14.0 Informatienota 2024 - 29 - Tussenrapportage Regionale Energiestrategie (RES)
Tekst van het document
College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_004291/31 College van burgemeester en wethouders GOEDGEKEURD Vergadering van 4 juni 2024 Programma - Duurzaamheid 13 2024_B&W_00429 Informatienota Tussenrapportage Regionale Energiestrategie (RES) Samenstelling: Aanwezig: J.H. Bats, burgemeester en voorzitter; M. Smit, wethouder; T. Jongman, wethouder; B. Harmsma, wethouder; M. Scheringa, wethouder; M.W. de Graaf, gemeentesecretaris Samenvatting De vierde tussenrapportage van de Regionale Energiestrategie (RES) West-Overijssel geeft inzicht in de stand van zaken met betrekking tot de afspraken uit de RES 1.0. In de RES 1.0 zijn afspraken gemaakt over verschillende onderwerpen om te komen tot realisatie van de opwek van duurzame elektriciteit op land en een samenhangende regionale structuur voor de warmte-opgave. De rapportage gaat over de periode tot en met januari 2024. Informatienota Inleiding In de RES 1.0 zijn afspraken gemaakt over verschillende onderwerpen om te komen tot realisatie van de opwek van duurzame elektriciteit op land en een samenhangende regionale structuur voor de warmte-opgave. Voor de RES West-Overijssel wordt ieder half jaar een Tussenrapportage opgesteld. In de bijlage ter kennisname de Tussenrapportage van januari 2024.
Hieronder de conclusies uit de Tussenrapportage samengevat per opgave met een duiding van de lokale situatie in Steenwijkerland. Kernboodschap •Duurzame elektriciteit door opwek op land De productie van duurzame elektriciteit met wind en zon gaat niet snel genoeg om in 2030 de afgesproken 1,8TWh te halen. De productie van zonne-energie ontwikkelt zich positief, het aandeel wind blijft echter ver achter. Dat heeft nadelige consequenties. Het is nodig om een versnelling te realiseren op de uitvoering van windprojecten. Steenwijkerland Qua zon op dak en zon op land is de realisatie in onze gemeente goed op gang. Bij het opstellen van de Tussenrapportage was het windbeleid van Steenwijkerland nog in voorbereiding. Op 26 maart jl. heeft u het windbeleid vastgesteld en besloten dat het huidige RES-bod voor opwek van duurzame energie (171 GWh) ongewijzigd blijft. De verdeling van het RES-bod wordt wel aangepast van 100% zonne-energie naar de verdeling van 50% zon en 50% wind. In principe uitgaan van 100% lokaal eigendom om zowel de lasten als de lusten van windenergie lokaal te houden. U heeft het college de opdracht gegeven om de potentiegebieden voor windenergie, welke vallen binnen de huidige College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_004292/31 provinciale regels, verder te onderzoeken en te komen tot een voorkeursgebied voor windenergie.
Dit beleid is vervolgens met de provincie ook vastgelegd in programmeringsafspraken. •Ruimtelijke kwaliteit We zien subregionale samenwerking, maar nog niet overal en niet áltijd integraal én gebiedsgericht. Hier liggen nog kansen om te komen tot een regionale visie op de ontwikkeling van wind en zon, passend bij het landschap. Ook het project OER (Energie op Rijksgrond) biedt goede kansen voor subregionale samenwerking. Het is daarbij ook van belang om grensontkennend tussen de RES-regio’s te gaan werken. Steenwijkerland Voor de uitvoering van de energietransitie in onze gemeente zoeken we de afstemming en samenwerking bij de omliggende gemeenten en regio’s. Met de Drentse gemeenten De Wolden, Westerveld en Meppel verkennen we de mogelijkheden voor samenwerking op het gebied van duurzame energie. Binnen de gemeente werken we ook samen met ondernemers en lokale initiatieven aan projecten, zoals het ontwikkelen van een energiehub op Eeserwold. Ook hebben we een verzoek ingediend om de mogelijkheden te verkennen van duurzame energie langs de A32 samen met Rijkswaterstaat in het programma Opwek van Energie op Rijksvastgoed (OER). •Netwerk Efficiënt gebruik van het netwerk is nog onvoldoende. In grote delen van West-Overijssel kunnen maatregelen voor systeemefficiëntie de haalbaarheid en betaalbaarheid van het RES-bod vergroten.
In steeds grotere delen van Overijsel is geen capaciteit meer beschikbaar voor nieuwe grootverbruikers. Het blijft dus een belangrijk thema. Prioriteren en programmeren van netwerkuitbreidingen heeft een plek gekregen in het programma Samen Naar Integraal Programmeren (SNIP) en het provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (pMIEK). Decentrale overheden spelen een rol bij het versnellen van realisatie van de benodigde uitbreidingen en verzwaringen van de elektriciteitsinfrastructuur, door ruimte beschikbaar te stellen en/of RO-procedures rondom uitbreidingen te versnellen. Steenwijkerland Tennet en Enexis zijn in onze gemeente gestart met de voorbereidingen van een gelijktijdige uitbreiding van het hoogspannings- en middenspanningsstation bij Steenwijk, een onderdeel van de Drents Overijsselse Netversterking West. Hiervoor wordt dit jaar een locatiestudie uitgevoerd door de netbeheerders. Daarnaast werkt Enexis aan uitbreiding van de middenspanningsstations in onze gemeente. Ook zijn we met Enexis en RENDO in gesprek over het verzwaren van de laagspanningsnetwerken in de wijken en kijken we hoe deze processen zo efficiënt mogelijk zijn in te richten in een zogenoemde Buurtaanpak. •Warmte Het warmtedeel van de RES ligt op koers voor die onderwerpen waarop regionale meerwaarde kan worden bereikt.
De afgelopen periode is de richting bepaald voor de verdere uitwerking van het warmtedeel, dit wordt opgenomen in de RES 2.0. Conclusie is dat aanscherping nodig is van de elektrificatie van de warmtevraag. Verder wordt gekeken naar samenwerking op regionale thema’s en de mogelijk ontwikkeling van een regionaal warmte(netwerk)bedrijf. De regionale warmtemonitor is in ontwikkeling en wordt gekoppeld aan de RES-brede monitoring. Steenwijkerland College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_004293/31 Bij de uitvoering van de warmtevisie zetten we fors in op energiebesparing en het ondersteunen van onze inwoners om hun woning te verduurzamen. De weg naar aardgasvrij betekent namelijk voor een groot deel van onze gemeente dat gewerkt wordt aan individuele oplossingen. Om inwoners goed te informeren werken we aan goede en actuele informatie, routekaarten per woningtype en een isolatieprogramma. Ook is een Fixteam gestart, die mensen met een laag inkomen en hoge energierekening helpt bij het nemen van kleine maatregelen. Bij het digitale Energieloket en Infopunt Duurzaam Doen kunnen inwoners informatie halen over maatregelen en subsidiemogelijkheden of een afspraak maken met een energiecoach. •Participatie In alle gemeenten zijn en worden inwoners betrokken bij beleidsvorming en speelt lokaal eigendom een belangrijke rol.
In West-Overijssel is lokaal eigendom een belangrijke ambitie en randvoorwaarde. Bijna alle gemeenten hebben hier beleid op geformuleerd en er wordt actief op gestuurd bij projecten. Steenwijkerland In de RES is afgesproken te streven naar minimaal 50% lokaal eigendom. Zoals eerder genoemd heeft de gemeenteraad besloten om te streven naar 100% lokaal eigendom om zowel de lasten als de lusten van windenergie lokaal te houden. Consequenties voor de gemeente De Tussenrapportage heeft geen consequenties voor de gemeente. Het geeft de RES-regio inzicht in de vraag of ze op koers ligt met het regionale bod voor 2030. De bevindingen uit de rapportage worden meegenomen in de gesprekken binnen de regio over de verdere uitwerking van de RES 2.0. Door wijzigingen in het provinciale beleid heeft het proces voor de RES 2.0 tijdelijk stil gelegen, binnenkort wordt dit proces weer opgepakt. Communicatie De Tussenrapportage is ter kennisname en wordt op de website van de RES West-Overijssel geplaatst. Vervolg In de RES West-Overijssel wordt ieder half jaar een Tussenrapportage aangeleverd. Besluit In te stemmen met de informatienota Tussenrapportage Regionale Energiestrategie (RES) West- Overijssel januari 2024. Bijlagen 1.
