CConstaterende datSteenbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Visie Energie en ruimte 2229022.pdf

Besluitvormende Vergadering 20 oktober 2022, gemeente SteenbergenBij agendapunt: 07.: Herziening visie energie en ruimte.17.224 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

36

Landschappelijke waarden Vanuit een landschappelijk oogpunt is in het buitengebied ruimte voor zowel kleinschalige, middelgrote als grootschalige initia tieven. De aard van de locatie en de omgeving zijn mede bepalend hierin. Initiatiefne mers dienen hiermee rekening te houden in hun planvorming. Globaal kan de volgende indeling gehanteerd worden: Kleinschalig zijn de velden tot 2,5 hectare; Middelgroot zijn velden van 2,5 tot 8,5 hectare; Grootschalig zijn velden groter dan 8,5 hectare. De grootte van een zonneveld moet passen in de omgeving en wordt daarom afgestemd op de aard en schaal van het landschap en/of de nabijgelegen kern. Bij realisatie van zonnevelden geldt maatwerk per gebied. De gemeente is te groot en te complex om voor elke mogelijke situatie vooraf regels en randvoorwaarden te stellen. Het ontwikkelen van een zonneveld wordt gezien als een maatwerkopgave, waarbij elk initiatief op zich (in zijn context) beoordeeld wordt. De gemeente hanteert daarvoor een zonneladder waarin ook rekening wordt gehouden met een benadering per type landschap. De gemeente zal daarom zowel vooraf als tijdens het volledige vergunningentraject blijven beoordelen of het zonneveld passend is.

In het beginstadium gaat deze afweging vooral over de geschiktheid van de locatie: de grootte en mogelijke uitstraling van het zonneveld ten opzichte van de locatie ze lf, de directe omgeving en het landschap. Tijdens de uitwerkingsfase zal de gemeente beoordelen of de opzet van het zonneveld en de landschappelijke inpassing goed afgestemd zijn op de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de omgeving. Een voorwaarde voor het vergunnen van een zonneveld is daarom een goed uitgewerkt inrichtingsplan met zorgvuldige aandacht voor landschappelijke inpassing en de wijze waarop inv ulling is gegeven aan de maatschappelijke meerwaarde. hoge panelen (ca. 2 tot 3 m.)

middelhoge panelen (ca. 1 m. tot ooghoogte)

lage panelen (tot ca. 1 m.)

Mogelijke opstelling van de panelen.

37

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

Hoge oost-west opstelling

Smalle tussenstroken

80

240

120

Lage oost-west opstelling Smalle tussenstroken

150

60

120

Hoge oost-west opstelling

Brede tussenstroken

240

80

300

Lage oost-west opstelling

Lage oost-west opstelling

Brede tussenstroken

60

150

300

Hoge en lage oost-west opstelling met smalle en brede tussenstroken

Hoge zuid-opstelling

Smalle tussenstroken

80

260

300

Lage zuid-opstelling

Smalle tussenstroken

60

200

300

600

80

260

Hoge zuid-opstelling Brede tussenstroken

Lage zuid-opstelling

Brede tussenstroken

60

200

600

Hoge en lage zuid opstelling met smalle en brede tussenstroken

38

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

Netaansluiti ngen en de grootte van zonnevelden Zonnevelden kunnen niet zo maar overal worden geplaatst. Om financieel haalbaar te zijn en niet tot hoge maatschappelijke kosten te leiden, moeten velden op een rendabele afstand van een netaansluiting liggen. Zonnevelden tot maximaal 1,75 MW (circa 200 panelen met de huidige technieken) kunnen in principe op het laagspanningsnet worden aangesloten. Dit is vanzelfsprekend afhankelijk van de piekopbrengst van de panelen. Grotere initatieven worden aangesloten op het middenspanningsnet om de energie veilig te distribueren. Dit netwerk ligt overal waar elektriciteit afgenomen wordt, dus in de kernen en naar de erven in het buitengebied. Dit zijn oppervlaktes die kunnen worden gezien als kleinschalige zonnevelden. Zonnevelden vanaf een productie van 1,75 MW tot maximaal 6 MW dienen aangesloten te worden op de transportverdeelstations in het elektriciteitsnetwerk. Daarbij moet rekening worden gehouden met de beschikbare capaciteiten van het bestaande net. Als de capaciteit van het bestaande net vergeven is, zijn mogelijk zeer ingrijpende netuitbreidingen noodzakelijk. Zonnevelden groter dan 6 MW worden direct op een hoofdstation aangesloten. Zonnevelden kunnen een waardevolle aanvulling zijn op netwerkvoorzieningen voor windenergie. De pieken van het aanbod van wind- en zonne-energie liggen over het algemeen op andere momenten.

De investeringen in de infrastructuur voor windenergie kunnen bij de realisatie van zonnevelden dus dubbel worden benut. Er zijn twee windparken in de gemeente waar dus al een netwerkvoorziening is aangelegd en waarop kan worden aangesloten. Bij het uitbreiden van de infrastructuur moet rekening gehouden worden met de ruimte hiervan. Er moeten transformatorstations worden bijgeplaatst en kabels moeten worden verzwaard of toegevoegd. Vaak is een vergunning nodig met doorlooptijd die op hun beurt invloed hebben op de uitvoeringstermijn van de aansluiting. Het is belangrijk aan te geven dat de voorgaande beschrijving een indicatie geeft van de situatie i n 2019 en een momentopname is. Het netwerk kan wijzigen. Daarnaast kan het elektriciteitsnetwerk niet ongelimiteerd volgeladen worden met elektriciteitsbronnen c.q. zonnevelden. Naar mate er meer leveranciers komen (op een zelfde kabel of station) kan de maximaal beschikbare capaciteit overschreden worden en is aansluiten niet meer mogelijk. Vr oegtijdige afstemming van initiatieven onderling en met de netbeheerder is daarom van belang.

