1.0 De Kinderombudsman - Rapport Ik ben meer dan mijn problemen.pdf
Tekst van het document
27 4. We verwachtten dat deze relaties steeds sterker zouden worden naarmate er meer problemen in de thuissituatie spelen. Dit blijkt niet het geval te zijn. Er blijkt een kanteling plaats te vinden wanneer het aantal problemen in de thuissituatie toeneemt. Voor kinderen waarbij één of twee problemen spelen in de thuissituatie zijn het de problemen zelf die een lager welbevinden veroorzaken. Voor kinderen waarbij drie problemen in de thuissituatie spelen, zijn de problemen thuis niet meer zo belangrijk voor hun (lagere) welbevinden. Het gaat voor hen juist om de effecten die de problemen thuis hebben op opvoedersgedrag en de bredere sociale omgeving. Conclusies Hoe meer problemen thuis, hoe minder gelukkig Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat een stapeling van problemen in toenemende mate een negatief effect heeft op het welbevinden van kinderen. Dus, hoe meer problemen er spelen in de thuissituatie, hoe minder gelukkig de kinderen zelf aangeven te zijn. We hebben hierbij niet gekeken naar de aard van de problemen maar specifiek naar het aantal problemen.
1 of 2 problemen? Pak het probleem aan! 3 problemen? Help mijn ouders met opvoeden! Het belangrijkste dat uit ons onderzoek naar voren is gekomen, is dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen de ervaringen van kinderen waarbij "slechts" één of twee problemen spelen en kinderen waarbij meerdere problemen spelen. Voor de eerste groep kinderen zijn het vooral de problemen zélf die een negatieve invloed hebben op hun welbevinden. Voor kinderen waarbij meerdere problemen spelen is het vooral de negatieve invloed die deze problemen hebben op het opvoedersgedrag waar de kinderen last van hebben. Dit betekent dat deze groepen kinderen gebaat zijn bij een verschillende aanpak. Het welbevinden van kinderen met één of twee problemen verbetert wanneer hulp en ondersteuning zich direct richt op het oplossen van de concrete problemen. Bij kinderen met meerdere problemen zal hulp en ondersteuning van de ouders bij de opvoeding leiden tot een verbetering in het welbevinden van kinderen. Dit wil niet zeggen dat bij de groep kinderen met meerdere problemen in de thuissituatie de problemen niet opgelost moeten worden; dit zal ouders immers ontlasten. Het betekent dat in de beleving van deze kinderen het gedrag van ouders de belangrijkste invloed is op hun welbevinden.
Hierbij moet opgemerkt worden dat voor alle kinderen in dit onderzoek geldt dat opvoedersgedrag en de bredere sociale omgeving belangrijke beschermende factoren zijn. Het is echter juist voor de kinderen met meerdere problemen belangrijk om op deze twee variabelen in te steken om hun welbevinden te verbeteren. Andersom geldt ook dat problemen altijd aangepakt moeten worden: waar dit voor kin deren met één of twee problemen direct effect kan hebben op hun welbevinden, is dit voor kinderen met 28 meerdere problemen vooral van belang omdat het oplossen van de problemen ouders kan helpen weer 'ouder' te zijn. Sociale omgeving als beschermende factor Bovendien blijken problemen die thuis spelen relatief weinig impact te hebben op de bredere sociale omgeving van kinderen. Tegelijkertijd heeft de bredere sociale omgeving een sterkere relatie met het ervaren welbevinden van kinderen dan het opvoedersgedrag. Deze relatief 'neutrale' positie van de bredere sociale omgeving, betekent ook dat voor kinderen met problemen in de thuissituatie, personen in deze omgeving een belangrijke ondersteunende rol kunnen spelen (bijvoorbeeld vrienden, goede leerkrachten, andere volwassenen in het sociale netwerk). De steunfiguur zoals die bij de programma's rondom scheiding en rondom huiselijk geweld ingezet moet gaan worden, is hiervan een voorbeeld.
Samengenomen betekent dit dat hulpverleners die betrokken zijn bij kin deren en gezinnen vanwege een probleem in de thuissituatie, goed zicht moeten hebben op de aanwezigheid van mogelijke andere problemen in de thuissituatie. Een combinatie van problemen kan immers duiden op een andere gewenste insteek van de hulpverlening en op een sterkere inzet op beschermende factoren. De bevindingen van dit onderzoek ondersteunen ideeën om meer integraal en multi - categoriaal in te steken bij maatregelen, specifiek daar waar kinderen met meerdere problemen in de thuissituatie geholpen en ondersteund moeten worden. 29 WELKE ADVIEZEN GEVEN WIJ MEE? "Ik vind het goed dat er overal hulp is; thuis, op school of in de buurt." De resultaten van dit onderzoek roepen op tot ee n integrale aanpak in de jeugdhulpverlening en het sociaal werk met kinderen en gezinnen. Het onderzoek laat zien wat een stapeling van problemen kan betekenen voor kinderen en hoe deze stapeling verschillende effecten heeft bij verschillende groepen kinder en. Bovendien geven de resultaten weer wat kinderen zélf hebben aangegeven over wat belangrijk is voor hun welbevinden. Ondanks de stappen die op enkele domeinen al worden genomen met betrekking tot een integrale aanpak, blijkt het in de praktijk lastig te zijn om een dergelijke aanpak vorm te geven.
