CConstaterende datSteenbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

verstedelijkingsstrategie_2040-1.pdf

Informatieavond 30 september 2024, gemeente Steenbergen28.427 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Verstedelijkingsstrategie Brabant 2040 Een nieuwe koers voor de ontwikkeling van de Brabantse steden en dorpen

VOORWOORD. Verstedelijkingsstrategie Brabant 2040 De dynamiek in stedelijk Brabant is groot. Er ligt een forse bouw-, transformatie-

en komt een gemeente als Weert (L) of Meijerijstad steeds meer in de invloedssfeer

en herstructureringsopgave. Het is het tweede grote verstedelijkte gebied van

van Eindhoven te liggen. Samenwerking en visievorming op het niveau van het

Nederland en verhoudt zich intensief tot de rest van dat netwerk, én tot gebieden

Brabantse stedelijke netwerk is en blijft daarom van groot belang.

in onze buurlanden. Die dynamiek willen we inzetten om slimmer en duurzamer te verstedelijken. We willen de grote vraag naar ruimte voor woningen en bedrijvigheid

Sommige Brabantse gemeenten vallen binnen de invloedssfeer van meerdere

in relatie brengen met het oplossen van de opgaven die we in onze omgevingsvisies

stedelijke regio’s (zoals Waalwijk of Moerdijk). Enkele gemeenten buiten Brabant

hebben gesteld m.b.t. klimaatadaptatie, energietransitie, slimme mobiliteit,

zijn georiënteerd op de Brabantse stedenrij. Zo is de Gelderse Bommelerwaard

biodiversiteit, gezondheid en circulaire economie.

georiënteerd op de regio ’s-Hertogenbosch en draait deze regio om die reden ook mee in het proces van de stedelijke regio ’s-Hertogenbosch.

Rijk en regio erkennen dat een gezamenlijke inzet op de complexe opgaven in de

Zie voor een visueel overzicht van de regio’s het kader op pagina 4.

Brabantse stedenrij op het gebied van verstedelijking, water, (duurzame) mobiliteit, duurzaamheid, natuur, recreatie, klimaatadaptatie, gezondheid en (nieuwe)

In de afgelopen tijd is er sprake geweest van een intensieve samenwerking tussen

economie een meerwaarde biedt. Zij hebben op het BO MIRT van 2020 afgesproken

Rijk, provincie en vertegenwoordigers uit de vier stedelijk regio’s van Brabant (Regio

om te komen tot een gezamenlijk gedragen strategie voor slimme en duurzame

Zuidoost-Brabant, Stedelijke Regio Breda-Tilburg, West-Brabant West en Stedelijke

verstedelijking voor stedelijk Brabant en deze uit te werken in onder andere de

Regio ‘s-Hertogenbosch). Op basis van een gezamenlijk feitenrelaas is de opgave

verstedelijkingakkoorden voor de Brabantse stedelijke regio’s.

aangescherpt en een inspirerend perspectief voor Noord-Brabant opgesteld. Vervolgens heeft er een iteratief proces plaatsgevonden waarbij de regio’s op

Voor u ligt de het resultaat van deze samenwerking van het afgelopen jaar: de

basis van eigen kennis en kunde, aangevuld door het Brabantbrede onderzoek

verstedelijkingsstrategie Brabant. Hierin wordt de strategie Brabantbreed op

verstedelijkingsscenario’s hebben opgesteld. Deze zijn middels het Dashboard

hoofdlijnen voorgesteld als kader voor de regionale uitwerkingen. Zo ontstaat

Verstedelijking beproefd en er hebben verdiepende werksessie over de opgaven en

synergie in de gezamenlijke kracht van de Brabantse stedelijke regio’s en houden

uitkomsten plaatsgevonden. De lessen uit dit proces zijn aanleiding geweest om

effecten van investeringen niet op bij de gemeentegrens.

deze verstedelijkingsstrategie op te stellen en voor de regio’s om hun regionale uitwerking daarvan te ontwikkelen in een voorkeursrichting.

De Brabantse stedenrij bestaat uit vier stedelijke regio’s die samen het stedelijk netwerk van Brabant vormen. De vier stedelijke regio’s verschillen van elkaar,

De voorliggende strategie is geen beleid. In ‘Ontwikkelstrategie NOVEX Stedelijk

vullen elkaar aan en zijn nauw verweven met elkaar. Er is sprake van sterke relaties

Brabant’ worden eerste uitvoeringsafspraken gemaakt op twee schaalniveaus:

met de aangrenzende stedelijke netwerken in Nederland, Duitsland en België. De

Brabantbreed en per stedelijke regio.

