10.1 Informatienota 2021 - 50.1 - Onderzoek rol rechtsvoorgangers Steenwijkerland inzake onteigening Joodse eigendommen tijdens en na WOII - Vooronderzoek.pdf
Tekst van het document
Joods (on)roerend goed in de rechtsvoorgangers van de gemeente Steenwijkerland tijdens en na de Tweede Wereldoorlog Vooronderzoek Martin van der Linde, stichting IJsselacademie, 3 september 2021
1 Inleiding De afgelopen jaren hebben de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht onderzoek laten doen naar hun rol bij het in de Tweede Wereldoorlog geroofde Joodse (on)roerend goed. Uit die onderzoeken bleek bij de afwikkeling daarvan na de oorlog een vaak kille en zakelijke houding van de gemeenten, waarbij geen rekening gehouden werd met de verschrikkingen die de overlevende Joden hadden moeten ondergaan. Zo werden er bijvoorbeeld naheffingen gedaan voor achterstallige belastingen en erfpacht uit de periode 1940-1945, of kostte het Joodse overlevenden na de oorlog veel moeite om in hun eigen woning terug te keren, omdat het pand inmiddels door iemand anders werd bewoond. Deze onderzoeken en een uitzending over dit onderwerp van het KRO-programma Pointer op 27 mei 2020, waren aanleiding voor een groot aantal andere gemeenten om ook een onderzoek te starten naar hun eigen rol inzake de roof van het Joods (on)roerend goed in de Tweede Wereldoorlog en de afwikkeling daarvan na de oorlog. Ook de rechtsvoorgangers van de gemeente Steenwijkerland hadden Joodse inwoners. Dat roept de vraag op hoe deze voorgangers zijn omgegaan met het Joods (on)roerend goed in en na de Tweede Wereldoorlog.
Nabestaanden van de Joodse gemeenschap van Steenwijk hebben behoefte aan een dergelijk onderzoek, vanwege de wens om te weten wat er daadwerkelijk is gebeurd en vanuit een gevoel van ‘rechtvaardiging en afhechting’. Op verzoek van de gemeente Steenwijkerland heeft de stichting IJsselacademie een vooronderzoek uitgevoerd wat resulteert in navolgend onderzoeksvoorstel naar de omgang met Joods (on)roerend goed in de rechtsvoorgangers van Steenwijkerland tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Joodse gemeenschappen in de Kop van Overijssel Het grondgebied van de huidige gemeente Steenwijkerland bestond aan het begin van de Tweede Wereldoorlog uit tien verschillende gemeenten, namelijk: Kuinre, Blankenham, Blokzijl, Oldemarkt, Giethoorn, Steenwijkerwold, Steenwijk, Wanneperveen, Stad Vollenhove en Ambt Vollenhove. Op 1 februari 1942 werden deze laatste twee gemeenten samengevoegd tot de gemeente Vollenhove. Bij het begin van de oorlog hadden in ieder geval Steenwijk, Blokzijl, Steenwijkerwold en Stad Vollenhove Joodse inwoners. Vermoed wordt dat de andere gemeenten geen Joodse ingezetenen hadden, maar helemaal zeker is dit niet. Verreweg de grootste Joodse gemeenschap bevond zich in Steenwijk.
Bij het begin van de oorlog telde Steenwijk ruim honderd Joodse inwoners, die samen een kerkelijke gemeente vormden met een eigen synagoge, joodse school en diverse genootschappen en verenigingen voor o.a. het begrafeniswezen, zorg voor het interieur van de synagoge en Tora-studie. 51 leden van de Joodse gemeenschap werden tijdens de oorlog door de Duitsers vermoord. Blokzijl telde in 1940 acht Joodse inwoners. Formeel vormden zij nog een kerkelijke gemeente, maar omdat alle leden uit dezelfde familie kwamen, stelde het in de praktijk niet veel meer voor. Niemand van de Joodse gemeenschap in Blokzijl zou de oorlog overleven. In Steenwijkerwold woonden vermoedelijk zes personen van volledig- of gedeeltelijke Joodse afkomst van wie er één door de Duitsers werd omgebracht. Tenslotte woonde in Vollenhove een Joods gezin van in ieder geval drie personen (mogelijk meer), van wie slechts één gezinslid de oorlog zou overleven. Net als elders in Nederland kregen de Joodse gemeenschappen in de Kop van Overijssel te maken met de anti-Joodse maatregelen van de Duitsers. In de eerste maanden van 1941 2 waren alle personen met minimaal één Joodse grootouder verplicht zich te registreren bij het bevolkingsregister van de gemeente waar ze stonden ingeschreven.
