigheden en nieuwe attitudes zullen zij nodig hebben voor die to ekomstige banen. Uit onderzoek blijkt keer op keer het belang van de voorschoolse leeftijd als het gaat om het aanleren van basale vaardigheden. Goede voorschoolse voorzieningen zijn onontbeerlijk om onze centrale ambitie in het sociaal domein waar te kunnen maken.
Zeker voor kinderen met een dreigende taalachterstand en kinderen die opgroeien in een kwetsbaar pedagogisch milieu en daardoor een risico lopen op achterstand in hun ontwikkeling. Deze achterstanden die op jonge leeftijd worden opgelopen blijken op latere leeftijd zeer lastig in te halen. Het voorkomen van tweedeling is de drijvende factor achter het voorschoolse beleid voor de komende vier jaar. Onze ambitie is dat alle peuters met een risico op een taalachterstand en de peuters die opgroeien in een kwetsbaar opvoedkundig milieu een kwalitatief hoogwaardige voorschoolse voorziening bezoeken. De focus in het voorschools beleid ligt dus bij kinderen met een risico op taalachterstand en kinderen die opgroeien in een kwetsbaar opvoedkundig milieu. Dit sluit aan bij de keuze in het Beleidsplan Sociaal Domein om de focus te leggen op kwetsbare inwoners. Tegelijkertijd zijn wij van mening dat goede voorschoolse voorzieningen van belang zijn voor alle kinderen. Wij zijn dan er dan ook trots op dat nu reeds alle kinderen van niet-KOT-gerechtigde ouders die dat willen, een peuterspeelzaal kunnen bezoeken. Dit willen we graag zou houden. Onze ambitie ten aanzien van het bereiken van doelgroepkinderen mag niet ten koste gaan van de beschikbaarheid van peuteropvang voor andere kinderen.
We streven niet alleen naar een groot bereik, maar ook naar een hoge kwaliteit die is toegesneden op de behoeften van de doelgroepen. Bij de kwaliteit gaat het niet alleen om harde criteria zoals de leidster-kind ratio en het vier-ogen principe, maar met name ook om de pedagogische en educatieve kwaliteit van de uitvoering. De doorgaande lijn met het onderwijs (vanaf groep 1) is daarbij van groot belang. Primair gaat het dan om goede inhoudelijke aansluiting (educatief en pedagogisch) met het onderwijs en een warme overdracht van kinderen. Op termijn ontstaan op deze manier mogelijk steeds meer integrale kind centra voor 0-12 jaar, waarbij de gemeente Steenwijkerland als uitgangspunt neemt dat de onderlinge samenwerking tus sen de verschillende partijen centraal staat. Het is bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van een (nieuwe) voorziening niet per definitie noodzakelijk om alle partijen onder één dak te plaatsen. Dit is per geval afhankelijk van de situatie en zal daarom per geval worden afgewogen. 13 De visie van onze (voor)schoolse instellingen Een groot aantal voorschoolse instellingen heeft, samen met twee grote schoolbesturen voor primair onderwijs, hun eigen visie op de voorschoolse voorzieningen geformuleerd. Deze is opgenomen in de bijlage (Stip op de Horizon). Wij zijn verheugd te constateren dat er grote overeenkomsten zijn tussen hun visie en die van de gemeente.
Dat biedt een goed fundament om onze ambitie te realiseren. Transformeren in het voorschools veld In het beleidsplan sociaal domein staat transformatie centraal. Drie transformatielijnen geven richting aan het beleid de komende vier jaar: - Versterken van preventie: het investeren in voorschoolse instellingen sluit hier naadloos op aan. Voorschoolse instellingen hebben immers een sterk preventieve functie. Niet alleen beginnen kinderen die VVE hebben gevolgd beter toegerust aan het onderwijs, de effecten doen zich ook vele jaren later nog voor in de vorm van bijvoorbeeld een hoger opleidingsniveau, minder schooluitval, minder werkloosheid, minder criminaliteit enz. Uit vele onderzoeken blijkt dan ook dat investeren in goede voorschoolse voorzieningen ook in financiële zin rendabel zijn; - Versterken van verbindingen: peuters die opgroeien in een kwetsbare thuissitu atie vormen vanaf 2018 expliciet een prioritaire doelgroep van het voorschools beleid. Hiermee wordt een verbinding gelegd tussen het domein van opvang/educatie en het domein van zorg (jeugdhulp). De verwachting is dat het bezoeken van goede voorschoolse voorzieningen voor deze doelgroep de inzet van jeugdhulp op latere leeftijd kan voorkomen/verminderen. Voorwaarde is dan wel dat deze voorzieningen een nauwe relaties onderhouden met de thuissituatie (en eventuele jeugdhulp).