39

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

BIJLA GE 2. OPST E L L IN G E N E N L A N D S C H A P P E LIJK E INPASSI N G Z o n e b e p aling In de windmolenzones (AFC Dinteloord, Suiker Unie en mogelijk Karolinadijk) wordt als ruimtelijke uitgangspunt per deelgebied één rooilijn gekozen, waarmee een eenduidige ruimtelijke lijn wordt beoogd die de molens volgt. In het gebiedsproces wordt met de partijen (grondeigenaren, eigenaren van de kabels van de windmolens en de netbeheerder) gekeken naar een ha albare eenduidige rooilijn. De breedte en lengte van de zone wordt in het gebiedsproces nader bepaald. Eén opstelrichting Tijdens het gebiedsproces zal ook een keuze gemaakt moeten worden voor een opstellings richting: zuid dan wel oost-west gericht. De opstelrichting hoeft binnen de twee gebieden niet dezelfde te zijn. In het gebiedsproces voor de windmolengebieden zullen de randvoorwaarden voor de ruimtelijke inpassing verder worden uitgewerkt tot een richtinggevend kader. Vervolgens kunnen met betrokken initiatiefnemers en belanghebbenden de plannen verder worden uitgewerkt.

O p s t e l l i n g panelen Er zijn met name drie aspecten van belang bij de opstelling van de panelen: • oriëntatie panelen: zuidgericht of oost-westgericht; • hoogte van de panelen: vo oral in relatie tot de openheid en zichtbaarheid ruimtelijk belangrijk; • dichtheid van de panelen: in verband met de licht- en regeninval van belang voor de biologische bodemkwaliteit en de mogelijkheden voor ecologisch en agrarisch dubbelgebruik. Wat betreft de oriëntatie van de panelen is van belang dat zuidgerichte panelen per paneel een grotere opbrengst leveren dan oost-westgerichte opstellingen. Zuidgerichte opstellingen hebben in het algemeen een ruimere opzet, om te voorkomen dat de panelen schaduw veroorzaken op volgende rijen. Oost-westgerichte opstellingen hebben een hogere totaalopbrengst; hoewel de opbrengst per paneel lager is, kan het aantal panelen per hectare groter zijn en wordt per dag langer energie opgewekt, omdat de opstelling op verschillende richtingen is georiënteerd. Echter is een oost-westopstelling volgens onderzoek niet gunstig voor de biodiversiteit. Wanneer een oost-westopstelling wor dt toegepast is het van belang dat er extra aandacht wordt besteed aan de landschappelijke inpassing en aan het versterken van de natuur. De hoogte van de paneelopstellingen varieert in het algemeen van 1 tot 3 m. De hoogte heeft een belangrijk landschappelijk effect.

Opstellingen tot 1,5 m hebben minder effect op de openheid van het landschap dan panelen tot 2,6 m. De hoogte van de panelen heeft in combinatie met de dichtheid ook effect op de ecologische bodemkwaliteit (waterhuishouding, lichtinval, bodemleven) en op de mogelijkheden voor ecologisch of agrarisch dubbelgebruik. Hogere opstellingen maken ondergroei mogelijk, die gebruikt kan worden als schapenweide of bijvoorbeeld bloemrijk grasland. Doordat weer en wind meer invloed hebben en regenwater onder de panelen waait, zijn de effecten op waterhuishouding en bodemleven minder negatief.

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

40

De dichtheid van de panelen is mede bepalend voor de elektriciteitsopbrengst van een opstelling. De dichtheid hangt samen met de oriëntatie van de opstellingen. Bij zuidgerichte opstellingen is de ruimte tussen de paneelrijen groter dan bij oostwestgerichte opstellingen, in verband met (het voorkomen van) onderlinge schaduwwerking. De dichtheid heeft ook gevolgen voor de biologische kwaliteit van de bodem (licht- en regeninval) en daarmee op mogelijkheden voor ecologisch en agrarisch dubbelgebruik. Naarmate de ruimte tussen de panel en groter is, valt er meer licht en water op de bodem, wat de biologische kwaliteit van de bodem ten goede komt en meer mogelijkheden geeft voor ecologische waarden en agrarisch dubbelgebruik. De opstelling van de panelen heeft gelet op het voorgaande effect op de volgende ruimtelijke aspecten, in onderlinge samenhang: • landschappelijke effecten: zichtbaarheid in het landschap, effect op openheid; • ecologische bodemkwaliteit: licht- en waterinval op de bodem, met gevolgen vo or vochthuishouding en leven in de bodem; • mogelijkheden voor ecologisch en agrarisch dubbelgebruik: afhankelijk van het type opstelli ng en de hoogte groeit er onder de panelen meer of minder gras en/of andere vegetaties (zoals bloemrijk grasland).

Zuidopstelling, vanaf de weg kijkt men niet over de panelen heen

Lage oost-west opstelling: vanaf de weg heeft men zicht over het landschap

Biologische bodemkwaliteit, de waterhuishouding en het ecologisch en agrarisch (innovatief) dubbelgebruik zijn in het algemeen gebaat bij hoge opstellingen en een lage dichtheid. Hoge opstellingen hebben in het algemeen echter meer effect op de openheid en het landschap. Gelet op het voorgaande zal per locatie, op basis van de kenmerken van de locatie en de omgeving, een afweging moeten worden gemaakt van het type opstelling. Op locaties waar de o penheid een bepalende gebiedskwaliteit is, hebben lage opstellingen de voorkeur. Daar waar een hoge opstelling landschappelijk goed kan worden ingepast in de omgeving, en de openheid van het gebied daardoor niet onevenredig wordt aangetast, heeft een hoge opstelling met een relatief lage dichtheid de voorkeur.

41

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

D u b b e l g e bruik Daar waar dat mogelijk is, ondersteunen wij het dubbelgebruik van een zonnepark: • agrarisch, bijvoorbeeld door schapen te houden onder panelen; • ecologisch, bijvoorbeeld een ecologisch waardevolle vegetatie onder de panelen; • waterhuishoudkundig: waterberging onder de panelen; • energie-opwekking: combinatie van een zonnepark met een windpark, of andere duurzame opwekkingsvormen. Met name voor agrarisch en ecologisch dubbelgebruik is de opstelling van de panelen van belang (hoogte van en afstand tussen de panelen). Overigens heeft agrarisch en ecologisch dubbelgebruik ook vanuit het oogpunt van de kwaliteit van de bodem (waterhuishouding, ontwikkeling humusgehalte) voordelen. In dat licht hebben hogere en ruimere opstellingen voordelen boven lagere en dichtere opstellingen. De effecten op het beeld in het landschap van dergelijke opstellingen zijn echter groter dan van lagere opstellingen. De mogelij kheden van dubbelgebruik dienen dan ook te worden afgewogen tegen de effecten op het landschap. Van initiatiefnemers wordt verwacht dat zij in het principeverzoek een voorstel doen vo or de opstelling en daarbij een afweging maken tussen de landschappelijke effecten en de mogelijkheden voor dubbelgebruik, op basis van de ligging, de locatiekenmerken en de effecten van de opstelling op deze kenmerken.