7,j De Kinderombudsman doet daarom (nogmaals) een appèl op alle professionals en organisaties in het sociale domein, inclusief de gemeenten en de beroepsverenigingen, om actief aan de slag te gaan met e en integrale aanpak voor gezinnen met problemen in de thuissituatie. De Kinderombudsman doet de volgende aanbevelingen: Voor organisaties in het sociale domein Neem in het geldende beleid en werkinstructies op dat professionals altijd kijken of er in een gezin op meerdere gebieden problemen spelen. Om goed in te kunnen schatten of een bredere integrale aanpak noodzakelijk is, is het essentieel dat hulpverleners die vanwege één probleem bij een gezin thuis komen, goed zicht hebben op eventuele andere probl emen die kunnen spelen. Organisaties moeten daarom in hun beleid en werkinstructies tijd en ruimte bieden voor professionals om in gesprek met ouders en kinderen zicht te krijgen op alle problemen die (kunnen) spelen in een gezin. Biedt professionals rui mte om ouders te helpen goed vorm te geven aan hun opvoeding, als er op drie gebieden problemen spelen. Uit de resultaten van het onderzoek wordt duidelijk dat als er meerdere problemen in de thuissituatie spelen, de kwaliteit van het opvoedersgedrag en de kwaliteit van de bredere sociale omgeving de grootste en belangrijkste impact hebben op het welbevinden van kinderen.
Kijk bij meerdere problemen daarom altijd of ouders nog in staat zijn goede opvoeders te zijn. En zet hulp en ondersteuning voor deze kinderen juist hierop in. Vanzelfsprekend moeten de problemen zelf ook opgelost worden; dit helpt ouders immers in het beter vorm kunnen geven van hun ouderschap. Maar kinderen zelf geven aan dat het voor hun welbevinden vooral belangrijk is dat ouders 'ouder s' kunnen zijn en/of dat er andere volwassenen zijn bij wie zij terecht kunnen. j Zie hiervoor bijvoorbeeld ook de Regeling Maatwerk Multiproblem Huishoudens, die in mei van 2019 verschenen is in opdracht van de ministeries van VWS, BZK, SZW en J&V. 30 Als er een of twee problemen spelen, laat professionals zich dan richten op het oplossen van het probleem. Voor kinderen waarbij 'slechts' één of twee problemen in de thuissi tuatie spelen, is het het belangrijkst dat de problemen zelf opgelost worden. Voor deze groepen kinderen zou hulpverlening dus juist in moeten steken op de specifieke problemen die spelen. Maak werkelijk integraal werken speerpunt van geldend beleid en werkinstructies. Gezinnen waarin veel speelt, zijn gebaat bij overzichtelijke ondersteuning en hulp die wordt geboden door zo min mogelijk verschillende instanties en professionals.
Neem daarom in het geldende beleid en werkinstructies op wie bij domein - overstijgende problemen de regie heeft en wie besluiten met het gezin communiceert. Integraal werken betekent naast afstemmen op inhoud, ook afstemmen op organisatieniveau. Zorg ervoor dat er een regievoerder is als er veel speelt. En gun kinderen en gezinnen een vast contactpersoon in hun toch al onoverzichtelijke wereld zodat zij zich het best geholpen voelen. Voorkom zoveel mogelijk wisselingen van professionals over de tijd. Zet in op het versterken van beschermende factoren die een belangrijke rol kunnen spelen in het verkleinen van de impact van problemen in de thuissituatie op het welzijn van kinderen. Voor alle kinderen in dit onderzoek geldt dat er - binnen en buiten het gezin - belangrijke factoren zijn die kinderen kunnen ondersteunen. De kwaliteit van het opvoedersgedrag is in de beleving van kinderen redelijk gevoelig voor problemen in de thuissituatie. De bredere sociale omgeving daarentegen is in de beleving van kinderen redelijk onafhankelijk van de problemen thuis. Bij de hulpverlening aan gezinnen zou daarom expliciet en actief gekeken moeten worden naar steun voor de kinderen in het bredere sociale netwerk.
Hierbij kan gedacht worden aan het actiever inzetten op ondersteuning vanuit andere belangrijke volwassenen (familie, buren, etc.), onders teuning op school of insteken op het creëren van een (breder) sociaal netwerk van leeftijdsgenoten. Voor gemeenten Biedt in het geldende beleid ruimte voor een passende, integrale en multi -categoriale aanpak. Juist als er veel speelt, is het belangrijk dat professionals en organisaties in het sociale domein optimaal afstemmen en samenwerken. Ze hebben ruimte nodig om maatwerk te kunnen bieden en om de grenzen tussen verschillende werkvelden te overbruggen om zo vanuit het belang van het kind t e handelen. Deze ruimte moeten zij ondanks verschillende regelingen, bijvoorbeeld ten aanzien van financiering of privacy, nemen. Uit een verkenning van afgelopen jaar blijkt dat de ruimte om op een passende manier maatwerk te bieden binnen de huidige 31 regelgeving er wel is. k Aan gemeentes – als verantwoordelijk voor de hulp van hun inwoners – de taak om drempels bij organisaties weg te nemen om van deze ruimte gebruik te maken. Voor beroepsverenigingen Stimuleer kennisverbreding over een integrale aanpak. Beroepsverenigingen hebben een belangrijke functie in de professionalisering van hun achterban (sociaal werkers, pedagogen, psychologen e.d.).
Kennis over het belang van en mogelijkheden voor een integrale aanpak moet een essentieel onderdeel zijn van deze professionalisering. Wat betekent een integrale aanpak bijvoorbeeld voor sociaal werkers in de schuldhulpverlening of in scheidingsbegeleiding? Hoe creëer je ruimte om een breder palet aan ondersteuning te bieden dan de eigenlijke taak i s? Hoe werk je samen met andere organisaties zonder de ondersteuning aan gezinnen te versplinteren? Antwoorden op dergelijke vragen en bijhorende kennis en inzichten moeten beschikbaar zijn voor professionals in het sociale domein, om op goede wijze vorm t e kunnen geven aan een passende vorm voor hulp voor kinderen en gezinnen. Stimuleer kennis over mogelijkheden voor hulp buiten het eigen werkveld. Naast het verspreiden van kennis is het ook belangrijk voor professionals om zicht te hebben op praktische mogelijkheden voor een integrale aanpak, en om zicht te hebben op werkvelden buiten het eigen domein. Beroepsverenigingen kunnen hierin een belangrijke rol vervullen door kennismakings - en netwerkbijeenkomsten te organiseren waarin professionals uit de ver schillende (sociale) domeinen elkaar kunnen ontmoeten en informeren. Voor iedereen die als professional besluiten neemt over het leven van kinderen Bij alle besluiten die genomen worden, moeten de belangen van de kinderen een eerste overweging zijn.