Hier zal onder meer door middel van bekostigingsvoorwaarden op worden gestuurd. - Versterken van het opdrachtgeverschap: met ‘kwalitatief hoogwaardige voorzieningen’ doelen we op voorzieningen die zijn toegesneden op de behoefte van kinderen met een dreigende taalachterstand en kinderen die opgroeien in een kwetsbaar opvoedkundig milieu en daardoor risico lopen achterstand op te lopen in hun ontwikkeling. Er zullen heldere kwaliteitseisen worden gesteld aan de instellingen die deze doelgroepen opvangen. Daarnaast zal geïnvesteerd worden in het verhogen van de kwaliteit. 14 7. Uitgangspunten Zoals aangegeven in paragraaf 3 zullen er grote wijzingen worden doorgevoerd in de wettelijke kaders van het voorschoolse veld. Dit leidt er toe dat de lokale ‘spelregels’ moeten worden aangepast. Het huidige peuterspeelzaalwerk wordt één van de vele instellingen voor kinderopvang en kan niet meer exclusieve positie krijgen die het tot nog toe heeft gehad in het gemeentelijk beleid. Wij zullen ons dus moeten beraden op de vragen: - waar betrekken we peuteropvang? - voor welke doelgroepen? - onder welke voorwaarden? - wat verwachten we van de ouders? Bij het beantwoorden van deze vragen is de centrale ambitie zoals geformuleerd in paragraaf 6 leidend. De ‘spelregels’ ten aanzien van het voorschools veld zijn een van de instrumenten om sturing te geven.
De spelregels zullen neerslaan in een bekostigingssystematiek, inkoop - /subsidievoorwaarden en (indien nodig) lokale regelgeving (verordening of subsidieregeling). Daarnaast zullen er beleidsmaatregelen worden genomen om ambitie waar te kunnen maken. Deze beleidsmaatregelen zullen neerslaan een uitvoeringsplan voorschools beleid. Voor zowel de spelregels als het uitvoeringsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend. Deze zijn een afgeleide van de visie en ambitie uit paragraaf 6. 7.1 Doelgroep Voorschoolse voorzieningen richten zich op een brede doelgroep: alle kinderen zijn welkom en alle kinderen hebben belang bij voorzieningen van goede pedagogische en educatieve kwaliteit. Binnen de doelgroep onderscheiden wij de volgende subgroepen: 1. De VVE-doelgroep: kinderen met een risico op taalachterstand. Deze kinderen hebben met name behoefte aan een goed uitgevoerd educatief programma; 2. De ‘voorschoolse zorg-doelgroep’: kinderen die opgroeien in een kwetsbaar opvoedkundig klimaat en daardoor risico lopen op opgroeiproblemen. Zij hebben behoefte aan een positief opvoedklimaat waar veel aandacht is voor de sociaal-emotionele ontwikkeling en gedrag; 3. Kinderen van ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag. Dit zijn de kinderen in gezinnen waarvan één of beide ouders niet werken of studeren.
Voor alle kinderen is het van belang om zich – door te spelen met andere kinderen – te ontwikkelen. Uitgangspunt 1 De komende vier jaar hebben de eerste twee doelgroepen prioriteit in het gemeentelijk beleid ten aanzien van voorschoolse voorzieningen. Daarbij gaat het zowel om kinderen waarvan de ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag, als de kinderen van ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag. 15 Uitgangspunt 2 Voor alle kinderen van ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag blijft een aanbod van betaalbare kortdurende peuteropvang beschikbaar. Op dit moment signaleert de jeugdgezondheidszorg welke kinderen een risico hebben op taalachterstand en leidt hen toe naar een VVE-aanbod. Ook de kinderen zonder risico op een taalachterstand of opgroeiproblemen worden gewezen op de mogelijkheid om een voorschoolse voorziening te bezoeken. Dit zal in de periode 2018-2021 zo blijven. De jeugdgezondheidszorg onderzoekt van (bijna) alle kinderen de ontwikkeling en is als geen ander in staat om risico’s op achterstanden te signaleren. Dit geldt zowel voor de VVE-doelgroep als de kinderen die vanwege een kwetsbare thuissituatie een risico lopen op opgroeiproblemen. De jeugdgezondheidszorg zal dan ook de plek zijn waar de toeleiding van doelgroepkinderen naar het voorschools aanbod wordt belegd.