Tussenstand RES West-Overijssel - januari 2024.pdf Tussenrapportage Regionale Energie Strategie West-Overijssel januari 2024 College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_004294/31 2 Voorwoord Voor u ligt de 4e Tussenstand RES West-Overijssel. De vorige dateert van najaar 2023 en ging over het eerste half jaar van 2023. Voorliggende Tussenstand geeft de stand van zaken weer met betrekking tot de afspraken uit de RES 1.0 tot en met december 2023, het tweede half jaar van 2023. Een half jaar waarin veel gebeurd is in Overijssel. Provincie heeft de afspraken uit de RES 1.0 vertaald in voorgenomen beleid wind en zon wat in het voorjaar van 2024 voor besluitvorming bij Provinciale Staten ligt. De inhoud van dat beleid en de wijze waarop dit publiek werd gemaakt, viel niet goed bij veel partners in de RES waardoor het Bestuurlijk Platform voor de RES op de pauzeknop heeft gedrukt. Er zijn stevige gesprekken gevoerd tussen de bestuurders en het fenomeen ‘landgoedgesprek’ is geïntroduceerd. Een gesprek tussen bestuurders wat gaat over ‘bijdragen aan de RES-doelstellingen’, ‘hoe verhouden wij ons tot elkaar’, maar ook over ‘hoe besturen wij in de RES’. Deze gesprekken vinden plaats in een landgoedachtige setting, ondertussen een vertrouwde plek.
Gelukkig gingen de lokale processen wel verder en dat heeft geleid tot aanzetten tot en/of gemeentelijke besluiten over windbeleid en een uitbreiding van het aantal gemeenten dat zoekgebieden wind heeft vastgesteld. Dit vindt u terug in deze monitor. En naast de cijfers geven wij een duiding daarvan, waarbij we onszelf de vraag stellen: ’Wat zeggen deze cijfers, hoe moeten we die interpreteren en welk verhaal ligt er achter?’. En ook ‘moeten we de aanpak wijzigen’, ‘vragen de conclusies om gerichte nieuwe acties?’. De betrokken gemeenten, provincie en de netbeheerder hebben bijgedragen aan het vullen van de monitor. Het rapport dat voorligt, is met de betrokken overheden en de netbeheerders opgesteld en besproken. Het is een gezamenlijk document. De maatschappelijke partners, georganiseerd in de Adviesgroep, hebben de 4e Tussenstand ook besproken. We zien verschillen tussen gemeenten kleiner worden. Het grootste deel van de gemeenten heeft windbeleid en zoekgebieden vastgesteld. Eén gemeente heeft dit bijna gereed en één gemeente werkt er nog aan. Dat is een positieve ontwikkeling. En zonder deze teniet te willen doen, zien we ook dat we onze doelstellingen, vastgelegd in de RES 1.0, in 2030 niet halen.
Zo staat het behalen van het bod van 1,8 TWh in 2030 onder flinke tijdsdruk, raken we verder verwijderd van ons streven naar een betere wind:zon verhouding wat nadelige gevolgen heeft voor o.a. de huidige netcongestie. Vooral dit laatste is van invloed op veel meer dan het wel/niet aan kunnen sluiten van onze zon- en windparken. Het gaat bepalend worden voor de planning van de woningbouwopgave, ontwikkeling van bedrijventerreinen, etc. Het wordt hoog tijd om nog meer in te zetten op integrale gebiedsgerichte aanpakken en de energietransitie te verbinden met andere programma’s. Tenslotte. Het was lastig schrijven omdat we weten dat op moment van schrijven, nieuwe ontwikkelingen zich aandienen. Nieuwe ontwikkelingen die van invloed zijn op de voortgang van de afspraken uit de RES 1.0 waarvan we nu inschatten dat die tot een ander resultaat gaan leiden dan we nu op basis van de monitor en duiding zien. En dat stemt ons positief in het vertrouwen dat we er met elkaar uit komen en de RES 1.0 en misschien wel meer dan dat, zullen realiseren. Namens de werkorganisatie RES West-Overijssel Karin Komdeur Programmamanager RES West-Overijssel College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_004295/31 3 Inhoudsopgave Voorwoord pagina 2 1. Inleiding 4 2. Waar staan we nu: januari 2024 5 2.1. De opgaven uit de RES 1.0 5 3.
Waar staat de regio in het realiseren van duurzame opwek op land? 7 3.1 Ontwikkelingen in beleid 7 3.2 Overzicht gerealiseerd, pijplijn en resterend 8 3.3 Stand van zaken zon 8 3.4 Stand van zaken wind 9 3.5 De afspraak wind:zon van 60%:40% 11 3.6 Conclusie realisatie duurzame opwek 13 4. Ruimtelijke kwaliteit 14 4.1 Algemeen 14 4.2 Wat zien we? 15 4.3 Conclusie ruimtelijke kwaliteit 16 5. Netwerk 17 5.1 Stand van zaken elektriciteitsnetwerk 17 5.2 Bijdrage RES aan programmering regionale energiesysteem 17 5.3 Impact van programmeren voor de RES 19 5.4 Conclusie netwerk 19 6. Warmte 20 6.1 Inleiding actuele RSW 20 6.2 Actualisatie van het regionale warmtebeeld 20 6.3 Inzet van bovenlokale warmtebronnen en warmte-infrastructuur 22 6.4 Conclusie warmte 23 7. Participatie 24 7.1 Voortgang participatie 24 7.2 Lokaal eigendom 24 7.3 Rol energiecoöperaties 25 7.4 Communicatie 26 7.5 Conclusie participatie 26 8. Vooruitblik naar 2023-2025 27 8.1 Verder met de uitvoering 27 8.2 RES in het samenhangende regionale energiesysteem 27 8.3 Kruisbestuiving van RES met andere programma’s 27 8.4 Vooruitblik kaderstellende besluitvorming en verantwoordingsmomenten 27 College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_004296/31 4 1.
Inleiding Aanleiding Met de oplevering van de RES 1.0 op 1 juli 2021 heeft de RES-regio haar eerste mijlpaal geslagen voor de uitvoering en ontwikkeling van de RES West-Overijssel. De RES is één van de middelen om te komen tot een energieneutrale regio in 2050. Dat lijkt ver weg, maar die tijd is hard nodig voor deze complexe opgave. Om de voortgang te kunnen volgen en waar nodig bij te kunnen sturen op inhoud en/of proces, is de RES-monitor opgezet. Deze monitor bevat informatie over de onderwerpen van de RES: 1,8 TWh door opwek met zon en wind, ruimtelijke kwaliteit, energienetwerk, warmte en participatie. De monitor is ontwikkeld met medewerkers van de RES-partners en de gegevens zijn aangeleverd door de gemeenten. De basis van de monitor ligt in de Quickscan van de NP RES. De NP RES zet deze Quickscan in om inzicht te krijgen in de ontwikkeling van de RES in Nederland. Ingediende moties op de RES 1.0, maar ook het verzoek van de bestuurders, hebben ertoe geleid onze RES West-Overijssel tweejaarlijks te monitoren. Cijfers en feiten zeggen echter een deel van het verhaal. De resultaten van de monitor zijn daarom geanalyseerd en daar waar nodig zijn die feiten en cijfers in de context geplaatst. Niet om iets te verhullen, maar om de juiste duiding aan de resultaten te kunnen geven.
Daarbij worden ook (geo)politieke en maatschappelijke ontwikkelingen betrokken en wordt ook gekeken naar de in de RES 1.0 opgestelde randvoorwaarden. Dit document geeft aan waar we staan op de verschillende onderdelen van de RES t/m januari 2024. Het bevat de resultaten van de monitor en de duiding daarvan. We noemen het de Tussenstand. Dit is de vierde Tussenstand. Doel Doel van deze Tussenstand is het Bestuurlijk Platform inzicht te geven in de voortgang en de uitdagingen van de RES West-Overijssel op gemeentelijk en op RES-regio niveau. De Tussenstand is daarmee input voor het bestuurlijke gesprek over het vervolg van de RES wat moet landen in de RES 2.0. Vervolgens wordt het ter informatie aan de volksvertegenwoordigers gezonden. Wat vindt u in de Tussenstand? Deze Tussenstand begint met een overzicht van de opgaven zoals die in de RES 1.0 zijn geformuleerd en/of tussentijds aan de opgaven zijn toegevoegd door de bestuurders (hoofdstuk twee). Dat is het vertrekpunt. Vervolgens wordt in hoofdstuk twee beschreven waar we staan ten opzichte van 1 juli 2021 toen de RES 1.0 werd ingediend. We beschrijven de feiten en cijfers met betrekking tot de afspraken over de opwek van energie (TWh) en de verdeling daarvan tussen zon- en wind (hoofdstuk 3), de ruimtelijke aspecten (hoofdstuk 4), het netwerk (hoofdstuk 5), warmte (hoofdstuk 6) en participatie (hoofdstuk 7).
