1. Toelichting bp Willemsoord_def.pdf
Tekst van het document
Willemsoord – Prins van Oranjelaan ID plan: NL.IMRO.1708.WLOprinsvoranjelBP-ON01 datum: december 2021 status: ontwerp auteur: T. Melenhorst Vastgesteld door de raad dd. dd-maand-jjjj de griffier, de voorzitter,
Bestemmingsplan Willemsoord – Prins van Oranjelaan Inhoudsopgave toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1 1.1 Aanleiding tot planontwikkeling 1 1.2 Uitgangspunten voor het plan 1 1.3 Leeswijzer 1 Hoofdstuk 2 Huidige situatie 2 2.1 Ligging plangebied 2 2.2 Huidige planologische regime 2 2.3 Strijdigheid met het bestemmingsplan 3 2.4 Ruimtelijke en functionele structuur 4 2.5 Planbeschrijving 4 Hoofdstuk 3 Gebiedsvisie en uitgangspunten 6 3.1 Rijksbeleid 6 3.2 Provinciaal beleid 7 3.3 Gemeentelijk beleid 8 Hoofdstuk 4 Milieuhygiënische en planologische aspecten 10 4.1 Externe veiligheid 10 4.2 Flora en fauna 10 4.3 Bodem 11 4.4 Water 12 4.5 Parkeren en verkeer 13 4.6 Archeologie, landschap en cultuurhistorie 13 4.7 Bedrijven en milieuzonering 14 4.8 Luchtkwaliteit 14 4.9 Geluid 15 4.10 Vormvrije m.e.r-beoordeling 16 Hoofdstuk 5 Juridische opzet 18 5.1 Toelichting 18 5.2 Toelichting op de planregels 18 Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 20 6.1 Grondexploitatie 20 6.2 Economische uitvoerbaarheid 20 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 20 Bijlage 1. Ecologisch advies 21 Bijlage 2. Aerius-berekening 22 Bijlage 3. Watertoets 23 NL.IMRO.1708.BKHhetstrandBP -ON01 Bijlage 4.
Inspraakverslag 24 Bestemmingsplan Willemsoord – Prins van Oranjelaan 1 Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding tot planontwikkeling Het plangebied is gelegen binnen bestemmingsplan ‘’Willemsoord – nieuwbouwlocatie’’, aan de rand van Willemsoord, ten zuiden van de huidige woningen aan de Ir. C.A. Kloos- terhuisstraat. Het plangebied voorziet in woningbouwontwikkeling. In 2008 is voor het plangebied een stedenbouwkundig plan opgesteld. Inmiddels is er ten gevolge van gewijzigde marktomstandigheden vraag naar een afwij- kend woningtype. In het raadsbesluit van 11 december 2018 ‘’Sociale woningbouw in de noordelijke kernen en Steenwijk’’ zijn afspraken gemaakt tussen de wooncorporaties en de gemeente. Zo is met Wetland Wonen Groep afgesproken dat zij in onderhavig woonge- bied deze 6 sociale woningen mogen gaan realiseren. Dit heeft tot gevolg dat er een wijzi- ging van het bestemmingsplan plaats moet vinden. Daarbij gaat het om een afwijking van de maatvoering van de bouwvlakken, een afwijkend woningtype en een wijziging van de afstand van de woningen tot de zijdelingse perceelsgrens. Met voorliggend bestemmings- plan wordt daar invulling aan gegeven. 1.2 Uitgangspunten voor het plan Het plan voorziet in de mogelijkheid om 3x2 sociale rijwoningen te realiseren, waardoor invulling wordt gegeven aan de gemaakte afspraken tussen de gemeente en de corporatie.
Bij de uitwerking van de plannen is rekening gehouden met het behoud van de oorspron- kelijke stedenbouwkundige opzet van het plangebied. 1.3 Leeswijzer In de hierna volgende hoofdstukken van deze toelichting komen onder meer de volgende elementen aan de orde: - project- en gebiedsbeschrijving; - toetsing aan het vigerende planologische regime; - beschrijving beleidskaders op diverse schaalniveaus; - toetsing aan milieuwetgeving en andere ruimtelijke wetgeving met betrekking tot bestaande of potentiële belemmeringen in de omgeving van het project (geluids- overlast, bodemkwaliteit, waterparagraaf, archeologische waarden en natuurlijke en landschappelijke aspecten); - haalbaarheid (financieel en maatschappelijk). NL.IMRO.1708.WLOprinsvoranjelBP -ON01 2 Hoofdstuk 2 Huidige situatie 2.1 Ligging plangebied Het plangebied ligt aan de rand van Willemsoord ten zuiden van de huidige woningen aan de Ir. C.A. Kloosterhuisstraat. Het plangebied wordt aan de noordkant begrensd door de huidige woningen en aan de zuidkant begrensd door openbaar groen. Ten westen en ten oosten van het plangebied bevinden zich woningen die onderdeel uitmaken van de- zelfde nieuwbouwontwikkeling als het plangebied zelf. Op onderstaande afbeelding is de afbakening van het plangebied weergegeven. Globale afbakening plangebied.