Met de decentralisatie van de jeugdhulp is de jeugdgezondheidszorg echter niet meer de enige logische plek om de verantwoordelijkheid voor de toele iding te beleggen. Ook het (gemeentelijke) toegangsteam ziet kinderen die mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd door een kwetsbare thuissituatie. Daarom kunnen ook de medewerkers van de toegang verwijzen naar een geschikt voorschools aanbod. Uitgangspunt 3 De jeugdgezondheidszorg 0-4 is verantwoordelijk voor het indiceren kinderen die behoren tot de VVE- doelgroep en de kinderen met een ‘voorschoolse zorgbehoefte’. De jeugdgezondheidszorg krijgt de opdracht deze kinderen actief toe te leiden naar een voorschoolse voorziening die past bij de behoefte van het kind. Uitgangspunt 4 Medewerkers van het gemeentelijke toegangsteam kunnen kinderen die vanwege een kwetsbare thuissituatie een risico lopen op opgroeiproblemen aanmerken als doelgroepkind en toeleiden naar een passend voorschools aanbod. Er is veel wetenschappelijk onderzoek naar de risicofactoren voor taalachterstand. Met name het opleidingsniveau van de ouders speelt een rol. Deze factoren zijn onder meer vervat in de ‘gewichtenregeling4’. De ontwikkeling van kinderen (waaronder de communicatieve ontwikkeling) wordt door de jeugdgezondheidszorg nauwlettend in de gaten de gehouden, onder meer aan de hand van het Van Wiechenschema.
Desalniettemin is het onmogelijk om één -op-één een taalachterstand te voorspellen. Er zijn kinderen die volgens de gewichtenregeling grote kans hebben op een taalachterstand, zonder dat er daadwerkelijk sprake is van een achterstand en vice versa. Een sluitende operationalisering van de VVE-doelgroep is daarom niet wenselijk. Er dient altijd ruimte te zijn voor de inschatting van de professional (de jeugdverpleegkundige of medewerker van de toegang). De gewichtenregeling en het Van Wiechenschema kunnen nuttige hulpbronnen zijn voor de professional om een risico op taalachterstand te detecteren. Maar het uiteindelijke oordeel is aan hem of haar. 4 De gewichtenregeling vormt de basis voor de verdeling van de rijksmiddelen onder basisscholen. Hoe meer kinderen met een risico op taalachterstand, hoe groter het budget. De regeling is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten in voorspellende factoren voor taalachterstand. 16 Dit geldt des te meer voor de doelgroep van kinderen die vanwege de kwetsbare thuissituatie een risico op opgroeiproblemen heeft. Ook hier zijn indicatoren bekend, zowel voor opgroeiproblemen als voor een kwetsbaar opvoedkundig milieu. Deze zijn echter minder goed objectiveerbaar dan de indicatoren voor de VVE-doelgroep.
Om de kinderen met een ‘voorschoolse zorgbehoefte’ te kunnen signaleren, moeten we daarom nog meer vertrouwen op het oordeel van de toeleidende professional. Uitgangspunt 5 De jeugdverpleegkundige maakt bij het signaleren van een risico op taalachterstand of opgroeiproblemen gebruik van de gewichtenregeling en het Van Wiechenschema. Het professionele oordeel van de jeugdverpleegkundige en/of de medewerker van het toegangsteam is echter doorslaggevend. 7.2 Kwaliteit Alle instellingen voor kinderopvang zullen vanaf 1 januari 2018 aan nieuwe kwaliteitseisen moeten voldoen, die hoger liggen dan de huidige wettelijke eisen. Hetzelfde geldt voor de wettelijke kwaliteitseisen met betrekking tot VVE. Ook deze zullen hoger liggen dan huidige eisen. Het waarborgen van de kwaliteit van voorschoolse voorzieningen is altijd al een speerpunt geweest in het gemeentelijk beleid. Daarom hebben we ook nu al afspraken gemaakt met voorschoolse voorzieningen (ook de niet-gesubsidieerde) over onder andere (warme) overdracht naar de basisschool en monitoring. De reeds gerealiseerde kwaliteit willen we voor alle kinderen overeind en de bestaande afspraken zullen daarom – naast de wettelijke kwaliteitseisen - als minimale bekostigingsvoorwaarden gaan gelden voor alle peuterplekken die door de gemeente gefinancierd worden (VVE, voorschoolse zorg en kinderen van niet-KOT gerechtigde ouders).