Daily Urban Systems die nu als uitgangspunt zijn genomen voor het bepalen van de vier stedelijke regio’s zijn in beweging. Met de sterke economische groei van bijvoorbeeld de regio Eindhoven, groeit ook het Daily Urban System van deze regio

In dit boek worden regelmatig B5 en M7 gebruikt als term. Dit gaat over de grootste 15 gemeenten. De B5-gemeenten zijn Breda, Eindhoven, Helmond, ’s Hertogenbosch en Tilburg; M7-gemeenten zijn Bergen op Zoom, Meierijstad, Oosterhout, Oss, Roosendaal, Uden en Waalwijk. *In de aanloop naar het definitief worden van dit document is er sprake van een verbreding van de B5 richting een B7 (+ Oss en Roosendaal). Die verbreding hebben we voor de leesbaarheid niet doorgevoerd in dit document.

Verstedelijkingsstrategie Brabant 2040 gaat primair over de vier stedelijk regio’s van

heeft ook een sterke relatie met de Groene metropoolregio Arnhem-Nijmegen.

Brabant: Stedelijke Regio Zuidoost-Brabant (groen in de kaart), Stedelijke Regio

Stedelijke Regio Zuidoost-Brabant heeft 4 subregio’s (Stedelijk Gebied

Breda-Tilburg (blauw in de kaart), West-Brabant West (rood in de kaart) en

Eindhoven, De Peel, De Kempen en de A2 gemeenten). Voor het SGE is een apart

Stedelijke Regio ‘s-Hertogenbosch (geel in de kaart). De stedelijke regio’s zijn

verstedelijkingsakkkoord gesloten in het BOL van juni 2022.

gebaseerd op dagelijkse verplaatsingspatronen (het Daily Urban System). Daarom heeft de laatste regio heeft met Zaltbommel en Maasdriel ook twee

Voorliggende strategie is geen beleid. Er volgt een vertaling richting

Gelderse gemeenten binnen de grenzen. Moerdijk, Waalwijk en Heusden hebben

‘Ontwikkelstrategie NOVEX Stedelijk Brabant’. Hierin worden afspraken gemaakt

allen een dubbele oriëntatie. Land van Cuijck is onderdeel van de SRsH maar

op twee schaalniveaus: Brabantbreed en per stedelijke regio.

Hoofdopgaven

de vele regionale bedrijventerreinen die Brabant rijk is. In deze gebieden willen

Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten hebben 3 hoofdopgaven

we de verduurzamingsopgave verbinden met de kwalitatieve en kwantitatieve

geformuleerd, namelijk het ontwikkelen van:

verstedelijkingsopgaven voor woningbouw, nieuwe economie, de opschaling

1.

Nieuw stedelijk Brabant

in de voorzieningenstructuur, natuurinclusief en groen in de stad en de

2.

Nieuwe relaties tussen stad en land

mobiliteitstransitie. En dit alles in relatie met de opgaven op het gebied van

3.

Een strategie om nieuwe opgaven aan te kunnen pakken.

klimaatadaptatie, energietransitie, slimme mobiliteit, landbouw, biodiversiteit, gezondheid en circulaire economie.

1. NIEUW STEDELIJK BRABANT

(*1) In de NOVI geeft het Rijk aan dat er tot 2030-2035 nog ruim 1 miljoen extra woningen gebouwd moeten worden. M.b.t. de woningbouwopgave van

Er is een nieuw stedelijk Brabant aan het ontstaan. Naast het traditionele

stedelijk Brabant nemen we de afspraken die in het BO Woningbouwversnelling

Brabantse beeld van “boeren, kerk en industrie” heeft zich de afgelopen decennia

worden gemaakt tussen Rijk en provincie als uitgangspunt voor de

een ander Brabant ontpopt. Dat is urbaan, creatief, hightech, bruisend. We zien

verstedelijkingsstrategie en de uitwerking in de drie verstedelijkingsakkoorden.

het natuurlijk terug in Eindhoven, Helmond en omstreken, maar ook de steden ‘s-Hertogenbosch, Breda en Tilburg (en hun directe omgeving), zitten midden in een

2. STAD EN LAND IN BRABANT

energieke stedelijke ontwikkeling. Er wordt ambitieus gebouwd, innovatief gewerkt en speels gecreëerd. Dit nieuwe stedelijke Brabant krijgt vorm in wisselwerking

Kenmerkend voor stedelijk Brabant is de nabijheid en de functionele verwevenheid

met het andere Brabant en vormt een krachtige versterking van de totale kwaliteit

met het omliggende landelijke gebied. Brabant is stad, met stadsregio’s (de

van Brabant. Zo wordt stedelijk Brabant voor de rest van Nederland en delen van

centrumsteden met de daaraan vastgegroeide suburbane kernen), middelgrote

Duitsland en België een plek van kwaliteit van leven én van economische dynamiek.

