CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

1.0 4 Noordelijke provincien - Gezamenlijk provinciaal regioadvies tracékeuze voor de 380kV-hoogspanningsverbinding

Raadsvergadering 2 december 2025, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Ingekomen stukken17.394 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

- 1 / 18 - Ons kenmerk: 02431804 Minister van Klimaat en Groene Groei Drs. S. Th. M. Hermans Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening Mw. M.C.G. Keijzer Postbus 20401 2500 EK 'S-GRAVENHAGE Leeuwarden, 11 november 2025 Verzonden, Ons kenmerk : 02431804 Domein/ Team : Team Ruimte Klimaat en Energie Behandeld door : René Herder / (06) 46 63 65 37 of r.j.herder@fryslan.frl Uw kenmerk : Regioadvies met betrekking tot de ruimtelijke inpassing van een nieuwe 380 kilovolt (kV)-hoogspanningsverbinding tussen de hoogspannings- stations van Vierverlaten en Ens Bijlage(n) : Uitwerking en nadere beschrijving tracé regioadvies per provincie Onderwerp : Gezamenlijk provinciaal regioadvies tracékeuze voor de 380kV-hoog- spanningsverbinding Vierverlaten - Ens Geachte ministers van Klimaat en Groene Groei (KGG) en Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO), Voor u ligt het regio-advies met betrekking tot de ruimtelijke inpassing van een nieuwe 380 kilovolt (kV)-hoogspanningsverbinding tussen de hoogspanningsstations van Vierverlaten en Ens. Dit advies is uitgebracht na besluitvorming in de dagelijkse besturen van de vier betrok- ken colleges van Gedeputeerde Staten van de provincies Groningen, Fryslân, Flevoland en Overijssel (hierna aangeduid met ‘wij’ of ‘ons’).

Ons advies is tot stand gekomen in zeer nauwe samenwerking en afstemming met de betrokken gemeenten en waterschappen. Ons advies is als volgt opgebouwd: Managementsamenvatting bevat kort en bondig de kern van ons regioadvies. In deze brief gaan wij in op de aanleiding en het voornemen om deze nieuwe 380 kV-verbin- ding te realiseren. Hierin geven wij onze visie weer op het doorlopen proces en de

- 2 / 18 - Ons kenmerk: 02431804 gepresenteerde uitkomsten. Ook geven wij aan welke criteria voor ons doorslaggevend zijn in het gegeven advies. Tenslotte geven wij een aanzet voor het vervolgproces waarin wij op hoofdlijnen beschrijven wat wij als regio van u en TenneT verwachten ter compensatie voor het te realiseren tracé. In de bijlagen beschrijven wij meer in detail onze regionale voorkeur met betrekking tot het (door u te kiezen) voorkeursalternatief (VKA). Daarbij formuleren wij ook per provincie de randvoorwaarden die op dit regioadvies van toepassing zijn. A. GEZAMENLIJK PROVINCIAAL REGIOADVIES A.1. Managementsamenvatting Wij erkennen het nationale belang, nut en de noodzaak van een extra 380 kV-verbinding tus- sen Vierverlaten en Ens voor de borging van de leveringszekerheid na 2030. Tegelijkertijd draagt onze regio onevenredig de maatschappelijke, landschappelijke en ecologische lasten, terwijl er geen directe regionale baten van de nieuwe verbinding zijn. Juist daarom adviseren wij u om “het in één keer goed te doen”: kies een toekomstvaste oplossing die de impact mi- nimaliseert, naar verwachting vergunbaar is en herhaling van dit traject binnen tien tot vijftien jaar voorkomt. Op basis van de IEA/plan-MER en de ambtelijke duiding van KGG blijkt duidelijk welke keu- zes wél en niet verdedigbaar zijn.

Tracéalternatieven 4 en 5 leveren de grootste negatieve effecten op vogeldraadslachtoffers op en zijn daarmee in de praktijk niet-vergunbaar; boven- dien conflicteren zij rechtstreeks met de Lelylijn en de daaraan gekoppelde NOVEX-ontwik- kelingen. Tracéalternatief 1 zuid (m.u.v. variant Marknesse) en 4 zuid raken het UNESCO- Werelderfgoed Schokland; tracéalternatief 5 zuid kent een waterveiligheidsknelpunt bij Vol- lenhove. Wij adviseren u daarom deze opties nadrukkelijk uit te sluiten. Resteren de combinaties op de bestaande 220 kV-corridor: tracéalternatieven 1 en 2. Deze scoren aantoonbaar het minst negatief op landschap en omgeving doordat zij vervangen en bundelen in plaats van nieuw gebied te doorsnijden. Tracéalternatief 3 lijkt op korte termijn goedkoper, maar is niet toekomstvast en vergroot ecologische risico’s door een dubbele mastenrij met verschillende hoogtes (Donau/Moldau), wat de verticale doorsnijding van het luchtruim vergroot en het risico op draadslachtoffers verhoogt. De kans is reëel dat bij tracé- alternatief 3 binnen tien tot vijftien jaar alsnog een tweede zware ingreep nodig is; dan wordt de regio twee keer geconfronteerd met procedures, bouw en maatschappelijk ongenoegen tegen veel hogere kosten.

Door nu, net als in 2012, te kiezen voor een dubbele Moldau-con- figuratie in een combinatie van de route van tracéalternatieven 1 en 2 borgt u capaciteit, ver- gunbaarheid en ruimtelijke kwaliteit in één robuuste ingreep. Deze keuze moet gepaard gaan met heldere randvoorwaarden voor rechtvaardige uitvoe- ring. Zorg zo spoedig mogelijk (maar in elk geval voor uw ontwerpbesluit voor het voorkeurs- tracé) voor een wettelijke compensatieregeling, inclusief planschade. Spreek daarnaast een kader af voor bovenwettelijke compensatie, waaronder verkabeling van bestaande 110 kV- lijnen om lokale ruimtelijke en woningbouwopgaven te ontzien. Dit is essentieel voor het draagvlak en versnelt de uitvoering. Ons verzoek is daarom eenvoudig en uitvoerbaar: wijs een combinatie van tracéalternatie- ven 1 en 2 met dubbele Moldau aan als voorkeursalternatief (zie de bijlage bij dit regioadvies - 3 / 18 - Ons kenmerk: 02431804 voor de uitgewerkte route hiervan). Zo levert u naar verwachting tijdig een vergunbare ver- binding, voorkomt u dubbele maatschappelijke schade en borgt u de lange-termijn leverings- zekerheid van elektriciteit in Nederland. A.2.

Aanleiding en voornemen TenneT heeft in het kader van het Investeringsplan Net op land 2020-2029 (IP2020) bere- kend dat de transportcapaciteit van het hoogspanningsnet in Noord-Nederland onvoldoende is na 2030.1 Komt er geen extra capaciteitsvergroting, dan hebben de netbeheerders na 2030 nog meer moeite om alle producenten en gebruikers van elektriciteit te kunnen voor- zien en komt de leveringszekerheid in het geding (de aanleiding).2 Het onderzoek van Beren- schot naar nut en noodzaak van de versterking van het hoogspanningsnet in Noord-Neder- land bevestigt de conclusie uit het IP2020 dat de aanleg van een extra 380 kV-hoogspan- ningsverbinding tussen de hoogspanningsstations van Vierverlaten en Ens noodzakelijk is.3 Daarom heeft TenneT aan de Minister van KGG gevraagd om de projectprocedure uit de Omgevingswet te starten in verband met de aanleg van een extra 380 kV-hoogspanningsver- binding tussen de hoogspanningsstations van Vierverlaten en Ens (het voornemen).4 Wij er- kennen als regio nut en noodzaak van de aanleg van deze extra verbinding voor Nederland. Tegelijkertijd moeten we constateren dat de nieuwe hoogspanningsverbinding zelf voor een zeer groot aantal betrokken regionale overheden geen enkele direct toegevoegde waarde heeft. Het gaat primair om het transporteren van overtollige energie vanuit Groningen naar andere delen van het land.