Zoals hierboven aangegeven ligt de prioriteit de komende vier jaar bij de kwetsbare kinderen. Deze prioriteit vertaalt zich onder meer in het stellen van aanvullende kwaliteitseisen die gelden als bekostigingsvoorwaarde voor de opvang van deze groepen. De kwaliteitseisen worden in samenspraak met voorschoolse instellingen ontwikkeld. Voor de kinderen met een ‘voorschoolse zorgindicatie’ (de tweede doelgroep) zullen deze met name betrekking hebben op de aansluiting tussen opvang en thuis (en indien nodig: jeugdhulp). Voor de kinderen met een dreigende taalachterstand zullen dit onder andere eisen zijn ter waarborging van de kwaliteit van VVE in een dunbevolkt gebied als het onze. Dit laatste heeft te maken met het feit dat een zekere concentratie van doelgroepkinderen wenselijk is vanuit het oogpunt van kwaliteit. Uit onderzoek blijkt namelijk dat de educatieve en pedagogische kwaliteit van het VVE aanbod hoger is op locaties waar meerdere doelgroepkinderen zijn. Dat zou er voor pleiten te streven naar een situatie waarin VVE op slechts een beperkt aantal locaties in Steenwijkerland wordt aangeboden. Het reële risico hiervan is echter dat ouders afzien van een VVE-aanbod omwille van de grote afstand tussen thuis en de VVE-voorziening.
We streven daarom niet naar concentratie van de doelgroepkinderen VVE, maar naar het versterken van de kwaliteit van VVE op elke locatie met een VVE-aanbod. Uitgangspunt 6 Bovenop de wettelijke kwaliteitseisen stellen we (als bekostigingsvoorwaarde) gemeentelijke kwaliteitseisen voor de opvang van alle doelgroepen (VVE, voorschoolse zorg en kinderen van niet-KOT gerechtigde ouders). 17 Uitgangspunt 7 In aanvulling op uitgangspunt 6, gelden voor de VVE-doelgroep en voor de voorschoolse zorgdoelgroep aanvullende specifieke kwaliteitseisen die zijn toegesneden op de behoefte van deze kinderen. Het voldoen aan deze kwaliteitseisen is een bekostigingsvoorwaarde. 7.3 Financiële toegankelijkheid (ouderbijdrage) De gemeente is verantwoordelijk voor de bekostiging van peuterplekken voor niet-KOT gerechtigde ouders. Aan ouders kan een – al dan niet inkomensafhankelijke - ouderbijdrage worden gevraagd. Een van de doelen van het kabinet is het creëren van een ‘gelijk speelveld’ tussen voorschoolse instellingen. Oneerlijke concurrentie moet voorkomen worden. Bij een eerlijk speelveld hoort dat de ouderbijdrage voor werkende en niet-werkende ouders gelijk is. Daarom wordt aan de ouders die geen recht hebben op KOT een inkomensafhankelijke ouderbijdrage gevraagd die gelijk is aan die van KOT-gerechtigde ouders.
Financiële toegankelijkheid is met name voor de doelgroepkinderen van groot belang. De kosten mogen echter geen belemmering vormen voor deelname aan een voorschoolse voorziening. Peuters met een risico op taalachterstand worden gestimuleerd om 10 uur (verspreid over 3 of 4 dagen) naar de peuteropvang te gaan. Het hoge aantal dagdelen kan leiden tot een hoge eigen bijdrage. Om dit te voorkomen worden de kosten voor de doelgroepkinderen voor het derde en vierde dagdeel gemaximeerd. NB: indien het VVE-aanbod wordt verspreid over drie dagdelen van 3,5 uur geldt dit uitgangspunt voor drie dagdelen, indien het VVE aanbod wordt verspreid over vier dagdelen van 2,5 uur geldt het uitgangspunt voor vier dagdelen. Uitgangspunt 8 Alle ouders die gebruik maken van een gemeentelijke peuterplek betalen een inkomensafhankelijke ouderbijdrage die gebaseerd is op de KOT-tabellen van de Belastingdienst. Uitgangspunt 9 De kosten voor het derde (en eventueel vierde) dagdeel VVE worden voor ouders van VVE-kinderen en kinderen met een voorschoolse zorgindicatie gemaximeerd op € 5,00 per maand voor beide dagdelen tezamen, jaarlijks door het college aan te passen aan de prijsstijgingen. 7.4 Fysieke toegankelijkheid en keuzevrijheid Naast financiële toegankelijkheid is fysieke toegankelijkheid van belang. Keuzevrijheid staat daarbij voorop.