Op die manier beschikten de autoriteiten vanaf dat moment over een overzicht van de gehele Joodse bevolking, compleet met geboortedata, beroepen en adressen. Voor Steenwijk zijn deze lijsten bewaard gebleven in het gemeentearchief. Daarna volgde de ene maatregel op de andere om de Joodse inwoners van de rest van de bevolking te isoleren en uit te sluiten van het openbare en economische leven. Illustratief voor de fuik waarin zij zaten is een brief die de Joodse onderwijzer Levie Drukker op 26 juni 1941 aan de Steenwijker burgemeester Goeman Borgesius stuurde. In deze noodkreet vraagt Drukker aan de burgemeester zijn invloed bij de Duitse bezetter aan te wenden om voor hem een uitzondering te maken voor het vestigingsverbod voor Joden in Gelderland, zodat hij bij zijn verloofde in Arnhem kon gaan wonen. Drukker was een geboren en getogen Steenwijker en legt in zijn brief nauwgezet uit hoe hij in financiële moeilijkheden was gekomen, nadat hij als Joodse onderwijzer in overheidsdienst in november 1940 was ontslagen. Hij was niet meer in staat zijn pensiongeld te betalen en samenwonen met zijn verloofde zag hij nog als enige mogelijke oplossing.
Goeman Borgesius reageerde drie dagen later slechts kortaf dat Drukker zich tot de burgemeester van Deventer moest wenden, de plek waar hij op dat moment woonde.1 De briefwisseling is eveneens bewaard gebleven bij het gemeentearchief Steenwijkerland. Nadat de Joodse bevolking was geïsoleerd gingen de Duitsers over tot hun deportatie. Vanaf maart 1942 moesten Joodse mannen zich melden voor werk in de werkkampen in Noord- Nederland, waarbij een aantal Steenwijker Joden terecht kwam in Kamp Conrad bij Staphorst. In oktober 1942 werden vervolgens de meeste Joodse inwoners in de Kop van Overijssel die niet waren ondergedoken weggevoerd naar kamp Westerbork. In april 1943 volgde de Duitse oproep dat alle nog in Overijssel woonachtige Joden zich naar Kamp Vught moesten begeven. Dertien Joodse inwoners van Steenwijk gaven hier gehoor aan. Vanaf dat moment was vrijwel de hele Kop van Overijssel officieel ‘Jodenvrij’, met uitzondering van enkele gemengd gehuwde Joden in de regio.2 Na de oorlog was er in de Kop van Overijssel alleen in Steenwijk nog een kleine Joodse gemeenschap over. Bijna de helft van de Joodse Steenwijkers wist de oorlog te overleven, meestal in de onderduik. De synagoge en het interieur waren in de oorlog behouden gebleven, ondanks het feit dat het gebouw als opslag gebruikt werd.
In mei 1945 werd er weer een vergadering belegd, maar de Joodse gemeente bleek te klein geworden om een synagoge en een leraar te kunnen bekostigen. De laatste huwelijksinzegening vond in de synagoge plaats in 1947. Een jaar later werd het gebouw verkocht en uiteindelijk gesloopt. De joodse gemeente van Steenwijk werd op 7 juni 1964 opgeheven en bij die van Zwolle gevoegd. De joodse gemeente van Blokzijl was al in 1947 formeel opgeheven.3 Geen enkel lid van die gemeenschap had de oorlog overleefd. 1 GA Steenwijkerland, archief gemeente Steenwijk 1928-1972, inv.nr. 711. 2 H. Spreen, ‘Het drama van de joden in Steenwijk’ in: H. Spreen, Steenwijk in 40-45, een historisch document (Steenwijk 1995) 236-243. 3 Website Joods Historisch Museum, geraadpleegd op 19-07-2021, https://jck.nl/nl/kaart. 3 Joodse bezittingen Onroerende goederen en hypotheken Tijdens de bezetting werd veel van het Joodse (on)roerend goed door de Duitsers onteigend en doorverkocht. Hiervoor trad op 11 augustus 1941 de verordening 154/1941 ‘betreffende het joodsche grondbezit’ in werking, waarin de liquidatie van joods onroerend goed en hypotheken werd geregeld. Joden werden verplicht om hun grondbezit, inclusief alle aan de grond gerelateerde rechten zoals erfpacht, opstal, verhuren en hypotheken, aan te melden bij de Niederländische Grundstückverwaltung (NGV).