We kijken daarbij ook naar de verschillen en overeenkomsten met de voorgaande Tussenstanden. Hoofdstuk acht geeft de ontwikkelingen m.b.t. het te doorlopen proces en de in de RES 1.0 gestelde randvoorwaarden weer. College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_004297/31 5 2. Waar staan we nu: januari 2024 2.1 De opgaven uit de RES 1.0 In de RES 1.0 zijn over de verschillende onderwerpen afspraken gemaakt om te komen tot realisatie van de opwek van duurzame elektriciteit op land en een samenhangende regionale structuur voor de warmte-opgave. Een deel van de opgaven valt onder de verantwoordelijkheid van de individuele gemeenten, een deel bestaat uit gezamenlijke opgaven. De noodzakelijke stappen om te komen tot realisatie van het RES 1.0-bod staan in onderstaande tabel (tabel 1) samengevat en per opgave is met kleur aangegeven wat de stand van zaken is in relatie tot de gestelde doelen. Vervolgens zijn de bijbehorende procesindicatoren uitgewerkt in het volgende hoofdstuk.
Tabel 1 - Samenvatting benodigde uitwerkingsstappen RES 1.0 en stand van zaken per 31 januari 2024 Thema/Uitwerkingsstap Datum 31/01 2024 Duurzame elektriciteit opwek op land Borging RES 1.0 in provinciaal en lokaal beleid dec 2024 Hoofdstuk 3 Onderzoek PlanMER-plicht 2022 Afgerond Uitvoering PlanMER 2023/2024 Hoofdstuk 8 Vaststellen zoekgebieden wind 2024 Hoofdstuk 3 Zon- en windprojecten vergund 1 januari 2025 Hoofdstuk 3 Streven naar verdeling wind:zon=60:40 2024 en verder Hoofdstuk 3 Realisatie RES-bod van 1,826 TWh in 2030 2030 Hoofdstuk 3 Ruimtelijke kwaliteit Optimaliseren ruimtelijke kwaliteit 2024 en verder Hoofdstuk 4 Subregionale samenwerking 2024 en verder Hoofdstuk 4 Netwerk Afstemming projecten en opgaven netwerk regionaal en lokaal 2024 en verder Hoofdstuk 5 Warmte Verdiepen aanwezigheid en verdeling boven- lokale bronnen 2023 Hoofdstuk 6 Kennisontwikkeling versleepbare bronnen 2024 en verder Hoofdstuk 6 Afstemming TVW en RSW en consequenties 2024 en verder Hoofdstuk 6 Verkenning regionaal of gemeentelijk energie- of warmte(net)bedrijf 2024 en verder Hoofdstuk 6 Participatie Borging minimaal 50% lokaal eigendom 2024 en verder Hoofdstuk 7 Participatie 2024 en verder Hoofdstuk 7 Grip op de uitvoering Monitoring, voortgang en verantwoording 2 keer per jaar Hoofdstuk 3 Implementatie organisatie 2024/2025 Hoofdstuk 2 Rood: knelpunt / oranje: geen knelpunt maar nog
niet afgerond / groen: op schema College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_004298/31 6 Het afwegingskwadrant Binnen RES West-Overijssel wordt gewerkt met het afwegingskwadrant van de NP RES. De plannen en de zoekgebieden worden afgewogen binnen de hoekpunten ‘bijdrage energietransitie’, ‘maatschappelijke kostenefficiency’, ‘ruimtelijke kwaliteit’ en ‘maatschappelijke acceptatie’. Dit afwegingskwadrant hanteren we bij de toetsing van de voortgang van de RES in West-Overijssel. De activiteiten en plannen zullen aan alle hoekpunten van dit kwadrant zo veel als mogelijk evenredig moeten bijdragen waardoor het kwadrant in evenwicht is. Dat zal niet altijd lukken en dan helpt het kwadrant ook om tot een goede onderbouwing te komen van de gemaakte keuze. Figuur 1: Afwegingskwadrant RES West-Overijssel College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_004299/31 7 3. Waar staat de regio in het realiseren van duurzame opwek op land? 3.1 Ontwikkelingen in beleid Gemeenten In de RES 1.0 is de afspraak gemaakt om voor 1 juli 2023 zoekgebieden aan te wijzen en dit in het ruimtelijk beleid van de deelnemende overheden op te nemen. Nu, twee jaar later, hebben veel gemeenten zoekgebieden vastgesteld of zijn gemeenten van plan dat voor 1 juli 2024 te doen. Een aantal gaat dat net niet redden maar zet zich in om z.s.m. haar zoekgebieden aan te wijzen.
Voor gemeenten die eind mei 2024 niet halen, zal de provincie, als een windinitiatief zich meldt en het past binnen het provinciaal beleid, het initiatief in behandeling moeten nemen. Zij zal dit in samenwerking met de gemeente blijven doen, maar daarmee verliest de gemeente wel haar regie op het initiatief. Negen gemeenten; Dalfsen, Deventer, Staphorst, Hardenberg, Zwolle, Zwartewaterland, Ommen, Kampen en Olst-Wijhe, hebben zoekgebieden voor wind vastgesteld. Twee gemeenten hebben nog geen zoekgebieden vastgesteld (Steenwijkerland en Raalte). In Steenwijkerland werkt men momenteel aan besluitvorming rondom windbeleid. De verwachting is dat deze voorjaar 2024 ter besluitvorming aan de gemeenteraad voorgelegd gaat worden. Ook Raalte heeft besloten zoekgebieden te gaan aanwijzen en windbeleid op te gaan stellen. Wanneer dit ter besluitvorming aan de gemeenteraad kan worden voorgelegd, wordt momenteel in een proces nader vormgegeven. Staphorst heeft haar windopgave voor 2030 al gerealiseerd en heeft zoekgebieden vastgesteld voor na 2030. Figuur 2: Kaart met vastgestelde zoekgebieden tot 2030 (stand 1 januari 2024). NB Staphorst heeft zoekgebieden vastgesteld voor na 2030. Deze staan niet op deze kaart.
College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_0042910/31 8 Provincie De provincie Overijssel heeft de afgelopen periode het traject in gang gezet om de afspraken uit de RES 1.0 om te zetten in beleid. Dit traject zal in het voorjaar van 2024 bekrachtigd worden. Kort gezegd houdt dit beleid in dat er geen ruimte meer is voor grootschalige monofunctionele zonneparken op landbouwgrond. Daarnaast worden er voorkeursgebieden ingesteld voor windenergie. Daarbuiten geldt een clustereis van 4 windmolens1. 3.2 Overzicht gerealiseerd, pijplijn en resterend Circa 53% van het bod is gerealiseerd of in ontwikkeling, 47% moet nog worden ontwikkeld. Vanwege de lange ontwikkeltijd bij windprojecten moeten vergunningen voor windprojecten uiterlijk 1 januari 2025 zijn verleend om het bod voor wind in 2030 te kunnen halen. In een aantal gemeenten volgt nog besluitvorming rondom ruimtelijke kaders, zoekgebieden en/of uitsluitingsgebieden. Daarnaast zien we de gewogen pijplijn langzaam opdrogen. Deze wordt onvoldoende aangevuld met nieuwe initiatieven. Dat betekent niet dat er geen initiatieven zijn maar wel dat deze beleidsmatig nog niet passen vanwege het op moment van schrijven nog ontbreken van vastgesteld beleid en zoekgebieden en nog niet boven water komen in de monitor.