Daartegenover staat echter wel de negatieve impact die de ver- binding zowel maatschappelijk, ecologisch als landschappelijk heeft. Deze impact is voor ons leidend in dit regioadvies. A.2.1. Ruimtelijke verkenning De eerste stap in de projectprocedure is het uitvoeren van een ruimtelijke verkenning, waar- voor u als ministers van KGG en VRO bevoegd gezag bent. TenneT is de initiatiefnemer voor de aanleg van de nieuwe verbinding.5 De regionale overheden hebben de rol van wette- lijk adviseur met betrekking tot de ruimtelijke inpassing. In de ruimtelijke verkenning zijn vijf tracéalternatieven voor de nieuwe verbinding onderzocht. Dit zijn zelfstandige tracéalternatieven die van Vierverlaten naar Ens lopen. Voor vier tracé- alternatieven zijn ook enkele varianten opgesteld (dertien in totaal). Het gaat om relatief korte delen van het tracéalternatief die een iets andere ligging hebben gekregen. Zoals in Figuur A-1 te zien is, kunnen de tracéalternatieven in een noordelijk en een zuidelijk deel worden verdeeld: het traject van Vierverlaten naar Oudehaske en vervolgens van Oudehaske naar 1 IP2020, 2020, 51. 2 V&P, 2022, 4. 3 Berenschot, 2021, 40-41. 4 V&P, 2022, 3. 5 NRD (concept), 2023, 5. - 4 / 18 - Ons kenmerk: 02431804 Ens. De reden daarvoor is dat de tracéalternatieven en varianten elkaar ter hoogte van Ou- dehaske kruisen.6 6 IEA, 2025, 15-16.

- 5 / 18 - Ons kenmerk: 02431804 Figuur A-1 Kaart van de tracéalternatieven en varianten die in de IEA en het plan-MER van deze ruimtelijke ver- kenning onderzocht zijn binnen 5 kilometer brede corridors. Deze liggen tussen de hoogspanningsstati-ons van Vierverlaten en Ens.7 De tracéalternatieven en varianten die zijn onderzocht in de IEA en het milieueffectrapport (plan-MER) zijn beschreven in de Notitie Tracéontwikkeling 2.0 (bijlage van de IEA).8 Op 20 oktober 2025 is de IEA gepubliceerd, waarin de tracéalternatieven en varianten zijn beoordeeld op de thema’s techniek, toekomstvastheid, omgeving, kosten en milieu (plan- MER). Daarnaast zijn de raakvlakken onderzocht met drie andere projecten in de omgeving van de nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding.

Het gaat om de opwaardering van de be- staande 220 kV-verbinding (tussen de hoogspanningsstations van Vierverlaten, Burgum, Louwsmeer, Oudehaske en Ens), de ruimtelijke verkenning naar een nieuwe 380 kV-verbin- ding tussen de hoogspanningsstations van Diemen, Lelystad en Ens en de (mogelijkheden ten aanzien van bundeling met de) Lelylijn en NOVEX-gebiedsontwikkelingen.9 Het beschrijven van de reikwijdte en het detailniveau van de onderzoeksaanpak voor het plan-MER (waarin de tracéalternatieven en varianten worden onderzocht en beoordeeld op diverse milieuaspecten) is eerder beschreven in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD), die op 31 januari 2024 door de (toenmalige) minister voor Klimaat en Energie is vastge- steld.10 Bij de reikwijdte gaat het om welke tracéalternatieven worden onderzocht en voor welke milieuaspecten dat gebeurt. Ook zijn het zoekgebied en de corridors waarbinnen de tracéalternatieven zijn onderzocht weergegeven. Bij het detailniveau gaat het om de wijze waarop het onderzoek en de beoordeling plaatsvindt.11 Om tot een tijdige realisatie van de nieuwe hoogspanningsverbinding te komen, bent u als ministers van KGG en VRO voornemens om in het eerste kwartaal van 2026 de ontwerp- voorkeursbeslissing te nemen, die samen met de IEA en de onderliggende rapporten (met het plan-MER als onderdeel daarvan) ter inzage gelegd wordt.

U baseert zich hierbij op de onderzoeksresultaten uit de IEA en het advies (of de adviezen) van de regionale overheden. Iedereen heeft dan de mogelijkheid om te reageren. Tegelijkertijd beoordeelt de Commissie voor de milieueffectrapportage of het plan-MER de juiste informatie biedt voor het kiezen van een VKA. Alle zienswijzen worden beantwoord in de Nota van Antwoord en (waar nodig) ver- werkt in de definitieve voorkeursbeslissing. Met (het publiceren van) de definitieve voorkeurs- beslissing in het derde kwartaal van 2026 wordt het VKA door u (als ministers van KGG en VRO) vastgesteld.12,13 A.2.2. Scope van ons regio-advies In een bestuurlijk overleg van 11 juli 2024 heeft het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK, tegenwoordig het ministerie van KGG) de regionale overheden uitgenodigd om een regio-advies op te stellen met betrekking tot de ruimtelijke inpassing van een nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen de hoogspanningsstations van Vierverlaten en 7 Notitie Tracéontwikkeling 2.0, 2025, 5. 8 Notitie Tracéontwikkeling 2.0, 2025, 4. 9 IEA, 2025, 7. 10 NRD (definitief), 2024, 6. 11 NRD (concept), 2024, 6-7, 23. 12 IEA, 2025, 13. 13 Ambtelijke duiding ministerie KGG, 2025, 9.

- 6 / 18 - Ons kenmerk: 02431804 Ens.14 De provincie Fryslân heeft aangegeven dit regio-advies te willen coördineren en aan de provincies Flevoland, Groningen en Overijssel gevraagd om een eigen overleg te organi- seren met de betreffende gemeenten en waterschappen in hun provincie.15 Door het ministe- rie van KGG is gevraagd om dit regio-advies uiterlijk 14 november 2025 op te leveren.16,17,18 A.2.3. Grootste onderscheidende effecten en risico’s Alle tracéalternatieven en varianten zijn in de IEA onderzocht op effecten met betrekking tot de thema’s milieu, omgeving, techniek, toekomstvastheid en kosten. Wij constateren dat de thema’s omgeving, techniek, toekomstvastheid en kosten niet rechtstreeks leiden tot een groot risico voor de uitvoerbaarheid of vergunbaarheid voor de verschillende tracéalternatie- ven en varianten. Vanuit het thema’s milieu zijn er wel effecten met een risico voor de uitvoerbaarheid en ver- gunbaarheid. In tabel A-1 worden de effecten met een risico op uitvoerbaarheid of vergun- baarheid per tracéalternatief (met betreffende variant) beschreven.

Het betreft de volgende aspecten: • UNESCO-Werelderfgoed, in het bijzonder de effecten op het UNESCO-Werelderfgoed ‘Schokland en omgeving’ nabij hoogspanningsstation Ens; • Natura 2000, in het bijzonder draadslachtoffers en stikstofdepositie; 19,20 • Waterveiligheid vanuit het Bkl, in het bijzonder de vergunbaarheid van de bouw van mas- ten in de kernzone/beschermingszone van een waterkering bij Vollenhove.21 Tabel A-1 Effecten met risico’s voor de uitvoerbaarheid of vergunbaarheid van de nieuwe hoogspanningsverbin- ding.22 14 Annotatie bestuurlijk overleg 11 juli, 2024, 7-9. 15 Verslag regio overleg 1 april, 2025, 4. 16 Verslag bestuurlijk overleg 24 september, 2024, 9. 17 Annotatie bestuurlijk overleg 11 juli, 2024, 8. 18 Mail ministerie KGG 26 september, 2025. 19 IEA, 2025, 18. 20 Deelrapport Stikstofdepositie, 2025, 16-17. 21 IEA, 2025, 18. 22 IEA, 2025, 19.

- 7 / 18 - Ons kenmerk: 02431804 In het bestuurlijk overleg van 10 juli 2025 is door het ministerie van KGG een toelichting ge- geven ten aanzien van deze effecten.23 Daarnaast heeft het ministerie van KGG een notitie gedeeld met de regionale overheden op 3 september 2025, waarin een ambtelijke duiding op de vergunbaarheid en uitvoerbaarheid van de verschillende tracéalternatieven wordt gege- ven.24,25 De toelichting en duiding zijn gebaseerd op de resultaten uit de IEA en samengevat in onderstaande punten: 1. Technisch geen beperkingen voor de uitvoerbaarheid26 Uit het deelrapport Techniek blijkt dat alle tracéalternatieven en varianten technisch maak- baar en uitvoerbaar zijn, maar dat de risicoprofielen per tracéalternatief en variant verschil- len.27,28 2. Tracéalternatieven 1, 2 en 3 scoren gunstiger dan 4 en 5 t.a.v. draadslachtoffers29 In de IEA staat dat het effect op draadslachtoffers bij alle tracéalternatieven zeer negatief is. Tracéalternatieven 4 en 5 scoren daarbij significant slechter dan de tracéalternatieven 1, 2 en 3. Als de tracéalternatieven 1, 2 en 3 nader worden bekeken, dan scoren tracéalternatie- ven 2 en 3 het minst negatief doordat er sprake is van een lager aantal soort-gebiedscombi- naties.

