12.0 College - Beheerplan landschapselementen gemeente Steenwijkerland
Tekst van het document
29 Opkronen van bomen tot maximaal één derde van de totale boomhoogte, uitsluitend indien noodzakelijk Verwijderen van gevaarlijke bomen en, indien gewenst, incidenteel een gezonde boom ten behoeve van lichttoetreding Behoud en versterking van een aaneengesloten struiklaag Uitmaaien van jonge, ongewenste opslag en beplanting Maaien van bramen langs de perceelranden indien nodig Snoeien of verwijderen van overhangende takken Inboeten en herplanten van open plekken en uitgevallen beplanting met autochtoon, inheems plantmateriaal Circa 5–10% liggend en/of staand dood hout is gewenst ter bevordering van de biodiversiteit Werken volgens vooraf vastgestelde fasering Voor uitvoering beheermaatregelen, inspectie door ecologisch deskundige Werk volgens ecologisch protocol 30 6.3 Struweelheggen en hagen Een struweelhaag is een lijnvormig landschapselement dat bestaat uit dicht naast elkaar geplante struiken en zich vrij kan ontwikkelen. De termen heg en haag worden in de praktijk vaak door elkaar gebruikt; in dit kader wordt met een haag een vrij uitgroeiend element bedoeld. Voor de aanleg van struweelhagen worden met name inheemse, streekeigen struiken toegepast, zoals meidoorn, sleedoorn en hondsroos. Historisch gezien dienden struweelhagen als veekering en als bron van geriefhout en vruchten.
Naarmate een struweelhaag ouder wordt, neemt de variatie in plantensamenstelling toe. Hierdoor ontstaat een grote rijkdom aan zaden en bessen. Struweelhagen vervullen een belangrijke ecologische functie als schuil-, foerageer-, nest- en overwinteringsgebied voor tal van diersoorten. Daarnaast functioneren zij als verbindende structuren in het landschap, waar onder andere egels en amfibieën gebruik van maken. Beheer Het beheer van de struweelhaag is gericht op het behoud van een dichte, soortenrijke en vrij uitgroeiende structuur. Door gefaseerd en periodiek beheer blijft de haag vitaal en wordt verjonging gestimuleerd, terwijl de ecologische waarde behouden blijft. Overmatige groei wordt beperkt om de vorm en functie van het element in stand te houden, zonder de natuurlijke ontwikkeling te verstoren.
Uitgangspunten Het element bestaat uit inheemse, streekeigen struiksoorten De struweelhaag mag vrij uitgroeien en wordt niet strak in vorm gehouden De haag wordt periodiek afgezet om verjonging te stimuleren Bemesting is niet toegestaan Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is niet toegestaan Het is niet toegestaan te branden in of in de directe omgeving van het landschapselement Vrijgekomen snoeiafval mag niet binnen het element worden verwerkt Beheermaatregelen Inplanten van grote open plekken met inheems, streekeigen plantmateriaal Snoeien van (te veel) overhangende takken wanneer deze hinder veroorzaken of de structuur van de haag aantasten
31 Periodiek gefaseerd terugzetten (afzetten) van de haag eens per 5 tot 10 jaar, op een hoogte van circa 0,30 tot 1,00 meter Verwijderen en afvoeren van het vrijkomende snoeiafval indien nodig. Maken van takkenrillen en bulten heeft de voorkeur 32
33 6.4 Eiken-, elzen- en essenstoven Eiken-, elzen- en essenstoven en -stoelen, evenals knotbomen, zijn karakteristieke landschapselementen die voortkomen uit een traditionele beheervorm waarbij bomen periodiek worden teruggezet voor de winning van hakhout. Een stoof bestaat uit het onderste deel van de boom, dat herhaaldelijk wordt afgezaagd, waarna nieuwe scheuten uitlopen. Eikenstoven en essenstoven zijn door hun grillige vorm aantrekkelijke elementen voor mens, plant en dier. De variabele grillige organische vormen maken ieder exemplaar uniek. In Overijssel komen diverse zeer oude eiken-, elzen- en essenstoven en knotbomen voor, met leeftijden die kunnen oplopen tot 75–100 jaar of meer. Door hun hoge leeftijd, bijzondere groeivorm en cultuurhistorische waarde zijn deze elementen zeer waardevol voor landschap en biodiversiteit. Ze bieden leefgebied aan tal van insecten, vogels en mossen en vereisen zorgvuldig en deskundig beheer om duurzaam behouden te blijven. Beheer Het beheer van eiken-, elzen- en essenstoven en knotbomen is gericht op het behoud van de vitaliteit, stabiliteit en ecologische waarde van deze bijzondere elementen. Door periodiek en zorgvuldig terugzetten van de uitlopers wordt verjonging gestimuleerd en wordt het risico op takbreuk en instabiliteit beperkt.