Ouders zijn vrij hun kind te plaatsen op de instelling van hun voorkeur. Ouders van doelgroepkinderen zullen echter gestimuleerd worden hun kind te plaatsen op instellingen die voldoen aan de kwaliteitseisen die horen bij hun indicatie. Fysieke toegankelijkheid in een gebied als het onze is soms lastig te organiseren. Niet in elke kern zal een peuteraanbod gedaan kunnen worden dat voldoet aan de behoeften van d e (doelgroep)kinderen. Bij de uitwerking van de kwaliteitseisen en in de bekostiging zal een balans worden gezocht tussen de gewenste kwaliteit vanuit het oogpunt van het kind en de 18 mogelijkheden en beperkingen van een kleinschalige setting. Desalniettemin kan het voorkomen dat in bepaalde kernen geen aanbod van kortdurende peuteropvang tot stand komt. Realiteit zal zijn dat in de kleinere kernen het aanbod onder druk komt te staan. Uitgangspunt 10 Ouders zijn vrij in de keuze van de voorschoolse voorziening. Kinderen met een indicatie worden gestimuleerd om een instelling te bezoeken die voldoet aan de kwaliteitseisen die horen bij hun indicatie. Uitgangspunt 11 Het tarief voor het derde en vierde dagdeel zoals genoemd bij uitgangspunt 9 geldt alleen vo or peuters die een voorziening bezoeken die voldoet aan de gemeentelijke kwaliteitseisen met betrekking tot de opvang van kinderen met de betreffende indicatie.
Uitgangspunt 12 Indien bestaand aanbod voor kortdurende peuteropvang dreigt te verdwijnen, zal de gemeente onderzoeken of en hoe peuters in dat gebied toch van het juiste aanbod gebruik kunnen maken. 19 8. Doelstellingen Uit de ambitie vloeit voort dat we doelstellingen formuleren op het gebied van het bereik van doelgroepkinderen, het bereik van niet-doelgroepkinderen en de effectiviteit van het voorschoolse aanbod. Om de doelstellingen in perspectief te kunnen plaatsen worden hieronder eerste de huidige deelnamecijfers weergegeven en vervolgens in de laatste kolom de doelstellingen voor 2021. Tabel: bereik en doelstellingen voorschoolse voorzieningen STWL aantal 2015 % STWL 2015 Landelijk Doelstelling 2021 STWL VVE aandeel peuters met VVE-indicatie 88 13% n.v.t.1) deelname peuters met een VVE-indicatie aan volledig VVE-programma op peuterspeelzaal2) 36 41% n.v.t. deelname peuters met een VVE-indicatie aan een licht VVE-programma op een ‘plus-peuterspeelzaal’3) 20 23% n.v.t. deelname peuters met een VVE-indicatie aan een VVE- programma op een kinderdagverblijf4) 9 10% n.v.t. totaal bereik VVE-doelgroep 65 74% n.v.t. 85% Doelgroep ‘zorg’ Deelname peuters met een zorgindicatie aan een passend voorschools aanbod N.v.t. n.v.t. N.v.t.
85% Totaal bereik voorschoolse voorzieningen bereik peuterspeelzaal 435 52% 38% bereik kinderdagverblijf 297 36% 46% totaal bereik 732 88% 84% totaal gecorrigeerd voor dubbelgebruik (9%)5) 666 80% 75% 100% 1) elke gemeente is vrij om te de doelgroep van VVE te bepalen. Hierdoor verschillen de doelgroepdefinities van gemeente tot gemeente en is een vergelijking van het bereik niet zinvol. 2) een volledig VVE-programma is een programma waaraan kinderen van 2,5 tot 4 jaar gedurende minimaal 10 uur per week deelnemen. 3) een plus-peuterspeelzaal ontvangen kinderen tussen de 2 en 3 jaar gedurende 2 dagdelen het reguliere aanbod en de kinderen van 3 jaar gedurende 3 dagdelen een ‘light’ aanbod. 4) de kwaliteit van de uitvoering van VVE op kinderdagverblijven wordt niet door de gemeente of de GGD getoetst. 5) landelijk bezoekt 9% van de peuters die een kinderdagverblijf of peuterspeelzaal bezoeken ook de andere werksoort. Zij maken dus gebruik van én kinderopvang én peuterpeelzaal. Toelichting doelstelling VVE Voor de huidige groep kinderen met een dreigende taalachterstand, zijn er op dit m oment drie soorten VVE-aanbod: volwaardig VVE-aanbod op peuterspeelzalen, een lichter VVE-aanbod op peuterspeelzalen en een VVE-aanbod op kinderdagverblijven (waarvan de kwaliteit niet door de gemeente wordt gecontroleerd).