Bij de tracéalternatieven 4 en 5 is in de huidige situatie geen hoogspanningsverbin- ding aanwezig, waardoor het effect van een nieuwe hoogspanningsverbinding op draad- slachtoffers groot is. De resultaten worden nog nader onderzocht ten behoeve van de ont- werp-voorkeursbeslissing.30 Op basis van de plan-MER constateren wij als regio dat de tracéalternatieven 4 en 5 op ba- sis van het effect op ‘draadslachtoffers’ als niet vergunbaar mogen worden beschouwd, al hoort een dergelijke kwalificatie in formele zin eerder thuis bij een project-MER procedure. In het ambtelijke duidingsrapport wordt dit beeld onderschreven door te stellen dat “… een keuze voor tracéalternatief 4 of 5 niet voor de hand (ligt). Hier worden de grootste effecten op draadslachtoffers, en daarmee op Natura 2000, verwacht. De effecten van de tracéalter- natieven 1, 2 en 3 zijn significant kleiner.”31 Uit literatuuronderzoek en expert judgement van de ecologen van de provincies Fryslân en Groningen volgt bovendien dat tracéalternatief 3 een hoger risico op draadslachtoffers kent dan beschreven. Bij het beoordelingscriterium ‘Ecologische impact’ zullen wij dit risico nader duiden en onderbouwen. 23 Presentatie bestuurlijk overleg 10 juli, 2025, 5. 24 Verslag bestuurlijk overleg 10 juli (concept), 2025, 4. 25 Ambtelijke duiding ministerie KGG, 2025, 4-8.

26 Presentatie bestuurlijk overleg 10 juli, 2025, 5 27 Deelrapport Techniek, 2025, 47. 28 IEA, 2025, 26. 29 Presentatie bestuurlijk overleg 10 juli, 2025, 5 30 IEA, 2025, 19, 32. 31 Ambtelijke duiding ministerie KGG, 2025, 7. - 8 / 18 - Ons kenmerk: 02431804 3. Tracéalternatieven 4 en 5 hebben duidelijk een negatieve impact op de Lelylijn en de daaraan gekoppelde NOVEX-gebiedsontwikkeling Op basis van het Raakvlakkenonderzoek Lelylijn 380kV Vierverlaten-Ens concluderen de bij de Lelylijn betrokken provincies dat de bundeling van de 380kV-hoogspanningsverbinding met de A6/A7 en de Lelylijn grote belemmeringen vormt en complexe knelpunten oplevert voor de realisatie van de Lelylijn en de daaraan gekoppelde NOVEX-gebiedsontwikkeling. Daarmee zijn tracés 4 en 5 zeer onwenselijk voor zowel Rijk als de bij de Lelylijn betrokken regionale overheden. 4. Stikstof is naar verwachting te mitigeren32 Volgens de IEA gaat het bij stikstofdeposities om tijdelijke effecten gedurende de aanlegfase van de nieuwe verbinding. Stikstofdeposities kunnen met mitigerende maatregelen nog ver- der verlaagd worden.

Zo wordt momenteel onderzocht of met inzet van extra elektrisch mate- rieel/ andere maatregelen deposities omlaag kunnen worden gebracht.33 Stikstof is een aan- dachtspunt, maar vormt naar verwachting geen belemmering.34 TenneT geeft aan voldoende mitigerende maatregelen in te kunnen zetten om de stikstofdeposities te verlagen.35 Daarnaast geeft de IEA aan dat de potentiële effecten van stikstofdepositie het grootst zijn bij de tracéalternatieven 1 en 2. Bij deze tracéalternatieven is de maximale relevante depositie relatief veel hoger dan bij de andere tracéalternatieven en is het areaal met relevante deposi- ties op habitattypen het grootst. Bij tracéalternatieven 3 en 4 is de maximale relevante depo- sitie laag en eveneens het areaal met relevante deposities op habitattypen.36 Significant ne- gatieve effecten op Natura 2000-gebied Rottige Meenthe en Brandemeer kunnen vooralsnog niet worden uitgesloten, waardoor nader onderzoek plaatsvindt naar mitigerende maatrege- len ten behoeve van de ontwerp-voorkeursbeslissing.37 5. Tracéalternatieven 1 en 4 hebben (in het zuidelijk deel) een (gemiddeld) negatief effect op UNESCO-Werelderfgoed Schokland38 De zuidelijke delen van tracéalternatief 1 en 4 (ten zuiden van Emmeloord tot aan Ens) lopen dicht langs de noordoostelijke grens van UNESCO-Werelderfgoed ‘Schokland en omgeving’.

In de Heritage Impact Assessment (HIA) die voor Schokland is uitgevoerd, is geconcludeerd dat er impact van deze tracéalternatieven is.39 De resultaten van de HIA zijn overgenomen in het planMER. Het zuidelijk deel van tracéalternatief 1 is in het MER beoordeeld als negatief en het zuidelijk deel van tracéalternatief 4 sterk negatief. Deze impact staat de vergunbaar- heid van deze twee tracéalternatieven mogelijk in de weg. De variant Marknesse maakt dat het tracé van tracéalternatief 1 iets verder van Schokland komt te liggen, met een beperktere 32 Presentatie bestuurlijk overleg 10 juli, 2025, 5. 33 IEA, 2025, 20. 34 Verslag bestuurlijk overleg 10 juli (concept), 2025, 2. 35 Ambtelijke duiding ministerie KGG, 2025, 6. 36 IEA, 2025, 32. 37 IEA, 2025, 20, 32. 38 Presentatie bestuurlijk overleg 10 juli, 2025, 5. 39 HIA, 2025, 62-63. - 9 / 18 - Ons kenmerk: 02431804 impact tot gevolg.40 Als bij tracéalternatief 1 wordt gekozen voor de variant Marknesse is de impact minder groot en is het tracéalternatief met deze variant naar verwachting vergun- baar.41 6. Waterveiligheid is een risico voor de vergunbaarheid van de variant Vollenhove42 In het zuidelijk deel van tracéalternatief 5 loopt de variant Vollenhove deels parallel aan de Kadoelermeerdijk ten westen van het Vollenhoverkanaal.

Dit is nabij de hoogwaardig en technologisch bedrijfslocatie van het Nederlands Lucht en Ruimtevaartcentrum (NLR) en het Mobiliteit en Infrastructuur Test Centrum (MITC). Volgens het waterschap Zuiderzeeland is deze variant vanuit het waterveiligheidsbeleid uitgesloten. Dit is lijn met opmerkingen binnen het IEA dat het plaatsen van masten in de kernzone of binnenbeschermingszone mogelijk niet vergunbaar is.43 Samengevat De volgende tracéalternatieven vormen volgens de IEA en het ambtelijke duidingsrapport een verhoogd risico voor de vergunbaarheid: a. Tracéalternatieven 1 zuid (met uitzondering van de variant Marknesse) en 4 zuid van- wege UNESCO Werelderfgoed Schokland; b. Tracéalternatieven 4 en 5 vanwege vogeldraadslachtoffers; c. Tracéalternatief 5 zuid (variant Vollenhove) door de masten bij de waterkering. 4445 Als regio onderschrijven wij deze conclusies en beschouwen daarmee deze tracéalternatie- ven dan ook als onwenselijk. In de bijlage treft u op onderdelen nog aanvullende motivatie aan tegen deze tracéalternatieven. Wij adviseren u dan ook ten zeerste geen van deze tra- céalternatieven te kiezen als voorkeursalternatief. In het vervolg van dit regioadvies zullen wij de overige tracéalternatieven beoordelen om zo te komen tot een eenduidig advies voor een voorkeurstracé. 40 IEA, 2025, 20. 41 IEA, 2025, 32. 42 Presentatie bestuurlijk overleg 10 juli, 2025, 5.

43 IEA, 2025, 20. 44 Presentatie bestuurlijk overleg 10 juli, 2025, 7. 45 Ambtelijke duiding ministerie KGG, 2025, 8. - 10 / 18 - Ons kenmerk: 02431804 A.3. Beoordeling regioadvies Als regio adviseren wij een combinatie van de tracéalternatieven 1 en 2 aan te wijzen als voorkeursalternatief. Daarin houden we onder meer rekening met bovenstaande informatie. Daarnaast hebben wij de beschikbare informatie beoordeeld aan de hand van drie beoorde- lingscriteria die ons de tracécombinatie van tracéalternatieven 1 en 2 doen adviseren: 1. Maatschappelijke impact 2. Ecologische impact 3. Landschappelijke impact Hieronder schetsen wij per criterium onze analyse en afweging. We zetten onze combinatie van tracéalternatieven 1 en 2 af tegen het tracéalternatief 3. Tracéalternatieven 4 en 5 laten we in dit deel van het advies buiten beschouwing, vanwege het grote risico op vergunbaar- heid en de enorme belemmering die deze tracés vormen voor de ontwikkeling van de Lely- lijn. 1. Maatschappelijke impact Alle onderzochte tracés hebben regionaal aantoonbaar een negatieve maatschappelijk im- pact op zowel bewoners als bedrijven. De nieuwe hoogspanningsverbinding doorsnijdt niet alleen het landschap en natuurgebieden, maar raakt daarbij ook inwoners en (agrarische) ondernemers in hun directe leef- en werkomgeving.