Denk hierbij aan een windproject dat al behoorlijk in de steigers staat maar wat speelt in een gemeente dat (nog) geen zoekgebied heeft vastgesteld. Dit beeld kan bij beleidswijzigingen dus ook snel veranderen. Met betrekking tot de opwek (1,8 TWh) verwachten we dat als de regio niet versnelt, de opwek van 1,8 TWh in 2030 niet gehaald wordt. Deze conclusie is gebaseerd op de cijfers van de monitor (figuur 3) in combinatie met de volgende procesindicatoren: - Aantal gemeenten met vastgestelde zoekgebieden wind. - Aantal gemeenten die de RES 1.0 hebben vastgelegd in beleid. - Aantal projecten (wind) in de initiatieffase en nog niet in behandeling (onder de radar). - De tijd die realisatie van een windproject kost (gemiddeld zeven jaar). Figuur 3: De gewogen pijplijn bevat die projecten die al in procedure/voorbereiding zijn en een redelijke kans van slagen hebben 1 https://www.overijssel.nl/nieuws/provincie-zet-volgende-stap-in-wind-en-zonbeleid College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_0042911/31 9 3.3 Stand van zaken zon We zien een positieve ontwikkeling in de realisatie van zonneparken. Echter, het bod RES 1.0 is niet binnen bereik. Wel is het zo dat als we uitgaan van een verhouding 60% wind en 40% zon op het bod van 1,8 TWh we de 40% (0,7 TWh) kunnen halen.
Dit is ook de insteek van het nieuwe provinciale energiebeleid waarbij nieuwe monofunctionele zonnevelden op landbouwgrond niet meer ontwikkeld kunnen worden. Ook zon- op-dak loopt voorspoedig. Er wordt meer zon-op-dak gerealiseerd. In de communicatie naar inwoners toe is dat belangrijk. Een vaak gehoord argument is ‘Leg eerst de daken maar vol’. Figuur 4: Stand van zaken zon-op-dak Figuur 5: Stand van zaken zon-op-veld 3.4 Stand van zaken wind Voor wind geldt dat we achterlopen in de realisatie daarvan. Niet overal, maar wel in veel gemeenten. Het grootste struikelblok was tot voor kort het gebrek aan beleid voor wind in gemeenten. Hier is de afgelopen periode in veel gemeenten verandering in gekomen en de verwachting is dan ook dat er snel meer projecten in de pijplijn zullen verschijnen. De procesindicatoren: aantal gemeenten met vastgestelde zoekgebieden wind, aantal gemeenten die College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_0042912/31 10 RES 1.0 hebben vastgelegd in beleid, aantal projecten (wind) in de initiatieffase, en de tijd die realisatie kost (gemiddeld zeven jaar), geven de indruk dat het tempo omhoog gaat de komende periode. Daarbij wordt opgemerkt dat het huidige aandeel gerealiseerde windparken (waarvan de opwek is weergegeven in figuur 6) voornamelijk is gebaseerd op windparken waarvan de plannen zijn gemaakt voor de start van de RES.
Figuur 6: Stand van zaken wind Er is sprake van een toename van het aantal gemeenten dat zoekgebieden voor wind heeft vastgesteld. Echter, een vastgesteld zoekgebied is nog geen garantie voor een snelle uitrol van projecten. Het nieuwe provinciale beleid moet leiden tot versnelling in de realisatie van windprojecten. Figuur 7: Verhouding wind/zon van het aandeel gerealiseerd + de gewogen pijplijn (in MWh) De blauwe lijn geeft aan waar we zouden moeten staan om de doelstelling van 1,1 TWh (60% wind ten opzichte van het totale bod van 1,8 TWh) te behalen. Hierbij is rekening gehouden met de realisatiegraad van de windparken. De gemiddelde doorlooptijd van een windpark van planfase tot realisatie is 7 jaar. 0% 20% 40% 60% 80% 100% Dalfsen Deventer Hardenberg Kampen Olst -Wijhe Ommen Raalte Staphors t Steenwijkerland Zwartewaterland Zwolle Wes t-Overijs s el Verhouding Wind-Zon Aandeel Wind Aandeel zon College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_0042913/31 11 Rekening houdend met de doorlooptijd van windprojecten zouden de plannen het volgende traject af dienen te leggen om de ambitie te halen: • 2023: RO-procedure (Fase 2, realisatiegraad 50%). • 2025: Vergunningaanvraag (Fase 3, realisatiegraad 60%). • 2027: Subsidiebeschikking (Fase 5, realisatiegraad 95%).
Figuur 8: Voortgang in relatie tot zon:wind verhouding Momenteel is er 220 GWh aan opwek door windturbines gerealiseerd en zit er voor 100 GWh aan plannen in de (gewogen) pijplijn. Gezien de doorlooptijd zou de optelling van realisatie plus gewogen pijplijn op 550 GWh moeten zitten. Er is dus een ‘gat’ van 230 GWh om het huidige bod te realiseren. Dit correspondeert met 23 turbines in RO-procedure (Fase 2, 50% realisatiegraad). Om de omslag 60:40 te bereiken, is er meer nodig. Hierover meer in de volgende paragraaf. 3.5 De afspraak verhouding wind:zon van 60%:40% In de RES 1.0 is afgesproken toe te werken naar een verhouding wind 60%:zon 40%. Vanuit het netwerk bekeken is een verhouding van 80:20 gewenst maar omdat dit niet in balans te krijgen is met de overige hoekpunten van het afwegingskwadrant is afgesproken te streven naar 60:40. Deze afspraak geldt op regionaal niveau. Dit betekent dat gemeenten ver boven de 60% en ver onder de 60% wind uit mogen komen zolang het netwerk dit aankan, het ruimtelijk passend is en we regionaal aan de afspraak voldoen. Als voorbeeld: Dalfsen lijkt boven de 60% uit te gaan komen, Zwolle eronder. Dit is ook logisch als je kijkt naar de grote hoeveelheid zon-op-dak-projecten in Zwolle en de fysieke ruimte die Zwolle heeft. Zolang dit elkaar uit blijft middelen, is dit acceptabel. Daarvoor moeten er meer windprojecten in de pijplijn komen.
De verhouding wind:zon is uit evenwicht De verhouding opgesteld vermogen wind ten opzichte van zon is te laag. Over de hele regio bezien, is deze verhouding 34% wind:66% zon. Voor systeemefficiëntie is het relevant dat deze verhouding op het niveau van de HS/MS-stations van TenneT en de regionale netbeheerder wordt nagestreefd. Figuur 8 geeft de relatie weer hoe de huidige voortgang zich verhoudt tot de nagestreefde wind:zon-ratio. Hieruit wordt duidelijk dat zonne-energie al snel de grens van 730 GWh nadert. Zeker als we in ogenschouw nemen dat de realisatie van zon-op-dak sneller gaat dan we tot nu toe aannamen en er nog steeds zon-op-veld 0,00 0,20 0,40 0,60 0,80 1,00 1,20 2022 - Q4 2023 - Q2 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 Voortgang Windenergie Gerealiseerd Pijplijn (gewogen) Traject College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_0042914/31 12 projecten worden ontwikkeld. Voor windenergie geldt het tegenovergestelde. Terwijl de huidige plannen goed zijn voor iets meer dan 300 GWh (realisatie en gewogen pijplijn), moet er dus nog concreet invulling gegeven worden aan ongeveer 800 GWh aan windprojecten om tot 1,1 TWh te komen.
Oorzaken van de scheve wind:zon-verhouding zijn de toenemende realisatie van zon(-op-dak), het feit dat veel gemeenten voor wind de afgelopen periode nog in de beleidsvorming rondom zoekgebieden zaten en externe factoren zoals veranderende wet- en regelgeving. Daarnaast speelt ook de maatschappelijke discussie over windenergie een belangrijke rol. Er is regiobreed slechts een minimale versnelling richting de 60% wind te zien. Maar het succes van zon- op-dak helpt niet om deze omslag te realiseren. Elke extra GWh zon moet eigenlijk vergezeld gaan van (minimaal) een gelijke inspanning op wind. De programmering van wind blijft echter achter. Versneld extra programmeren op wind is noodzakelijk om de gewenste verhouding 60:40 en het bod van 1,8TWh in 2030 te behalen. Het gaat hierbij om de realisatie van 50-77 windmolens (als totaal voor West-Overijssel), afhankelijk van de grootte. Figuur 9: Voortgang in relatie tot wind:zon verhouding De verhouding wind:zon staat overigens nog meer onder druk omdat er meer zon-op-dak wordt gerealiseerd zonder SDE-subsidie. Omdat de monitoring loopt via SDE-informatie (en hier ook geen goed alternatief voor is), is dit gedeelte niet volledig in beeld. Omdat zon-op-dak geen vergunningstraject behoeft, is hier ook minder sturing mogelijk.