I n t e g r a a l ontw erp en afgestemd op de omgev ing Ervan uitgaande dat een locatie in beginsel geschikt is voor de realisatie van een zonneveld, dient een integraal ontwerp te worden uitgewerkt, waarin de opstelling en de landschappelijke inpassing in samenhang met de locatie worden uitgewerkt, waardoor het zonneveld goed wordt ingepast in de omgeving en daar mogelijk – op bepaalde aspecten – zelfs een meerwaarde voor heeft. We verwachten dat de opstelling en inrichting van het veld zorgvuldig op de kenmerken van de locatie en de omgeving worden afgestemd: • oriëntatie panelen; • hoogte opstelling; • dichtheid panelen; • situering bebouwing. Opstelling panelen Zoals hiervoor aangegeven, vraagt de opstelling en inrichting om een goede afweging van de visueelruimtelijke gevolgen voor de omgeving versus de mogelijkheden vo or dubbelgebruik. Daar waar vanuit het landschap een hoge opstelling aanvaardbaar is, heeft een hoge opstelling (boven 1,5 m, in verband met belemmering zicht) voordelen wat betreft de gevolgen voor de bodem en mogelijk agrarisch of ecologisch dubbelgebruik. Daarbij is de zichtbaarheid van de locatie van belang: • openheid; • aanwezigheid landschapselementen en beplanting; • wegen- en dijkenpatroon; • aanwezigheid woningen.

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

42

Bij de opstelling van de panelen en de vertanding aan de randen dient zo goed mogelijk te worden aangesloten bij de perceelsgrenzen om rommelige opstellingen en rafelige randen te voorkomen.

Begrenzing plangebied aansluiten bij de topografie van de kavelgrenzen

Vertanding aansluiten op perceelgrenzen Overige bouwwerken Naast de panelen dienen ook de overige voorzieningen meegenomen te worden in het ontwerp van het veld. Het gaat daarbij om de omvormers, transformatoren en schakelstations. We gaan ervan uit dat niet meer bebouwing wordt opgericht dan strikt nodig en dat de bebouwing qua locatie, ontwerp en hoogte zodanig wordt ingepast in het ontwerp, dat een zo rustig mogelijk beeld ontstaat. Hekwerk In de meeste gevallen zal een zonneveld worden omgrensd door een hekwerk. Daar waar dat niet nodig is, heeft het onze voorkeur dat geen afrastering wordt aangelegd. We gaan ervan uit dat de afrastering niet hoger is dan nodig, de maximale hoogte bedraagt 2 m. Het hekwerk dient zo transparant als mogelijk te worden uitgevoerd. Goede opties zijn een groene afrastering of houten palen met lichtmetalen gaaswerk. Het hekwerk (en eventuele camera’s) dient onderdeel te zijn van het integrale ontwerp van het zonnepark. Onderhoudsstroken watergangen In het ontwerp dient rekening gehouden te worden met de Keur van het Waterschap Brabantse Delta: langs de keurwatergangen dient in het ontwerp rekening te worden gehouden met de noodzakelijke onderhoudsstroken.

L a n d s c h appelijke inpassing Een goede landschappelijke inpassing is van groot belang voor een goede inbedding in de omgeving van gebiedsvreemde elementen als zonneparken. We gaan ervan uit dat de landschappelijke inpassing een zonneveld geheel of grotendeels aan het zicht onttrekt. De landschappelijke inpassing mo et goed zijn afgestemd op de kenmerken van de locatie en de zichtbaarheid van de opstelling vanuit de omgeving. Uiteraard bestaat de

43

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

beplanting uit inheemse soorten, di e passen bij de locatie. Voorbeelden van inheemse soorten zijn: • gewone es • zomereik • beuk • zwarte el s • eenstijlige meidoorn • gewone vlier • hondsroos • wilde kamperfoelie De landschappelijke inpassing maakt onderdeel uit van het integrale ontwerp voor een

Eenstijlige meidoorn als struweel

Kruidengras voor vogels (Bron: Brabantslandschap)

Houtsingel (Bron: Brabantslandschap)

Bomenrij (Bron: Brabantslandschap)

Grasland met ecologische waarde (Bron:Brabantslandschap)

Lage geschoren haag (Bron:Brabantslandschap)

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

44

zonneveld, in combinatie met de opstelling (zie hiervoor) en afgestemd op de locatie en de omgeving, rekening houdend met de zichtbaarheid vanuit de openbare ruimte (wegen, fiets- en wandelpaden) en vanuit de privéruimte (woningen en erven) en afgestemd op de landschappelijke en ecologische kwaliteiten van de omgeving. Voor de landschappelijke inpassing basiselementen gebruikt worden: • grasland met ecologische waarde; • lage, strakke haag; • bomenrij; • singelbeplanting; • struweel; • bos.

van

een

zonnepark

kunnen

verschillende

Een basis-landschappelijke inpassing bestaat uit een beplantingsstrook met een breedte van 10 m rondom het zonneveld. Mede afhankelijk van de zichtbaarheid van de locatie mag het oppervlakte-equivalent van deze strook in een gevarieerder ontwerp worden opgenomen. Daarbij kunnen verschillende strategieën worden gehanteerd, waarbij het zonneveld niet volledig aan het zicht onttrokken hoeft te worden. Wanneer er al bestaande beplanting langs de kavelranden staat, mag deze behouden en/of verbeterd worden. Naast het versterken en verbeteren van het landschap, wordt de biodiversiteit ook versterkt door het aanbrengen van beplanting. Verschillende vogels en insecten zullen zich vestigen in en rondom het zonneveld. Zo kan blo emrijkgrasland een veilige schuilplek voor vogels zijn, de bloemen voorzien vlinders en bijen van voedsel. Bloemrijkgrasland is ook goed toe te passen bij dubbelgebruik, de panelen staan hier ver uit elkaar waardoor er veel zonlicht zal zijn op de bodem. Een ideale plek om insecten te lokken. We gaan er daarbij van uit dat het zonneveld in beginsel aan het zicht wordt onttrokken en van ee n stevige groene inkadering wordt voorzien. Dat hoeft overigens niet te betekenen dat het zonnepark vanuit de totale omgeving volledig aan het zicht onttrokken moet worden. Enig zicht op het zonneveld kan aanvaardbaar zijn.