Het is mede om die reden dat er op voorhand geen draagvlak is voor het project; de impact is aanzienlijk en wordt ook politiek- bestuurlijk gevoeld. In dat kader zeggen wij: als je het doet, doe het in één keer goed. Dat betekent voor ons dat de meest toekomstvaste, landschappelijk meest optimale en ecologische meest verant- woorde verbinding wordt gerealiseerd door te kiezen voor (een combinatie van) de tracéal- ternatieven 1 en 2 (in de vorm van een dubbele Moldau-verbinding). Wettelijke compensatie Naast deze impact bestaat er grote onduidelijkheid voor mogelijk getroffen inwoners en on- dernemers over hun wettelijke compensatie. Er is momenteel geen geldende compensatiere- geling van toepassing. Wel wordt er gewerkt aan een nieuw convenant met TenneT.46 Voor ons is het volkomen onacceptabel als u een (voorgenomen) besluit zou nemen voordat deze duidelijkheid in de vorm van een vastgestelde wettelijke compensatieregeling (inclusief plan- schaderegeling) vastgelegd is. Wij vragen u als ministers en ook TenneT om spoedige voort- gang op dit punt. Bovenwettelijke compensatie Ook is er onvoldoende duidelijkheid over de mogelijkheden tot zogenaamde ‘bovenwettelijke compensatie’. Met name gemeenten vragen hier nadrukkelijk om.

Eén van de meest ge- wenste vormen van compensatie betreft het verkabelen (ondergronds brengen) van be- staande 110kV verbindingen om daarmee de ruimtelijk-economische impact van de nieuwe 380kV verbinding enigszins te verkleinen. Dit mede in het licht van de beperking van 46 Kamerbrief snellere fysieke uitbreiding hoogspanningsnet, 2025, 1, 6. - 11 / 18 - Ons kenmerk: 02431804 ontwikkelingsruimte bij gemeenten voor gebiedsontwikkelingen (inclusief woningbouw) van- wege de externe effecten van een (nieuwe) hoogspanningsverbinding. Wij vragen u dan ook om zo spoedig mogelijk met de betreffende gemeenten het gesprek aan te gaan en om hier zoveel mogelijk aan tegemoet te komen. Niet alleen als het in het kader van projectrealisatie noodzakelijk is, maar ook als mitigerende maatregel en als compenserende maatregel. Toekomstvastheid Als regio verschillen wij eensgezind met TenneT van mening over de mate van toekomst- vastheid van tracéalternatief 3. Wij erkennen daarbij op voorhand dat het inschatten van toe- komstige ontwikkelingen lastig is. Dat blijkt alleen al bij dit project zelf: in 2012 is door Ten- neT de conclusie getrokken dat de nu zo bepleite verbinding tussen Vierverlaten en Ens niet noodzakelijk zou zijn. De toenmalige procedure is om die reden dan ook stopgezet.

Binnen afzienbare termijn treffen wij elkaar echter als Rijk en regio immers opnieuw binnen de ka- ders van dit project: de energietransitie gaat sneller dan (werd) verwacht. De ambtelijke experts van de provincies Fryslân en Groningen zijn van mening dat de kans zeer reëel is dat er binnen tien tot vijftien jaar opnieuw een uitbreiding van het 380kv hoog- spanningsnetwerk in onze regio noodzakelijk zal zijn. Al stelt TenneT dat dat niet het geval is. Om deze eigen mening extern te valideren hebben heeft de provincie Fryslân een nadere analyse gevraagd aan Pondera/Haskoning47. Hoewel tracéalternatief 3 op korte termijn voordelen kent in de vorm van lagere aanlegkosten en een beperktere ruimtelijke impact, is de toekomstvastheid van deze variant wat ons be- treft onvoldoende geborgd. De gekozen oplossing voorziet namelijk slechts in twee 380 kV- circuits en laat daarmee geen ruimte voor een verdere uitbreiding zonder ingrijpende maatre- gelen. Bij de keuze voor een dubbele Moldau-verbinding, kan de nieuwe 220 kV-verbinding in de toekomst bovendien opgewaardeerd worden naar een nieuwe 380 kV-verbinding, wat de toekomstvastheid ten goede komt.

Door het realiseren van een nieuwe verbinding naast de bestaande verbinding, dient alsnog een opwaardering van het westelijke deel van de 220 kV-ring plaats te vinden (middels een aparte procedure), wat eveneens grote impact heeft in het gebied, zorgt voor overlast en de nodige maatschappelijke kosten met zich meebrengt. Daarnaast wordt er dan geïnvesteerd in een inmiddels technisch verouderd mastensysteem. Door voor een dubbele mastenrij te kiezen wordt deze opwaardering voorkomen. Bovendien is tracéalternatief 3 door diverse partijen beoordeeld als minder ruimtelijk inpasbaar, wat de maatschappelijke acceptatie ver- der verkleint. Uit de analyse van Pondera/Haskoning blijkt dat eerder gemaakte belastingprognoses van TenneT niet in de pas lopen met de ontwikkelingen en dat gezien de huidige realisatietermij- nen het risico groot is dat binnen 5 tot 10 jaar na realisatie van tracéalternatief 3 de grenzen van de transportcapaciteit opnieuw in beeld komen. De verwachting is dat de groei van off- shore wind, de (uitgestelde) ontwikkeling van (offshore) waterstof als alternatieve energiedra- ger, de toenemende elektrificatie van industrie en mobiliteit, de verdere opkomst van data- centers en de hernieuwde aandacht voor kernenergie gezamenlijk leiden tot een structureel hogere behoefte aan transportcapaciteit.

Prognoses geven aan dat de belasting van de ver- binding richting 2038 boven de 5,3 GW zullen uitkomen, terwijl tracéalternatief 3 maximaal 47 Pondera/Haskoning, 2025 - 12 / 18 - Ons kenmerk: 02431804 circa 4,2 GW kan verwerken. Dit betekent dat binnen afzienbare tijd opnieuw een grootscha- lige uitbreiding noodzakelijk lijkt te worden. Met alle impact die daarbij hoort. Wanneer nu gekozen wordt voor tracéalternatief 3, brengt dat dus het risico met zich mee dat over tien tot vijftien jaar alsnog een tweede mastenrij gerealiseerd moet worden. Dit im- pliceert dat de omgeving tweemaal geconfronteerd wordt met de aanzienlijke maatschappe- lijke impact van een nieuwe hoogspanningsverbinding: hernieuwde ruimtelijke procedures, langdurige bouwactiviteiten, en opnieuw discussies over leefomgeving en landschappelijke inpassing. Gezien de huidige doorlooptijd van circa zes jaar voor de planologische procedure is het maatschappelijk niet uitlegbaar om deze intensieve route tweemaal te doorlopen. Het combineren van capaciteitsuitbreiding in één traject levert bovendien aanzienlijke tijdwinst en planologische kostenbesparing op. Daarbij komt dat toekomstige uitbreidingen naar ver- wachting gepaard gaan met hogere kosten, gezien de schaarste aan materialen en uitvoe- ringscapaciteit, alsmede de onzekerheid rond inflatie en geopolitieke ontwikkelingen.

De meerkosten ten opzichte van tracéalternatieven 1 en 2 moeten wat ons betreft dan ook in dat licht bezien worden. Sterker nog: het levert aantoonbaar kostenbesparing op als er nu al een nieuwe dubbele mastenrij wordt geplaatst, waarbij noodzakelijke stationsaanpassingen tech- nisch gezien geen belemmering vormen en internationaal reeds gangbaar zijn48. Daarom is het maatschappelijk gezien verstandiger en duurzamer om in één keer een ro- buuste 380 kV-verbinding met dubbele mastenrij te realiseren. Deze aanpak voorkomt dat dezelfde regio binnen relatief korte tijd tweemaal de lasten draagt van ingrijpende infrastruc- tuurprojecten. Door direct te kiezen voor een toekomstbestendige oplossing wordt de maat- schappelijke impact beperkt, ontstaat er meer zekerheid over de leveringszekerheid op de langere termijn en wordt ruimte geboden voor regionale economische en energiegerela- teerde ontwikkelingen die alleen op 380 kV-niveau kunnen worden gefaciliteerd. Wij conclu- deren dat tracéalternatieven 1 en 2, met een dubbele mastenrij en voorbereid op 380 kV, geen luxe zijn maar een no regret keuze die waarschijnlijk toch al binnen tien tot vijftien jaar benut zal moeten worden. En dit tegen substantieel lagere maatschappelijke kosten dan het twee keer afzonderlijk realiseren van een hoogspanningsverbinding.