2.2 Huidige planologische regime Voor het plangebied is het bestemmingsplan ‘’Willemsoord-nieuwbouwlocatie’’ van toe- passing. Het plan maakt de bouw van woningen mogelijk. Op de volgende afbeelding is het plangebied weergegeven met een rood kader.
Bestemmingsplan Willemsoord – Prins van Oranjelaan 3 Verbeelding geldende planologische situati e Binnen dit plangebied kent de locatie de volgende bestemmingen. Tuin De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden betreft de gronden bij woningen, die in beginsel vrij van bebouwing dienen te blijven. Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woonhuizen, al dan niet in com- binatie met ruimte voor een aan huis verbonden beroep, met daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken, tuinen en erven. De woonhuizen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd, waarbij de afstand tot de zijdelings perceelgrens minimaal 3 meter moet bedragen. De minimale goothoogte is 4 meter en de maximale goothoogte is 6 meter. 2.3 Strijdigheid met het bestemmingsplan Op basis van het oorspronkelijk stedenbouwkundig ontwerp en het geldende bestem- mingsplan is het realiseren van rijenwoningen alleen toegestaan, wanneer de gronden zijn aangeduid met ‘’maximaal aantal aaneen te bouwen woningen’’. Het plangebied voldoet hier niet aan. Daarnaast is vastgesteld dat de maatvoering in het huidige bestemmingsplan voor de zijdelingse perceelgrens 3 meter bedraagt. Op basis van het oorspronkelijke stedenbouwkundige ontwerp en het geldende bestemmingsplan is het realiseren van 3x2 rijenwoningen, met een zijdelingse perceelgrens van 2 meter niet mogelijk. Op basis van voorliggend bestemmingsplan wel.
NL.IMRO.1708.WLOprinsvoranjelBP -ON01 4 2.4 Ruimtelijke en functionele structuur Het plangebied ligt in Willemsoord. Het gebied wordt gekenmerkt als jong heideontgin- ningslandschap. Dit is een ‘open landschap’ met statige bomenlanen en bebouwing aan weerszijden van de hoofdwegen. De overgang naar het landelijk gebied is vrij direct te noemen. Hierbij contrasteert de open ruimte van de omgeving met de bebouwde delen van Willemsoord. Het plangebied ligt aan de zuidkant van Willemsoord en grenst aan het open landschap. De oriëntatie van het plangebied is enerzijds gericht op de kwaliteiten van dit landschap. Anderzijds voegt ook de aangrenzende boomwal kwaliteit tot aan het plangebied. De uit- gangspunten voor de ontwikkeling van het plangebied zijn als volgt geformuleerd: 1. Aansluiting op bestaand gebied; 2. Relaties met het landschap; 3. Ontsluiting; 4. Groen karakter; 5. Woningcategorieën. Ter plaatse van het plangebied aan de Prins van Oranjelaan is een weg, met daaraan het braakliggende plangebied. Ten noorden van het plangebied bevinden zich huizen aan de Ingenieur C.A. Kloosterhuisstraat. 2.5 Planbeschrijving Het plangebied maakt onderdeel uit van het stedenbouwkundig plan dat ten behoeve van het bestemmingsplan ‘Willemsoord-nieuwbouwlocatie’ is opgesteld.
Op de volgende af- beelding is die verkaveling weergegeven, waarop te zien is dat er twee tweekappers voor- zien waren in het plangebied. In het geldende bestemmingsplan heeft dat een vertaalslag gekregen. Oorspronkelijke verkaveling.
Bestemmingsplan Willemsoord – Prins van Oranjelaan 5 Het plan voor de tweekappers is ten gevolge van marktomstandigheden niet tot ontwikke- ling gekomen. Daarom is, in navolging van afspraken tussen de gemeente en de corpora- tie, een nieuwe verkaveling gemaakt. Het nieuwe plan voorziet in de mogelijkheid om verdeeld over twee bouwvlakken met drie woningen, in totaal 6 woningen te realiseren. De woonblokken worden van elkaar ge- scheiden door een middenpad dat aan de achterzijde de woningen ontsluit. Op de vol- gende afbeelding is de stedenbouwkunidge invulling van het plangebied weergegeven die ten grondslag ligt aan de vertaling op de verbeelding. Stedenbouwkundige invulling plangebied.