In 2016 nam in totaal 74% van alle peuters met een VVE-indicatie deel aan een van deze drie vormen van VVE. We willen het bereik van VVE vergroten tot 85 % van de doelgroep en tegelijkertijd toewerken naar één kwaliteitskader dat van toepassing is op alle instellingen die VVE aanbieden. 20 Toelichting doelstelling doelgroep ‘voorschoolse zorg’ Op dit moment vormen de kinderen die omwille van een kwetsbare thuissituatie baat hebben bij een goede voorschoolse voorziening nog geen doelgroep van het gemeentelijk beleid. Weliswaar kunnen niet-KOT-gerechtigde ouders die vanwege een beperking niet voor hun kind kunnen zorgen een beroep doen op de SMI-regeling, maar de bepalende factor bij de SMI regeling is de beperking van de ouder en niet de behoefte van het kind. De doelgroep van de SMI -regeling overlapt daardoor wel met de ‘voorschoolse zorgdoelgroep’, maar is niet precies gelijkluidend. Daardoor hebben we geen zicht op de omvang van deze doelgroep, evenmin op het bereik van deze kinderen. De bedoeling is dat de jeugdgezondheidszorg 0-4 jaar en de medewerkers van de toegang deze kinderen indiceren en toeleiden naar een passende voorschoolse voorziening. Het streven is dat in 2021 85% van de kinderen met een indicatie ‘zorg’ daadwerkelijk een voorschoolse voorziening bezoekt die past bij hun situatie. Voor deze doelgroep worden aparte kwaliteitseisen ontwikkeld.
Toelichting op de doelstelling t.a.v. totaal bereik voorschoolse voorziening Het rijk stelt middelen beschikbaar om het bereik van de groep niet -KOT kinderen te vergroten. Het doel van deze middelen is dat in 2021 alle peuters van 2,5-4 jaar een voorschoolse voorziening bezoeken. De gemeente heeft hiertoe een inspanningsverplichting. In Steenwijkerland is het gebruik van voorschoolse voorzieningen vrij hoog (80%). Dit willen minstens han dhaven. In navolging van de verplichting die het rijk stelt aan de decentralisatie -uitkering streven we ernaar dat in 2021 100% van kinderen een voorschoolse voorziening bezoekt. Hiertoe zal de jeugdgezondheidszorg alle kinderen (ook de KOT-gerechtigde kinderen) blijven stimuleren om een voorschoolse voorziening te bezoeken. Daarbij tekenen we wel aan dat 100%-bereik een zeer ambitieuze doelstelling is. Er zullen immers altijd ouders zijn die om welke reden dan ook ervoor kiezen om hun kind niet naar een voorschoolse voorziening te laten gaan, maar naar bijvoorbeeld een gastouder. Ook zijn er kinderen voor wie de reguliere voorschoolse voorzieningen geen geschikte plek zijn, omdat ze gebaat bij specialistische jeugdhulp op bijvoorbeeld een medisch kinderdagverblijf. Aanvullende doelstelling: effectiviteit VVE Vanzelfsprekend is deelname aan voorschoolse instellingen geen doel op zich.
De veronderstelling is dat deelname goed is voor de brede ontwikkeling van kinderen. De brede ontwikkeling van kinderen is lastig in kaart te brengen, zeker wanneer we ook de registratielasten beperkt willen houden. Daarom wordt in de periode 2018-2021 alleen de effectiviteit van VVE gemeten, aan de hand van de taalachterstand van de kinderen. De doelstelling luidt: Doelstelling VVE In 2021 is de taalachterstand van VVE-kinderen afgenomen ten opzichte van het peiljaar 2016. Deze doelstelling wordt met de schoolbesturen geoperationaliseerd in nadere resultaatafspraken. 21 9. Financieel Het huidige peuterspeelzaalwerk en VVE worden bekostigd uit een aantal bronnen. In onderstaande tabel staat de meerjarenprognose voor deze budgetten weergegeven. Bij deze cijfers moet worden opgemerkt dat het rijk momenteel bezig is om de verdeelsleutel voor het onderwijsachterstandenbeleid aan te passen, waardoor het financiële perspectief voor onze gemeente op dit moment nog niet duidelijk is. Vanaf 1 januari 2018 neemt het rijk een deel van de kosten van het huidig e peuterspeelzaalwerk over (namelijk van de KOT-gerechtigde/werkende ouders die thans gebruik maken van de peuterspeelzaal). Ter compensatie hiervan kort het rijk op de decentralis atie uitkering.