Door de deportatie van de Joodse eigenaren kwamen vanaf 1942 veel panden leeg te staan, waarna de NGV begon met de onteigening en verkoop. Dit deed ze veelal via tussenpersonen, makelaars of de door de NSB’ers geleide organisatie Algemeen Nederlands Beheer van Onroerende Goederen (ANBO). De winst van deze handel stroomde direct door naar de roofbank Lippmann, Rosenthal en Co. aan de Sarphatistraat in Amsterdam, ook wel bekend als Liro. Daar kwam het geld terecht op een collectieve rekening waar onder meer de kampen Westerbork en Vught en deportaties naar andere kampen van werden betaald. De administratie hiervan hield de NGV bij in de zogeheten Verkaufsbücher (of Vastgoedboeken), die bewaard zijn gebleven in het Nationaal Archief in Den Haag. In deze boeken staan 22 verkochte panden in Steenwijk en twee panden in Blokzijl. Vermeld worden o.a. de oorspronkelijke eigenaar, de oorlogskoper, de beheerders, de bij de verkoop betrokken notarissen en de prijs, die vaak ver onder de marktwaarde lag. De inboedel van de woningen werd op verschillende locaties in Steenwijk opgeslagen. Het is niet zeker of de boeken een compleet beeld geven van het geroofde Joodse onroerend goed in de Kop van Overijssel. Het eerste deel van de in totaal achttien Vastgoedboeken is vermist en in andere Nederlandse plaatsen zijn al meer transacties gevonden dan in de boeken staan vermeld.
Voor de Kop van Overijssel vonden we in het archief van het Kadaster bij het Historisch Centrum Overijssel ook nog twee adressen uit Oldemarkt en Blankenham die mogelijk zijn onteigend en verkocht tijdens de oorlog. Voor een zo’n compleet mogelijk beeld is nader onderzoek vereist, waarbij ook wordt gekeken of de gemeente een rol heeft gespeeld bij de onteigening en verkoop van Joodse bezittingen door bijvoorbeeld actief mee te werken met de Duitse bezetter of door zelf Joodse bezittingen op te slaan of over te nemen. Bedrijven De Duitsers hebben tijdens de bezetting het Joodse bedrijfsleven door middel van arisering en liquidatie opgeheven. Al op 22 oktober 1940 moesten alles Joodse ondernemingen zich aanmelden bij de Wirtschaftsprüfstelle (Wsp), met een opgave van het vermogen van hun onderneming. Op 12 maart 1941 werd vervolgens besloten dat kleine Joodse bedrijven geliquideerd zouden worden en grote of economisch belangrijke Joodse ondernemingen voortgezet zouden worden door niet-Joden. Het beheer van de grote bedrijven gebeurde door de Niederländische Aktiengesellschaft für Abwicklung von Unternehmungen (NAGU), terwijl de liquidatie van de bedrijven bij de hand werd gevat door de Omnia Treuhandgesellschaft.
De Omnia stelde op haar beurt curatoren (Sachbearbeiter) aan; veelal Nederlanders die de liquidatie zelfstandig uitvoerden, maar die zich moesten houden aan de richtlijnen van het hoofdkantoor. Zij werkten vanuit Sachbearbeiterbureaus in Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Zwolle, Meppel, Enschede, Hengelo, Groningen, Leeuwarden en Den Bosch. In het archief van Omnia, dat bewaard is gebleven bij het NIOD, zitten zeven dossiers van Joodse bedrijven uit Steenwijk en één dossier uit Blokzijl. Ook hier is het de vraag of dit een compleet beeld geeft van de roof van Joodse bedrijven in de Kop van Overijssel. Zo 4 wordt de Joodse firma J.S. Polak Specerijenmaalderij b.v. uit Steenwijk niet in het Omnia- archief vermeld, terwijl bekend is dat de firma een reeks Duitse Verwalters aangewezen kreeg die de onderneming voortzetten, maar het bedrijf ondertussen ook leegroofden. Mogelijk dat deze onderneming onder de grotere bedrijven gerekend werd.4 Sommige Joodse ondernemers hadden hun bedrijf aan huis. Zo waren er verspreid door Steenwijk enkele Joodse slagerijen, kleding- of manufacturenzaken en had de familie De Horst in de Kerkstraat in Blokzijl haar woning annex manufacturenzaak.