Een versnelling van zon-op-dak zal gecompenseerd worden door het minderen van zon-op-veld, om zo de wind:zon verhouding in de juiste richting te sturen. Financiële consequenties worden afgewenteld op de inwoner Als de verhouding tussen wind en zon niet wijzigt naar 60:40 heeft dit ook financiële consequenties. Om het huidige bod van 1,8 TWh te realiseren, wordt dan 100 tot 165 miljoen meer uitgegeven. De meerkosten zitten in extra uitbreidingen van het netwerk en extra SDE-subsidies. Dit zijn allemaal maatschappelijk kosten die uiteindelijk door de inwoners van West-Overijssel worden betaald. Wind Zon 0 200 400 600 800 1000 1200 1400[GWh] Gerealiseerd Pijplijn (gewogen) Resterend Windverhouding 60% College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_0042915/31 13 Oplossingsrichtingen Om aan de na te streven wind:zon-verhouding te voldoen, zullen er, gezien de gemiddelde doorlooptijd, op korte termijn concrete plannen moeten worden gemaakt voor de realisatie van 800 GWh aan windparken. Dit verbetert de systeemefficiëntie van het elektriciteitsnet waardoor de kansen om de RES- doelstellingen te halen toenemen en er minder netwerkuitbreidingen nodig zijn.
Oplossingsrichtingen zijn het naar voren halen van windprojecten, het op korte termijn invullen en concreet maken van de ambities door die gemeenten die dat nog niet gedaan hebben (afspraak RES 1.0) en het versnellen in de uitvoering. Hier moet ook bekeken worden waar overprogrammering mogelijk is. Daarnaast kunnen gemeenten ook verder met wind als zij zelf geluidsnormen gaan vaststellen en niet wachten op het Rijk. Dit is ondertussen door de Raad van State onderschreven. Er zijn al succesvolle voorbeelden in de regio. Subregionale samenwerking is noodzakelijk om versneld tot oplossingen te komen zoals ook in de RES 1.0 is voorzien. Door rondom de netwerkstructuur de samenwerking met de buurgemeenten te zoeken, kan afstemming plaatsvinden over realisatie van zon en wind om dichter bij de verhouding 60:40 te geraken en tot een integrale gebiedsgerichte aanpak te komen. 3.6 Conclusie De productie van duurzame elektriciteit met wind en zon in West-Overijssel gaat niet snel genoeg om in 2030 de afgesproken 1,8TWh te halen. De productie van zonne-energie ontwikkeld zich positief waarvan zon-op-dak een forse voortgang boekt. Het aandeel wind blijft echter ver achter en dat heeft nadelige consequenties voor het netwerk en de doelstelling om de CO-uitstoot te verminderen. Daarmee is het afwegingskwadrant uit balans.
Het is daarom noodzakelijk om een versnelling te realiseren op de uitvoering van windprojecten. College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_0042916/31 14 4. Ruimtelijke Kwaliteit 4.1 Algemeen Ruimtelijke kwaliteit beschouwen we in de RES vanuit een regionale blik. Daarmee sluiten we lokale, kleinschalige projecten niet uit. Binnen de bebouwde omgeving benutten gemeenten kansen, stimuleren zon-op-dak, kleinschalige opwek en lokale opslag. Door de opwek niet te zien als een extra opgave maar als kans en katalysator, neemt het multifunctioneel gebruik toe en benutten we meekoppelkansen. Op basis van een uitgebreide landschappelijke analyse is bij de RES 1.0 een aantal ontwerpprincipes uitgewerkt ten behoeve van de ruimtelijke potentie op schaal van de regio: • Benutten van kansen binnen de bebouwde omgeving. • Koppeling van energievraag en aanbod. • De ruimtelijke meekoppelkansen. • Energieopwekking langs hoofdinfrastructuur. • Het ontzien van waardevolle gebieden. • Clustering in de daarvoor geschikte landschappen.
– Figuur 10: Kaart met vastgestelde zoekgebieden tot 2030 op regioniveau College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_0042917/31 15 4.2 Wat zien we? Als we kijken naar de afspraken over ruimtelijke kwaliteit in de RES 1.0 kunnen we constateren dat er de afgelopen periode door veel gemeenten gewerkt is volgens de afgesproken principes. Zo wordt er gewerkt aan clustering van grootschalige opwek (wind) op gemeenteniveau, er wordt steeds meer integraal gekeken naar andere gebiedsopgaven en de meest waardevolle gebieden zijn steeds ontzien. Ook het voorgenomen provinciale energiebeleid (wind én zon) zal leiden tot meer clustering van windprojecten en zet een stop op de realisatie van grootschalige zonneparken. Wel zien we dat de lokale en regionale blik soms van elkaar afwijken. Zo wordt het ZSDZ-gebied beleidsmatig vaak aangeduid als één gebied, maar is het heel goed mogelijk dat er uiteindelijk opstellingen worden gekozen die landschappelijk met elkaar gaan interfereren. De afspraken zijn dan op gemeentelijk niveau goed nageleefd, maar zijn op (sub)regionaal niveau niet op elkaar afgestemd omdat iedere gemeente haar zoekgebieden inbrengt in een subregionaal proces in plaats van samen subregionaal te kijken wat de beste opties zijn en deze te vertalen naar gemeentelijke zoekgebieden.
In het voorbeeld van ZSDZ melden belangen- en bewonersgroepen zich met de oproep te komen tot een subregionale visie voor het gebied (zie kader). Het uitgangspunt van de RES om bottom-up te werken, kan gaan wringen met de regionale kwaliteit. Dit verdient aandacht en vraagt nog meer om grensontkennend werken. Zeker ook wanneer plannen gemaakt gaan worden voor nieuwe zoekgebieden voor de opgave na 2030. Want hebben de huidige zoekgebieden voldoende uitbreidingscapaciteit of moeten er nieuwe zoekgebieden bijkomen? En wat levert dit landschappelijk voor beeld op? Dit hebben we nu nog onvoldoende in beeld, maar het lijkt erop dat er (op regionaal niveau) een (te) versnipperd beeld gaat ontstaan. Ten behoeve van het In april 2022 stuurden zes belangen- en bewonersgroepen uit het gebied Zwolle, Dalfsen, Staphorst en Zwartewaterland de provincie Overijssel een brief waarin ze wezen op de talrijke ingrijpende opgaven en (ruimtelijke) ontwikkelingen in dit gebied. Ze onderstreepten het belang van regie, afstemming tussen betrokken overheden en tijdige betrokkenheid van organisaties en inwoners. De brief was aanleiding voor een gesprek, gevolgd door drie werksessies in april, mei en september 2022. De sessies, waaraan provincie, belangengroepen, gemeenten, ENEXIS en waterschap deelnamen, leidden tot meer inzicht in de ruimtelijke ontwikkelingen en opgaven die spelen in het gebied.
Bij deze partijen bestaat de behoefte om samen een visie op het gebied op te stellen. Hier is ondertussen een proces voor opgestart. Figuur 11: Een deel van de windmolens in het ZSDZ-gebied in één beeld gevangen (foto: Leander Broere) College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_0042918/31 16 landschap en de ruimtelijke kwaliteit hiervan is het raadzaam meer vanuit (sub)regionaal niveau te kijken. De provincie kan hierin een belangrijke rol spelen. 4.3 Conclusie ruimtelijke kwaliteit In de RES 1.0 is aangegeven dat voor de uitvoering wordt ingezet op afstemming met buurgemeenten en een grensontkennende gebiedsgerichte aanpak op subregionaal niveau. We zien subregionale samenwerking, maar nog niet overal en niet áltijd integraal én gebiedsgericht. In de samenwerking wordt veelal vanuit het gemeentelijke perspectief gewerkt (gemeente brengt zoekgebied in) in plaats vanuit het subregionale perspectief. Hier liggen kansen. Kansen om te komen tot een regionale visie op de ontwikkeling van wind en zon, passend bij het landschap waardoor voorkomen wordt dat er in West-Overijssel overal wel iets gebeurt en landschappen daarvan de dupe worden. Ook het project OER (Energie op Rijksgrond) biedt goede kansen voor onze regio om subregionaal samen te werken. Het is daarbij ook van belang om grensontkennend tussen de RES-regio’s te gaan werken.