Om r echt te kunnen doen aan lokale samenwerking en diversiteit aan betrokken organisaties, zullen bovenstaande aanbevelingen in de praktijk op verschillende manieren concreet vorm krijgen. Ongeacht deze lokale verschillen in de opvolging van de aanbevelingen, geldt voor iedere professional die besluiten neemt over het leven van kinderen een algemene regel: Volgens het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) moeten bij alle besluiten die genomen worden, de belangen van de kinderen een eerste overweging zijn. Hierbij moet het kind zijn/haar visie kunnen geven waarmee rekening gehouden moet worden bij het besluit. Daarnaast hebben kinderen het recht op een gelijke behandeling ten opzichte van elkaar. Onderzoek daarom altijd eerst welk e oplossing het beste is voor het kind, en vraag hen hier zelf naar. Stel hun belang voorop en stem de hulp hierop af. k Zie hiervoor de Regeling Maatwerk Multiproblem Huishoudens, die in mei van 2019 verschenen is in opdracht van de ministeries van VWS, BZK, SZW en J&V. 32 KORTE AFSLUITENDE REFLECTIE De resultaten van dit onderzoek geven een genuanceerd beeld over de noodzaak voor een brede, integrale aanpak voor kin deren met problemen in de thuissituatie. Hierbij is zicht gekomen op wanneer een dergelijke aanpak wel of niet helpend is voor kinderen en jongeren.
Daarnaast laat dit onderzoek zien wat kinderen zélf zien als oorzaken voor hun lagere welbevinden. De Kinde rombudsman wil hiermee een onderbouwde bijdrage leveren aan de verbetering van de jeugdhulp en de jeugdzorg. De bevindingen moeten echter ook met enige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden, doordat er enkele problemen spelen in de gebruikte data die we niet opgelost kregen. De verdeling van de aantallen kinderen over de drie verschillende groepen (één probleem thuis, twee problemen thuis en drie problemen thuis) is erg scheef. Er waren slechts 9 kinderen die drie problemen in de thuissituatie hadden, zonder dat daarbij nog andersoortige problemen spelen. Dit is een erg kleine groep, wat de betrouwbaarheid van de bevindingen beïnvloed. Daarnaast is deze groep kinderen, evenals de bredere groep kinderen die de vragenlijst van de Kinderombudsman hebben in gevuld, niet representatief voor de kinderen in Nederland. Dit betekent dat de resultaten van dit onderzoek in principe alleen gelden voor de groep kinderen uit het onderzoek. Het geeft echter wel een goede indicatie van wat kinderen in Nederland vinden en ervaren. Opvallend in de bevindingen is de sterkere relatie van factoren in de bredere sociale omgeving met het ervaren welbevinden, ten opzichte van de relatie van opvoedersgedrag met welbevinden.
Een mogelijke verklaring hiervoor is dat het juist de groep kinderen betreft met problemen thuis, die door die problemen mogelijk sterker gericht zijn op beschermende factoren in de bredere sociale omgeving. Een andere mogelijke verklaring is dat het in dit onderzoek voornamelijk de wat oudere kinderen betreft (12 jaar en ouder). Vanaf die leeftijd is het passend om minder gericht te zijn op de thuissituatie en meer belang te hechten aan de factoren buitenshuis zoals vrienden en klasgenoten. Dit betekent echter ook dat we niet met zekerheid kunnen zeggen dat de bevindingen ook gelden voor kinderen die jonger zijn dan 12 jaar. 33 LITERATUURLIJST 1. Centraal Bureau voor de Statistiek (2019a). Jeugdhulp 2018. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. 2. Nederlands Jeugdinstituut (2019a). Databank Effectieve Interventies, juli 2019 via https://www.nji.nl/nl/Databank/Databank-Effectieve- Jeugdinterventies/Erkende-interventies 3. Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (juni, 2018). Visienota Netwerkzorg. Den Haag: Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. 4. Nederlands Jeugdinstituut (2019b). Dossier Integrale Jeugdhulp, juli 2019 via https://www.nji.nl/nl/Kennis/Dossier/Integrale-jeugdhulp/Inhoudelijke-aanpak 5. Rutter, M. (1989). Pathways from childhood to adult life, Journal of Child Psychology and Psychiatry, 30 (1), 23-51. 6. Nederlands Jeugdinstituut (2018).
Top tien beschermende factoren voor een positieve ontwikkeling van jeugdigen. Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut. 7. De Kinderombudsman (2019). Zorgenbrief Jeugdhulp. Den Haag: De Kinderombudsman 8. De Kinderombudsman (2018). Als je het ons vraagt. Kinderrechtentour 2018. Den Haag: De Kinderombudsman. 9. Newland, L.A. (2015). Family well-being, parenting, and child well-being: Pathways to healthy adjustment, Clinical Psychologist, 19, 3-14. 10. Evans, G.W., Li, D. & Sepanski Whipple, S.S. (2013). Cumulative risk and child development, Psychological Bulletin, 139 (6), 1342-1396. 11. Grant, K.E., Compas, B.E., Thurm, A.E., McMahon, S.D., Gipson, P.Y., Campbell, A.J., Krochock, K. & Westerholm, R.I. (2006). Stressors and child and adolescent psychopathology: Evidence of moderating and mediating effects, Clinical Psychology Review, 26, 257-283. 12. Antokolskaia, M.V., Jepessen de Boer, C.G., Ruitenberg, G.C.A.M., Schrama, W.M., Van der Valk, I.E. & Vrolijk, P. (2019). Naleving van contact- /omgangsafspraken na scheiding: een rechtsvergelijkend en sociaalwetenschappelijk perspectief (samenvatting). Den Haag: Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatie Centrum. 13. Anthony, E. K., King, B. & Austin, M.J. (2011). Reducing child-poverty by promoting child well-being: Identifying best practices in a time of need, Children and Youth Services Review, 33, 1999-2009. 14. Hidalgo-Hidalgo, M.