Beplanting moet streekeigen zijn en passen op de betreffende locatie.

C u l t u u r h i storische en aardkun dige waar den Cultuurhistorische en aardkundige waarden zijn onderdeel van de kenmerken en waarden van het landschap. Ook met deze waarden moet bij het ontwerp van een zonneveld rekening gehouden worden. Aardkundige waarden zijn in de gemeente Steenbergen aanwezig in het gebied ‘Kreken op het Zand’. Van initiatiefnemers wordt verwacht dat zij de provinciale aardkundige waardenkaart raadplegen en de daar beschreven aardkundige waarden respecteren bij de uitwerkingen van hun plan. Het versterken van de herkenbaarheid van bestaande structuren is een meerwaarde.

45

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

BIJLA GE 3. E COL OGI S C H E V E R B IN D IN G S Z O N E

De ecologische verbindingszones ( EVZ) vormen de groene schakels die de Brabantse natuurgebieden met elkaar verbinden. Het aanleggen van deze verbindingszones moet versnippering van de natuur tegengaan. De verbindingen fungeren als trekroutes en (tijdelijk) leef- en voortplantingsgebied. Ze zijn essentieel voor het behoud van een rijke Brabantse natuur.

S a m e n s t elling Ecologische verbindingszones bestaan allemaal uit een of meerdere elementen; corridors en/of stapstenen. Corridors zijn langgerekte linten met een minimale breedte van 10 tot 25 meter. Stapstenen zijn kleine vlakvormige landschapselementen met een oppervlakte van 1 tot 5 hectare. Het zijn als het ware kleine leefgebieden binnen de verbindingszone. De afstand tussen de stapstenen is afhankelijk van de soorten waarvoor de EVZ is bedoeld. De stapstenen zijn met elkaar verbonden via een corridor met een breedte van minimaal 10 meter. De gemiddelde breedte van een EVZ is 25 meter buiten stedelijk gebied en 50 meter binnen stedelijk gebied.

Inrichting Bij de inrichting wordt gestreefd naar een grote verscheidenheid in vegetatiestructuur en vegetatietypen. En naar een g rote variatie in milieuomstandigheden: nat-droog, voedselarm-voedselrijk. Aan alle EVZ’s is een inrichtingsmodel toegekend. Tevens is onderscheid gemaakt in droge en natte EVZ’s. Voor de natte EVZ’s in de gemeente Steenbergen is het inrichtingsmode l Moeras van toepassing. Moeras: Moeras vormt de overgang tussen land en water. Aan elke inrichtingsmodel is een doelsoort verbonden. Dit is de meest karakteristieke soort voor de verbindingszone. Een verbindingszone wordt echter niet alleen ingericht voor de doelsoort maar ook voor alle soorten die min of meer dezelfde eisen aan hun leefgebied stellen. De doelsoort is als het ware de ‘ambassadeur ’ van al die andere soorten. De doelsoort voor het moerastype is de rietzanger. Het model Moeraszone is de verbindingszone voor rietvogels, zoals de rietzanger en de blauwborst. Ook kleine zoogdieren zoals de waterspitsmuis en meervleermuis, amfibieën en libellen profiteren van dit type. Een andere bijzondere soort is de Roerdomp die gebruikt m aakt van de moeraszone. De moeraszone bestaat uit een corridor langs een waterloop, met op grotere afstand van elkaar stapstenen. De bouwstenen zijn; moeras, grasland, struweel en hier en daar bos.

Omdat de zone vrijwel altijd langs een waterloop of kreek wordt gerealiseerd, is er vaak sprake van een aaneengesloten corridor in de vorm van smal graslandtalud of een bredere oeverzone. Natuurvriendelijke oeverzones vormen een aaneengesloten lint langs

46

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

46

de waterloop met een breedte van minimaal 10 meter. Verspreid langs de waterloop komt opgaande begroeiing met inhe emse bomen en/of struiken voor. De stapstenen zijn gevarieerde natuurgebiedjes met rietvegetaties, open water, nat grasland en verspreid struweel of bos. Ze hebben een grootte van ca. 2 tot 4 hectare en liggen op een onderlinge afstand van maximaal 1 tot 2 kilometer. Belangrijk aandachtspunt is de ‘passeerbaarheid’ van infrastructurele werken als bruggen of duikers.

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

47

BIJLA GE 4. GE DRAGSC O D E Z O N O P L A N D

Code voor de fysieke en procesmatige wijze van ontwikkeling, inpassing, vormgeving en beheer van zon op land projecten.

GEDRAGSCODE ZON OP LAND

48

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

2

1. Inleiding Onze samenleving staat voor een opgave om over te gaan op een schone, duurzame energievoorziening uit hernieuwbare energiebronnen. In het Klimaatakkoord van juni 2019 is een doelstelling voor 2030 voor energie uit zon en wind op land uit grootschalige opwek (> 15 kW) gesteld. Grootschalige energie uit zon op land is daarvoor nodig. Het streven is om de ruimtelijke impact hiervan zoveel mogelijk te beperken door eerst te kijken naar locaties met een lage ruimtelijke impact zoals daken. Tegelijkertijd is het de overtuiging van de partijen onder deze code dat zonneparken op land ook meerwaarde kunnen bieden voor een gebied, naast de bijdrage aan de duurzame energietransitie. Dit kan indien de locatie goed gekozen is, de parken goed vormgeven en beheerd worden en de omgeving optimaal betrokken is.

De code adresseert de volgende onderwerpen waar zorgen of wensen over zijn: - Efficiënt ruimtegebruik - Landschap en uitzicht - Biodiversiteit - Voedselproductie - Bodemkwaliteit - Burgerparticipatie in het proces - Mede-eigenaarschap en financiële betrokkenheid van bewoners en bedrijven uit de omgeving

In onze samenleving zijn er zorgen over velden met zonnepanelen (`zonnevelden’). Deze zorgen nemen de initiatiefnemer en ondertekenaars van deze gedragscode serieus. Het initiatief tot deze gedragscode is genomen door de branchevereniging Holland Solar. De code richt zich op zon op land projecten (enkel terrestrische plaatsing, dus niet drijvende panelen of panelen op bouwwerken) van de leden van deze vereniging. Naast Holland Solar ondertekenen Energie Samen, Greenpeace, Milieudefensie, Natuur & Milieu, de Natuur en Milieufederaties, Natuurmonumenten, NLVOW en Vogelbescherming Nederland de code en geven daarmee steun aan de ontwikkeling van zon op land (PV) mits binnen de in deze code geschetste kaders. Een wijziging van de code kan enkel plaatsvinden met instemming van alle partijen die de code ondertekenen.