De volgende (voorlopige) lessen kunnen worden geleerd van de subregionale samenwerking in het ZSDZ-gebied: 1) Samen sta je sterk Samen optrekken en elkaar informeren m.b.t. RES-bod, voortgang binnen ZSDZ en benodigde netversterking. Dit heeft ervoor gezorgd dat er kortere lijnen zijn ontstaan; per gemeente zijn er veelbelovende ontwikkelingen, zoals bijv. Smart Energy Hub Zwolle Noord, nu wordt gewerkt aan de integraliteit op ZSDZ schaal. 2) Helder kader belangrijke voorwaarde Door tempoverschillen tussen gemeenten zijn kaders nog niet uniform, vooral aandachtspunt bij grensoverschrijdende clusters en initiatieven. We hebben gemerkt dat dit juist essentieel is, daarom wordt aan verdere uniformering gewerkt. 3) Het gebied in samenhang ontwikkelen Naast energie is voor veel andere opgaven in dit gebied (bedrijventerreinen, landelijk gebied, water, woningbouw, etc.) stevigere RO-coördinatie gewenst. Hier is een integraal gebiedsvisie proces gestart genaamd ‘ten noorden van de Vecht’, waarin samen met bewonersvertegenwoordigers wordt opgetrokken. 4) Gelijk speelveld creëren Aanpak gemeenten nu nog onvoldoende op elkaar afgestemd; bij grensclusters is dit een aandachtspunt en wordt opgepakt door beleidskaders meer te gaan afstemmen.
5) Eenduidige externe communicatie Vergelijkbaar met de RES is er behoefte aan een duidelijk verhaal met zo min mogelijk ruis, afstemming tussen de gemeenten over de externe communicatie draagt hieraan bij. College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_0042919/31 17 5. Netwerk 5.1 Stand van zaken elektriciteitsnetwerk Momenteel kent het hele gebied van RES West-Overijssel transportschaarste voor invoeding. Tevens zijn er in delen van West-Overijssel reeds gebieden waarbij transportschaarste voor de afname van elektriciteit geldt. Dit heeft impact op zowel duurzame opwek ambities als ook op economische ambities van gemeenten. De elektriciteitsinfrastructuur is een randvoorwaarde voor het realiseren van RES-plannen en is daarom niet voor niets opgenomen in het hoekpunt ‘Maatschappelijke Kostenefficiëntie’ van het afwegingskwadrant. Het aanleggen van infrastructuur kost namelijk veel geld en, niet minder belangrijk, legt ook een groot beslag op de fysieke ruimte, en vraagt veel inzet (mens en middelen). Daarnaast kunnen sommige stations onvoldoende worden uitgebreid door bestaande beperkingen, bijvoorbeeld beschikbare fysieke ruimte in boven en/of ondergrond. Mensen, materialen en ruimte zijn steeds schaarser en moeten daarom zo optimaal mogelijk worden ingezet.
Dat betekent zo veel mogelijk duurzame opwek met zo min mogelijk infrastructuur (capaciteit), ook wel bekend als systeemefficiëntie. Niet alleen helpt dit om het RES-bod haalbaar te maken, maar zo streven we ook naar een betaalbaar en betrouwbaar energiesysteem. In de RES-regio West-Overijssel is nog veel winst te behalen op het vlak van systeemefficiëntie. Maatregelen ten behoeve van een efficiënter energiesysteem zorgen ervoor dat het aantal uitbreidingen beperkt kan blijven, waardoor ook maatschappelijke kosten en fysieke ruimte worden bespaard. Dat kan door te werken aan een evenwichtiger verhouding zon:wind. Dit bijvoorbeeld door zon-op-land te vervangen door windenergie. Windturbines leveren 3x zoveel energie op dan zonnepanelen bij dezelfde netbelasting. De voorbeeldberekening laat ook zien dat voor eenzelfde netcapaciteit (bijv. 5 MW) een windmolen meer energie opwekt, en dus efficiënter gebruik maakt van de netcapaciteit, dan een zonneweide. Dit is tevens te zien in de opwek van een windmolen gedurende de dag of jaar ten opzichte van een zonnepark; de opwek voor een windmolen is constanter en varieert minder. Niet alleen helpt meer wind om het RES-bod haalbaar te maken, maar zo streven we ook naar een betaalbaar en betrouwbaar energiesysteem.
Maar denk ook aan het dichter bij elkaar brengen van opwek en afname, het toepassen van cablepooling (zon en wind op de zelfde aansluiting) en potentiële opweklocaties toetsen aan beschikbare (toekomstige) capaciteit. Gezien de tijdsdruk richting 2030 om het bod (voornamelijk het deel wind) te realiseren, is het belangrijk om zo snel mogelijk te starten met het voorbereiden van grote windprojecten, juist vanwege de huidige netcongestie. Omdat de volledige ontwikkelperiode van windenergie en netuitbreidingen beiden een gelijksoortige doorlooptijd hebben, moet goed worden nagedacht hoe de realisatie van windprojecten en netuitbreidingen optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Opgemerkt wordt dat netcongestie niet alleen een lokale of regionale oorzaak heeft. Het netwerk van Enexis sluit aan op het hoogspanningsnet van Tennet. Als daar sprake is van netcongestie kunnen we op het regionale net wel ruimte creëren maar dan komen we toch niet verder. Deze afhankelijkheid is vanuit de RES lastig te beïnvloeden. Op dit moment is er ook sprake van schaarste op het hoogspanningsnet en doet Tennet nog onderzoek. Voorbeeldberekening wind vs zon Een windmolen van 5 MW met 3500 vollasturen (tijdsduur op vol vermogen gedraaid) levert gemiddeld 17.500 MWh per jaar. Voor een zonneweide van 5 MW met 1.000 vollasturen geldt dat deze in één jaar 5*1.000 = 5.000 MWh opwekt.
Een windturbine wekt dus 3x meer energie dan een zonneweide met hetzelfde vermogen. College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_0042920/31 18 5.2 Bijdrage RES aan programmering regionale energiesysteem De provincie heeft de regierol op het programmeren van het energiesysteem. Zij heeft bij de start van de RES het initiatief genomen om met de betrokken partijen zoals de netbeheerder(s) en vertegenwoordigers van de twee Overijsselse RES-regio’s het SNIP-overleg te starten: Samen Naar Integraal Programmeren. De provincie ontwikkelt met inbreng van haar partners het SNIP-overleg door tot een Energyboard waarin de partners vanuit Overijssel op bestuurlijk niveau vertegenwoordigd zijn. Vanuit de RES West-Overijssel zullen 2 bestuurders hierin zitting nemen. De Energyboard bestaat uit een bestuurlijk overleg en een werkorganisatie. De werkorganisatie kent drie sporen: ‘sneller realiseren’, ‘beter benutten’ en ‘integraal programmeren’. Deze opzet sluit aan bij de thema’s zoals benoemd in het Landelijk Actieprogramma Netcongestie. Dit is nog in ontwikkeling. De projecten en initiatieven die door alle gemeenten zijn aangeleverd t.b.v. de monitor, zijn de basis geweest voor de netimpactanalyse van de netbeheerder (peildatum 2 maart 2023).
De uitkomsten en inzichten van deze analyse zijn door de provincie gebruikt om te komen tot een prioriteringsvolgorde in de uitbreidingsinvesteringen van netbeheerders en vastgelegd in het pMIEK (provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat). Deze prioritering is opgesteld op basis van een afwegingskader dat door Provinciale Staten is vastgesteld ten behoeve van de pMIEK 1.0. In de SNIP-samenwerking is het afwegingskader besproken en toegelicht. Na vaststelling door Provinciale Staten is het aan alle gemeenten en netbeheerders toegestuurd ter informatie. Het pMIEK bevat een advies over de prioritering van de uitbreidingsinvesteringen die de netbeheerders bij het opstellen van hun investeringsplannen mee zullen nemen (naast een aantal andere aspecten zoals veiligheid en leveringszekerheid). Ondertussen is de provincie gestart met een pMIEK 2.0. Figuur 12: Afwegingskader pMIEK Overijssel De investeringen waarmee de knelpunten voortkomend uit de netimpactanalyse, kunnen worden opgelost, zijn met inzet van het afwegingskader op volgorde van maatschappelijke prioriteit gezet. Daaruit is een eerste pMIEK voortgekomen waarin de onderstations zijn ingedeeld in vier categorieën variërend van ‘hoogste’ prioriteit tot ‘geen’ prioriteit. Zie figuur 13.