Nader onderzoek naar de onteigening en liquidatie van Joodse bedrijven, zoals in de Omnia-dossiers is vastgelegd, levert mogelijkerwijs eveneens informatie op over de onteigening en verkoop van Joodse bezittingen, waarbij ook specifiek zal worden onderzocht of de gemeente hierin een rol heeft gespeeld. Na de oorlog Wat er na de oorlog met het verkochte Joodse onroerend goed en de geliquideerde of onteigende Joodse bedrijven is gebeurd, is slechts ten dele bekend. Over het algemeen vond er in Nederland rechtsherstel plaats en was er sprake van teruggave aan de betreffende Joodse eigenaar of aan diens erfgenamen. Maar tegelijkertijd was er ook een kil ontvangst voor Joden die na de oorlog terug wilden keren naar hun huis. Velen van hen moesten de strijd aangaan om hun panden terug te krijgen. Wanneer er niemand meer in leven was, werd er een bewindvoerder aangesteld. Deze situatie deed zich o.a. voor in Blokzijl, waar de burgemeester als bewindvoerder is opgetreden van de nalatenschap van de familie De Horst en waarbij hij een deel van de gronden heeft verkocht aan de gemeente. Nader onderzoek naar de precieze gang van zaken is hier vereist. Vaak gebeurde het dat bij terugkeer van de oorspronkelijke eigenaar na de bevrijding een woning nog werd bewoond door evacués of oorlogsbewoners, die niet altijd meteen plaats wilden maken of hiertoe niet in staat waren.
In het geval van de Steenwijker Izak Gokkes, die met zijn familie een kledingwinkel en woninginrichtingszaak aan de Markt runde, duurde het nog een maand of twee à drie voordat hij weer in zijn woning kon.5 Het was de taak van de gemeente Steenwijk om vervangende woonruimte voor de evacués te vinden. Op welke manier de gemeente zich in dergelijke kwesties opstelde, zal nader moeten worden onderzocht. Wanneer er geschillen ontstonden tussen de oorspronkelijke eigenaren en oorlogskopers, kon men zich wenden tot de afdeling Onroerend Goed van de Raad voor het Rechtsherstel. In het archief van de Raad zal worden gezocht naar zaken die zich in de Kop van Overijssel hebben voorgedaan. Opmerkelijk is ook een brief die de Joodse gemeente van Steenwijk op 10 januari 1949 verstuurde aan de Steenwijker burgemeester Voetelink, waarin zij zich beklaagt over het feit dat zonder haar medeweten en zonder overleg met het kerkbestuur het benedenhuis van de Joodse school was gevorderd voor woningruimte.6 Dat deze ruimte vervolgens werd bewoond door een lid van de NSB-familie Witziers, maakte het extra wrang. In de Duitse Vastgoedboeken staat de naam van Witziers juist vermeld als koper van geroofd Joods onroerend goed. Ook hier is nader onderzoek naar het handelen van de gemeente vereist. 4 J. van Rossum, In de onderduik.
Hoe Steenwijker joden de oorlog overleefden (Steenwijk 2011); Het empathisch onvermogen van Wim Thomassen: https://meitotmei.nl/het-empathisch-onvermogen-van-wim- thomassen/, geraadpleegd op 21-07-2021. 5 T. Smit, De Oorlogstapes. Het dagelijks (over)leven in Steenwijk onder nazivlag (Steenwijk 2020) 133. 6 Brief Nederlands Israëlitische Gemeente Steenwijk aan de burgemeester van Steenwijk, 10 januari 1949 (archief Nederlands Israëlitische Gemeente Steenwijk). 5 Vordering achterstallige kosten en belastingen In 2013 ontdekte de gemeente Amsterdam dat men na de oorlog Joodse burgers die waren teruggekeerd uit de kampen of de onderduik, boetes over niet betaalde erfpachtcanon over de oorlogsjaren in rekening had gebracht. Na onderzoek door het NIOD besloot de gemeente de gevorderde erfpachtcanon terug te betalen. Twee jaar later ontdekte de gemeente Den Haag dat zij eveneens Joodse overlevenden na de oorlog had aangeslagen voor niet-geïnde belasting tijdens de oorlog. Het ging hier niet om de erfpachtcanon, maar om straatgeld (vergelijkbaar met de OZB nu). Ook hier kwam een onderzoek en moreel rechtsherstel in de vorm van een financiële compensatie.