Om die reden kiezen wij er op basis van het beoordelingscriterium ‘Maatschappelijk impact’ voor om een zwaar negatief advies te geven voor tracéalternatief 3. 2. Ecologische impact Door de provinciale ecologen van Groningen en Fryslân is geconstateerd dat bij een combi- natie van masten van verschillende hoogte (zoals bij tracéalternatief 3 het geval is), een gro- tere barrière voor vogels ontstaat. Dit vergroot de verticale doorsnijding van het luchtruim, waardoor vogels op meer vlieghoogtes met draden in aanraking kunnen komen. Naar ver- wachting leidt dit tot meer draadslachtoffers dan bij een tracéalternatief met dubbele Moldau- masten waarbij alle draden op dezelfde hoogte zijn aangebracht. Dit betekent dat het risico op niet-vergunbaarheid van alternatief 3 groter is dan het IEA concludeert. Uit diverse onderzoeken, waaronder monitoring in de Eemshaven49, volgt dat hoogteverschil tussen naastliggende tracés een groter risico op draadslachtoffers veroorzaakt. De verticale 48 Pondera/Haskoning, 2025 49 E.F. Kappers, E. Klop (Altenburg & Wymenga) in opdracht van TenneT, 2022 - 13 / 18 - Ons kenmerk: 02431804 doorsnijding van het luchtruim, bepaald door het aantal draden op verschillende hoogtes en hun hoogte, vergroot het risico op draadslachtoffers doordat vogels op uiteenlopende vlieg- hoogtes eerder een draad kunnen tegenkomen.

Internationale richtlijnen en literatuur bevestigen dat het beperken van het verticale oppervlak van hoogspanningslijnen de kans op aanvaringen significant verkleint50. Horizontale configu- raties van draden zijn aantoonbaar veiliger voor vogels dan verticale of meerlaagse configu- raties. In de literatuur wordt benadrukt dat het minimaliseren van verticale spreiding van dra- den een bewezen maatregel is om het risico op aanvaringen te beperken51. Dit geldt zowel voor individuele vogels overdag, die bij ontwijkgedrag alsnog een andere draad kunnen ra- ken, als voor nachtvliegers en groepen vogels, waarbij zichtbaarheid en ontwijkgedrag min- der effectief zijn. In gebieden als het onderhavige, waar zowel doortrekkende vogels als vo- gels die landen en opstijgen in foerageergebieden voorkomen, is het risico op draadslachtof- fers extra groot52. De situatie is complex en de onderzoeken geven geen eenduidige conclusies over de exacte omvang van het risico. Wel is duidelijk dat het vergroten van de verticale doorsnijding, zoals bij tracéalternatief 3, het risico op draadslachtoffers aanzienlijk verhoogt. Het is aan de initia- tiefnemer om aan te tonen dat negatieve effecten uitgesloten kunnen worden, of om mitige- rende/compenserende maatregelen te treffen.

Gezien de huidige kennis en de specifieke si- tuatie ter plaatse, achten de provinciale ecologen van Groningen en Fryslân het uitsluiten van impact op draadslachtoffers voor tracéalternatief 3 niet mogelijk. Tegelijkertijd constateren wij dat tracéalternatieven 1 en 2 zich kenmerken door een bedra- ding op gelijke hoogte. Vanuit het minimaliseren van ecologische impact heeft dit dan ook onze voorkeur. Op basis van het beoordelingscriterium ‘Ecologische impact’ geven wij een negatief advies voor tracéalternatief 3. 3. Landschappelijke impact Naast de reeds beschreven maatschappelijke en ecologische impact heeft de doorsnijding van ons gebied ook aanzienlijke landschappelijke impact. Dit heeft een grote invloed op de hierna te beschrijven voorkeur voor een tracékeuze. Dit project creëert een nieuwe doorsnij- ding van het landschap die mogelijk meer dan 100 jaar zal blijven bestaan. Dit alleen al ver- plicht ons als overheden gezamenlijk om breed te kijken naar de impact, niet alleen voor nu maar ook voor de toekomst. Het is om die reden dat wij zeer nadrukkelijk pleiten voor een oplossing die écht toekomst- vast is. Wij willen niet het grote risico lopen dat wij binnen relatief afzienbare termijn, 10 tot 15 jaar, opnieuw geconfronteerd worden met een nieuw project met deze impact.

Door nu al te kiezen voor een dubbele mastenrij, wordt op langere termijn de omgeving ontzien van een nieuw aan te leggen doorsnijding van het landschap, wat de uiteindelijke totale impact be- perkt en de mogelijkheid biedt om nu te optimaliseren voor de toekomst. 50 J. Bernardino et al., 2018 bevat een review van internationale literatuur met nadrukkelijke aandacht voor de noodzaak van meer effectenstudies voor dit onderwerp 51 F. van Zetten & J. van der Winden (voor Natuurmonumenten), 2025 52 Henk Sierdsema, Ruud Foppen, Christian Kampichler & Loes van den Bremer (SOVON) in opdracht van TenneT, 2020 - 14 / 18 - Ons kenmerk: 02431804 Figuur A-2 Schematische weergave uitvoering tracéalternatieven 1 en 2.53 Een dubbele mastenrij op gelijke hoogte (zoals weergegeven in Figuur A-2), met lange recht- standen en flauwe knikken (zoals bij tracéalternatieven 1 en 2 het geval is) biedt bovendien nadrukkelijk een rustiger landschapservaring dan een dubbele mastenrij met hoogtever- schil.54 Daarnaast heeft tracéalternatief 2 vanuit landschappelijk oogpunt de minste impact. Dit wordt ook door de IEA bevestigd, zoals ook genoemd in de notitie van KGG.55,56 Het grotere horizontale oppervlakte beslag zoals bij de paragraaf ecologie benoemd is voor het landschapsbeeld ook van groot belang.

De toename hiervan, bij toepassing van twee verschillende masttypen, leidt tot een significant grotere ruimtelijke impact dan wanneer een gelijk masttype wordt toegepast. Tevens is het zo dat de bestaande Donaumast een maximale veldlengte kent van 350 meter, de maximale veldlengte van de Moldaumast bedraagt 400 meter. Door het toepassen van de Moldaumast kan het aantal mastposities worden teruggedrongen wat leidt tot een rustiger landschapsbeeld. Wanneer er nu wordt gekozen voor gelijkloop met het bestaande tracé zal dat in de toekomst ook leiden tot de noodzaak om kortere veldlengtes te gebruiken bij een eventuele opwaardering van de bestaande lijn. Het is vanuit het landschapsbeeld immers ook van groot belang dat de verschillende masten met elkaar in gelijke tred opgaan en niet ten opzichte van elkaar verspringen aangezien dat tot een sterke verrommeling leidt. Het maximaliseren van de veldlengte is vanuit landschap en ruimtelijke impact van zeer groot be- lang, zeker gezien de grootte van de toegepaste mast. Op basis van diverse bestaande belemmeringen is het niet mogelijk tracéalternatief 3 een volledige gelijkloop met het bestaande tracé te geven. Hierdoor zullen de twee tracés op plekken van elkaar gaan wijken wat leidt tot een landschappelijk onrustiger beeld en versnip- pering van de gebieden die door deze lijnen worden gekruist.

Daarmee ontstaat, naast het verschil in hoogte tussen de Donau en de Moldau mast, een extra negatieve landschappe- lijke impact. 53 Notitie Tracéontwikkeling 2.0, 2025, 37. 54 Dit is ook in lijn met het advies van de Rijksbouwmeesters. Zie: F. Veenstra, W. Veldhuis, J. De Jonge (College van Rijksbouwmeesters en Rijksbouwadviseurs) op verzoek van TenneT, 2025 55 Ambtelijke duiding ministerie KGG, 2025, 4. 56 IEA, 2025, 21.

- 15 / 18 - Ons kenmerk: 02431804 Het verwijderen van de bestaande 220 kV-verbinding biedt ruimtelijke voordelen, aangezien deze tot beperkingen leidt van gebiedsontwikkelingen. Daarnaast leidt het verwijderen van deze verbinding tot grote maatschappelijke voordelen voor inwoners/bedrijven die deze ver- binding nu over hun onroerend goed en percelen hebben lopen. Om die reden kiezen wij er ook op basis van dit beoordelingscriterium voor om een zwaar negatief advies te geven voor tracéalternatief 3. A.4. Conclusies en vervolg A.4.1. Conclusies De beschikbare informatie uit de IEA (en onderliggende rapporten, waaronder het planMER) laat zien dat de tracéalternatieven 1 (met uitzondering van de variant Marknesse), 4 en 5 ho- gere risico’s op vergunbaarheid kennen die de uitvoerbaarheid van het project mogelijk in de weg zitten. Deze zijn ook wat ons betreft om die reden dan ook zeer ongewenst. Op basis van bovenstaande beoordeling van de maatschappelijke, ecologische en land- schappelijke impact van de hoogspanningsverbinding adviseren wij de nieuwe 380kV hoog- spanningsverbinding tussen Vierverlaten en Ens te realiseren op basis van (een combinatie van) tracéalternatieven 1 en 2 en zeer nadrukkelijk niet tracéalternatief 3.