College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_0042921/31 19 Figuur 13: Prioritering in capaciteitsuitbreidingen (peildatum 28 maart 2023). NB: Deze tabel gaat over nog te programmeren projecten in de periode 2024 ev, additioneel aan inmiddels al in realisatie en in studie zijnde projecten. Geen prioriteit kan dus betekenen dat al volop wordt gewerkt aan uitbreiding en daarom niet in de langjarige programmering bovenaan de lijst staat. Tussen haakjes de omvang van het knelpunt aan de afname- en invoedingskant (in MW). *HSMS-stations waar momenteel geen aansluiting van een windpark wordt voorzien. 5.3 Impact van programmeren voor de RES Voor de RES heeft de maatschappelijke prioritering vanuit het pMIEK op de korte termijn weinig impact doordat de investeringsprocedures al gestart waren voordat het afwegingskader was opgesteld. Voor investeringen op de middellange termijn (5 tot 10 jaar) kan de prioritering wel gevolgen hebben. De effecten zullen echter per station verschillen. Zo zullen de onderstations waar netcongestie optreedt als gevolg van duurzame opwek, langer moeten wachten op een uitbreiding waardoor duurzame opwekprojecten niet op tijd kunnen worden aangesloten. De netimpactanalyse van de regionale netbeheerders alsook de analyse van TenneT van het RES 1.0- bod hebben uitgewezen dat het RES-bod bijna helemaal aangesloten kan worden in 2030.
Daarmee is de impact dus beperkt. Een aantal onderstations die uitbreiding behoeven vanwege afnamecongestie zullen volgens het afwegingskader versneld worden uitgebreid, wat ook weer extra ruimte biedt voor duurzame opwek. Wanneer vaststelling van de zoekgebieden voor wind uitblijft, kan in het pMIEK ook geen rekening worden gehouden met de daarvoor benodigde capaciteitsbehoefte. Het is mede daardoor belangrijk dat de zoekgebieden voor wind, tijdig bekend zijn. 5.4 Conclusie Er is nog veel winst te behalen met betrekking tot het hoekpunt systeemefficiëntie. In grote delen van West-Overijssel kunnen maatregelen voor systeemefficiëntie de haalbaarheid en betaalbaarheid van het RES-bod vergroten. Gemeenten en provincie spelen hier een belangrijke rol in. Zij kunnen beleidsmatig voorrang geven aan windprojecten of een combinatie van zon-wind-projecten en bijvoorbeeld zonnevelden met enkelgebruik niet langer toestaan. Daarnaast moet worden nagedacht over hoe we de verschillende ontwikkelstappen van windprojecten en het moment van aansluiten optimaal op elkaar af kunnen stemmen zonder dat businesscases in gevaar komen en animo onder initiatiefnemers zoals bijvoorbeeld de lokale energie-initiatieven afneemt. Inzicht in waar en wanneer afnameschaarste gaat optreden, is alleen op hoofdlijnen beschikbaar.
De actualiteit laat zien dat in steeds grotere delen van Overijsel er geen capaciteit meer beschikbaar is voor nieuwe grootverbruikers. De noodzaak om beide opgaven meer aan elkaar te koppelen, is evident, en vraagt om verbreding van de aanpak waarbij tot dusver de focus lag op duurzame stroomopwekking in relatie tot de netwerkcapaciteit. Prioriteren en programmeren van netwerkuitbreidingen heeft middels SNIP en pMIEK een plek gekregen en blijft een belangrijk thema. Tenslotte spelen decentrale overheden een rol bij het versnellen van realisatie van de benodigde uitbreidingen en verzwaringen van de elektriciteitsinfrastructuur, door ruimte beschikbaar te stellen en/of RO-procedures rondom uitbreidingen te versnellen. College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_0042922/31 20 6. Warmte (Regionale Strategie Warmte) 6.1 Inleiding actuele RSW De Regionale Structuur Warmte 1.0 (RSW) richtte zich vooral op het neerzetten van een eerste regionaal warmtebeeld. De afgelopen periode hebben we dit beeld herijkt en hebben we daarmee een richting bepaald naar de verdere uitwerking van het warmtedeel in de RSW 2.0. Het regionale warmtebeeld is herijkt op basis van nieuwe gegevens en inzichten.
Denk daarbij aan lokaal beleid in de Transitievisies Warmte (TVW), wijkuitvoeringsplannen (WUP) en recente onderzoeken naar bovenlokale bronnen en landelijke cijfers van de klimaatmonitor. Op basis van de herijking van de regionale warmtematch hebben we een scherper zicht gekregen op de voor de regio West-Overijssel relevante regionale warmtethema’s. Met name als het gaat om de inzet van bovenlokale warmtebronnen en warmte-infrastructuur. Deze thema’s zijn door de regionale werkgroep uitgewerkt en voorgelegd aan het Ambtelijk- en Bestuurlijk Platform. Dat heeft een duidelijke richting opgeleverd, waar ook de regionale meerwaarde wordt ervaren en waar (nog) niet. Tenslotte hebben we een aantal denkrichtingen ontwikkeld voor de bovenlokale aspecten van de warmtetransitie en welke rol de RES-samenwerking daarin kan vervullen. De bedoeling is om deze denkrichtingen in de RSW 2.0 verder uit te werken en waar nodig te komen tot bestuurlijke afspraken op regionaal niveau, zodat er een stevige basis ligt om de uitvoering op deze regionale warmtethema’s ter hand te nemen. 6.2 Actualisatie van het regionale warmtebeeld Ontwikkelingen sinds RSW 1.0 Door diverse ontwikkelingen is het regionale warmtebeeld sinds de RSW 1.0 veranderd. Zo hebben we de afgelopen jaren te maken gehad met een corona- en energiecrisis.
Alle West-Overijsselse gemeenten hebben een lokale Transitievisie Warmte vastgesteld. De eerste wijkuitvoeringsplannen zijn opgesteld en vastgesteld. En in de regio is een aantal collectieve (warmtenet)projecten in onderzoeks- en voorbereidingsfase. Tegelijk zien we dat het speelveld flink in beweging is en wordt er op landelijk en Europees niveau gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving. Denk daarbij bijvoorbeeld aan: Wet collectieve warmtevoorzieningen, Hybride warmtepompen als nieuwe standaard vanaf 2026, de kamerbrief over Programma Groen Gas en bijmengverplichting Groen Gas en verhoogde Europese ambities n.a.v. de energiecrisis (o.a. verdubbeling doel groen gas). Regionale warmtevraag De ontwikkeling van de regionale warmtevraag hebben we in de herijking uitgewerkt met als referentiejaar 2019. Verwacht wordt dat deze zich zal ontwikkelen van 12,9 PJ in 2019, naar 11,7 PJ in 2030, naar 9,5 PJ in 2050. Richting 2050 wordt dus een reductie van de warmtevraag verwacht van 27% (ten opzichte van 2019). Hierin is ook tot 2030 de verwachte groei van woningbouw meegenomen. Deze besparing kan gerealiseerd worden door isoleren, inzet van zuiniger apparaten en verandering van gedrag. De energiecrisis van 2021/2022 heeft geleerd dat er onder druk een flinke warmtevraagreductie mogelijk is (tot wel 25% of meer).
Deze gaat in een aantal gevallen ten koste van comfort (energiearmoede) en/of economische activiteit. Inzet warmtebronnen in lokale TVW’s In onderstaande tabel is op een rij gezet op welke warmtebronnen gemeenten inzetten in hun lokale Transitievisies Warmte. College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_0042923/31 21 Figuur 14: Warmtebronnen per lokale Transitievisie Warmte Duidelijk is dat alle gemeenten inzetten op Groen Gas én elektrificatie (hybride en/of all-electric). Door het Rijk wordt groen gas echter gezien als bron voor de o.a. de industrie en mobiliteit en niet in de eerste plaats voor het verwarmen van woningen. We zien niet of nauwelijks inzet van hoge temperatuur restwarmte in de regio. Zwolle, Deventer en Kampen zetten in op geothermie, al is dat nog wel omgeven met de nodige onzekerheden onder meer op het vlak van beperkingen, draagvlak en kosten. Een aantal gemeenten zet daarnaast ook in op LT-warmtebronnen: Thermische Energie uit Oppervlaktewater (TEO) en/of Afvalwater (TEA). Ook hierbij is de daadwerkelijke inzet van bronnen nog onzeker. Regionaal warmtebeeld in een warmtebalans Vanuit de herijking van vraag en aanbod is het volgende samenvattende regionale warmtebeeld ontstaan. In het rood/oranje is de totale regionale warmtevraag weergegeven en de verwachte ontwikkeling daarvan in 2030 en 2050.