13 november 2019 www.hollandsolar.nl/gedragscodezonopland

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

49

3

2. Leidende principes Er is bij wet reeds veel vastgelegd. Voor zorgvuldige ontwikkeling en beheer van zonneparken willen de partijen onder deze gedragscode verder gaan. Daarom spreken we in deze gedragscode bovenwettelijke maatregelen af om de omgeving goed bij de projecten te betrekken, meerwaarde te bieden en schade te voorkomen. De initiatiefnemer en ondertekenaars van deze code nemen een aantal principes en concrete toezeggingen in acht.

Deze gelden voor alle nieuwe zonne-energie projecten op land in Nederland waar de leden van Holland Solar vanaf het begin initiatiefnemer van zijn en waar op het moment van publieke presentatie van de code nog geen vergunning voor is aangevraagd. Waar al wel een vergunning is aangevraagd maar nog niet is verleend, doet initiatiefnemer haar best conform de bepalingen uit deze code te werken.

Principes die leidend zijn voor de initiatiefnemer en ondertekenaars 2.1 Samen met stakeholders Wat de wensen ten aanzien van een park zijn is iets wat van geval tot geval verschillend zal zijn. De sector zal werken met een op het project afgestemde vorm van procesparticipatie. Bij ieder project denken de stakeholders inclusief bewoners uit de omgeving vanaf het begin mee over de locatie, vormgeving en ontwikkeling van het beoogde zonneveld. 2.2 Meerwaarde omgeving Naast economische motieven voor ontwikkelaar en grondeigenaar spelen er voor de omgeving andere belangen, zoals landschap, biodiversiteit en (financiële) waarde voor de omgeving. Zonneparken bieden, mits goed vormgegeven op een goed gekozen locatie ook een kans om de omgeving mooier en voor de natuur waardevoller te maken. De sector neemt het principe op zich dat, in overleg met stakeholders, het zonneveld per saldo een verbetering voor de landschappelijke en natuurwaarde van het gebied betekent. Deels zal dit per definitie subjectief zijn; in de ogen van de omgeving. Waar mogelijk wordt dit geobjectiveerd; bijvoorbeeld met een meetbare toename aan biodiversiteit. 2.3 Oorspronkelijk grondgebruik mogelijk Het derde principe is dat de sector parken zo zijn inricht dat er geen onomkeerbare ontwikkeling plaatsvindt.

Het oorspronkelijke of een ander grondgebruik moet, indien gewenst door grondeigenaar én bevoegd gezag, na het zonneveld weer mogelijk zijn; zowel beleidsmatig als fysiek. Daarbij hoort ook dat de sector zorgt dat er geen vervuiling optreedt of dat er spullen achterblijven.

50

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

4

3. Concrete toezegging van de sector De sector zon op land doet een aantal concrete toezeggingen om de principes na te komen, naast een aantal zaken die per project bekeken zullen worden. In dit hoofdstuk staan de concrete toezeggingen. 3.1 Zorgvuldige locatiekeuze Bevoegd gezag in de lead voor zoekgebieden Besluitvorming in een gemeente of provincie over de verduurzaming van de energievoorziening én over de gebieden die voor deze energievoorziening in aanmerking komen, begint idealiter al ruim voor er van concrete initiatieven sprake is. In de fase van beleidsvorming is de overheid in de lead en heeft de verantwoordelijkheid om de inwoners te betrekken bij de keuzes voor duurzame energie opwek en bij de zoekgebieden voor eventuele zonnevelden. Concrete projectlocaties volgen daarna op initiatief van ontwikkelaars, binnen de kaders die overheden hebben gesteld. Een gemeente zal in de beleidsfase bekijken in hoeverre ambities van bijvoorbeeld gemeenten ingevuld kunnen worden met de beschikbare daken en restgronden: het principe van de ‘zonneladder’1. Gemeenten kunnen hierbij de Zonnewaaier van Holland Solar en de Constructieve Zonneladder van de Natuur en Milieufederaties gebruiken. Zonneladder: daken en gevels waar mogelijk De sector prefereert over het algemeen daken, gevels, geluidswallen en andere reeds bestaande bouwwerken boven het gebruik van niet bebouwd land, om de een-

voudige reden dat de bebouwde oppervlaktes dan dubbel gebruikt kunnen worden zonder extra ruimtebeslag. Uiteraard zal per geval bekeken worden of de dakconstructie wel technisch mogelijk is op het betreffende pand. Naast panelen op bouwwerken zijn restgronden een goede optie voor efficiënt ruimtegebruik: bijvoorbeeld ongebruikte oppervlakten naast snelwegen. Voor de ontwikkelaar zijn daken en restgronden wenselijk indien deze gebieden goed aangesloten kunnen worden op het net, er voldoende zon is en de kosten voor het gebruik van de oppervlakten een project mogelijk maken. Voor het realiseren van de totale opgave aan duurzame energie zijn veld-opstellingen ook gewenst. Nationale Parken en Natura 2000 buiten beschouwing De initiatiefnemer en de ondertekenende partijen hebben met elkaar afgesproken Nationale Parken en Natura 2000 gebieden buiten beschouwing te laten als mogelijke locatie voor een zonnepark. ‘Nee-tenzij’ gebieden Bij de keuze voor grondgebonden zonnevelden is er aan aantal gebieden dat niet in aanmerking komt tenzij er met een zonneveld een aantoonbare verbetering voor ecologie en landschap optreedt. Dit geldt voor gebieden van het Natuurnetwerk (anders dan de Nationale Parken en Natura2000 gebieden die buiten beschouwing worden gelaten), beschermde landschappen (zie onder paragraaf 3.5 onder b) en door de overheid aangewezen weidevogelkerngebieden.