In lijn met deze conclusie hebben wij dan ook als provincies dit tracé uitgewerkt dat hieronder in Figuur A-3 wordt weergeven en dat in de bijlage van dit regioadvies zal worden toegelicht per provinci- aal deel. Deze ‘regiovariant’ heeft de kleinste maatschappelijke, landschappelijke en ecolo- gische impact binnen onze grondgebieden, is het meest toekomstvast en staat garant voor het amoveren van de bestaande 220 kV-verbinding. - 16 / 18 - Ons kenmerk: 02431804 Figuur A-3 Overzicht van de geadviseerde ‘regiovariant’ voor de nieuw aan te leggen 380kV hoogspanningsver- binding tussen Vierverlaten en Ens.

- 17 / 18 - Ons kenmerk: 02431804 A.4.2. Vervolg Na de voorkeursbeslissing – waarmee het VKA door u wordt vastgelegd en toegelicht – start de planuitwerkingsfase (eind 2026). In deze fase wordt het VKA uitgewerkt naar een con- creet ontwerp, in participatie met omgevingspartijen en op basis van nader onderzoek (onder andere het project-MER). In de uitwerking wordt bepaald waar de lijn precies komt te lopen binnen de schuifruimte (circa 100 meter aan weerszijden van de referentielijn) en waar de masten komen te staan. Tevens worden maatregelen uitgewerkt voor de landschappelijke inpassing en om nadelige effecten in de omgeving te voorkomen, te beperken of te compen- seren.57 Rondom ruimtelijke knelpunten kan in de voorkeursbeslissing tot een bredere corridor wor- den besloten. Bij de uitwerking rond deze knelpunten wordt de behoefte van de omgeving meegenomen en is maatwerk mogelijk. Om die reden verwijzen wij op voorhand naar de bij- lage waarin wij per tracédeel hebben beschreven welke knelpunten wij opgelost willen zien. Op deze manier kan het ministerie van KGG en TenneT samen met de regio het gekozen tracéalternatief zo optimaal mogelijk inpassen.58 De referentielijn en de schuifruimte voor het voorkeurstracé zijn het startpunt van de planuit- werkingsfase.

Het ministerie van KGG en TenneT dragen de verantwoordelijkheid om in de planuitwerkingsfase invulling te geven aan het precieze verloop van de (referentie)lijn, bin- nen de schuifruimte van de betreffende corridor. Het projectteam zoekt samen met belang- hebbenden naar de optimale lijn binnen de schuifruimte. Dit gebeurt op basis van nader on- derzoek, ontwerp en participatie. In gesprekken met alle belanghebbenden, zoals bewoners, bedrijven en regionale overheden, worden de plannen verder uitgewerkt.59 Uiteraard blijven wij graag betrokken bij en op de hoogte gehouden worden van de ontwikke- lingen met betrekking tot de verdiepende onderzoeken en het vervolgproces richting de keuze voor het VKA. Aldus vastgesteld in onze colleges, 11 november 2025, 57 IEA, 2025, 13. 58 Ambtelijke duiding ministerie KGG, 2025, 9. 59 IEA, 2025, 13. - 0 / 1 - Ons kenmerk: 02431804 Gedeputeerde Staten van Groningen, René Paas, voorzitter Hans Schrikkema, secretaris Gedeputeerde Staten van Fryslân, drs. A.A.M. Brok, voorzitter drs. ing. J.J. Algra, secretaris Gedeputeerde Staten van Overijssel, A.P. Heidema, voorzitter, N.

Versteeg, secretaris Gedeputeerde Staten van Flevoland, Arjen Gerritsen, voorzitter Hans Tijl, secretaris Contactpersoon per provincie Penvoerder: René Herder Tel.: +316-46636537 E-Mail: r.j.herder@fryslan.frl Sander Grootemarsink Tel.: +316-31111889 E-Mail: S.Grootemarsink@provinciegroningen.nl Marnix Deterd Oude Weme Tel.: +316-29684402 E-Mail: M.Deterd@overijssel.nl Jeroen van Spijk Tel.: +316-30063512 E-mail: jeroen.vanspijk@flevoland.nl

- 1 / 40 - Ons kenmerk: 02431804 BIJLAGE: UITWERKING EN NADERE BESCHRIJVING TRACÉ REGIOADVIES PER PROVINCIE De route van onze tracékeuze vindt u op kaart in Figuur A-3 en uitgebreidere detaillering treft u aan in dit deel van het regioadvies. Ons voorkeurstracé is gebaseerd op onderdelen van tracéalternatieven 1 en 2 en is lokaal voorzien van varianten en optimalisaties op basis van inbreng vanuit met name de betreffende gemeenten. Daarbij worden ook per provincie de knelpunten aangegeven die we opgelost willen zien in het kader van dit project. B. REGIODEEL: PROVINCIE GRONINGEN Figuur B-1 kaart met beoogd tracéalternatief – deel Groningen Dit gedeelte van het regioadvies beschrijft het voorkeurstracé en de bijbehorende randvoor- waarden voor de provincie Groningen met betrekking tot het door u te kiezen voorkeursalter- natief (VKA) voor de 380 kV-hoogspanningsverbinding Vierverlaten – Ens. Dit deel heeft uit- sluitend betrekking op de ruimtelijke inpassing van de nieuwe verbinding binnen het Gro- ningse grondgebied, dat is gelegen in het noordelijk deel van het project (Vierverlaten – Ou- dehaske). Het advies is tot stand gekomen in nauwe samenwerking en afstemming met de gemeente Westerkwartier, de gemeente Groningen en het waterschap Noorderzijlvest. Deze partijen hebben zich in de inhoudelijke lijn van het advies kunnen vinden.

De onderbouwing is gebaseerd op de Integrale Effectenanalyse (IEA), het MER, afspraken uit Nij Begun, de Ruimtelijke samenwerkingsagenda Rijk-Groningen en het arrangement hoogspanning en provinciale en gemeentelijke beleidskaders zoals omgevingsvisies.

- 2 / 40 - Ons kenmerk: 02431804 B.1. Voorkeurstracé: optimalisatievariant tracé alternatief 1 Wij verzoeken u om een geoptimaliseerde versie van tracéalternatief 1 (niet zijnde variant Vierverlaten, maar een optimalisatie aan de zuidoostzijde van tracéalternatief 1, zie kaart- beeld) als voorkeursalternatief te kiezen voor het Groningse deel van de nieuwe 380kV-ver- binding. De overweging hierbij is dat dit tracé aanzienlijk minder gevoelige gebouwen raakt en meer rechtstand bevat. De subvariant Vierverlaten die onderzocht is, vinden wij onbespreekbaar, met name van- wege een zeer waardevol weidevogelgebied met grote gruttopopulatie die het doorkruist. Voor de zekerheid vermelden we dit standpunt alvast op deze plaats en hieronder nogmaals. Dit tracé vervangt de bestaande 220 kV-verbinding en wordt uitgevoerd als dubbele Moldau- configuratie, waarbij twee nieuwe 380 kV-geschikte mastenrijen naast elkaar worden gereali- seerd. De uitvoering biedt de mogelijkheid om de bestaande 220 kV-lijn volledig te verwijde- ren, de Lelylijn-ontwikkeling niet in de weg te zitten, een zeer toekomstvaste en robuuste hoogspanningsverbinding te realiseren en een relatief rustig landschappelijk beeld te cre- eren.