steden en regionale bedrijventerreinen. En Brabant is land (met het mozaïek aan

Brabant vernieuwt van binnenuit. De stedelijke innovatiemilieus liggen meestal in de

landschappen en verscheidene dorps-landelijke gemeenten). Die vullen elkaar aan

bestaande stad: in spoorzones, op verouderde bedrijventerreinen en in de zones in-

en kunnen niet zonder elkaar. De identiteit van de stedelijk Brabant ligt voor een

en rond de centra van de steden.

belangrijk deel in het omliggende landschap. Voor de wijze waarop we bouwen en verbouwen in het stedelijk gebied maakt het bovendien uit of je onderdeel bent van

Opgave verstedelijkingsstrategie m.b.t. nieuw stedelijk Brabant

het landschap van de Zuiderwaterlinie, de Peelontginning, of dat je een moderne

Met deze verstedelijkingsstrategie willen we de volgende stap zetten in deze

industriestad bent, ontstaan op het Brabantse zand- en bekenlandschap (Van Gogh

vernieuwingsslag. Het is urgent dat we een strategie ontwikkelen waarbij we

Nationaal Park in ontwikkeling). Ook het economisch profiel van de omliggende

ons aandeel van de opgaven in de NOVI (*1), inzetten om tot vernieuwing en

regio (Agrofood, Logistiek, Maintenance, Biobased, High-tech etc.) geeft richting

verduurzaming te komen in het hele stedelijk netwerk. Denk daarbij bijvoorbeeld

aan de stedelijke ontwikkeling van Brabant. De relatie tussen stad en omliggende

aan groen in de stad, natuurinclusief bouwen, de jaren ‘60, ‘70 en ‘80 wijken

landschap verandert continue. De nieuwe opgaven m.b.t. energietransitie en

rond de centrumgebieden, aan de centra van de middelgrote steden en aan

klimaatadaptatie leggen een grote ruimteclaim in het stedelijk gebied zelf maar

ook in het landelijke gebied rond de steden. De trek naar de stedelijke regio’s,

komen te staan en onzekerheden over of de nieuwe werkwijze wel het antwoord

de landbouwtransitie, en de opgaven m.b.t. bijvoorbeeld stikstof, gezondheid

is op wat we zoeken kan ons ook tegenhouden in de veranderingsopgaven. We

en biodiversiteit vragen om een vernieuwde en stevigere samenwerking tussen

willen durven loslaten, en zoeken naar een nieuwe cultuur en werkwijze zowel

stedelijk en landschappelijk Brabant.

binnen de politiek, het management als bij ontwerp en uitvoering. We gaan beter programmeren om gebiedsgericht opgaven te kunnen verknopen, pilots opschalen,

Opgave verstedelijkingsstrategie m.b.t. stad en land

ontwerp en uitvoering dichter bij elkaar brengen, eigenaarschap beter organiseren,

Met deze verstedelijkingsstrategie willen we de belangen en opgaven van stedelijk

etc. We hebben het hele systeem nodig om te komen tot transitie. In deze transitie

Brabant en landschappelijk Brabant beter afwegen en verknopen zodat we de

is ook aandacht voor publiek – private partnerschappen waarbij partijen die

hoofddoelen uit onze omgevingsvisies kunnen realiseren en zowel stad als

profiteren van transities ook uitgedaagd worden om bij te dragen aan de transitie.

landschap kunnen versterken. Opgave verstedelijkingsstrategie m.b.t. strategie en werkwijze 3. WERKWIJZE OM NIEUWE OPGAVEN AAN TE KUNNEN PAKKEN

Met deze verstedelijkingsstrategie willen we het gesprek in Brabant starten over deze nieuwe werkwijze en willen we komen tot concrete voorstellen en acties voor

De opgaven uit onze Omgevingsvisies met betrekking tot gezondheid en

een echte duurzame ontwikkeling van stedelijk Brabant. Deze strategie moet hierbij

verduurzaming (energietransitie, klimaatadaptatie, vergroening, biodiversiteit, etc.)

aansluiten bij, en meerwaarde bieden aan, de opgaven die in de regio’s spelen.

van het stedelijke gebied stellen ons voor een uitdaging. We moeten tegelijkertijd

Dat doen we op het niveau van heel Brabant en op het niveau van de verschillende

de groei (woningbouw en bedrijventerreinen) en de krimpopgave (bijv. detailhandel)

stedelijke regio’s in Brabant.