Deze gebieden zijn enkel een goede locatie voor zonnevelden wanneer aangetoond kan worden dat het initiatief door goede maatregelen op het inpassingsniveau, positief uitpakt voor de relevante lokale natuurwaarden en de landschappelijke beleving. Gebieden die onder het ‘Unesco Werelderfgoed vallen’ zullen de leden van Holland Solar in beginsel niet beschouwen als locatie. Definitieve locatiekeuze pas na consultatie omgeving Initiatiefnemers tekenen met grondeigenaren doorgaans een intentieovereenkomst. Deze zal pas na besluitvorming door het bevoegd gezag en na consultatie van de omgeving worden omgezet in een definitieve overeenkomst.

Het principe om bij voorkeur daken en restgronden te gebruiken is verwoord conform de twee moties Dik-Faber c.s. over de zonneladder en over gebruik van agrarische gronden en nader verwerkt in Kamerbrief 34682 nr. 29 en in de Nationale Omgevings VIsie (NOVI).

1

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

51

5

3.2 Procesparticipatie De kwaliteit van een duurzaam energieproject bestaat uit een technisch optimale inpassing in een gebied met eigen kenmerken en waarden. Door het organiseren van procesparticipatie kunnen stakeholders inclusief omwonenden bijdragen aan het ontwerp door specifieke (gebieds-) kennis in te brengen. Daar waar er nog geen structuur van organisatie is voor omwonenden, faciliteert de ontwikkelaar de participatie van de omgeving zodat zij in staat zijn om geïnformeerd mee te doen aan het proces. De ondertekenende partijen van deze gedragscode hechten aan het gelijkwaardig en in vertrouwen optrekken van energiecoöperaties, commerciële ontwikkelaars, bewoners in de omgeving en andere stakeholders. Dit doen zij vanaf het begin van de ontwikkelfase van een concreet project. Wat dat betekent zal van geval tot geval verschillend zijn gezien de verschillen tussen de gebieden en wensen van de stakeholders. Holland Solar zal in samenwerking met andere partijen, uitwerking geven aan de afspraak uit het Klimaatakkoord om tot een handreiking over participatie te komen.

3.3 Financiële participatie Rond het onderwerp participatie verwelkomen de ondertekenende partijen de afspraken uit het Klimaatakkoord uit 2019 zoals hier letterlijk verwoord: “• De initiatiefnemer doorloopt een proces om te komen tot een wenselijke en haalbare vormgeving van participatie. Het gaat hierbij om de participatiewaaier; dit kan zijn procesparticipatie, financiële participatie, financiële obligaties, eigendomsparticipatie, een omgevingsfonds of een combinatie hiervan. Het bevoegd gezag controleert dat initiatiefnemers en omgeving hierover het gesprek aangaan. Afspraken met de omgeving worden bij voorkeur vastgelegd in een omgevingsovereenkomst. Op basis hiervan wordt er een projectplan gemaakt waarin wordt beschreven hoe binnen het project de participatie optimaal wordt ingericht. • Om de projecten voor de bouw en exploitatie van hernieuwbaar op land in de energietransitie te laten slagen, gaan in gebieden met mogelijkheden en ambities voor hernieuwbare opwekking, partijen gelijkwaardig samenwerken in de ontwikkeling, bouw en exploitatie van een project. Dit vertaalt zich in evenwichtige eigendomsverdeling in een gebied waarbij gestreefd wordt naar 50% eigendom van de productie van de lokale omgeving (burgers en bedrijven). Investeren in een zon –en/of windproject is ondernemerschap. Dat vergt ook mee-investeren en risicolopen.

Het streven voor de eigendomsverhouding is een algemeen streven voor 2030. Er is lokaal ruimte om hier vanwege lokale project-gerelateerde redenen van af te wijken. “

De exacte vorm van de financiële participatie en de definiëring van ‘de lokale omgeving’ is met het Klimaatakkoord niet scherp vastgelegd. Dit is ook geen zaak voor uniforme regels maar iets dat per project vorm kan krijgen. De gedachte dat omwonenden de mogelijkheid krijgen om financieel te investeren en daarmee mee te profiteren en mee te doen aan de energietransitie staat centraal.

52

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

6

3.4 Correct benaderen grondeigenaren door exploitanten In veel gevallen zal een zonneveld een initiatief zijn van een ontwikkelaar die een grondeigenaar benadert. Dit benaderen dient met respect te gebeuren. Het ongericht grote aantallen grondeigenaren een aanbod sturen in de hoop dat er ééntje positief reageert, geeft in een gebied het gevoel van een ‘vloedgolf aan parken’ en leidt tot onrust. De leden van Holland Solar zullen zich van dit soort acties onthouden en grondeigenaren enkel gericht, één op één benaderen en vanaf de beginfase betrekken bij de ontwikkeling van het project.

3.5 Ontwerp en beheer Een goed ontwerp en beheer van een zonneveld kan de zorgen over een aantal waarden rond natuur, landschap en milieu wegnemen. Wat ‘een goed ontwerp’ betekent zal per locatie verschillen2. Een aantal zaken zal echter bij ieder park gelden. a) Aandacht voor natuur bij het ontwerp en beheer Parken worden aangelegd om ook ruimte aan de natuur te geven. Dit stelt eisen aan de inrichting en het beheer. De exacte keuzes zijn locatie-specifiek en afhankelijk van de natuur en landschap in de omgeving. Een aantal principes gelden wel in algemeenheid: - De ontwikkelaar zorgt in samenwerking met lokale en nationale natuurorganisaties voor de ontwikkeling van een aanleg- en beheerplan omwille van de natuurwaarden. - Standaard zal er gekozen worden om specifieke natuurelementen aan het gebied toe te voegen (bijvoorbeeld poelen, bijenhotel, nestplaatsen). De keuze is maatwerk en wordt met behulp van een expert ingevuld. - Er is de mogelijkheid voor klein wild om het park binnen te gaan. - Het vegetatiebeheer stuurt op inheemse, kruidenrijke vegetaties die zo laat en weinig frequent als mogelijk worden gemaaid. b) Landschap: werken aan een integrale landschapsopgave Provincies voeren een landschapsbeleid en hebben in enkele gevallen waardevolle landschappen aangewezen. In deze gebieden zal de sector enkel met initiatieven komen indien deze de landschappelijke kwaliteit