Gefaseerd beheer heeft de voorkeur, zodat de boom voldoende bladoppervlak behoudt en fauna gebruik kan blijven maken van het element. Het beheer wordt uitgevoerd met inachtneming van ecologische randvoorwaarden en onder begeleiding van een ecologisch deskundige. Uitgangspunten Het betreft voornamelijk eiken, elzen en essen die in deze beheervorm worden aangeduid als stoof, stoel of knotboom. Een stoof wordt afgezet op een hoogte van circa 0,30 tot 1,50 meter boven maaiveld. Het element wordt periodiek beheerd in een cyclus van circa 5 tot 10 jaar, soort- en situatieafhankelijk. Gefaseerd beheer heeft de voorkeur, waarbij eens per 2 tot 4 jaar circa 50% van de uitlopers wordt teruggezet. De elementen hebben een hoge ecologische en cultuurhistorische waarde en worden met extra zorg behandeld. Bemesting binnen het landschapselement is niet toegestaan. Verbranding in of in de directe omgeving van het landschapselement is niet toegestaan. Werkzaamheden vinden plaats buiten het broedseizoen, in de periode van 1 augustus tot 1 maart. Voorafgaand aan de werkzaamheden vindt een ecologische inspectie plaats door een ecologisch deskundige. Instructies van de ecologisch deskundige worden onverkort opgevolgd.
Beheermaatregelen Periodiek afzagen van takken tot kort op de oude knot of stoof, minimaal eenmaal per 5 jaar Gefaseerd terugzetten van uitlopers om vitaliteit en stabiliteit te behouden 34 Handmatig uitvoeren van snoeiwerkzaamheden; machinaal terugzetten met klepelmaaiers of hydraulische knippers is niet toegestaan Inzet van een hoogwerker bij knotbomen wordt aanbevolen om schade aan boom en omgeving te voorkomen Afvoeren van het vrijkomende tak- en snoeihout buiten het landschapselement Ecologisch beheren van de directe omgeving (ruigte, randen en struweel) ter ondersteuning van flora, fauna en landschappelijke samenhang
35
36 6.5 Poelen Een poel is een door de mens gegraven waterlichaam dat wordt gevoed door grond- en/of regenwater. Oorspronkelijk werden poelen aangelegd ten behoeve van de drinkwatervoorziening voor vee. Tegenwoordig vervullen zij vooral een belangrijke ecologische functie als leefgebied voor amfibieën en andere waterafhankelijke organismen. Poelen hebben een hoge natuurwaarde door hun vaak geïsoleerde ligging en het relatief schone water dat zij bevatten, soms zelfs gevoed door kwel. Daarnaast functioneren poelen als zogenoemde stapstenen in het landschap, waardoor plant- en diersoorten zich tussen verschillende biotopen kunnen verplaatsen. Beheer Het beheer van een poel is gericht op het behoud van een open wateroppervlak met een natuurlijke oeverstructuur en een goede waterkwaliteit. Door periodiek en gefaseerd onderhoud wordt verlanding voorkomen en blijft de poel geschikt als voortplantings- en leefgebied voor amfibieën.
Uitgangspunten De poel is wordt gevoed door grond- en/of regenwater De poel heeft geen verbinding met open water Periodiek droogvallen van de poel is toegestaan buiten voortplantingsperiode van amfibieën Begroeiing in de poel is toegestaan tot maximaal één derde van het oppervlak, bij voorkeur aan de noordzijde De poel wordt vrijgehouden van meststoffen en chemische stoffen Vissen, eenden of ganzen zijn ongewenst vanwege eutrofiëring en predatie van amfibieën(eitjes) In en in de directe omgeving van de poel is geen uitheemse beplanting aanwezig Beheermaatregelen Jaarlijks gefaseerd verwijderen van overdadige waterplanten indien nodig, waarbij maximaal 40% van de poel wordt opgeschoond Jaarlijks (gedeeltelijk) maaien van de oevers ter preventie van bosopslag Verwijderen van ongewenste vegetatie en opslag op en rond de oevers Periodiek (bij voorkeur handmatig) verwijderen van ruigte en houtige beplanting van de oever, eens per 5 jaar Periodiek uitdiepen/baggeren van de poel indien verlanding optreedt Maaisel en verwijderde waterplanten voor het afvoeren, minimaal 48 uur op de oever laten liggen zodat aanwezige fauna terug kan kruipen Uitvoeren van werkzaamheden aan oever en water in de periode van 1 september tot 1 november Werkzaamheden worden uitgevoerd conform de gedragscode en/ of een ecologisch werkprotocol en zo nodig onder ecologische
begeleiding van een ecologisch deskundige 37 7 Werkwijze en organisatie 7.1 Veldinspectie Alle landschapselementen die door de gemeente Steenwijkerland worden beheerd, zijn opgenomen in het beheersysteem van de gemeente. Met behulp van de app wordt inspectie van alle landschapselementen gepland. Tijdens deze inspectie wordt de conditie en onderhoudsbehoefte van de landschapselementen in het veld geïnventariseerd. De landschapselementen worden daarbij op de volgende punten beoordeeld: Conditie en snoeibehoefte van de houtige gewassen en bomen Conditie en samenstelling van de onderbegroeiing (kruidenlaag) Samenstelling van de vegetatie (soorten struiken en bomen) Aanwezigheid van invasieve exoten Aanwezigheid van dominante inheemse soorten Verkeersveiligheid Functioneren, water afvoer, overhangende takken, enz. Na inspectie kunnen de gegevens in het beheersysteem worden ingelezen. Daarmee liggen de gegevens vast en kan op basis van de ingevoerde gegevens een uitvoeringsplan opgesteld worden. Afhankelijk van lokale omstandigheden en soortsamenstelling zal beheer vaker of minder vaak uitgevoerd moeten worden. Per object vraagt het beheer van landschapselementen dus om maatwerk. Beheerder en uitvoerder bepalen gezamenlijk de een werkplan. 7.2 Uitvoeringsplan Op basis van de inspectiegegevens wordt een eenvoudig uitvoeringsplan opgesteld.