(2019). Childhood-related policies and adult poverty: Evidence form some European countries, Social Indicators Research, 144, 191- 217. 15. Kiernan, K.E. & Mensah, F.K. (2011). Poverty, family resources and children's early educational attainment, British Educational Research Journal, 37 (2), 317- 336. 16. Bastaits, K. & Mortelmans, D. (2016). Parenting as mediator between post- divorce family structure and children's well-being, Journal of Child and Family Studies, 25, 2178-2188. 34 17. Elam, K.K., Sandler, I., Wolchik, S. & Tein, J.-Y. (2016). Non-residential father- child involvement, interparental conflict and mental health of children following divorce: A person-focused approach, Journal of Youth and Adolescence, 45, 581- 593. 18. Paul, O. (2019). Perceptions of family relationships and post-traumatic stress symptoms of children exposed to domestic violence, Journal of Family Violence, 34, 331-343. 19. Baumrind, D. (1991). The influence of parenting style on adolescent competence and substance use, The Journal of Early Adolescence, 11 (1), 56-95. 20. De Kinderombudsman (2017). Alle kinderen kansrijk. Het verbeteren van de ontwikkelingskansen van kinderen in armoede. Den Haag: De Kinderombudsman. 21. Hurwich-Reiss, E., Watamura, S., Cybele Raver, C. & BTS Consortium PI's (2019).
Beyond income: Expanding our empirical toolkit to better predict caregiver well- being, Journal of Child and Family Studies, 28, 753-764. 22. Rose, W. & McAuley, C. (2019). Poverty and its impact on parenting in the UK: Re-defining the critical nature of the relationship through examining lived experiences in times of austerity, Children and Youth Services Review, 97, 134- 141. 23. Bronfenbrenner, U. (2005). Making human beings human. Bioecological perspectives on human development. London: SAGE Publishers 24. Woolley, M.E. & Bowen, G.L. (2007). In the context of risk: Supportive Adults and the school engagement of middle school students, Family Relations, 56, 92- 104. 25. Andresen, S. & Meiland, S. (2019). Being poor from children's point of view. The potential of childhood theory and qualitative methods for child poverty research: Findings from twoo qualitative studies of poverty in Germany, Children and Youth Services Review, 97, 94-99. 26. Sterrett, E.M., Jones, D.J., McKee, L.G. & Kincaid, C. (2011). Supportive non- parental adults and adolescent functioning: Using social support as a theoretical framework, American Journal of Community Psychology, 48, 284-295. 27. Armstrong, M.I., Birnie-Lefcovitch, S. & Ungar, M.T. (2005).
Pathways between social support, family well-being, quality of parenting and child resilience: What we know, Journal of Child and Family Studies, 14 (2), 269-281. 28. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (1 april 2019). Kamerbrief "ambities kinderarmoede". Den Haag: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 29. Centraal Bureau voor de Statistiek (2019b). CBS Jeugdmonitor. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. 30. Bureau Bartels BV (2018). Eerste evaluatie van de bestuurlijke afspraken tussen SZW en VNG over kinderen in armoede. Amersfoort: Bureau Bartels BV. 31. Defence for Children & Save the Children (8 februari 2019). Input ‘AO Armoede en Schuldenbeleid’, via www.defenceforchildren.nl/media/3602/input-scnl-dci- voor-ao-armoede-en-schulden-14-februari-2019.pdf 35 32. Ministerie van Justitie en Veiligheid (juni, 2019). Uitvoeringsprogramma Scheiden zonder Schade. Den Haag: Ministerie van Justitie en Veiligheid 33. Nederlands Jeugdinstituut (2019c). Dossier Kindermishandeling, juli 2019 via https://www.nji.nl/nl/Kennis/Dossier/Kindermishandeling 34. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (2019). Tweede voortgangsrapportage "Geweld hoort nergens thuis". Den Haag: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 35. Kalverboer, M., Ten Brummelaar, M., Post, W., Zijlstra, E., Harder, A. & Knorth, E. (2012).
The best interest of the child-questionnaire, reliability and validity: Preliminary data on the question 'where to live after detention or secure treatment?', Criminal Behaviour and Mental Health, 22, 41-52. 36. Zijlstra, A., Kalverboer, M., Post, W., Knorth, E. & Ten Brummelaar, M. (2012). The quality of the childrearing environment of refugee or asylum-seeking children and the best interest of the child: Reliability and validity of the BIC-Q, Behavioral Science & The Law, 30 (6), 841-855. 37. Hayes, A.F. & Preacher, K.J. (2014). Statistical mediation with a multicategorical independent variable, British Journal of Mathematical and Statistical Psychology, 67, 451-470. 36 BIJLAGE 1: VRAGENLIJST VAN DE KINDERRECHTENTOUR 2018 1. Ik ben een: ☐ Jongen ☐ Meisje ☐Anders 2. Hoe oud ben je? … 3. Waar woon je? ☐ Bij mijn beide ouders ☐ Bij mijn vader (en partner) ☐ Bij mijn moeder (en partner) ☐ Wisselend bij mijn moeder en vader (en partner) ☐ Bij mijn pleeggezin ☐ In een instelling ☐ In een asielzoekerscentrum (azc) of gezinslocatie ☐ Anders, namelijk: 4. Geldt één van de punten hieronder voor jou? Vink die dan aan. Je kunt meerdere hokjes aanvinken. ☐ We hebben thuis weinig geld ☐ Er zijn thuis problemen ☐ Ik heb een lichamelijke ziekte of aandoening ☐ Ik heb een diagnose en krijg jeugdhulp ☐ Mijn ouders zijn gescheiden.