Een verklaring voor de achterstallige betaling van de straatbelasting tijdens de oorlog is dat de beheersinstelling ANBO na het keren van de oorlogskansen in 1943 slordig werd met het nakomen van zijn betalingsverplichtingen, wat na de oorlog soms werd verhaald op teruggekeerde Joodse eigenaren. De ANBO was ook in Steenwijk en Blokzijl voor korte- of langere tijd beheerder over elk van de van Joden geroofde panden die staan vermeld in de Duitse Vastgoedboeken. Binnen dit onderzoek zal ook gekeken worden of er in de rechtsvoorgangers van de gemeente Steenwijkerland inning van achterstallige erfpachtcanon, belastingen en andere onbillijke vorderingen heeft plaatsgevonden. Afhankelijk van de reikwijdte van het onderzoek zou ook nog onderzocht kunnen worden of er onbillijke vorderingen hebben plaatsgevonden in de vorm van de inning van achterstallige kosten door gemeentelijke nutsbedrijven. Deze vorderingen zijn niet in de huidige onderzoeksopzet meegenomen. Mocht hier wel onderzoek naar gedaan moeten worden, dan zullen hier nadere afspraken over gemaakt moeten worden. Het onderzoek Op basis van bovenstaande schets en gesprekken met Joodse Steenwijkers en de gemeente Steenwijkerland komen we tot de volgende onderzoeksvragen: 1.
Welke betrokkenheid hebben de voorgangers van de huidige gemeente Steenwijkerland als publiekrechtelijk rechtspersoon gehad bij de onteigening van onroerende goederen, inboedel en bedrijven van Joodse inwoners door de Duitse bezetter tijdens WOII? 2. Welke betrokkenheid is er geweest na 1945 van de voorgangers van de huidige gemeente Steenwijkerland als publieksrechtelijk rechtspersoon bij de onteigende onroerende goederen, inboedel en bedrijven van Joodse inwoners en hoe is er met deze eigendommen omgegaan? 3. Is er na 1945 in de voorgangers van de huidige gemeente Steenwijkerland sprake geweest van inning van lokale belastingen, erfpachtcanon en andersoortige vorderingen over de oorlogsperiode bij Joodse eigenaren, hun erfgenamen of hun bewindvoerders en hoe is hiermee omgegaan? De eerste twee onderzoeksvragen wijken door de toevoeging van ‘bedrijven’ enigszins af van de opdracht in het collegebesluit van 26 januari 2021. Dit onderdeel is toegevoegd vanwege de extra informatie die de onteigening en liquidatie van Joodse bedrijven zou kunnen opleveren voor het bredere onderzoek. Bovendien kan een bedrijf als zodanig uiteraard ook onder Joodse bezittingen worden gerekend.
De derde vraag is ten opzichte van het collegebesluit aan de onderzoeksvragen toegevoegd, vanwege de mogelijkheid die bestaat dat er ook in de rechtsvoorgangers van de gemeente Steenwijkerland achterstallige belastingen, erfpachtcanon en andersoortige vorderingen zijn 6 geïnd. In vergelijkbare onderzoeken die tot dusver in andere plaatsen zijn uitgevoerd (of uitgevoerd worden) is dit eveneens een thema. Deze vraag zou nog uitgebreid kunnen worden met onderzoek naar vorderingen van onderliggende gemeentelijke bedrijven. Aanpak Uitgangspunt bij het onderzoek is om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de onteigening en teruggave van Joods (on)roerend goed, inboedels en bedrijven tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Om het onderzoek zo compleet mogelijk uit te voeren is het in eerste instantie van belang om de Joodse gemeenschap in de Kop van Overijssel volledig in kaart te brengen. De reeds verschenen publicaties over de Joodse gemeenschappen van Blokzijl, Steenwijk en Steenwijkerwold zijn hierbij behulpzaam, maar voor een volledige check zullen de archieven van de tien verschillende gemeenten in de Kop van Overijssel worden onderzocht én de cartotheek van de Joodse Raad worden geraadpleegd, die in beheer is bij het Joods Historisch Museum en online toegankelijk is gemaakt via de Arolsen Archives.
Als alle Joodse inwoners in kaart zijn gebracht, zullen hun adressen worden vergeleken met de transacties die vermeld staan in de Duitse Vastgoedboeken, om zo te achterhalen of er tot dusver mogelijk nog verkochte panden buiten beeld zijn gebleven. Zoals vermeld zijn er aanwijzingen voor een tweetal extra adressen in Oldemarkt en Blankenham. In deze fase zal ook worden gekeken naar welke Joodse bedrijven er bestonden en wat er hiermee tijdens de oorlog is gebeurd, o.a. door raadpleging van relevante literatuur en van de Omnia- dossiers en het NAGU-archief bij het NIOD in Amsterdam. In de Duitse Vastgoedboeken staan naast de eigenaren van de panden ook de namen van de oorlogskopers vermeld. Voor Blokzijl en Steenwijk gezamenlijk gaat het hierbij om achttien verschillende personen. Bij het Nationaal Archief zal worden gecheckt of van deze oorlogskopers een naoorlogs strafdossier in het kader van de Bijzondere Rechtspleging aanwezig is. Als dat wel het geval is, kunnen zowel deze dossiers als het archief van het Nederlandse Beheersinstituut meer informatie verschaffen over wie deze personen waren, wat zij na de aankoop met het pand hebben gedaan, wat er na de bevrijding met de onrechtmatig verkregen bezittingen is gebeurd en in hoeverre de betreffende gemeente hierin een rol heeft gehad.