Tegelijkertijd ontvangt de gemeente op grond van het bestuursakkoord van VNG en Rijk een oplopend budget, waartegenover de inspanningsverplichting staat om alle peuters te bereiken. Uit bovenstaande tabel blijkt dat er een dip is in de jaren 2018 en 2019. De verwachting is dat de doelstellingen behaald kunnen worden met de middelen die vanaf 2020 in de begroting zijn opgenomen. Uitgangspunt 13 Het uitgangspunt is dat de harmonisatie budgettair neutraal wordt uitgevoerd vanaf 2020. Eventuele overschotten in 2016 en 2017 zullen als overbrugging gebruikt worden voor de tussenliggende periode. 22 oktober 2015 Stip op de horizon Kindvoorzieningen 2025 Steenwijkerland Aanleiding Vanaf 2015 zijn gemeenten geheel verantwoordelijk geworden voor de ondersteuning van de jeugd. Andere sociale wetten en regelingen op ge- bied van welzijn en zorg, participatie en (deels) passend onderwijs zijn ook gedecentraliseerd naar de gemeente. Daarnaast volgt er een harmonisatie van de voorschoolse voorzieningen uiterlijk vanaf 2018. Deze veranderingen zorgen ervoor dat de gemeente en de betrokken partijen op gebied van jeugd meer met elkaar zullen gaan samenwerken om op die manier de ondersteuning van jeugd en hun ouders integraal en effectiever aan te pakken.
In een wereld die steeds sneller ver- andert, wordt van de volwassenen van morgen nieuwe en andere talenten gevraagd, die beter aansluiten bij die toekomstige samenleving. 21e century skills De maatschappij verandert voortdurend en het onderwijs en de voorschoolse voorzieningen veranderen daarin mee. In de kenniseconomie die Nederland is, leiden we kinderen op dit moment op om in de toekomst te functioneren in de maatschappij. Een uitdagende taak, want hoe ziet hun toekomst er eigenlijk uit? Tachtig procent van de leerlingen die nu primair onderwijs genieten, zullen later banen hebben die we nu nog niet eens kennen. Nieuwe kennis, nieuwe vaardigheden en attitudes zullen zij nodig hebben voor die toe- komstige banen. De nieuwe compe- tenties laten zich omschrijven als de ‘21st century skills’. Dat zijn: samen- werken, probleemoplossend vermogen, ict-geletterdheid, creativiteit, kritisch denken, communiceren en sociale en culturele vaardigheden. En hoe vroeger je daar mee begint, des te meer heb je kans dat deze toekomstige professionals deze eigenschappen zich eigen hebben gemaakt. Landelijke initiatieven integrale kindcentra De ontwikkeling van integrale kind- centra kent al een lange geschiede- nis, maar is de laatste jaren in een stroomversnelling geraakt. Er zijn in Nederland verschillende initiatieven om de komst van deze kindcentra te stimuleren.
Deze initiatieven komen zowel uit het onderwijs, de kinder- opvangbranche als gemeenten. Voorbeelden daarvan zijn de IKC- kopgroep van de VNG, Kindcentra 2020 en initiatief ‘geef kinderen de ruimte’ van PO-Raad, Branche Kinderopvang en MOgroep. Deze stip op de horizon van Steenwijkland sluit hier nauw op aan, maar geeft ook een eigen ‘couleur lokale aan de initiatieven die door de partijen worden genomen. Lokale ontwikkelingen jeugd Steenwijkerland Demografische veranderingen, als krimp en vergrijzing, hebben hun invloed op de voorzieningen voor de jeugd, zowel binnen als buiten de school. En dat geldt ook voor veran- deringen in de arbeidsmarkt, zoals flexibilisering van werkverhoudingen en arbeidstijden. En tenslotte heb pagina 1 van 2 Stip op de horizon 2025 ben de bezuinigingen de afgelopen periode ook hun effecten gehad op de voorzieningen voor de jeugd. Daarom is het belangrijk om met partijen in Steenwijkerland samen te kijken naar toekomst van deze voorzieningen en de wijze waarop deze op lokaal niveau toekomstbestendig kunnen worden gemaakt met een hoge kwaliteit, met respect voor keuzevrijheid van ouders en met een stevige verankering in het lokale veld.