Ze kunnen ook niet meer normaal met elkaar omgaan ☐ Ik ga naar een school voor speciaal onderwijs ☐ Ik kom uit een ander land en ben naar Nederland gevlucht ☐ Geen van deze punten geldt voor mij 5. Hoe heb je van de vragenlijst van de Kinderombudsman gehoord? … Deze vragenlijst gaat over kinderrechten. Alle kinderen hebben rechten. Dat is zo afgesproken. De rechten staan in het Kinderrechtenverdrag. Het zijn er 54. Een paar belangrijke kinderrechten gaan over thuis. Dus waar je woont en met wie. Alle kinderen hebben het recht om bij hun ouders te leven. Soms hebben ou ders problemen. Als die problemen groot zijn, moeten kinderen soms een tijdje ergens anders wonen. Dat kan bijvoorbeeld in een ander gezin zijn. Of in een tehuis met andere kinderen. Op die andere plek moet er dan wel goed voor je gezorgd worden. Ook als je niet bij je ouders woont, heb je nog steeds het recht om jouw ouders te zien en te spreken. Hierna komen 5 vragen over dit soort kinderrechten. Je kunt bij iedere vraag aankruisen hoe het voor jou is. 37 6. Liefde en aandacht van die ik van mijn ouders of opvoeders krijg, vind ik… Hiermee bedoelen we: - Je voelt je door hen begrepen - Ze hebben tijd voor je als je ze nodig hebt - Je hebt een goede band met ze Goed ☐ Voldoende ☐ Matig ☐ Onvoldoende ☐ Wil je daar iets over vertellen? … 7.
Ik vind de structuur, regels en ondersteuning die er thuis zijn… Hiermee bedoelen we: - Je staat op een vaste tijd op - Je gaat elke dag naar school - Er zijn afspraken en regels, waar jij je aan moet houden - Er is thuis iemand die je helpt als dat nodig is Goed ☐ Voldoende ☐ Matig ☐ Onvoldoende ☐ Wil je daar iets over vertellen? … 8. Het goede voorbeeld dat ik krijg van mijn ouders of opvoeders vind ik… Hiermee bedoelen we: - Ruzie wordt uitgepraat - Ze leggen dingen uit als je iets niet snapt - Ze zorgen goed voor zichzelf en anderen - Ze hebben werk of doen vrijwilligerswerk Goed ☐ Voldoende ☐ Matig ☐ Onvoldoende ☐ Wil je daar iets over vertellen? … 9. Ik vind de interesse van mijn ouders of opvoeders in wat ik belangrijk vind… Hiermee bedoelen we: - Je kunt je verhaal bij hen kwijt - Ze luisteren naar jouw ideeën en wensen - Je kan met hen praten als je problemen hebt - Op sommige dagen hoef je niet naar school. • Je mag dan zelf kiezen wat jij wilt doen Wil je daar iets over vertellen? … Goed ☐ Voldoende ☐ Matig ☐ Onvoldoende ☐ 38 10.
De opvoeding die ik krijg vind ik… Hiermee bedoelen we: - Er wordt altijd goed voor je gezorgd - Er staat altijd iemand voor je klaar - Je hebt contact met volwassenen die belangrijk voor je zijn, of die langere tijd voor je hebben gezorgd (bijvoorbeeld familieleden of pleegouders) Wil je daar iets over vertellen? … Goed ☐ Voldoende ☐ Matig ☐ Onvoldoende ☐ 11. Op school en in vrije tijd, is het voor mijn gevoel… Hiermee bedoelen we: - Je vindt het niet vervelend om naar school te gaan - Je krijgt op school genoeg hulp en steun, zodat je goed kunt leren - Je krijgt de kans om in je vrije tijd de dingen te doen die je leuk vindt of waar je goed in bent (bijvoorbeeld sport, muziek, toneel, scouting of skateboarden). Wil je daar iets over vertellen? … Goed ☐ Voldoende ☐ Matig ☐ Onvoldoende ☐ 12. Het contact met vrienden vind ik… Hiermee bedoelen we: - Je doet leuke dingen met je vrienden - Je kunt goed met je vrienden opschieten - Je voelt je begrepen door hen - Jouw vrienden houden rekening met wie jij bent Goed ☐ Voldoende ☐ Matig ☐ Onvoldoende ☐ Wil je daar iets over vertellen? … Dat waren de eerste vragen. We gaan nu verder. Je hebt niet alleen thuis rechten. Ook op school en bijvoorbeeld op je sportclub heb je rechten. Zo heb je het recht om naar school te gaan. Al voelt dat soms misschien meer als een plicht.
En wist je dat je ook recht hebt op spelen en vrije tijd ?En om samen te zijn met vrienden? Hierna komen 3 vragen over dit soort kinderrechten. Je kunt weer bij iedere vraag aankruisen hoe het voor jou is. 39 13. De hulp die ik van andere volwassenen krijg, is voor mijn gevoel… Hiermee bedoelen we: - Behalve je ouders of opvoeders zijn er andere mensen die jou helpen. Bijvoorbeeld andere familie, buren of leraren. - Als je vragen hebt of extra hulp nodig hebt kun je bij familieleden, buren, leraren of andere mensen terecht - Je zit bij een sportclub of vereniging Goed ☐ Voldoende ☐ Matig ☐ Onvoldoende ☐ Wil je daar iets over vertellen? … Goed ☐ Voldoende ☐ Matig ☐ Onvoldoende ☐ 14. De verzorging die ik krijg, vind ik… Hiermee bedoelen we: - Je krijgt genoeg te eten en te drinken - Je hebt genoeg kleding - Je krijgt genoeg slaap - Er is een dokter wanneer je die nodig hebt Wil je daar iets over vertellen? … Goed ☐ Voldoende ☐ Matig ☐ Onvoldoende ☐ 15.