van dat stedelijk gebied accommoderen en een mobiliteitstransitie tot stand brengen. Deze opgaven kunnen we niet op de oude manier oplossen. We hebben nieuwe strategieën nodig om de maatschappelijke en economische opgaven op te kunnen pakken. Veranderingen komen niet alleen voort uit de inhoud; de nieuwe overheidsfinanciën vragen ook om een andere werkwijze (het integreren van capaciteit en budgetten -binnen en tussen organisaties/schaalniveaus- en het afstemmen in tijd en ruimte van noodzakelijke investeringen en activiteiten), en om het borgen van de publieke kwaliteiten naast de private ontwikkelingen. De ‘oude strategie’ die gericht was op het accommoderen van groei van het stedelijk gebied enerzijds en het beheer van het bestaand stedelijk gebied anderzijds, moet over de kop. We staan niet alleen voor een uitdagende ontwerpopgave, maar ook voor een belangrijk organisatievraagstuk: we hebben een andere werkwijze nodig. Dat kan op weerstand stuiten. Gevestigde belangen en handelswijzen kunnen onder druk

RAPPORTAGE. Inhoudsopgave en leeswijzer

Snelle lezer? Klik direct door naar: •

Aan de hand van een korte uiteenzetting van de Brabantse planningsgeschiedenis wordt in hoofdstuk 1 een inleiding gegeven op de ruimtelijke ontwikkeling van de provincie door de jaren heen. Er wordt een beeld geschetst hoe de provincie ruimtelijk heeft ontwikkeld en welke opgaven vervolgens veranderingen met zich mee brachten.

•

De belangrijkste systeemuitdagingen voor de Brabantse verstedelijking worden beschreven in hoofdstuk 2 De Opgave. Het gaat om opgaven die ook in meer of mindere mate aan de orde zijn in de vier Brabantse regio’s afzonderlijk. De scenariostudies die in de vier regio’s hebben plaatsgevonden zorgden voor een verdere inkleuring van de opgaven. Met behulp van ontwerpend onderzoek en het ‘lessen trekken’ op basis van het Dashboard Verstedelijking hebben we samen met de regio’s lessen getrokken over hoe de opgaven aan te vliegen.

•

In hoofdstuk 3 presenteren we hoofdlijnen van de strategie, de waarden die achter de verstedelijkingsstrategie schuilgaan.

•

In hoofdstuk 4, Ontwikkelprincipes, presenteren we aan de hand van vijf thema’s de uitwerking van de strategie in eerste voorstellen voor interventies. In ‘Ontwikkelstrategie NOVEX Stedelijk Brabant’ worden eerste uitvoeringsafspraken gemaakt op twee schaalniveaus: Brabantbreed en per stedelijke regio.

Veranderend tijdsbeeld In zevenmijlslaarzen langs de Brabantse planningsgeschiedenis

Veranderend tijdsbeeld ... 1.

Brabants economische bloeiperiode (tussen 1430 en 1550)

2.

Stedelijke maakindustrie (19e eeuw)

3.

Streekplan Zuidoost-Brabant (1930)

4.

Welvaartsplan en Parochiegedachte (1947)

5.

Agrarisch Welvaartsplan (1955).

6.

Noord-Brabant in het nieuwe westen (1959)

7.

Welvaartsbalans en het Ontwikkelingsplan (1965)

8.

Manifest Brabant 2050 (1997)

9.

Het Mozaïek van Brabant (Atelier Brabantstad, 2014)

10.

Brabantse Netwerken (2014)

11.

Brabantse Omgevingsvisie (2018).

Snelle lezer? Klik direct door naar: •

Leeswijzer

•

Veranderend tijdsbeeld

•

De opgave

•

De strategie

•

Vijf ontwikkelprincipes

9

VERANDEREND TIJDSBEELD. In zevenmijlslaarzen langs de Brabantse planningsgeschiedenis Brabants economische bloeiperiode (tussen 1430 en 1550). In de late middeleeuwen

lag vaak een landschappelijke basis. In de Brabantse Langstraat kwam de leder- en

vormde Brabant het economisch zwaartepunt van Europa, met grote handelssteden

schoenenindustrie bijvoorbeeld tot stand dankzij de beschikbaarheid van schoon

als ’s-Hertogenbosch en vooral Antwerpen. Het was de bloeitijd van een stedelijke

water, eikenschors en vee. En waar populieren stonden werden klompen en lucifers

economie waarin textiel, architectuur, schilderkunst, literatuur en muziek floreerden.