Uit de plan-MER deel B blijkt dat tracéalternatief 1 na het verlaten van station Vierverlaten een aantal knikken maakt richting Enumatil (hier gelijklopend met tracéalternatief 2) en net voorbij Enumatil. In dit open landschap moet wat ons betreft een rustiger landschappelijk beeld worden gecreëerd door de knikken in het gebied te verwijderen. Een mitigerende maatregel voor het landschap bij Enumatil en omgeving verbetert de rechtstand, wat een gunstige invloed heeft op het landschap. Daarbij verwijzen we naar de mitigerende maatre- gel Enumatil en de effectbeoordeling hiervan in hoofdstuk 2 tot en met 9 van Plan MER B en de notitietracé ontwikkeling 2.0. Wij zien mogelijkheden - gelet op de bovengenoemde documenten - om deze mitigerende maatregel toe te passen op tracéalternatief 1, met het primaire doel om meer rechtstand te creëren. Dit geoptimaliseerde tracé noemen we ‘optimalisatievariant tracéalternatief 1’. Het gaat om dus een optimalisatie net ten noorden van het hoogspanningsstation Vierverlaten tot aan Enumatil en omgeving. De rechtstand moet vervolgens doorgetrokken worden tot net ten noorden van Bakkerom. Het gaat er dus om voor het gehele verloop van het tracé van Vier- verlaten tot aan Enumatil en ten noorden van Bakkerom zoveel mogelijk rechtstand te cre- eren.

Samenvattend is de keuze voor dit voorkeurstracé gebaseerd op de volgende overwegingen:  het landschappelijk beeld is rustiger door gelijke masthoogten, langere rechtstanden en minder hoekmasten;  het aantal gevoelige gebouwen is beperkt en neemt ten opzichte van de referentiesi- tuatie aanzienlijk af; Bovendien sluit de variant goed aan op de noordelijke voorkeursroute van Fryslân. Wij ver- zoeken u deze optimalisatievariant, in overleg met TenneT, nader uit te werken en te betrek- ken bij de uiteindelijke tracékeuze. - 3 / 40 - Ons kenmerk: 02431804 B.2. Terugvaloptie: tracéalternatief 2 (variant Enumatil) Indien de optimalisatievariant van tracéalternatief 1 niet uitvoerbaar blijkt, adviseren wij u om tracéalternatief 2 variant Enumatil als voorkeursalternatief te kiezen voor het Groningse deel van de nieuwe 380 kV-verbinding. De variant volgt grotendeels het bestaande 220 kV-tracé en wordt uitgevoerd in een dubbele Moldau-configuratie, waarbij twee nieuwe 380 kV-mas- tenrijen worden geplaatst. De variant Enumatil heeft binnen Groningen de meeste rechtstand en kent de geringste landschappelijke verstoring.

De keuze voor deze terugvaloptie is geba- seerd op de volgende overwegingen:  het tracé behoudt de openheid van het beekdal van Enumatilster Matsloot doordat het langs de flank loopt;  het zorgt net als onze voorgestelde optimalisatievariant tracéalternatief 1 (zie kaart- beeld) voor een rustig landschapsbeeld door gelijke masthoogten, langere rechtstan- den en minder hoekmasten;  het beperkt risico’s op vergunbaarheidsproblemen door natuur- en vogeleffecten, doordat er weinig nieuwe doorkruising van NNN-gebied is en grotendeels bestaande verstoring wordt gevolgd;  voorwaardelijk voor deze tracékeuze is een oplossing voor het grote aantal gevoelige bestemmingen onder de geleiders. We vragen u en TenneT om in de verdere planuit- werking gericht te zoeken naar mitigerende maatregelen, bijvoorbeeld door optimali- satie van mastposities, of – waar ontwijking niet mogelijk blijkt – door tijdig duidelijk- heid te bieden over een passende en ruimhartige uitkoop- of vergoedingsregeling. B.3. Onwenselijke alternatieven B.3.1. Tracéalternatief 1, varianten Vierverlaten en Surhuisterveen Tracéalternatief 1 vormt in de basis een toekomstvaste invulling van de nieuwe 380 kV-ver- binding, omdat de aanleg in dubbele Moldau-configuratie ruimte biedt voor toekomstige ca- paciteitsuitbreiding zonder nieuwe grote ruimtelijke procedures.

Dit tracé veroorzaakt echter ook ruimtelijke en ecologisch onwenselijke effecten. De twee varianten uit het IEA en plan- MER bieden daar geen oplossing voor. Om die reden hebben we een eigen optimalisatieva- riant ingebracht, waarmee het tracé landschappelijk beter wordt ingepast en de negatieve ef- fecten aanzienlijk worden verminderd. De twee varianten die in de planMER en IEA zijn beschreven dragen beide onvoldoende bij aan verbetering:  Variant Vierverlaten Deze variant beoogt meer rechtstand binnen tracéalternatief 1, maar doorkruist zeer waardevol weidevogelgebied ten noordwesten van Enumatil. Daarmee neemt de eco- logische schade toe. Daarnaast raakt deze variant meer gevoelige gebouwen en heeft het volgens het IEA een negatieve impact op historische (steden)bouw.  Variant Surhuisterveen Deze variant tast de gebiedskarakteristiek meer aan, evenals houtopstanden, andere beschermde soorten, doorkruist meer weidevogel-/ganzenfoerageergebeid en er lig- gen meer gevoelige gebouwen in de magneetveldzone en veroorzaakt daarmee meer hinder voor omwonenden, terwijl ook de aantasting van het landschap groter is dan bij de andere onderzochte varianten. - 4 / 40 - Ons kenmerk: 02431804 Zonder onze optimalisatie volgt tracéalternatief 1 een noordelijker lijn met veel minder rechts- tand, die het open beekdal over vrijwel de gehele lengte doorkruist.

Daarbij kent het tracé veel knikken waarbij de lijnen in het zicht met zichzelf interfereren wat tot een zeer onrustig en onwenselijk beeld leidt, zeker gezien de grote zichtbaarheid hiervan in het open beekdal. Dit leidt tot een sterkere zichtbaarheid in het landschap en aantasting van recent ingerichte natuur- en weidevogelgebieden. De Integrale Effectanalyse laat zien dat dit alternatief meer Natuurnetwerk Nederland (NNN)-gebied doorsnijdt en daardoor een grotere compensatieop- gave kent. Hoewel tracéalternatief 1 in vergelijking met andere alternatieven minder gevoelige gebou- wen onder de geleiders kent, achten wij de landschappelijke en ecologische schade van de onderzochte basistracé en varianten te groot. Alleen door het tracé te optimaliseren met meer rechtstand en een zorgvuldigere dalpassage kan het landschappelijk beeld worden ver- beterd. Zonder deze optimalisatie achten wij tracéalternatief 1 ruimtelijk en ecologisch on- wenselijk. B.3.2. Tracéalternatief 2 (basis) De basisvariant van tracéalternatief 2 volgt de flank van het beekdal, maar bevat meer knik- ken en ligt dichter bij de bebouwing van Enumatil (circa 370 meter). Hierdoor is het visuele effect op de leefomgeving groter en ontstaat een minder rustig landschapsbeeld dan bij de variant Enumatil. Gezien deze nadelen achten wij deze basisvariant ruimtelijk onwenselijk. B.3.3.

Tracéalternatief 3 Bij tracéalternatief 3 worden nieuwe 380 kV-masten naast de bestaande 220 kV-lijn ge- plaatst. Hierdoor ontstaan twee mastenrijen van verschillende hoogte (Donau en Moldau), wat leidt tot een onrustig en sterk verstorend beeld in het landschap. De kortere veldlengtes vergroten bovendien de landschappelijke verstoring. Daarnaast heeft dit tracé een groter ver- ticaal oppervlak. Vogels die naar boven of beneden uitwijken om de ene verbinding te vermij- den, lopen daardoor een groter risico om slachtoffer te worden van de hogere danwel lagere achterliggende verbinding. Om deze redenen achten wij tracéalternatief 3 ruimtelijk en ecolo- gisch onwenselijk. B.3.4. Tracéalternatieven 4 en 5 De A6/A7-tracés zijn ook binnen het Groningse deel onbespreekbaar. Zij veroorzaken signifi- cante negatieve effecten op natuur en vogels, leiden tot vergunbaarheidsrisico’s en belem- meren de realisatie van de Lelylijn en de NOVEX-gebiedsontwikkeling. Bovendien zou het Westerkwartier daarmee tussen twee zware hoogspanningscorridors worden ingesloten. Dat achten wij volstrekt onacceptabel. B.4. Thema’s en motivering van de keuze B.4.1. Landschap a Voorkeursvariant – optimalisatie tracé 1 De geoptimaliseerde lijnvoering van tracéalternatief 1 kruist het open beekdal van de Enumatilster Matsloot, maar reduceert het aantal knikken en hoekmasten sterk.