NL.IMRO.1708.WLOprinsvoranjelBP -ON01 6 Hoofdstuk 3 Gebiedsvisie en uitgangspunten In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan relevant ruimtelijk beleid op diverse schaalni- veaus. Omdat het bouwen van 6 woningen reeds bij recht is verleend op basis van het gel- dende bestemmingsplan en onderliggend bestemmingsplan slechts voorziet in een gewij- zigde woningtypologie en een kleine toename van het aantal woningen zonder dat daarbij grote ruimtelijke of stedenbouwkundige ingrepen worden verricht, wordt het beleid op hoofdlijnen getoetst. 3.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld en geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteitsaan- pak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruim- telijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwer- kingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Het Rijk formuleert drie hoofddoe- len om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middel- lange termijn (2028) en verbindt hier 13 nationale belangen aan.
Het bepaalde in dit bestemmingsplan is in lijn met het gestelde in de SVIR. Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro) De juridische borging van de nationale belangen uit de SVIR vindt plaats in het Besluit al- gemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Besluit algemene regels ruimtelijke orde- ning (Barro) is op 22 augustus 2011 vastgesteld (en aangevuld op 28 augustus 2012) en heeft als doel om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. De algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen door- werken tot op lokaal niveau. Onderliggend plan maakt geen onderdeel uit van de nationale ruimtelijke hoofdstructuur, waardoor de Barro niet van toepassing is. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft regels waar concrete ruimtelijke projecten aan moeten voldoen. Zo is in het Bro de ladder voor duurzame verstedelijking verankerd. De ladder voor duurzame verstedelijking is gericht op een zorgvuldige afweging en transpa- rante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. De ladder moet alleen worden doorlopen als er (in navolging van de artikelen 1.1.1 en 3.1.6 van de Bro) sprake is van een ontwikkeling in een bestaand stedelijk gebied of een stedelijke ontwikkeling.
In de Bro worden deze begrippen als volgt gedefinieerd: Bestaand stedelijk gebied Bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienst- verlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Bestemmingsplan Willemsoord – Prins van Oranjelaan 7 Stedelijke ontwikkeling Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, de- tailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. De ladder is op 1 juli 2017 gewijzigd, waarmee ruimtelijke besluiten moeten worden gemo- tiveerd op basis van de volgende punten: - Beschrijving dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte; - Beschrijving in hoeverre binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien, door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. Jurisprudentie wijst uit dat een plan pas hoeft te worden onderbouwd op basis van de Ladder indien het om 12 woningen of meer gaat. Onderliggend bestemmingsplan voorziet in het juridisch borgen van een gewijzigde stedenbouwkundige invulling van een plange- bied, waar op basis van het geldende bestemmingsplan 4 woningen gerealiseerd mogen worden. Op basis van onderliggend plan neemt het aantal woningen met 2 toe.
Omdat er geen sprake is van een woningbouwplan van meer dan 12 woningen, hoeft het plan niet onderbouwd te worden aan de hand van de Ladder voor Duurzame verstedelijking. 3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel Provinciale staten van de provincie Overijssel hebben op 12 april 2017 de ‘Omgevingsvisie Overijssel 2017, Beken kleur’ vastgesteld. De visie gaat over de wijze waarop de provincie de leefomgeving in de provincie wil inrichten en ontwikkelen. De Omgevingsverordening Overijssel 2017 is een vertaling van de Omgevingsvisie in bindende regels voor derden. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of ‘rode draden’ bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel. De provincie hanteert de volgende definitie van duurzaamheid: ‘duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien.’ Ruimtelijke kwaliteit definieert de provincie als: ‘datgene wat ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is.’ Ruimtelijke kwaliteit gaat voor de provincie dus niet zozeer over ‘mooi’, maar vooral over ‘goed’: functioneel, mooi en toekomstbestendig. Deze benadering van ruimtelijke kwaliteit is in overeenstemming met de gangbare definitie.