Daarnaast is gekleurd het aanbod aan warmtebronnen weergegeven. Om het verschil tussen theoretische potentie en realistische benutting duidelijk te maken, is een HOOG en LAAG aanbod uitgewerkt. Figuur 15: Regionaal warmtebeeld in een warmtebalans Geothermie Restwarmte Groengas TEO TEA Hybride All-electric Dalfsen x x x x Deventer ? x x x x x Hardenberg x x x x x Kampen x x x x Olst-Wijhe x x x x x Ommen x x x x x Raalte x x x Staphorst x x x Steenwijkerland x x x x Zwartewaterland x x x x Zwolle x x ? ? x x College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_0042924/31 22 Draaiknoppen om de regionale warmtebalans te beïnvloeden In de warmtebalans zijn genummerd een aantal ‘draaiknoppen’ weergegeven die ingezet kunnen worden om de warmtebalans te beïnvloeden. Dit betreft: 1. Meer besparing (indien realistisch). 2. Aanleg warmtenetten om basislast te dekken. 3. Groen gas (maximaal) inzetten (hangt af van beleid hierop vanuit het Rijk) 4. Elektrificatie resterende warmtevraag (restant). Uit de regionale warmtebalans blijkt heel duidelijk dat het al of niet benutten van de potentie voor groen gas en HT-bronnen (geothermie) voor warmtenetten een groot effect heeft op de elektrificatie van de resterende warmtevraag.
Anders geformuleerd, als de potentie voor groen gas en HT-bronnen voor warmtenetten niet wordt benut, zullen veel woningen en gebouwen op basis van elektriciteit verwarmd moeten worden. Dat vergroot de al bestaande netwerkproblemen en brengt ook een extra opwekdoelstelling met zich mee. 6.3 Thema’s voor de RSW 2.0 Op basis van de herijking van het regionale warmtebeeld zijn de volgende conclusies getrokken over de inzet van bovenlokale warmtebronnen en een regionale warmte-infrastructuur. Deze conclusies zijn bepalend voor de warmtethema’s waarop verdere verdieping nodig is. Deze thema’s zijn ook vastgesteld door het Bestuurlijk Platform als denkrichting voor de RSW 2.0, deze worden hieronder nader omschreven. Wel een regionaal warmtethema in RES/RSW - Elektrificatie van de resterende warmtevraag vormt een substantieel onderdeel van het warmte-aanbod. De wens is om regionaal een betere duiding te krijgen bij de verwachte omvang van deze opgave. Daarom actualiseren we de cijfermatige onderbouwing uit de RES 1.0, zodat deze in de RES 3.0 kan worden geagendeerd als (extra) opwekdoelstelling voor na 2030. - Er zijn veel onduidelijkheden, onzekerheden en risico’s bij de ontwikkeling van warmtenetten. Daarom is regionale kennisdeling en samenwerking gewenst met name op het vlak van de inrichting van de Governance om op dit thema tot verdere opschaling te komen.
- Slim samenwerken en kennisdelen over de lokale warmtetransitie onder andere door het goed koppelen van de regionale ondersteuningsstructuur vanuit Nationaal Programma Landelijke Warmtetransitie (NPLW) aan de gemeenten en via de RES-tafel afspraken over te maken. - Tot slot is het blijven monitoren van de voortgang van de warmtetransitie (lokaal en regionaal) van belang om te weten of de gestelde doelen bereikt worden of dat andere regionale inzet gewenst is. Geen regionaal warmtethema in RES/RSW - Vraagreductie: energiebesparing levert een belangrijk bijdrage aan het bereiken van de warmtebalans. Immers, wat je niet gebruikt hoef je ook niet op te wekken. Het besparen en isoleren wordt door gemeenten lokaal opgepakt, ondersteund door landelijke subsidies. - Industriële restwarmte is niet beschikbaar als bovenlokale warmtebron en daarmee is dit geen regionaal warmtethema. - Geothermie als hoge temperatuurbron is inzetbaar in Zwolle en Kampen en in Deventer mogelijk in de toekomst, vooralsnog is dit een lokaal of intergemeentelijk thema. - In de regio is veel potentie voor de opwek van groen gas uit mest aanwezig. Lokaal wordt er volop ingezet om deze potentie te benutten door kleinschalige en grootschalige mestvergisting. Dit is ook onderkend in de RSW 1.0. Deze lijn houden we vast. Wel blijft het lastige om geschikte locaties voor opwek te vinden.
We monitoren of in de toekomst een regionaal doel, beleid of aanpak nodig of wenselijk is om tot verder opschaling te komen. College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_0042925/31 23 - In de regio West-Overijssel zijn er geen kansen voor een fysieke regionale warmte- infrastructuur (zie ook de RSW 1.0 inzake het onderscheid in versleepbare en niet- versleepbare bronnen). 6.4 Conclusie De afgelopen periode is de richting bepaald voor de verdere uitwerking van het warmtedeel in de RES 2.0. Daarbij is geconcludeerd dat de elektrificatie van de warmtevraag aanscherping van deze richting nodig maakt. Verder wordt er op regionaal niveau gewerkt aan inrichting van de samenwerking NPLW en de mogelijk ontwikkeling van een regionaal warmte(netwerk)bedrijf. De regionale warmtemonitor is in ontwikkeling en deze wordt gekoppeld aan de RES-brede monitoring. De conclusie is dan ook dat de RSW (het warmtedeel van de RES) op koers ligt ten aanzien van die onderwerpen waarop regionale meerwaarde kan worden bereikt. College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_0042926/31 24 7. Participatie 7.1 Voortgang participatie Algemeen De energietransitie heeft impact op de directe leefomgeving van iedereen: ons landschap gaat veranderen. Daarom is het belangrijk dat iedereen begrijpt waarom deze energietransitie noodzakelijk is en besluitvorming hierover nodig is.
Door zoveel mogelijk mensen te betrekken bij die energietransitie werken we aan maatschappelijke acceptatie. Er zijn verschillende vormen om mensen te betrekken: tijdens het maken van beleidskeuzes (procesparticipatie), maar ook tijdens de uitvoering van het project (projectparticipatie). In die laatste fase zijn het realiseren van eigenaarschap, de verdeling van de lusten en de lasten en invloed en/of zeggenschap belangrijk. Figuur 16: Participatiekader RES West-Overijssel In West-Overijssel is er voor gekozen om de procesparticipatie op de RES zo laag mogelijk neer te leggen. Dat wil zeggen bij de gemeenten. Wel is er op RES-niveau een Adviesgroep voor regionale maatschappelijke partners (waaronder de energiecoöperaties) en vindt er kennisdeling plaats tussen gemeenten via het provinciale programma NEO. 7.2 Lokaal Eigendom 7.2.1 Stand van zaken beleid lokaal eigendom De RES-regio West-Overijssel heeft als doelstelling dat minimaal 50% van de projecten voor grootschalige opwek in lokaal eigendom ontwikkeld worden. Lokaal eigendom is belangrijk om voldoende maatschappelijke acceptatie te realiseren voor de totstandkoming van grootschalige zonneparken en windmolens. De ambities van enkele gemeenten gaan verder dan in de RES 1.0 is opgenomen, soms met een streven naar 100% lokaal eigendom.
De revenuen in de lokale gemeenschap houden en zeggenschap voor inwoners, zijn voor West-Overijssel belangrijke onderdelen van dat lokaal eigendom die in energieprojecten goed geborgd moeten zijn. Beleidsmatig is de verankering van de afspraak rondom lokaal eigendom goed onderweg. Wel is het beleid en jurisprudentie op dit onderwerp voortdurend aan verandering (en toetsing door rechters) onderhevig. Kennisuitwisseling over zowel het beleidsmatig verankeren van lokaal eigendom als het vormgeven van projecten met lokaal eigendom blijft nodig. College van burgemeester en wethouders - 4 juni 2024 - 2024_B&W_0042927/31 25 Daarnaast zien we dat het door de provincie ontwikkelde instrumentarium LEI-F (Lokale Energie Initiatieven – Financiering) meer lokale initiatieven in staat stelt, vorm te geven aan projecten met lokaal eigendom. Gemeenten zijn vaak nog zoekend welk instrumentarium zij zelf aanvullend in kunnen zetten op dit onderwerp en hoever zij hierin willen gaan. De gedachtevorming rond lokaal eigendom in de warmteketen staat nog in de kinderschoenen. Het verdient aanbeveling ook hier komende periode aandacht aan te besteden. Het zou kunnen dat er een waterbedeffect in de regio gaat ontstaan waarbij actief geshopt gaat worden door commerciële ontwikkelaars tussen gemeenten waar de regelgeving optimaal in elkaar steekt voor de eigen businesscase.