Het goede voorbeeld dat ik krijg van mensen die ik ken, vind ik… Hiermee bedoelen we: - Kinderen en volwassenen die jij kent zorgen - goed voor zichzelf en voor anderen - Kinderen en volwassenen die jij kent helpen - elkaar graag - Kinderen en volwassenen die jij kent behandelen - elkaar met respect (zijn aardig voor elkaar) - Kinderen en volwassenen die jij kent hebben een - goede invloed op je Wil je daar iets over vertellen? … Goed ☐ Voldoende ☐ Matig ☐ Onvoldoende ☐ Er zijn ook kinderrechten die gaan over wat er in jouw leven allemaal geregeld moet zijn. Je hebt bijvoorbeeld het recht op genoeg te eten en drinken en op goede zorg van dokters. Ook zijn er kinderrechten die gaan over wat er juist niet mag zijn in jouw leven. Je mag bijvoorbeeld niet anders behandeld worden dan andere kinderen, bijvoorbeeld door jouw huidskleur of om wat je gelooft. Hierna komen 3 vragen over dit soort kinderrechten. Je kunt weer bij iedere vraag aankruisen hoe dit er in jouw leven uit ziet. 40 16.
Ik vind het respect dat ik krijg… Hiermee bedoelen we: - Je wordt niet anders behandeld dan andere kinderen die jij kent (bijvoorbeeld om je geloof, om hoe je eruit ziet, omdat je arm of rijk bent, of omdat je een handicap hebt) - Je hebt het gevoel dat anderen rekening houden met wie jij bent - Je hebt het gevoel dat je dezelfde kansen krijgt als andere kinderen - Je kunt alleen zijn wanneer jij dat wilt - Jouw ouders, opvoeders of anderen, lezen niet zomaar mee met je WhatsApp- gesprekken, e-mails of brieven Goed ☐ Voldoende ☐ Matig ☐ Onvoldoende ☐ Wil je daar iets over vertellen? … 17. De veiligheid bij mij in huis, vind ik… Hiermee bedoelen we: - Je voelt je veilig bij jou thuis - Er wordt bij jou thuis geen geweld gebruikt - Er wordt bij jou thuis geen drugs gebruikt - Er wordt bij jou thuis niet gescholden Goed ☐ Voldoende ☐ Matig ☐ Onvoldoende ☐ Wil je daar iets over vertellen? … Nu komen de laatste paar vragen. Het is belangrijk dat je veilig kunt opgroeien. Thuis, maar ook op school en in de buurt. Ook daar zijn kinderrechten voor. Je hebt bijvoorbeeld recht op bescherming tegen geweld en mishandeling. Ook moet je beschermd worden tegen gevaarlijke dingen, zoals drugs. Een heel belangrijk kinderrecht is het recht om informatie te krijgen over dingen die voor jou belangrijk zijn. Bijvoorbeeld over waar je woont of waar je naar school gaat.
Dit is nodig, omdat je ook het recht hebt om je eigen mening te vormen en die te laten horen. Hierna komen 3 vragen over dit soort kinderrechten. Je kunt weer bij iedere vraag aankruisen hoe het voor jo u is. 41 18. De veiligheid bij mij in de buurt, vind ik… Hiermee bedoelen we: - Je voelt je veilig in jouw buurt - Er is weinig ruzie in de buurt - Er wordt niet vaak ingebroken in jouw buurt - Er is geen crimineel gedrag - Er hangen geen vervelende mensen of jongeren rond in jouw buurt Goed ☐ Voldoende ☐ Matig ☐ Onvoldoende ☐ Wil je daar iets over vertellen? … 19. Ik vind de mate van zekerheid in mijn leven… Hiermee bedoelen we: - Je hebt vertrouwen in je toekomst - Je woont langere tijd op één plek (je bent niet vaak verhuisd) - Als er iets verandert dan wordt dat met jou besproken - Je bent niet plotseling van school gewisseld - Er zijn geen grote dingen gebeurd in je leven die je moeilijk of vervelend vond Wil je daar iets over vertellen? … Goed ☐ Voldoende ☐ Matig ☐ Onvoldoende ☐ 20. Welk cijfer geef jij aan jouw leven? ☐ 1 ☐ 6 ☐ 2 ☐ 7 ☐ 3 ☐ 8 ☐ 4 ☐ 9 ☐ 5 ☐ 10 21. Wat vind je fijn in jouw leven? (Bijvoorbeeld bij jou thuis, op school of in jouw buurt) … 22. Wat kan er beter, om jouw leven (nog) leuker te maken? (Bijvoorbeeld bij jou thuis, op school of in jouw buurt) … 42 23. Wat vind je belangrijk voor de toekomst van jou en andere jongeren in Nederland? … 24.
Waar wil jij graag over meebeslissen in jouw leven? Mag je dat nu al? Bij jou thuis Op school Bij (jeugd)zorg In de buurt Weet ik niet Wil ik niet Ik mag meebeslissen ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ Ik zou graag willen meebeslissen ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ De komende jaren gaat Margrite, de Kinderombudsvrouw, zich inzetten voor alle kinderen in Nederland. Ze wil graag van jou horen waar ze kinderen mee kan helpen. 25. Als jij Kinderombudsman of Kinderombudsvrouw was, wat zou je dan willen veranderen voor kinderen in Nederland? … We zijn bijna aan het einde van de vragenlijst. We willen je graag nog een paar laatste vragen stellen. 26. Ga je naar school? ☐ Ja, ik ga naar de middelbare school of het MBO ☐ Ja, ik ga nog naar de basisschool ☐ Ja, ik ga naar school en ik werk ook ☐ Nee, ik ga niet naar school. Ik werk ☐ Nee, ik ga niet naar school en heb ook geen werk ☐ Anders, namelijk … 27. Welke type school volg je? ☐ Praktijkonderwijs ☐ VMBO basis of VMBO kader ☐ VMBO-gl of VMBO-tl ☐ MBO1 of MBO 2 ☐ MBO3 of MBO4 ☐ HAVO ☐ VWO ☐ HBO ☐ WO 43 ☐ Anders, namelijk: 28. In welke provincie woon je? ☐ Drenthe ☐ Noord-Brabant ☐ Flevoland ☐ Noord-Holland ☐ Friesland ☐ Overijssel ☐ Gelderland ☐ Utrecht ☐ Groningen ☐ Zeeland ☐ Limburg ☐ Zuid-Holland 29. Wil je hier de eerste 4 cijfers van jouw postcode invullen? … 30. Wist je vóór deze vragenlijst al wat kinderrechten zijn? ☐ Ja ☐ Nee 31.