vervaardigd. Schaalvergroting stond in de negentiende eeuw aan de basis van

’s-Hertogenbosch (hoofdstad van de uitgestrekte Meierij van ’s-Hertogenbosch)

diverse stedelijke industrieën met producten als textiel (Tilburg, Eindhoven en

was met 15.000 inwoners de grootste stad binnen het huidige grondgebied van

Helmond), tabak en sigaren (Eindhoven en Roosendaal), margarine (Oss), leder- en

Nederland, ontstaan op een smalle stroomrug nabij de plaats waar Dommel en Aa

schoenen (Waalwijk). Het leverde unieke vormen van Brabantse stedelijkheid op.

samenvloeien tot de Dieze. Ook andere steden als Bergen op Zoom (liggend op een

Met intensieve fabrieksbebouwing op de achtererven van Tilburgse herdgangen en

zandrug aan de Schelde) en Breda (op samenloop van de rivieren de Mark en de Aa

met Eindhoven als companytown van de Philips gloeilampenfabriek.

of Weerijs) kwamen (grotendeels organisch) tot bloei. Streekplan Zuidoost-Brabant (1930). J.M. de Casseres introduceerde begin twintigste eeuw de term ‘planologie’, omdat er noodzaak ontstond voor bovengemeentelijke samenwerking. Philips groeide tussen 1920 en 1930 van 5.000 naar 23.000 werknemers. Eindhoven groeide mede als gevolg daarvan in dezelfde tijd van 45.000 naar 90.000 inwoners. Zonder samenwerking tussen gemeenten zou het onmogelijk zijn om deze bevolkingsgroei in goede banen te leiden en om de aanleg van infrastructuur en gemeenschappelijke nutsvoorzieningen mogelijk te maken. Iedere gemeente volgde tot die tijd de logica van eigen belangen en handelde overeenkomstig haar beperkte budget. Daardoor werd het algemeen belang niet of nauwelijks behartigd. Welvaartsplan (1947). Onder leiding van katholiek voorman Jan de Quay kwam er een overkoepelend plan om de welvaart van de provincie en haar inwoners te bevorderen. Kernpunt van het welvaartsprobleem lag in het industrialisatievraagstuk, en dan met name de kwestie rondom centralisatie

10

Stedelijke maakindustrie (19e eeuw). Een tweede periode van stedelijke bloei volgde

of decentralisatie van de industrie. Uitgangspunten voor de oplossing werden

eind 19e eeuw. Hollandse textielondernemers besteedden al vanaf de 14e eeuw

gevonden in: (1) Zo min mogelijk sociale mobiliteit. Men moest zoveel mogelijk in

werk uit aan Brabantse thuiswerkers, die vanaf de 18e eeuw in toenemende mate

eigen sociaal en plaatselijk milieu blijven. Woon- en werkplaats lagen bij voorkeur

werden ondergebracht in Brabantse ‘fabriekssteden’. Achter plek van ontwikkeling

niet meer dan 6km fietsen van elkaar vandaan. (2) Een decentralisatie-agenda

van industrie en verstedelijking. In alle gemeenten werd ruimte gemaakt voor de vestiging van kleine, zelfstandige, ambachtelijke bedrijven. De groei van steden moest fors worden afgeremd. In hetzelfde jaar kwam de Parochiegedachte in zwang. Stedenbouw moest in al zijn uitingen christelijk zijn. Buurten moesten vooral overzichtelijk zijn en plaats bieden aan de ontwikkeling van gemeenschapszin. Vanuit de parochie werd gestreefd naar buurten van 6.000 personen (gedacht vanuit de omvang van de centrale parochiekerk) en voor de overwegend grote katholieke gezinnen was een eengezinswoning het woonproduct om verlangend naar uit te kijken. Agrarisch Welvaartsplan (1955). Brabant kende in de jaren ‘50 een snelgroeiende bevolking en een even zo snelle uitstoot van arbeidskrachten uit de landbouwsector. Er moest nieuwe werkgelegenheid worden gecreëerd voor de boerenzonen die in de landbouw geen plek meer konden vinden. Industrie bood daarvoor de beste kansen. Het Agrarisch Welvaartsplan presenteerde een aanpak voor het ‘kleine-boerenvraagstuk’. Een groot aantal boeren was afhankelijk van een te klein areaal, resulterend in een lage arbeidsproduciteit. Met (ingrijpende) ruilverkavelingen, technische aanpassingen aan het watersysteem, modernere bedrijfsvoering en streekverbetering moest ruimte worden gegeven aan modernisering, mechanisering, schaalvergroting en specialisatie.