Ook de zogeheten woningkaarten en persoonskaarten die bij het Gemeentearchief Steenwijkerland aanwezig zijn, kunnen hierbij relevante informatie verschaffen. Tenslotte zal ook gezocht worden naar de bij de transacties betrokken notarissen en of hiervan nog archiefmateriaal aanwezig is. Hoewel bijna alle directe Joodse betrokkenen die de oorlog hebben overleefd inmiddels zijn overleden, zijn er in de loop der jaren diverse Joodse getuigenissen over de oorlog en de nasleep daarvan in Steenwijk opgetekend. Waardevol hierbij zijn de studies van Jan van Rossum en Teun Smit, waarbij door Smit uitgebreide transcripties van in de jaren tachtig opgenomen interviews inmiddels bij het gemeentearchief zijn ondergebracht. Door deze getuigenissen systematisch door te nemen kan belangrijke informatie worden gevonden over gebeurtenissen en ervaringen van de Joodse inwoners bij terugkeer in Steenwijk na de oorlog. Eén direct betrokkene is nog in leven en is mogelijk bereid om haar verhaal te doen. Zij zal worden benaderd voor een gesprek. Op basis van deze informatie kan gericht worden gezocht in het gemeentearchief om de rol van de verschillende gemeenten in de Kop van Overijssel helder te krijgen bij de terugkeer en opvang van Joodse overlevenden na de oorlog.
Ook de besluitenlijsten, notities en de notulen van het college van B & W en de gemeenteraad zullen hierop systematisch worden onderzocht, net als dossiers die gaan over 7 justitie, openbare orde, financiën, bevolking en volkshuisvesting. Het al eerder genoemde archief van de Raad voor Rechtsherstel bij het Nationaal Archief in Den Haag kan hierbij eveneens van waarde zijn. Planning Wanneer de besluitvorming bij de gemeente Steenwijkerland volgens planning verloopt kan rond 1 oktober 2021 worden gestart met het onderzoek. Omstreeks 15 januari 2022 geeft de IJsselacademie een tussenrapportage van het onderzoek in de vorm van een (digitale) bijeenkomst waarin de bevindingen tot dan toe worden gepresenteerd. Tussendoor zullen nabestaanden en direct betrokkenen van tijd tot tijd op de hoogte van het onderzoek gebracht worden. We streven ernaar om in april 2022 (met uitloopmogelijkheid richting zomer 2022) het onderzoek af te ronden met de oplevering van een digitaal eindrapport. Mocht er behoefte ontstaan voor een presentatie- of publicatievorm richting het publiek (in welke vorm dan ook), dan is de IJsselacademie van harte bereidt om daarover nadere afspraken te maken. Wanneer Wat 1 oktober 2021 Start onderzoek Ca. 15 januari 2022 Tussenrapportage tijdens (digitale) bijeenkomst April 2022 Oplevering eindrapport Te raadplegen literatuur & archieven Literatuur: • G.
Aalders, Bij verordening. De roof van het joodse vermogen in Nederland en het naoorlogs rechtsherstel (Amsterdam 1998). • G. Aalders, Roof. De ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog (Den Haag 1999). • G. Aalders, Berooid. De beroofde joden en het Nederlands restitutiebeleid sinds 1945 (Amsterdam 2001). • J. Adler, Van droefheid naar vreugde. 1933-1949: Van Hitlers duisternis naar het zonlicht over de Karmel (Vledderveen 2019). • J. Boerboom, Beroofd volgens de regels. Het lot van zeven joodse ondernemers in Deventer ((Hilversum 2020). • M. Bossenbroek, De meelstreep: terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam 2001). • H.J. Bulten, Uit Blokzijl’s verleden (Steenwijk 1939). • J. Doeven, ‘Panta Rhei: Villa Zonnehoek’, Old Steenwiek 2016-1, 6-14. • K. de Jong, De stenen spreken. Over de geschiedenis van de joden in Steenwijk (Steenwijk 2015). • C. Kristel red., Polderschouw. Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog. Regionale Verschillen (Amsterdam 2020). • S. Laansma, De joodse gemeenten in de Kop van Overijssel (Zutphen 1981). • K. Meijer, E100 en de naoorlogse rechtspraak met betrekking tot onroerend goed (Nijmegen 2008). • J. van Rossum, 51 portretten. De vermoorde joden van Steenwijk uit de schaduw (Steenwijk 2005). 8 • H. Piersma en J. Kemperman, Openstaande rekeningen.