Stip op de horizon 2025 Dit gemeenschappelijke ideaalbeeld is niet een in beton gegoten afspraak tussen partijen, maar vooral bedoeld om samen invulling te gaan geven aan dat toekomstideaal en gaandeweg ook bereid te zijn met elkaar in gesprek te blijven over dit ideaal. Met dit toekomst- ideaal gaan partijen verder op lokaal niveau kijken waar zij concreet dit ideaal kunnen verwezenlijken met de betrokken partijen. Telkens zal er rekening gehouden worden met de wensen en behoeften van ouders en kinderen, de diversiteit van de verschillende partners, maar ook met de wet- en regelgeving en overige maatschappelijke veranderingen. Integrale kindcentra in Steenwijkerland De onderstaande partijen onderkennen de ontwikkeling dat op termijn er steeds meer integrale kindcentra voor 0 tot 12 jaar zullen gaan ontstaan waarbij onder een regisseur of meerdere regisseurs deze integrale kindcentra gaan werken, al of niet onder één dak. Dat geldt ook voor de gemeente Steenwijkerland. Stimulering integrale doorgaande lijn De partijen onderschrijven het belang van deze integrale kindcentra omdat hierdoor kinderen binnen een door- gaande lijn worden gestimuleerd in hun ontwikkeling en er meer kansen ontstaan voor het behoud van deze voorzieningen in de kernen en dorpen van Steenwijkerland.
De partijen in Steenwijkerland hebben de ambities om (op termijn) te gaan samenwerken met deze integrale kind-centra op een of andere wijze afhankelijk van wat lokaal de mogelijkheden zijn. Keuzevrijheid ouders voor voorzieningen Dit neemt niet weg dat ouders ook in 2025 een keuzevrijheid hebben wat betreft opvang en onderwijs en dat daardoor er een divers aanbod van opvang en onderwijs blijft bestaan. Het is aan de partijen zelf om te onder- zoeken op welke wijze zij zich gaan verhouden tot deze integrale kinder- centra en ander aanbod. Deze stip nodigt de partijen uit na te gaan den- ken over de wijze waarop zij zich hier- toe gaan verhouden en nodigt hen uit dit op lokaal niveau te gaan onderzoeken en eventueel uit te werken. Regierol gemeente Steenwijkerland De partijen onderschrijven het belang van de regierol van de gemeente Steenwijkerland hierin om deze lokale samenwerkingen verder te ondersteunen.
De volgende partijen onderschrijven de stip op de horizon 2025 Linda de Vries-Visman voorzitter Stg Peuterspeelzalen Steenwijkerland Ans Weterings bestuurder Op Kop Jan Spanjer Bestuurder Accrete Margriet Leentjens Directeur kinderopvang Woldkasteel Jolanda Terlien Directeur kinderdagverblijf Kindervilla Janneke ten Brink Directeur kinderopvang Jabadoe Linda Hollink Directeur kindercentrum Buitenhoeve Angelique Geschiere Directeur kinderdagverblijf Ukkie Salise Bouchhida Directeur kinderopvang Speel@home Gert Laarman Directeur-bestuurder VGPO Zevenster Leo Boschman Bestuurder Catent pagina 2 van 2 Stip op de horizon 2025 2 Bijlage 2 Huidige spreiding van voorschoolse voorzieningen in Steenwijkerland (stand eind 2016)
3
4 Begrippenlijst Kortdurende peuteropvang opvang gedurende één dagdeel KOT Kinderopvangtoeslag KOT-gerechtigde ouders ouders die recht hebben op kinderopvangtoeslag (tweeverdieners en alleenstaande eenverdieners) Langdurige peuteropvang opvang gedurende de hele dag Niet-KOT-gerechtigde ouders ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag (kostwinnergezinnen, alleenstaande ouders zonder werk en gezinnen waarvan beide ouders niet werken) SPS Stichting Peuterspeelzalen Steenwijkerland VVE Voor en vroegschoolse educatie Wet OKE Wet Ontwikkelingskansen en Educatie (2010)