Noord-Brabant in het nieuwe westen (1959). De Rijkdienst voor het Nationale Plan stelde in 1958 ‘De ontwikkeling van het Westen des Lands’ op. Dit rapport stelde geordende decentralisatie en spreiding van de bevolking voor om het ‘dichtslibben’ van de Randstad tegen te gaan. Op 10-20km buiten de Randstedelijke ring moesten nieuwe satellietsteden komen. Met ‘Noord-Brabant in het nieuwe westen’ sorteerde Brabant voor op de landelijke strategie door het westelijke deel van Noord-Brabant naar voren te schuiven als potentiele locatie voor nieuwe woon- en werkruimte.

11

Welvaartsbalans en het Ontwikkelingsplan (1965). In 1965 werd de balans opgemaakt na bijna 20 jaar Welvaartsplan. Het gespreide verstedelijkingspatroon bleek door de komst van brommer en auto een niet voorziene mobiliteit op te leveren waar de bestaande, dorpse infrastructuur niet op was berekend. Veel landelijke gemeenten waren daarnaast uit hun traditionele, landschappelijke jasje gegroeid. In plaats van de voorziene decentralisatie van de industrie over 45 gemeenten was het merendeel van de economische groei terecht gekomen in slechts 14 gemeenten (met sterke concentratie in Eindhoven, Breda en Tilburg). Omdat er wel fors was ingezet op decentrale uitleg van woongebieden was er een enorme pendel ontstaan. In 1947 werkte slechts 14% van de Brabanders buiten de eigen gemeente, in 1960 was dit al 30%. Als reactie op de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap poneerde Brabant zichzelf in het Ontwikkelingsplan als verkeersplein in Europees verband, gunstig gelegen aan talrijke grote internationale handelsverbindingen. Manifest Brabant 2050 (1997). Politici, bestuurders, wetenschappers en experts gaven in 1997 via een reeks essays hun mening over de toekomst van Brabant. Brabant was een van de snelst groeiende regio’s in Nederland. Maar er zaten schaduwzijden aan deze groei.

Met name in het buitengebied dienden zich nieuwe problemen aan, onder meer met de uitbraak van de varkenspest. De schaalvergroting van de intensieve landbouw stuitte op haar grenzen, evenals de voortschrijdende suburbanisatie met de verstening van het landschap als gevolg. Daarnaast kwamen industriële bedrijfstakken en bedrijven in moeilijkheden (als gevolg van toenemende concurrentie met lagelonenlanden). Operatie Centurion van Philips en het faillissement van DAF in 1993 vormden daarvan de eerste tekenen. De essays vormden een inspiratiebron voor actualisering van provinciaal beleid. In het ‘Streekplan Brabant in Balans’ (2002) bijvoorbeeld werd het nieuwe duurzaamheidsdenken verankerd via principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

12

Het Mozaïek van Brabant (Atelier Brabantstad, 2014). In 1989 stelde Willem Jan Neutelings de term ‘tapijtmetropool’ voor als strategie voor verstedelijking in de regio Den Haag - Rotterdam. Hierin werd de traditionele tegenstelling tussen stad en buitengebied losgelaten en werd de regio gepresenteerd als een ‘collage van fragmenten’. In zekere zin bouwt de 2014-editie van de International Architecture Biënnale Rotterdam voort op dit concept. Nu werd er ontwerpend onderzoek gedaan naar de Brabantse ‘mozaïekmetropool’. Floris Alkemade typeerde Brabant in dit onderzoek als ‘heel veel verschillende fragmenten die schijnbaar niks met elkaar te maken hebben en die allemaal even belangrijk lijken’: Brabant heeft steden die geen grote steden willen worden en dorpen die geen dorpen meer zijn. Het ontwerpend onderzoek naar Brabant agendeert regionale samenwerking en slimme

Brabantse Netwerken (2014). Analyse van de Brabantse netwerksamenleving door

koppelingen van (water)opgaven aan de ontwikkeldynamiek. Uitdaging hierbij is

Pieter Tordoir: “Aan de frontlinie van de Brabantse economie en samenleving,

om het ‘hele tapijt’ in zijn kracht te zetten. Kritiek bij het concept mozaïekmetropool

ontvouwt zich gaandeweg een grootschalige verstedelijking met meerdere kernen,

was dat het kan leiden tot ‘pappen en nathouden’ zonder scherpe keuzes te hoeven

een polycentrische mega­-agglomeratie analoog aan de Randstad en daarmee ook

maken. De Zwart en Lammers labelen de mozaïekmetropool in het artikel ‘De

sterk verbonden. Deze agglomeratie rijgt de grotere en kleinere steden in de regio

Noord-Brabantse nevelstad nader beschouwd’ (Agora, 2016) als een kritiekloze

aaneen tot een regional daily system. We zien daarbinnen krachtige, ruimtelijke

metafoor die enerzijds de gewenste samenhang in het verstedelijkte landschap

uitsorteringen tussen groepen in de samenleving. Die uitsorteringen zijn bepalend

verbeeldt en anderzijds uiteenlopende ontwikkelingsambities legitimeert.

voor groei of krimp, vergroening of vergrijzing van individuele gemeenten, wijken en kernen’. Brabantse Omgevingsvisie (2018). Met de Brabantse Omgevingsvisie kwam er een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. Centraal hierin staat het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Dit laat zich vervolgens vertalen naar het werken aan de energietransitie, aan een klimaatproof Brabant, een slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie.