Deze is een optelsom van: - gebruikswaarde: functionaliteit, bereikbaarheid, toegankelijkheid, nut en nood- zaak van een initiatief dat ontwikkeld wordt - belevingswaarde: beeldkwaliteit, het ‘mooie’, de identiteit van een gebied, het ge- voel van (toekomstige) gebruikers en bewoners - toekomstwaarde: het vermogen om ruimtelijke gevolgen van veranderende om- standigheden op te vangen (flexibiliteit, beheerbaarheid) - Ruimtelijke kwaliteit is geen luxe, maar maatschappelijke noodzaak. Ruimtelijke kwaliteit is van grote betekenis voor het vestigingsklimaat voor bedrijven, bewo- ners en de toeristische mogelijkheden van een gebied. En daarmee ook voor de NL.IMRO.1708.WLOprinsvoranjelBP -ON01 8 werkgelegenheid. Met andere woorden: de inzet op ruimtelijke kwaliteit draagt bij aan versterking van de sociaaleconomische positie van Overijssel. - De rode draad ‘sociale kwaliteit’ gaat over het welzijn of ‘goed voelen’ van de mens. Daarbij spelen zaken als gezondheid en vitaliteit een belangrijke rol, maar ook arbeidsparticipatie (mede in relatie tot onderwijs), sociale uitsluiting en ar- moede. In de Omgevingsvisie beperkt de provincie zich tot het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving. De ambitie van Overijssel is om een vitale samenleving tot ontplooiing te laten komen in een mooi landschap.
Een samenleving, waarin alle Overijsselaars zich thuis voelen en par- ticiperen. Met bloeiende steden als motoren voor cultuur en werkgelegenheid, ingebed in een landschap, waarin wonen, natuur, landbouw en water elkaar versterken. Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarische cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoor- waarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en voor- waarden op basis van gebiedskenmerken, kunnen te maken hebben met landschappelijke inpassing, infrastructuur, milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water et cetera. De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Relatie met het initiatief Voorliggend plan is in lijn met de oorspronkelijke verkaveling. Door de herverkaveling is sprake van duurzaam ruimtegebruik en wordt een toekomstwaarde gecreëerd voor de lo- catie. Het plan is zodoende in lijn met het provinciale beleid. Regionale Woonagenda In maart 2021 hebben Provinciale Staten van Overijssel de Regionale Woonagenda West- Overijssel vastgesteld. In regionale woonagenda’s voor Twente en West-Overijssel maken de provincie Overijssel en gemeenten afspraken over opgaven en ambities voor de periode tot 2025.
De lokale woonbehoefte tot 2030 bedraagt 1.250 woningen. Op dit moment is er in Steen- wijkerland een harde plancapaciteit van ongeveer 510 woningen en een zachte plancapaci- teit van ongeveer 360 woningen (samen circa 870). De insteek vanuit de West-Overijsselse woonagenda is om tot en met 2025 vooral in te zetten op de uitvoering van deze harde en zachte plancapaciteit. Voorliggend plan maakt hier onderdeel van uit. 3.3 Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie 2017 De Strategische Toekomst Steenwijkerland bevat een integrale (en globale) visie op de ont- wikkeling van de hele gemeente tot 2030. Deze is vervangen door de Omgevingsvisie 2017. Een van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingsvisie is dat de kwaliteit van Steenwijkerland leidend is voor de toekomstige ontwikkelingen. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de versterking van Steenwijkerland en het leefbaar houden van de kernen, waaronder Willemsoord. De Omgevingsvisie heeft als uitgangspunt dat ontwikke- lingsruimte wordt geboden voor wonen, werken en recreëren. Bestemmingsplan Willemsoord – Prins van Oranjelaan 9 Relatie met het initiatief Onderliggend initiatief faciliteert deze ontwikkelingsruimte door de stedenbouwkundige opzet en woningverdeling van een reeds voor wonen bestemd plangebied op beperkte schaal te wijzigen.
Hiermee wordt invulling gegeven aan een marktvraag, zonder dat daarbij afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid van Willems- oord. Woonvisie Steenwijkerland 2017 - 2021 In de woonvisie zijn de gemeentelijke doelstellingen ten aanzien van het woonbeleid ge- formuleerd. Een belangrijke doelstelling van de gemeente is passende woonruimte voor alle inwoners, waarbij wordt aangesloten bij de vraag en voldoende goedkope en betaal- bare sociale huurwoningen voor gezinnen, maar met name ook voor kleine huishoudens in de noordelijke kernen (waaronder Willemsoord). Daarnaast is een van de doelstellingen voor de noordelijke kernen benoemd dat de gemeente de huidige nieuwbouwplannen be- kijkt en deze waar nodig aanpast. Relatie met het initiatief Onderliggend plangebied betreft een nieuwbouwlocatie die lange tijd niet tot ontwikke- ling is gekomen. Er blijkt vanuit de markt behoefte aan een herverkaveling op basis waar- van het plan wel tot ontwikkeling kan komen. Met voorliggend plan wordt invulling gege- ven aan het woonbeleid. NL.IMRO.1708.WLOprinsvoranjelBP -ON01 10 Hoofdstuk 4 Milieuhygiënische en planologische aspecten 4.1 Externe veiligheid Beleidskader In het kader van ruimtelijke procedures conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient het aspect externe veiligheid in acht te worden genomen.