De gemeente Amsterdam en de gevolgen van roof en rechtsherstel, 1940-1950 (Amsterdam 2015). • H. Piersma en M. van den Berg, Ontrechting & rechtsherstel. Het Rotterdamse gemeentebeleid inzake ontrechting en rechtsherstel van Joodse oorlogsslachtoffers, 1940-1955 (Amsterdam 2020). • J. van Rossum, De laatste synagoge van Steenwijk, 1870-1952 (Steenwijk 2007). • J. van Rossum, In de onderduik. Hoe Steenwijker joden de oorlog overleefden (Steenwijk 2011). • J. van Rossum, Twee joden en een burgemeester. Steenwijkerwold 1940-1945 (Steenwijk 2016). • A. Schoemakers, Van Blokzijl naar Sobibor. De ondergang van de Joodse gemeenschap in Blokzijl (Vledderveen 2016). • R. Schütz, Kille mist: het notariaat en de erfenis van de oorlog (Amsterdam 2016). • T. Smit, De oorlogstapes. Het dagelijks (over)leven in Steenwijk onder nazivlag (Steenwijk 2020). • H. Spreen, Steenwijk in 40-45. Een historisch document (Steenwijk 2005). • N.K.C.A. in ‘t Veld, De Joodse Ereraad (Den Haag 1989). • J.M. Vos en S. ter Braake, Rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog van geroofd Joods onroerend goed. Inzicht in een administratief proces (Amsterdam 2013).
Archieven: Gemeentearchief Steenwijkerland • 17 Gemeente Steenwijk, 1928-1927 Oa.: o 27-50 (39-43) – Besluitenlijsten van het College van Burgemeesters en Wethouders, 1928-1972 o 51-67 (52-64) – Boekjes houdende notities van de vergaderingen van het College van Burgemeesters en Wethouders, 1936-1968 o 90-91 – Notariële akten van aankoop, verkoop en ruiling, 1929-1969 o 142-157 (143-148) – Stukken betreffen de aankoop van percelen grond, 1928- 1972 o 172-191 (173) – Stukken betreffende de verkoop van percelen gronden, 1931- 1972 o 326-369 (338-357) – Grootboeken van inkomsten, 1940-1972 o 572 – Politiefunctionarissen in de jaren 1940-1945 (Staatspolitie) o 709 – Stukken betreffende de bemoeienis met het verenigingsleven tijdens de oorlogsjaren, 1940-1942 o 711-713 – Stukken betreffende de genomen maatregelen tegen joden, 1941- 1961 o 714-715 – Stukken betreffende de afhandeling van vorderingen van onroerende goederen door de Duitse Wehrmacht, 1941-1951 o 1262 – Stukken betreffende de werkzaamheden van de Plaatselijke Commissie Hulp Actie Rode Kruis (H.A.R.K.) en het Nederlands Volksherstel, afdeling Steenwijk, 1945-1948 o 1278-1280 – Stukken betreffende de hulpverlening aan oorlogsslachtoffers, 1939-1954 9 o 1472 – Stukken betreffende de schaderapporten betreffende geleden oorlogsschade aan woningen en andere panden, 1945 o 1475 – Stukken betreffende de behandeling van
justitiële aangelegenheden tijdens de bezettingsjaren, 1940-1945 • 23 Gemeente Kuinre, 1818-1972 O.a.: o 285 – Rechtsherstel, 1945 • 24 Gemeente Blankenham, 1818-1972 O.a.: o 269 – Rechtsherstel, 1945 • 22 Gemeente Oldemarkt, 1811-1941 O.a.: o Processen-verbaal opgemaakt door politiebeambten, 1940-1944 • 113 Gemeente Oldemarkt, 1942-1972 O.a.: o 418 – Ingekomen stukken inzake (politie)maatregelen tegen Joden en woonwagenbewoners, alsmede stukken betreffende politieke delinquenten o 419 – Stukken betreffende de zuivering na de Tweede Wereldoorlog o 744 – Stukken betreffende de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers, 1940- 1945 o 749 – Stukken betreffende de zorg voor oorlogsslachtoffers door onder andere de Stichting 1940-1945, de Nederlandse Vereniging “Eereschuld en