Met een dubbele Moldau en verwijdering van de 220 kV-lijn ontstaat per saldo een rustiger beeld - 5 / 40 - Ons kenmerk: 02431804 buiten de dalpassage. In de dalpassage verzoeken we om te sturen op maximale rechtstand, lange veldlengtes en zo weinig mogelijk mastposities in het dal om het landschappelijke con- trast tussen open dal en begroeide flanken zo veel mogelijk te respecteren. b Terugvaloptie – tracéalternatief 2, variant Enumatil Deze variant volgt met meer rechtstand de flanken van het beekdal en kent daardoor een rustig landschapsbeeld over het geheel, waarbij de masten zacht kunnen landen in het land- schap. B.4.2. Natuur en ecologie a Voorkeursvariant – optimalisatie tracéalternatief 1 De dalpassage vraagt gerichte mitigatie. Uitgangspunten: minimale mastplaatsingen in het dal, maximale veldlengtes, werkvensters buiten kwetsbare broed-/trekperioden, en toepas- sing van vogelmarkeringen (geleiders/ophangpunten). Buiten de dalpassage volgt de verbin- ding grotendeels het bestaande tracé, waardoor nieuwe doorsnijdingen worden geminimali- seerd. Dit laat onverlet dat bij deze tracékeuze er een groot areaal NNN-gebied gecompen- seerd moet worden. Verlies aan NNN dient zoveel als mogelijk beperkt te worden en te wor- den gecompenseerd door TenneT binnen de scope van de verdere planuitwerking.

b Terugvaloptie – tracéalternatief 2, variant Enumatil Variant Enumatil volgt grotendeels de bestaande verstoring en doorsnijdt minder NNN dan het niet geoptimaliseerde tracéalternatief 1; ecologisch is deze variant goed vergunbaar als alternatief. B.4.3. Leefomgeving en bebouwing a Voorkeursvariant – optimalisatie tracéalternatief 1 De optimalisatie maakt maatwerk mogelijk om gevoelige gebouwen en bebouwingsclusters zo veel mogelijk te ontwijken door knikreductie en mastverschuivingen. Hiermee wordt een groot aantal gevoelige gebouwen onder de geleiders vrijgespeeld en daarmee de impact op omwonenden beperkt. b Terugvaloptie – tracéalternatief 2, variant Enumatil Bij de variant Enumatil blijft de impact op gevoelige bestemmingen grotendeels vergelijkbaar met de huidige 220 kV-lijn. De toename van effecten ten opzichte van de referentiesituatie is daarmee beperkt. In de planuitwerkingsfase dient bij de exacte tracering en de situering van de masten, met behoud van de rechtstand van het tracé, zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met gevoelige bebouwing om de impact verder te beperken. B.4.4. Toekomstvastheid Ons voorkeurstracé en de terugvaloptie zijn technisch het meest toekomstbestendig: beide mastenrijen zijn 380 kV-ready, waardoor toekomstige capaciteitsuitbreiding kan plaatsvinden zonder nieuwe procedures of grootschalige bouwactiviteiten.

De uitvoering levert een ro- buuste verbinding op die meegroeit met de verdere elektrificatie van Noord-Nederland. - 6 / 40 - Ons kenmerk: 02431804 B.5. Randvoorwaarden Wij kunnen instemmen met het geoptimaliseerde tracéalternatief 1 als voorkeursvariant, en met tracéalternatief 2 (variant Enumatil) als terugvaloptie, onder de volgende randvoorwaar- den. Deze zijn bedoeld om in de planuitwerkingsfase te borgen dat het gekozen tracé land- schappelijk, ecologisch en maatschappelijk zorgvuldig wordt ingepast. 1. Voortgang ten aanzien van het Arrangement Hoogspanning De provincie Groningen verwacht dat in het verlengde van het Arrangement Hoogspanning ook binnen het Groningse grondgebied wordt ingezet op een integrale inpassing van het hoogspanningsnet, waarbij de aanleg van de nieuwe 380 kV-verbinding wordt bezien in sa- menhang met de bestaande 110 kV-infrastructuur. De provincie ziet het verkabelen van bestaande 110 kV-verbindingen in de provincie Gronin- gen als een logische vervolgstap binnen dit arrangement, zodat de ruimtelijke impact van het totale hoogspanningsnet wordt beperkt en de landschappelijke kwaliteit wordt versterkt. Dit sluit aan bij de ontwikkelrichting in de ontwerp-Omgevingsvisie Dit wordt Groningen 2025– 2050, waarin is vastgelegd dat energie-infrastructuur zorgvuldig moet worden ingepast, ge- bundeld en waar mogelijk ondergronds moet worden gebracht.

Wij verzoeken het Rijk en TenneT om deze verkabelingsopgave als integraal onderdeel te zien van de uitbreiding en versteviging van het landelijke en regionale 380kV- en 220kV- hoogspanningsnet. Dit draagt niet alleen bij aan landschappelijke herstelmaatregelen en nieuwe ontwikkelruimte, maar kan tevens mitigerend werken voor draadslachtoffers en het herstel van openheid in belangrijke weidevogelgebieden. 2. Ontzien van gevoelige gebouwen In de planuitwerkingsfase dient een brede corridor te worden opgenomen rond bebouwing binnen de invloedszone. De provincie verzoekt om de mastposities zodanig te situeren dat, met behoud van de rechtstand van het tracé, gevoelige bestemmingen zoveel mogelijk wor- den vermeden. 3. Behoud van landschappelijke rechtstand en beekdalflank Voor de optimalisatievariant van tracéalternatief 1 geldt dat de lijn het beekdal kruist. Hierbij is het essentieel om het aantal mastposities in het dal tot een minimum te beperken en met maximaal lange veldlengtes te werken. Bij de variant Enumatil geldt als randvoorwaarde dat het tracé de flanken van het beekdal volgt en geen extra doorsnijding van het open dal ver- oorzaakt. 4. Natuur en ecologie Voorkom onnodige doorsnijdingen van Natuurnetwerk Nederland- en weidevogelgebieden.

Waar effecten onvermijdelijk zijn, moet compensatie plaatsvinden binnen de provincie Gro- ningen, bij voorkeur aansluitend op lopende natuurprojecten. Voor beide varianten geldt dat het ontwerp zo veel mogelijk moet bijdragen aan ecologische samenhang in plaats van versnippering. - 7 / 40 - Ons kenmerk: 02431804 5. Waterveiligheid en bergingscapaciteit Bij de realisatie en inrichting van werkzones van beide tracés geldt als randvoorwaarde dat het waterbergend vermogen van de gebieden behouden blijft. Bij mastplaatsing moet reke- ning worden gehouden met hoge grondwaterstanden en eventuele beperkingen uit de water- schapsverordening. Eventuele aantasting van bergingscapaciteit dient te worden gecompen- seerd. 6. Participatie en communicatie In de planuitwerkingsfase verwacht de provincie dat er gelegenheid wordt geboden voor een actieve betrokkenheid van bewoners, agrariërs en terreinbeheerders in de omgeving van het voorkeurstracé. Communicatie over mastplaatsingen, uitvoeringsplanning en schade- of ver- goedingsregelingen moet transparant, tijdig en herleidbaar zijn, zodat omwonenden weten hoe met hun inbreng wordt omgegaan. 7. Vergoedings- en aankoopregeling Voorafgaand aan de ontwerp-voorkeursbeslissing dient duidelijkheid te bestaan over de toe- passing van wettelijke en bovenwettelijke compensatie, in lijn met de kabinetsbrief van 25 april 2025.

De provincie acht dit een voorwaarde voor een zorgvuldig vervolgproces en maat- schappelijk draagvlak. 8. Gebiedsinvesteringen Waar de nieuwe verbinding door Gronings grondgebied loopt, dienen gemeenten en water- schappen naar rato te kunnen beschikken over middelen uit de rijksregeling voor gebiedsin- vesteringen nationale hoogspanningsinfrastructuur. Deze middelen moeten kunnen worden ingezet voor landschappelijke versterking, natuurontwikkeling en verbetering van de leefom- geving langs het tracé. B.6. Relevante Rijkskaders voor de inrichting van het Groningse 380kV-tracé Bij de beoordeling van de Groningse tracéalternatieven zijn naast de regionale belangen ook de geldende Rijkskaders richtinggevend. Deze bevatten afspraken over ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke inpassing en gebiedsgerichte samenwerking. De belangrijkste daarvan zijn Nij Begun, het arrangement hoogspanning en de Ruimtelijke Samenwerkingsagenda Rijk– Provincie Groningen. a Nij Begun In het maatregelenpakket Nij Begun heeft het Rijk een startschot gegeven om de Ereschuld aan Groningen in te lossen. Een van de punten die daarin is toegezegd op pagina 37 is ‘Aan- dacht voor ruimtelijke inpassing’. Hierin erkent het Rijk het unieke Groningse landschap en zegt zij toe dat zij de ruimtelijke puzzel zorgvuldig leggen. Daarbij benoemt ze: “Niet alles kan overal.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/febe776f-edfa-44a2-a3dc-1f358bc7d5cb?agendaItemId=d7a9e213-1c9c-4944-81f2-bcd78610c0ad