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

53

7

versterken, of vanuit overheidswege al een afweging is gemaakt om hier duurzame energie te willen realiseren. Hier zal de sector bij projecten de expertise in de vorm van een landschapsarchitect of een historisch geograaf betrekken. In alle gebieden zal een landschapsarchitect om advies gevraagd worden over de passendheid van een project op de betreffende locatie en over de vormgeving en inrichting. De uiteindelijke vorm en omvang zal zoveel mogelijk in lijn zijn met het advies van de landschapsarchitect, maar is ook maatwerk. In het ene gebied passen grootschalige zonnevelden landschappelijk beter en in het andere gebied juist kleinere of helemaal geen. c) Ruimte tussen of rond panelen Parken van de bedrijven die lid zijn van Holland Solar zullen altijd worden ingericht met ruimte tussen panelen; soms ook met ruimere open plekken in het park (ecologisch maatwerk). Met deze ruimte wordt gezorgd voor vegetatie en tevens voor neerslag en licht onder de panelen. Meer ruimte tussen de panelen heeft ook uiteraard als gevolg dat er in totaal meer ruimte in Nederland nodig is om dezelfde hoeveelheid duurzame energie op te wekken. Hier zal dus een goed evenwicht moeten worden gevonden. De partijen van deze gedragscode hanteren een ondergrens van 25% onbedekt oppervlak van het gebied van het project (van boven af gezien).

Afwijking van deze norm kan op terreinen waar het oppervlak reeds bedekt of verhard was, op terreinen die bestemd zijn als bedrijventerrein of op uitdrukkelijk verzoek van het bevoegd gezag. De exacte dichtheid en plekken voor onbedekt land is maatwerk per project in overleg met de omgeving ter vaststelling door het bevoegd gezag. d) Voorkomen verdroging bodem Veldopstellingen van zonnepanelen kunnen zorgen voor minder gelijkmatige verdeling van regenwater en lokale verdroging wat de bodemkwaliteit negatief kan beïnvloeden. De sector committeert zich aan het voorkomen van het verdrogen van de bodem. Een optie hiervoor is om voldoende ruimte te laten tussen de oppervlakten met zonnepanelen voor een betere verdeling van regenwater. Een andere optie is om water terug te geleiden. De sector is bereid om in overleg te gaan met het waterschap om de grondwaterstand aan te passen aan

het niveau waar het gebied het meest bij gebaat is. Dit zal soms op vernatting neerkomen. In bijvoorbeeld het veenweidegebied is een hogere grondwaterstand gunstig voor de koolstofvastlegging en het voorkomen van verdere bodemdaling.

e) Geen gebruik pesticiden en herbiciden Er zullen voor het park geen pesticiden of herbiciden gebruikt worden, tenzij dit van overheidswege gevraagd wordt (bijvoorbeeld om bepaalde plagen te bestrijden).

3.6 Na het project: voormalig grondgebruik mogelijk Zonnevelden worden doorgaans aangelegd met tijdelijke vergunning en met een tijdelijke ontheffing voor het bestemmingsplan. Na verloop van tijd zou technisch gezien herinvestering aan de orde zijn (loopt de opbrengst van de panelen terug). Het kan zijn dat de omgeving, grondeigenaar en het bevoegd gezag kiezen met zon-PV door te gaan. Waar dit niet is gewenst, zorgt de sector dat er voor haar deel geen belemmering is om het oorspronkelijke grondgebruik (zowel beleidsmatig, juridisch als fysiek) weer te hervatten. Wettelijk zal een zonneveld geen schade mogen achterlaten in de vorm van bijvoorbeeld verontreiniging. De sector verklaart daar bovenop dat de activiteit geen enkele negatieve erfenis nalaat. Dat betekent bijvoorbeeld dat installaties en eventueel verharde oppervlaktes verwijderd worden, dat de bodemkwaliteit in stand blijft en er geen schadelijke bodemverdichting optreedt.

2 Voor het voeren van het gesprek over ontwerp en beheer met de omgeving en het bevoegd gezag kan de initiatiefnemer gebruik maken van de ‘Checklist Natuurbelangen bij Grondgebonden Zonnevelden’ van de Natuur en Milieufederaties en Natuur & Milieu.

54

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

8

3.7 Bijdrage aan de lokale economie De aanleg en beheer van een zonnepark levert werk op. De leden van Holland Solar zullen hierbij allereerst en met voorkeur naar bedrijven en werknemers in de directe omgeving van een park kijken, om zo bij te dragen aan de lokale economie.

3.8 Meten, monitoren en bijsturen In lijn met het innovatieprogramma onder het Klimaatakkoord wordt er een meetprogramma opgesteld. Om te beoordelen dat in lijn met principe 2.2 meerwaarde optreedt voor natuurwaarden zullen de leden van Holland Solar een 0 meting en monitoring uitvoeren. Zodra gereed zal dit in lijn met dit meetprogramma gebeuren. Meetprogramma en monitoringsmethodiek worden gedeeld met de ondertekenaars, om te borgen dat de uitkomsten voldoende robuust zijn voor conclusies. Resultaten van de monitoring zijn openbaar beschikbaar en worden mede gebruikt om ‘best practices’ te ontwikkelen. Initiatiefnemers bouwen de mogelijkheid in om extra mitigerende maatregelen te nemen als blijkt dat de negatieve effecten door de zonnepanelen op natuurwaarden groter zijn dan initieel aangenomen. Initiatiefnemer maakt vooraf heldere afspraken met betrokken partijen over de wijze van monitoring en het afwegingsmechanisme voor eventuele maatregelen tijdens de exploitatie. Dit kunnen bijvoorbeeld extra poelen of ruigtestroken zijn.

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

55

9

4. Maatwerk, per project te bepalen Naast de algemeen voor ieder project geldende toezeggingen uit hoofdstuk 3 zijn er tal van zaken die per project bekeken moeten worden, om mede invulling te geven aan de principes onder hoofdstuk 2. Deze komen in dit hoofdstuk aan de orde. 4.1 Exacte eigendoms- of andere financiële participatie De partijen van deze gedragscode committeren zich aan de in hoofdstuk 3 beschreven inzet op een goede omgevingsparticipatie waaronder proces- en financiële participatie. Hoe de uiteindelijke invulling zal zijn, zal van project tot project verschillen.