13

De opgave De uitdagingen voor het Brabantse systeem

Hoofdlijn van de opgave ...

Snelle lezer? Klik direct door naar: •

Leeswijzer

•

Veranderend tijdsbeeld

•

De opgave

•

De strategie

•

Vijf ontwikkelprincipes

1.

Richting 3 miljoen Brabanders

2.

Groei komt voort uit inkomende buitenlandse migratie

3.

Bouwen voor eenpersoonshuishoudens en vitaal oud worden

4.

We moeten het grotendeels doen met wat we al hebben

5.

Groei van het Daily Urban System geeft de B5 wind in de zeilen

6.

Kernkwaliteit van het Brabantse dorp van binnenuit bedreigd

7.

Brabant in 2050: energie- en grondstoffenneutraal

8.

Brabant in 2050 klimaatadaptief

9.

Nieuwe verhouding tussen stad en land

10.

Interactie neemt toe op alle schaalniveaus

11.

Toenemend verschil tussen stad en niet stad

12.

Het autosysteem loopt vast

13.

Ruimtedruk in de stad: fiets en OV drager stedelijke mobiliteit

14.

OV : opgave bereikbaarheid en capaciteit

15.

Mobiliteit voor iedereen

16.

Verkeersveiligheid en leefbaarheid

17.

Slimme mobiliteit benutten en sturen op gedrag

18.

Kwantitatieve opgave werkgebieden: efficiënt benutten van programmering, leegstand en verouderde locaties

19.

Kwaliteitsopgave werkgebieden

15

De opgave. De uitdagingen voor het Brabantse systeem 1.

Richting 3 miljoen Brabanders

In 2050 zijn er naar verwachting ruim 2,8 miljoen Brabanders. Nu zijn dat er ruim 2,5 miljoen. Dat betekent dat er in een kleine dertig jaar een stad ter grootte van Eindhoven bij komt (Eindhoven heeft momenteel circa 240.000 inwoners). Van oudsher is natuurlijke aanwas (geboorte min sterfte) een belangrijke motor achter bevolkingsgroei. Deze motor is echter zo goed als stilgevallen. Ook de binnenlandse migratie is per saldo zeer beperkt tot nagenoeg 0. Ontwikkeling

Bevolkingsgroei 2010-2019 Bron: CBS 2019

> 0,6% punt krimp 0,4 - 0,6% punt krimp 0,2 - 0,4% punt krimp < 0,2% punt verschil 0,2 - 0,4% punt groei 0,4 - 0,6% punt groei > 0,6% punt groei

Vanaf 2000 lag het binnenlandse migratiesaldo gemiddeld iets boven de +300 personen per jaar. De (duidelijke) ‘plus’ in de binnenlandse saldi van de laatste jaren – tussen 2017 en 2019 tussen de +2.000 en +3.500 (het hoogste niveau van deze eeuw)– is in 2020 weer teruggevallen naar ‘nul’. Dat betekent dat er vorig jaar net zoveel mensen uit Brabant zijn vertrokken, dan er vanuit andere delen van ons land naar onze provincie zijn verhuisd. Al met al wordt de bevolkingsgroei in Brabant de laatste jaren meer en meer bepaald door de buitenlandse migratiesaldi, in de periode 2015 t/m 2020 voor ruim 90%. Bron: Bevolkingsprognose Brabant

16

De arbeidsmigrant in cijfers (KBA Nijmegen, 2020)

2.