Had je vóór deze vragenlijst al eens van de Kinderombudsman gehoord? ☐ Ja ☐ Nee 44 BIJLAGE 2: HET KINDERRECHTENVERDRAG De Kinderombudsman heeft de taak wetgeving, beleid en de uitvoering daarvan te controleren op de naleving van de kinderrechten zoals opgenomen in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Het Kinderrechtenverdrag kent vier basisprincipes. Artikel 2 van het verdrag stelt dat alle rechten uit het verdrag voor alle kinderen en jongeren gelden. Artikel 3 stelt dat bij alle besluiten die genomen worden de belangen van kinderen een eerste overweging moeten zijn. Dit principe geldt voor alle besluiten die genomen worden over individuele kinderen en jongeren, maar ook voor groepen kinderen en jongeren in het algemeen. Artikel 6 stelt dat elk kind recht heeft op leven en dat de overheid hiervoor waarborgen moet bieden. Artikel 12 stelt dat het kind het recht heeft om zijn mening te geven over alle zaken die hem aangaan. Deze vier artikelen moeten volgens het Kinderrechtencomité in onderlinge samenhang worden bezien. Dit betekent dat bij alle besluiten die er worden genomen, het ontwikkelingsbelang van kinderen en jongeren leidend is, dat kinderen en jongeren hierbij gelijk behandeld moeten worden en dat hun mening moet worden meegewogen bij ieder te nemen besluit.
De overige bepalingen van het Kinderrechtenverdrag moeten vanuit dit perspectief worden bekeken. Voor kinderen die problemen in de thuissituatie ervaren, kunnen er daarnaast nog een aantal andere kinderrechten onder druk staan. Zeker als er sprake is van een stapeling van problemen. Afhankelijk van de (combinatie van) problemen die kunnen spelen in de gezinssituatie, kunnen er zorgen over: - De rol van ouders bij de begeleiding en ontwikkeling van het kind (artikel 5). Dit kan spelen in elk gezin waarbij ouders door de ervaren st ress niet meer goed in staat zijn vorm te geven aan hun opvoedingsgedrag. - Dit geldt evenzo voor het zorg dragen voor de ouderlijke verantwoordelijkheden (artikel 18). - In gezinnen waarbij sprake is van (in ieder geval) een complexe scheiding kan het contact tussen ouder en kind onder druk komen staan (artikel 9). - Daar waar sprake is van ruzie en strijd (binnen het gezin of tussen gescheiden ouders) kan artikel 19 onder druk komen staan, die stelt dat kinderen beschermt moeten worden tegen misbruik en verwaarlozing. - Voor kinderen die opgroeien in armoede geldt dat er problemen kunnen ontstaan met hun gezondheid (artikel 24), dat zij niet altijd de zorg krijgen of kunnen krijgen die zij nodig hebben (artikel 24 en 26) en dat door de armoede een adequate levensstandaard (artikel 27) niet gegarandeerd is.
45 BIJLAGE 3: STATISTISCHE ONDERBOUWING EN EXTRA INFORMATIE Bepalen verdeling (normaliteit) Om te bepalen welke analyses uitgevoerd kunnen worden op de data gezien de relatief kleine groepen bij twe e of drie problemen thuis, hebben we in relatie tot de onafhankelijke variabele ( 'Stapeling Problemen'), voor de afhankelijke variabele ('Cijfer Leven'), de variabele ('BIC-thuis') en de variabele (' BIC-omgeving') via de Explore-functie van SPSS zogeheten tests of normality uitgevoerd. Zoals uit tabel I blijkt, is met name de groep kinderen met één probleem thuis problematisch. Uit de test of normality blijkt dat voor alle variabelen geldt dat de data van de groep kinderen met één probleem thuis of met tw ee problemen thuis significant afwijken van een normaalverdeling (p<.05). Voor de kinderen met twee of drie problemen thuis lijken alle variabelen redelijk normaal verdeeld.
Tabel 2: Resultaten van de Test of Normality voor de afhankelijke en interactere nde variabelen Kwetsbare groep Variabele (gemiddelde) Skewnessl Kurtosism Test of Normality (p) Rapportcijfer (1-10) 1 7,3 -3,7* 2,5* 0,000† 2 6,6 -2,3* 1,9 0,004† 3 5,1 0,8 -0,4 0,194 BIC-Thuis (1-28) 1 24,2 -6,9* 3,4* 0,000† 2 23,5 -1,7 -0,8 0,005† 3 19,7 -0,8 -0,3 0,511 BIC-omgeving (1-28) 1 22,8 -4,9* 3,2* 0,000† 2 22,4 0,6 -1,8 0,0030† 3 19 -0,7 0,2 0,520 *: Om te bepalen of de skewness of kurtosis significant afwijkend is, kan de Z-waarde berekend worden door de skewness of kurtosis te delen door de standaardfout. Als de Z -waarde tussen de -2 en de 2 valt is de skewness of de kurtosis niet afwijkend van een normale verdeling. In de tabel staat door middel van het *- symbool aangegeven welke scores significant zijn en daarmee duiden op niet-normaal verdeelde data. †: De test of normality bepaalt of de data qua verdeling significant afwijkt van een normaalverdeling, waarbij een score (p) lager dan .05 er op duidt dat de verdeling van de data significant afwijkt van een normaalverdeling (d.w.z. niet normaal verdeeld is). In de tabel is door middel van het †-symbool aangegeven welke scores significant afwijken van een normaalverdeling.