In dit uitvoeringsplan is een kaart opgenomen met de betreffende landschapselementen. Per landschapselement wordt aangegeven welke beheermaatregelen zijn gepland en welke uitvoeringsmethode (met welk materiaal) wordt toegepast. 7.3 Quick scan, ecologisch werkprotocol en toezicht Na het opstellen van het uitvoeringsplan gaat een ecologisch deskundige het veld in om de betreffende elementen te inspecteren. De ecologisch adviseur stelt daarna een korte instructie op (werkprotocol) zodat de maatregelen geen ongewenste schade of verstoring van flora en fauna veroorzaken. De ecologisch inspecteur ziet er tijdens de uitvoering van het werk op toe dat het werkprotocol wordt nageleefd. 38 8 Taken en verantwoordelijkheden Dit hoofdstuk beschrijft de taken en verantwoordelijkheden bij het beheer en de uitvoering van onderhoud aan landschapselementen, inclusief voorbereiding, uitvoering en ecologische borging.
8.1 Rollen Beheerder Uitvoerder Team Uitvoering/ Aannemer Ecologisch adviseur/ecologisch deskundige 8.1.1 Beheerder Verantwoordelijkheden Zorgdragen voor actuele kaarten en beheerdata Aanmaken en beheren van inspectierondes in het beheersysteem Inlezen en beoordelen van inspectiegegevens Opstellen van het uitvoeringsplan in samenwerking met uitvoerder Taken Actualiseren van kaarten en beheerdata Analyseren van inspectieresultaten Opstellen van het uitvoeringsplan, inclusief: Werk- en detailkaarten Beschrijving van snoeimethode(n) Omschrijving van het gewenste eindbeeld/resultaat na snoei Verstrekken van de opdracht aan Team Uitvoering of aannemer Afstemming met uitvoerder over planning en randvoorwaarden 8.1.2 Uitvoerder Verantwoordelijkheden Verantwoordelijk voor de kwaliteit van de veldinspectie en de uitvoering Toezien op correcte uitvoering conform uitvoeringsplan en ecologisch protocol Taken Uitvoeren van de veldinspectie of het delegeren daarvan aan een medewerker (blijft eindverantwoordelijk) Afstemmen met de beheerder over keuze van gereedschap en uitvoeringsmethode Aansturen van Team Uitvoering of aannemer in het veld Bewaken van kwaliteit, voortgang en veiligheid tijdens de uitvoering 8.1.3 Team Uitvoering (UOR) of Aannemer Verantwoordelijkheden Correct en tijdig uitvoeren van de werkzaamheden conform uitvoeringsplan en
ecologisch protocol. 39 Taken Uitvoeren van snoei- en beheerwerkzaamheden volgens instructies. Naleven van afgesproken methoden, veiligheidsregels en ecologische randvoorwaarden. Melden van afwijkingen of knelpunten aan de uitvoerder. 8.1.4 Ecologisch adviseur/ecologisch deskundige Verantwoordelijkheden Borgen van ecologische wet- en regelgeving tijdens voorbereiding en uitvoering. Taken Uitvoeren van een veldinspectie (quickscan) voorafgaand aan de (snoei)werkzaamheden Opstellen van een ecologisch werkprotocol op basis van de veldinspectie Instrueren van uitvoerder en aannemer vóór aanvang van de werkzaamheden. Toezien tijdens de uitvoering dat wordt gewerkt volgens het ecologisch protocol 8.1.5 Samenwerking en afstemming Beheerder, uitvoerder en ecologisch adviseur stemmen tijdig af over planning, methodiek en randvoorwaarden Afwijkingen van het uitvoeringsplan of ecologisch protocol worden vooraf besproken en vastgelegd Afbeelding 5 PDCA cyclus beheer 40