4.5 Afspraken over behoud landschapselementen Per project kan bekeken worden of de aangelegde landschapselementen zoals natuurlijke heggen rond het park, een aangelegde paddenpoel, ook na de duur van het park behouden kunnen blijven. Met de grondeigenaar en gemeente kan er ook worden afgesproken om bepaalde landschaps-elementen te behouden. Het is een optie voor de gemeente om in overleg met de grondeigenaar deze landschapselementen te bestemmen en zo het behoud te versterken.

4.2 Een gebiedsgebonden bijdrage Een gebiedsgebonden bijdrage is een vorm van omgevingsparticipatie en een optie. Het kan ingezet worden voor bijvoorbeeld extra natuurimpuls, monitoring van de ecologische effecten, duurzame energie voor de omgeving, een voorziening als een speeltuin, een financiële impuls voor een lokale sportvereniging. De bijdrage is in overleg met de direct omgeving vast te stellen omtrent toepassing en besteding. De eventuele bijdrage zal ook worden opgebracht door de omwonenden die mede-eigenaar zijn van het project.

4.3 Compensatie Als er bij een zonneveld ondanks een goede locatiekeuze en inpassingsmaatregelen, toch negatieve effecten te verwachten zijn op kwetsbare natuurwaarden of (rode lijst) soorten, dan is compensatie - aanvullend op de wettelijke bepalingen over compensatie en natuurbescherming - een onderdeel van het plan voor het zonneproject.

4.4 Maatwerk in het ontwerp Naast de in 3.5 genoemde aspecten zijn er tal van locatie-specifieke mogelijkheden om in en rondom de zonneparken extra kansen te bieden aan de natuur en landschap. Landschap is per definitie maatwerk en afhankelijk van de locatie. Ook voor natuur zal de omgeving van het park bepalend zijn voor de vraag wat een goede inrichting is.

56

4.6 Combinatie agrarisch gebruik en zonnepanelen Een argument dat vaak tegen zonnevelden wordt ingebracht is het verlies aan agrarische gronden. Bij agrarische gronden zijn in principe combinatievormen van landbouw met zonnepanelen mogelijk. De gebieden met panelen kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden voor vrije uitloop van dieren (met name schapen en kippen). Of deze combinaties daadwerkelijk mogelijk zijn zal per project, per agrarisch bedrijf bekeken moeten worden door de agrariër in overleg met de ontwikkelaar van een zon-PV-project.

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

10

5. Naleving van de code 5.1 Vastlegging in overeenkomsten per project Bovenstaande regels moeten per project vertaald en vastgelegd worden om misverstanden te voorkomen. De partijen die deze code ondertekenen volgen de code, maar zijn niet de enige die bepalend zijn voor het succesvol naleven. Vandaar ook de oproep aan andere betrokkenen om deze code waar mogelijk te volgen. Naast het volgen van de code, kunnen de elementen van de code een plek krijgen in beleid en in diverse overeenkomsten. • Bij een keuze voor een locatie ligt het beleid daartoe bij de betreffende overheden (provincies, gemeenten). • Binnen deze beleidskaders ligt het besluit voor een concreet perceel bij de grondeigenaar. De afspraken tussen grondeigenaar en de projectontwikkelaar worden vastgelegd in een overeenkomst (pacht- of opstalovereenkomst). • In lijn met het bovenbeschreven commitment voor omgevingsparticipatie zal er ook een overeenkomst kunnen komen tussen ontwikkelaar en een lokale energiecoöperatie en/of met omwonenden. • Vervolgens zal ook het bevoegd gezag (meestal gemeente) aanvullende eisen kunnen stellen en deze vastleggen in een anterieure overeenkomst en in de vergunning.

voor aan de ondertekenende partijen onder deze code. Bij unanimiteit kan dan afgeweken worden van de betreffende bepaling. 5.3 Toezicht op de naleving Ieder kan bij het bestuur melding maken over het niet-naleven van de code. Als leden van Holland Solar zich aantoonbaar niet houden aan de Gedragscode, zal het bestuur van de branchevereniging het desbetreffende lid aanspreken op zijn verantwoordelijkheden en – indien dit geen resultaat heeft – dit ook openbaar maken. In het uiterste geval kan op basis van de statuten een lid uit het lidmaatschap worden ontzet. Daarnaast roepen de partijen onder deze code andere partijen, zoals overheden en burgers, nadrukkelijk op om initiatiefnemers op de Gedragscode te wijzen en de code ter hand te nemen als uitgangspunt voor projectontwikkeling.

5.4 Promoten gebruik code De ondertekenende partijen brengen deze gedragscode onder de aandacht van relevante partijen en verspreiden goede voorbeelden van projecten in lijn met deze code.

5.2 Uitzonderingen Al deze overeenkomsten zullen de bedrijven onder Holland Solar positief aangaan in lijn met de principes uit deze gedragscode. Het kan zijn dat een bevoegd gezag eisen stelt die naleving van elementen van de code onmogelijk maakt. De betreffende projectontwikkelaar zal dit bij een bevoegd gezag kenbaar maken ter heroverweging. Uiteindelijk is het besluit van het bevoegd gezag leidend en zal de ontwikkelaar uitgezonderd zijn van de betreffende elementen uit de code. In bepaalde gevallen kunnen bepalingen uit de code te stringent blijken en is afwijking van de code in lijn of juist versterkend voor de principes geformuleerd in hoofdstuk 2. Dit kan bijvoorbeeld de keuze voor een locatie betreffen in een Natura 2000 gebied. In die gevallen legt de initiatiefnemer deze zaak ter beoordeling

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

57

11

Initiatiefnemer: Holland Solar Ondertekenende organisaties: De Natuur en Milieufederaties Energie Samen Greenpeace Holland Solar Milieudefensie

Natuur & Milieu Natuurmonumenten NLVOW Vogelbescherming Nederland

Peter Molengraaf, voorzitter Holland Solar

Annie van der Pas, netwerkdirecteur Natuur- en Milieufederaties

Siward Zomer, directeur Energie Samen

Joris Thijssen, directeur Greenpeace

Donald Pols, directeur Milieudefensie

Marjolein Demmers, directeur Natuur & Milieu

Marc van den Tweel, directeur Natuurmonumenten

Rob Rietveld, directeur NLVOW

Fred Wouters, directeur Vogelbescherming Nederland

58

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

www.hollandsolar.nl/gedragscodezonopland

- V I S IE ENERG IE EN RU IMT E -

59

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://raad.gemeente-steenbergen.nl/api/v1/meetings/1577/documents/17672