Het gaat hierbij om risico's ten aanzien van het vervoer, de opslag en het bewerken van gevaarlijke stoffen. De risico's met betrekking tot gevaarlijke stoffen worden geduid in het zogenaamde Plaatsgebonden ri- sico (PR) en het Groepsrisico (GR). Het groepsrisico dient in veelal de meeste ruimtelijke procedures verantwoord te worden. De verantwoording is erop gericht om een welover- wogen besluit te nemen over het groepsrisico. Het uiteindelijke besluit is aan het bevoegd bezag. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) staat wanneer het groepsrisico moet worden verantwoord. In de artikelen 12 en 13 van het Bevi is de verantwoordingsplicht voor het bevoegd gezag ten aanzien van de acceptatie van het groepsrisico wettelijk gere- geld. Artikel 12 regelt de verantwoordingsplicht bij omgevingsvergunningen voor de acti- viteit milieu en artikel 13 bij de vaststelling van besluiten in het kader van de Wet ruimte- lijke ordening. In artikel 13 lid 1 onder a tot en met i staat aangegeven welke onderwerpen in de verantwoordingsplicht aan de orde moeten komen. Analyse Het onderhavige plan voorziet in een kwetsbare functie (wonen). Het gebied kent echter grotendeels een woonbestemming. In en rondom het plangebied zijn, op basis van de risi- cokaart, geen (potentiële) gevaarbronnen aanwezig die in strijd zijn met onderliggend plan.
Ook bevinden zich in het plangebied geen leidingen die van invloed zijn. Conclusie Het aspect externe veiligheid is niet van invloed op onderliggend plan. 4.2 Flora en fauna Beleidskader In ruimtelijke plannen worden aangetoond hoe de ontwikkelingen, die hierin moeilijk worden gemaakt, zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld in de Wet natuurbescherming. Op het gebied van gebiedsbescherming regelt de wet de be- scherming van zes verschillende soorten natuurgebieden: het natuurnetwerk Nederland, bijzondere provinciale natuurgebieden, bijzondere provinciale landschappen, nationale parken, bijzondere nationale natuurgebieden en Natura 2000-gebieden. Bij activiteiten of ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op instandhoudingsdoelen voor een van deze gebieden moet een vergunning worden aangevraagd. Analyse De locatie heeft reeds een woonbestemming. Destijds is voor het vaststellen van deze be- stemming, een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Sinds dit onderzoek hebben er geen acti- viteiten plaatsgevonden binnen het plangebied, waardoor het terrein braak heeft gelegen.
Ondanks de uitkomsten van het onderzoek in het kader van het moederplan, heeft een Bestemmingsplan Willemsoord – Prins van Oranjelaan 11 veldbezoek plaatsgevonden door een ecoloog in december 2021. Tijdens bezoek is gecon- stateerd dat zich in het gebied geen beschermde soorten bevinden en dat er geen be- schermde soorten worden verstoord ten gevolge van voorliggend planvoornemen. Het ad- vies is als bijlage 1 opgenomen. Gebiedsbescherming Op basis van de geldende planologische situatie kunnen twee woningen meer gerealiseerd worden dan in de voorziene situatie. Gezien de afstand tot natuurgebieden kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van lichthinder of akoestische hinder op natuurgebie- den. Om de effecten van stikstofdepositie op natuurgebieden in beeld te brengen is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Hieruit blijkt dat geen sprake is van een toename van stikstofdepositie ten gevolge van voorliggend plan. De resultaten van de AERIUS-bereke- ning zijn als bijlage 2 opgenomen. Conclusie Het plan is op basis van het aspect ‘ecologie’ uitvoerbaar. 4.3 Bodem Beleidskader Bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan en/of bestemmingsplan dient rekening te wor- den gehouden met de bodemkwaliteit ter plaatse.