Dankbaarheid” en het Centraal Afwikkelingsbureau Duitse Schade- Uitkeringen (CADSU), 1950-1964 o 847 – Stukken betreffende de vordering van roerende en onroerende zaken door de Duitse autoriteiten o 850 – Stukken betreffende opgaven van door de Duitsers gevorderde onroerende zaken en verzoeken om schadevergoeding • 26 Gemeente Stad Vollenhove, 1814-1942 O.a.: o 699 – Verordening van het hoofd van de plaatselijke politie houdende verplichting voor alle niet-arische vreemdelingen om zich te melden en te identificeren ter gemeente-secretarie, 1940 • 28 Gemeente Ambt Vollenhove, 1818-1942 • 27 Gemeente Vollenhove,
1942-1972 o 1711 – Stukken betreffende de invordering van een roggepacht, die door de Israëlitische Gemeente te Steenwijk verschuldigd was aan de gemeente Vollenhove, 1943-1945 • 30 Gemeente Giethoorn, 1796-1942 • 31 Gemeente Giethoorn, 1943-1972 • 32 Gemeente Blokzijl, 1528-1942 • 33 Gemeente Blokzijl, 1942-1972 O.a.: o 12 – Stukken betreffende de afwikkeling van de nalatenschap van de familie Soes Manus de Horst, waarbij de burgemeester als bewindvoerder is opgetreden, 1952-1964 • 76 Gemeente Steenwijkerwold, 1923-1972 10 O.a.: o 989 – Stukken betreffende vorderingen inzake voor de Duitse bezetter verrichte werkzaamheden (de zogenaamde r-verrichtingen) en door Duitse militairen zonder vergoeding ingevorderde goederen, fietsen en auto’s, 1940- 1941 • 35 Gemeente Wanneperveen, 1938-1972 • 37 Gemeentepolitie Steenwijk, 1913-1994 O.a.: o Stukken betreffende het verstrekken van inlichtingen omtrent personen, alsmede enige correspondentie over zaken van allerlei aard, 1940-1949 Historisch Centrum Overijssel, Zwolle • 0145 Bewaarders Hypotheken en Kadaster in Overijssel • 0400.7 Districts Militaire Commissaris te Zwolle • 0397 Militair Gezag, Commissaris van Overijssel • 0726 POD/PRA • 0470.1 Inspectie van de registratie en successie provincie Overijssel, 1942-1988 • 0556 Raad van Beroep voor de Directe Belastingen, 1915-1957 • 0528 Nederlands-Israëlitische gemeente Steenwijk,
1814-1945 • 0232 Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Noordelijk Overijssel te Zwolle, 1922- 1971 NIOD, Amsterdam • 094 Omnia Treuhandgesellschaft m.b.H. • 094f Collectie dossiers afkomstig uit de archieven van de Omnia Treuhandgesellschaft m.b.H., de Deutsche Revisions- und Treuhand A.G. (Zweigniederlassung Den Haag) en de Wirtschaftsprüfstelle. O.a.: o 2071 – Slager en Zoon, I.; firma te Steenwijk o 3212 – Groot, S. de; Agenturen- en Commissiehandel te Steenwijk o 3323 – Horst, S.M. de; te Blokzijl o 3659 – Kan en Zoon, H.; firma te Steenwijk o 3844 – Leeuw Szn., A. de; firma te Steenwijk o 4830 – Slager, A.; te Steenwijk o 4982 – Leeuw, S. de; firma te Steenwijk o 5005 – Horst, M. van der, Twentsche Manufacturenhandel; firma te Steenwijk • 182 Joodsche Raad voor Amsterdam O.a.: o 236 – Correspondentie van Wolff met de Joodsche Raad voor Steenwijk- Zwolle, mei 1941-januari 1943 • 889 Stichting Onderzoek en Terugkeer en Opvang (SOTO-archief) Joods Historisch Museum, Amsterdam • Cartotheek Joodsche Raad (ook online via Arolsen Archives) Nationaal Archief, Den Haag • 2.09.09 Centraal Archief van de Bijzondere Rechtspleging, 1945-1952 11 • 2.09.48 Raad voor het Rechtsherstel, afdeling Onroerende goederen, 1945-1967 • 2.09.16 Nederlandse Beheersinstituut (NBI) en in beslag genomen administraties, 1945-1967