Voor de grotere groep (één kwetsbaarheid) is hierbij gekeken naar de score op de Kolmogorov -Smirnov, voor de twee kleinere groepen (twee en drie kwetsbaarheden) is de score op de Shapiro-Wilk weergegeven. Regressie Omdat het voor de analyses die we willen uitvoeren, belangrijk is om te weten hoe de data verdeeld is, hebben we door middel van een (lineaire) regressieanalyse ook l Skewness meet de symmetrie in de verdeling van de data. Voor een normaalverdeling moeten de scores gelijkmatig verdeeld zijn. Een optimale normaalverdeling heeft een skewness van 0. m Kurtosis meet de pieken in de verdeling. Voor een normaalverdeling moeten de scores gelijkmatig verdeeld zijn. Een optimale normaalverdeling heeft een kurtosis van 0. 46 vastgesteld of het bovenstaande mo del past bij de data die we verzameld hebben én of de 'fouten' in de data (d.w.z. de manier waarop de data niet past bij het model) wel normaal verdeeld is. Als deze afwijking gelijkmatig over de data verdeeld is, geeft dat meer ruimte in de mogelijke analyses die gebruikt kunnen worden. Uit de regressieanalyse blijkt dat de fouten in de data normaal verdeeld zijn, en we de geplande analyses uit konden voeren. Ook blijkt uit de regressieanalyse dat er in belangrijke relaties bestaan tussen de vier verschi llende variabelen in dit onderzoek (Stapeling Problemen, Cijfer Leven, BIC thuis en BIC omgeving).
De relatie met 'Stapeling Problemen' is in alle gevallen negatief, d.w.z. hoe meer problemen kinderen in de thuissituatie ervaren, hoe lager cijfer zij aan h un leven geven, hoe lager zijn de omgevingsvoorwaarden van de thuissituatie beoordelen en hoe lager zij de omgevingsvoorwaarden van de bredere sociale omgeving waarderen. De overige relaties zijn allemaal positief, d.w.z. hoe hoger kinderen scoren op de en e variabele, hoe hoger zij ook scoren op de andere variabelen. De relatie tussen 'Cijfer Leven' en 'BIC omgeving' is het sterkst ( r=.615, p<.0001), de relatie tussen 'Cijfer Leven' en 'Stapeling Problemen' is het zwakst ( r=-.270, p<.0001). Bovendien blijkt dat het model waarin alle vier de variabelen meegenomen worden, het beste past bij de data die we hebben ( F=59,349, p<.0001). De drie variabelen 'Stapeling Problemen', 'BIC Thuis' en 'BIC Omgeving' verklaren gezamenlijk bijna 50% van de variatie in de afhankelijke variabele 'rapportcijfer leven' (R2 (adj) =.470, p<.0001). Als we kijken naar de unieke relatie die elk van de onafhankelijk variabelen heeft met de afhankelijke variabele 'Cijfer Leven', dan zien we dat die zwak (Stapeling Problemen; r=- .129) tot gemiddeld is (BIC Thuis, r=.255; BIC Omgeving, r=.384).
47 BIJLAGE 4: STATISTISCHE ONDERBOUWING VAN DE BEVINDINGEN Model 1: BIC Thuis en BIC Omgeving als mediator Model 1: Model van de onderzochte onderlinge relaties tussen de risicofactoren en het ervaren welzijn van het kind Stapeling problemen – BIC Thuis: b= -1.50, t= -2.869, p= .0045 (<.01); R2= .039 Stapeling Problemen – BIC Thuis – BIC Omgeving: Stapeling problemen b=-.566, t=-1.350, p=.179 (>.05), BIC Thuis b=.425, t=7.712, p<.0001; R2=.252 Stapeling Problemen – BIC Thuis – BIC Omgeving – Cijfer Leven: Stapeling problemen b= -.432, t= -2,515, p= .013 (<.05), BIC Thuis b=.127, t= 4.97, p<.0001, BIC Omgeving b=.214, t= 7.484, p<.0001; R2= .469 R2= .0729 (p <.0001) Indirecte relatie via BIC Thuis, effect= -.1907 Indirecte relatie via BIC Thuis en BIC Omgeving, effect= -.1369 .214 (p<.0001) -.566 (p=.178) -1,50 (p=.0045) -.432 (p=.013) .425 (p<.0001) Stapeling problemen: 1 2 3 Rapportcijfer 1-10 (ervaren welzijn) BIC-omgeving (bredere omgeving) BIC-thuis (opvoedersgedrag) .127 (p<.0001) Totale effect=-.881 (p=.0001) 48 -1.989 (p=.078) .215 (p<.0001) Modellen 2 en 3: Vergelijking tussen groepen kinderen op basis van aantal kwetsbaarheden Model 2: Vergelijking van de groep kinderen met één versus twee problemen thuis Model 3: Vergelijking van de groep kinderen met één versus drie problemen thuis .215 (p<.0001) -.145 (p=.796) .418 (p< .0001) .418 (p< .0001) -.762 (p=.282) -4.437
(p=.0017) BIC-omgeving (bredere omgeving) -.470 (p=.04) .124 (p<.0001) BIC-thuis (opvoedersgedrag) Kwetsbare groep 1-3 Rapportcijfer 1-10 (ervaren welzijn) -.783 (p=.092) Totale effect: -2.175 (p=.0003) Kwetsbare groep 1-2 Rapportcijfer 1-10 (ervaren welzijn) BIC-omgeving (bredere omgeving) BIC-thuis (opvoedersgedrag) .124 (p<.0001) Totale effect: -.667 (p=.026) 49 Model 2: Indirecte relatie via BIC Thuis; geen effect, indirecte relatie via BIC Thuis en BIC Omgeving; geen effect. Model 3: Indirecte relatie via BIC Thuis, effect= -.565, indirecte relatie via BIC Thuis en BIC Omgeving, effect= -.399 Vergelijking model 2 en 3: R2-change= .0781, F= 8,5592, p= .0003 (<.05).