De reden hiervoor is dat eventueel aan- wezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde be- stemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Voor een bestem- ming zoals wonen, gelden andere normen dan voor bijvoorbeeld de bestemming bedrij- ven. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreini- ging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerk- zaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Analyse In het kader van bestemmingsplan ‘Willemsoord-nieuwbouw locatie – 2008’ is de bodem beoordeeld. In januari 2007 is door Grontmij een verkennend bodemonderzoek uitge- voerd. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten van de onderzochte stoffen aange- troffen. In het grondwater zijn een licht verhoogd gehalte aan zink en tetrachloormethaan aangetroffen. Er was echter geen aanleiding tot het verrichten van een vervolgonderzoek. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek behoeven ervan uit milieuhygiënisch oog- punt geen beperkingen te worden gesteld aan het toekomstige gebruik van de locatie en is de locatie destijds bestemd voor de functie wonen.
Na de vaststelling van het bestemmingsplan is de locatie niet bebouwd, maar hebben zich ook geen activiteiten voorgedaan op basis waarvan de bodem vervuild is geraakt. Der- halve zijn de conclusies uit het bodemonderzoek ten behoeve van het geldende bestem- mingsplan nog actueel. Conclusie Het plan is op basis van het aspect ‘bodemkwaliteit’ uitvoerbaar. NL.IMRO.1708.WLOprinsvoranjelBP -ON01 12 4.4 Water Beleidskader Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het water- toetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en be- sluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaron- der veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wate- ren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Analyse In het kader van voorliggend plan heeft een digitale watertoets plaatsgevonden. De resul- taten van deze toets zijn als bijlage 3 opgenomen. Uit de watertoets blijkt dat het plan geen negatieve invloed heeft op de planvorming. Relevant beleid Het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het waterbe- heerplan 2016-2021.
Specifiek voor het stedelijke gebied heeft het waterschap het beleid ge- formuleerd in Water Raakt! . Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Invloed op de waterhuishouding Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bestemmingsplan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m2. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwaterings- diepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruip- ruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast bin- nen woningen en bedrijven te voorkomen adviseert het waterschap om een drempel- hoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gele- gen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater. Voorkeursbeleid hemelwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht.
Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlak- kige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi s heeft daarbij de voor- keur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als in- filtratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het om- liggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan di- rect worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Bestemmingsplan Willemsoord – Prins van Oranjelaan 13 Conclusie Het plan is op basis van het aspect ‘water’ uitvoerbaar. 4.5 Parkeren en verkeer Beleidskader Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening gehouden worden met de par- keerbehoefte die ontstaat bij de nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen wor- den uitgevoerd op basis van de Nota parkeernormen 2015 van de gemeente Steenwijker- land.
De basis voor deze Nota Parkeernormen is het ASVV 2012 (Aanbevelingen voor ver- keersvoorzieningen binnen de bebouwde kom) en publicatie 317 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' van CROW - het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte. In het ASVV2012 en de CROW-publicatie Toekomst- bestendig parkeren, zijn actuele parkeerkencijfers opgenomen en richtlijnen voor de maat- voering van de verschillende parkeervakken vastgelegd. Analyse Verkeer Het plangebied wordt voor autoverkeer ontsloten via de Prins Oranjelaan en de Oldemei- nenbos. Via deze wegen zijn de Blesse en Steenwijkerwold bereikbaar. Het plan voorziet in een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen ten op- zichte van de huidige situatie. Gezien het bestaande wegennet is deze toename eenvoudig op te vangen en te verwerken. Het plan heeft zodoende geen negatieve invloed op de ver- keerskundige situatie. Parkeren In de voorziene situatie geldt voor sociale huurwoningen (weinig stedelijk, rest bebouwde kom) een gemiddelde norm van 1,2 parkeerplaatsen per woning. Dat betekent een opgave van 6 x 1,2 = 8 (7,2) parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen worden gerealiseerd op eigen ter- rein, met uitzondering van beide middenwoningen en rechter-eindwoning.
In het kader van het plan wordt voorzien in de parkeerbehoefte door aan de voorzijde van het perceel een parkeerstrook te realiseren met minimaal 5 parkeerplaatsen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de parkeeropgave. Conclusie Het plan is op basis van de aspecten ‘verkeer en parkeren’ uitvoerbaar. 4.6 Archeologie, landschap en cultuurhistorie Beleidskader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is per die datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Zolang de Omge- vingswet nog niet van kracht is, zijn deze artikelen opgenomen in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven. Het gaat hierbij, onder an- dere, om verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het ge- bied van archeologie. NL.IMRO.1708.WLOprinsvoranjelBP -ON01 14 Analyse Archeologie In kader van bestemmingsplan ‘Willemsoord-nieuwbouw locatie – 2008’ zijn de effecten van woningbouw op mogelijke aanwezige archeologische waarden beoordeeld. Op basis daarvan heeft het plan een woonbestemming gekregen. In voorliggend plan wordt daar niet van afgeweken.
Landschap en cultuurhistorie Voorliggend plan heeft slechts het wijzigen van de gebruiksmogelijkheden van het perceel tot gevolg en voorziet niet in fysieke ingrepen die van invloed zijn op cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden. Conclusie Voorliggend plan kent vanuit de aspecten archeologie, landschap en cultuurhistorie geen beperkingen. 4.7 Bedrijven en milieuzonering Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling wordt gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtaf- stand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de ge- vel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mo- gelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden indicatief en kunnen per ge- biedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangs- punt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast.
Analyse In het kader van het geldende bestemmingsplan ‘Willemsoord-nieuwbouw locatie -2008’ is reeds geconcludeerd dat zich in de directe omgeving van het plangebied geen bedrijven bevinden die gehinderd worden door de voorziene woningen. Andersom geldt dat wonin- gen niet worden gehinderd door bedrijven. De summiere wijziging van de verkaveling leidt op dit punt niet tot andere conclusies. Conclusie Voorliggend plan is op basis van het aspect bedrijven en milieuzonering uitvoerbaar. 4.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Op 15 november 2007 is de nieuwe Wet Milieubeheer in werking getreden. In deze wet is ook de regeling voor luchtkwaliteit opgenomen. De wet is enerzijds bedoeld om de nega- tieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor Bestemmingsplan Willemsoord – Prins van Oranjelaan 15 ruimtelijke ontwikkeling, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De Wet Milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.
Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belem- mering voor ruimtelijke ontwikkeling als: - er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grens- waarde; - een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; - een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL; - een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Analyse Het plan voorziet in realisatie van 6 sociale huurwoningen. Het betreft hier een plan cate- gorie 3a.2. (woningbouwlocatie) overeenkomstige bijlage 3a van de Regeling niet in bete- kende mate bijdragen (milieukwaliteitseisen). Per ontsluitingsweg worden minder dan 1500 woningen en/of minder dan 100.000 m2 bvo kantoor gerealiseerd. Volgens bijlage 3B van de Regeling draagt het plan hierdoor ‘niet in betekenede mate’ bij. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof. 4.9 Geluid Beleidskader Ten aanzien van het aspect ‘geluidhinder’ is de Wet geluidhinder (Wgh) bepalend. Uit- gangspunt is dat er geen met deze wet strijdige situaties ontstaan. Op grond van de wet zijn verschillende vormen van geluidhinder te onderscheiden die directe raakvlakken heb- ben met de ruimtelijke ordening (wegen, spoorwegen, vliegvelden).
Voor het voorliggende plan is uitsluitend het aspect ‘wegverkeerslawaai’ van belang. Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in deze wet de verplichting opgenomen tot het ver- richten van onderzoek naar de geluidbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidsgevoelige objecten. De verplichting tot het verrichten van een onderzoek geldt niet indien het een woonerf betreft of een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Analyse Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Willemsoord waar reeds een woonbe- stemming geldt. Binnen de kern van Willemsoord en op de wegen van het plangebied geldt voor alle wegen een maximumsnelheid van 30 km/uur. Daardoor geldt dat het plan- gebied niet binnen gezoneerde wegen ligt. Akoestisch onderzoek is derhalve niet noodza- kelijk. Ook verkeersintensiteiten van de omliggende wegen bieden geen aanleiding voor nader akoestisch onderzoek in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Het aspect akoestiek is geen beperkende factor voor onderliggend plan. NL.IMRO.1708.WLOprinsvoranjelBP -ON01 16 4.10 Vormvrije m.e.r-beoordeling Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richt- lijn 2014/52/EU van de Europese Unie.
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet mili- eubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde acti- viteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling be- schreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op. Indien de gemeente initiatief- nemer is hoeft die geen aanmeldnotitie op te stellen. 2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Dit be- sluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. 3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergun- ningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang het stedelijke ontwikkelingsproject.
Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikke- lingsprojecten met een omvang van: • een oppervlakte van 100 hectare of meer, • een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van 100 hectare en het bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m². De voorgenomen activiteit voor- ziet niet in het bouwen van 2000 of meer woningen. Er is gelet op aard en omvang van het plan geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. De kenmerken van het project worden in toelichting hoofdstuk 3 beschreven. Aangezien de ontwikkeling zich beperkt tot de wijziging van het gebruik van het perceel en daarmee in de afname van bedrijfsmatige activiteiten, zijn de effecten van het plan op de omgeving positief. De effecten hebben met name te maken met afname van verkeer en de emissie die daardoor veroorzaakt wordt. Er treden ten gevolge van het plan geen effecten op kwetsbare gebieden op. Van cumulatie met andere projecten is geen sprake. Het gaat om op een opzichzelfstaande ontwikkeling. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten in beeld gebracht in dit hoofdstuk.
Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit milieueffectrapportage. Bestemmingsplan Willemsoord – Prins van Oranjelaan 17 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De uitgevoerde analyse geeft voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent voorlig- gend bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. te kunnen nemen. Het opstel- len van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante mi- lieuaspecten. NL.IMRO.1708.WLOprinsvoranjelBP -ON01 18 Hoofdstuk 5 Juridische opzet 5.1 Toelichting In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande en toekomstige situatie van het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit bestemmings- plan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom be- paalde bebouwing acceptabel is.
De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: • Hoofdstuk 1 Inleidende regels; • Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; • Hoofdstuk 3 Algemene regels; • Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels. In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plan- nen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmings- plannen 2012 (SVBP2012) is verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 maakt het mogelijk bestemmings- plannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier wor- den verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbeho- rende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samen- hang te worden 5.2 Toelichting op de planregels 5.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat regels die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: artikel 1 Begrippen: In dit artikel wordt dit bestemmingsplan aangeduid. artikel 2 Wijze van meten: In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze wordt gemeten binnen de geldende regels van het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan Willemsoord – Prins van Oranjelaan 19 5.2.2 Planregels Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorko- men in het plangebied. Voor ieder gebied op de verbeelding is de bestemming aangege- ven. Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in onder meer: • Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; • Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen; • Afwijken van de gebruiks- en bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels; In paragraaf 5.2.5 worden de verschillende bestemmingen toegelicht en wordt ook per be- stemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. 5.2.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, waarin wordt aangegeven welke bepalingen van toepassing zijn. Het gaat daarbij concreet om de van toepassing zijnde bestemmingen, bouwregels, gebruiksregels en afwijkingsregels. 5.2.4 Overgangsregel en slotregel In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotbepalingen. In de slotregel (artikel 12) is bepaald wat de officiële naam van het bestemmingsplan is. 5.2.5 Nadere toelichting op de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie.
Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toege- staan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit bestemmings- plan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is geke- ken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische si- tuatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de keuzes die zijn gemaakt nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Artikel 3 Tuin De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij op de aan- grenzende gronden gelegen gebouwen, met daaraan ondergeschikt water en waterhuis- houdkundige voorzieningen. Artikel 4 Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in een woning, met daar- aan ondergeschikt tuinen, parkeervoorzieningen op eigen terrein, groenvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. NL.IMRO.1708.WLOprinsvoranjelBP -ON01 20 Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een be- stemmingsplan.
Deze is gedeeltelijk aangetoond in de voorgaande paragrafen. Ook spe- len de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid een rol. 6.1 Grondexploitatie Dit bestemmingsplan maakt woningbouwproject mogelijk waarbij het gaat om een bouwplan zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Het plan valt zodoende onder de grondexploitatieregeling die in de Wro is opgenomen. 6.2 Economische uitvoerbaarheid De kosten van de planologische aanpassing voor de sociale woningen inclusief eventuele planschade e.d. zijn voor rekening van de gemeente Steenwijkerland. Hier is in het besluit van gemeenteraad van 11 december 2018 reeds rekening mee gehouden. 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het kader van de plannen zijn met de volgende partijen gecommuniceerd: • Dorpsbelang Willemsoord is geïnformeerd over dit voornemen, zie bijlage 4. • De bewoners van de aanliggende percelen zullen schriftelijk geïnformeerd worden over de gewenste woningbouw. • De gegevens van de planologische procedure worden digitaal beschikbaar gesteld op de landelijke voorziening: www.ruimtelijkeplannen.nl Bestemmingsplan Willemsoord – Prins van Oranjelaan 21 Bijlage 1. Ecologisch advies NL.IMRO.1708.WLOprinsvoranjelBP -ON01 22 Bijlage 2. Aerius-berekening Bestemmingsplan Willemsoord – Prins van Oranjelaan 23 Bijlage 3. Watertoets NL.IMRO.1708.WLOprinsvoranjelBP -ON01 24 Bijlage 4. Inspraakverslag