Groei komt voort uit inkomende buitenlandse migratie

De bevolkingsgroei wordt bepaald door inkomende buitenlandse migratie, met daarbinnen de kennismigranten en arbeidsmigranten als dominante groepen. Tot 2030 komen er elk jaar zo’n 10.000 bij, daarna jaarlijks rond de 7.000. Ondanks deze instroom zal er een tekort zijn op de arbeidsmarkt, zeker aan hoger gekwalificeerd personeel. Dat stelt Brabant voor een grote uitdaging. Er is immers een wereldwijde strijd aan de gang om kennismigranten binnen te halen. Een aantrekkelijk en gezond woon- en leefklimaat, met een prachtig landschap en cultuur om de hoek, is daarom een absolute vestigingsvoorwaarde voor een succesvolle kenniseconomie. Niet alle migranten laten zich leiden door dezelfde motieven. Waar de kennismigrant zich vaker laat leiden door kwaliteit van leven zijn voor andere migranten werk, gezinshereniging- en vorming, studie en asiel belangrijke migratiemotieven. Een kwart van alle ‘Nederlandse’ arbeidsmigranten werkt bij Brabantse bedrijven (vooral in de logistiek, tuinbouw en voedingsindustrie). Niet alle migranten vestigen zich overigens voor langere tijd in Brabant. Arbeidsen studiemigranten komen doorgaans voor kortere tijd, terwijl gezins- en asielmigranten meestal langere tijd blijven. Grote uitdagingen is om zowel de korte als lange blijvers een thuis met meerwaarde te bieden binnen de Brabantse maatschappij.

17

3.

Bouwen voor eenpersoonshuishoudens en vitaal oud worden

De andere grote motor achter de woningvraag is de huishoudensverdunning. Over dertig jaar is maar liefst 40 procent van de huishoudens in Brabant een eenpersoonshuishouden (dat was in 2000 nog een kwart). Zelfs als er geen inwoner meer bij komt, zijn er dus fors meer huizen nodig. De bevolkingspiramide van Brabant lijkt bovendien steeds minder op een piramide. Het aantal jongeren neemt af en de (oudere) top (van de bevolking) wordt breder. Verwacht wordt dat rond 2040 de vergrijzing haar hoogtepunt zal bereiken. Nu is nog ‘maar’ 20 procent van Brabant 65 jaar of ouder, in 2040 is dat al 27 procent. Het aantal 75+ers zal (iets meer dan) verdubbelen tot 2050. Juist in landelijke gebied neemt het aantal alleenwonende ouderen het snelst toe.

1980

18

2000

2020

2040

Huishoudensgrootte Noord-Brabant (2020)

Woningvoorraad Noord-Brabant (2020)

De Brabantse woningvoorraad bestaat voor 75% uit ruime woningen voor grote gezinnen (van gemiddeld 146 m2). Meer van hetzelfde helpt richting de toekomst niet. De uitdaging van de komende decennia is bouwen om vitaal oud te kunnen worden. Dat gaat niet alleen over woningen die kleiner zijn van oppervlakte maar ook over minder onderhoud, meer gelijkvloers (al dan niet gestapeld), meer service en dichter bij voorzieningen of zorgconcepten.

Bron: CBS, 2020

19

1930

1970

2020 Brabantse steden en dorpen zijn als het gevolg van de kleinere huishoudens aan het verdunnen. Dat blijkt een wetmatigheid te zijn die geldt voor Tilburg,

Eindhoven in 1930: 253 inw/ha

Eindhoven in 1970: 63 inw/ha

Eindhoven in 2020: 39 inw/ha

‘s-Hertogenbosch, Breda en Eindhoven in vergelijkbare mate: in 1930 telde de steden nog circa 200-300 inwoners per hectare, in 2020 bedraagt de dichtheid nog slechts 40 inwoners per

‘s-Hertogenbosch in 1930: 233 inw/ha

‘s-Hertogenbosch in 1970: 66 inw/ha

‘s-Hertogenbosch in 2020: 44 inw/ha

hectare (vergelijk 1970: 60-80 inwoners per hectare). Deze trend is ook zichtbaar in de middelgrote steden en in de dorpen.

Breda en Tilburg in 1930: 113 en 176 inw/ha

20

Breda en Tilburg in 1970: 71 en 72 inw/ha

Breda en Tilburg in 2020: 46 en 46 inw/ha

4.

We moeten het grotendeels doen met wat we al hebben

Circa 85% van de toekomstige woningen in Brabant staat er al. Om die bestaande woningvoorraad klaar te maken voor de toekomst wacht een flinke opgave. De transformatieopgave betreft energie, klimaatbestendigheid (water, hitte, ecologie), voorzieningencentra, mobiliteit, kansengelijkheid, gezondheid en aansluiting van de woningvoorraad bij de toekomstige demografische opbouw.

Grootste opgave ligt in bestaand stedelijk gebied Doorkijk naar 2050

Die transformatieopgaven spelen in het hele bebouwde gebied, van B5 (dat zijn de 5 grootste Brabantse steden: Eindhoven, Tilburg, ‘s-Hertogenbosch, Breda en Helmond) tot M7 (dat zijn de middelgrote steden Bergen op Zoom, Meierijstad, Oosterhout, Oss, Roosendaal, Uden en Waalwijk) en kleine kernen. In de historische binnensteden, oude bebouwing in de kernen en vooroorlogse stedelijke wijken is transformeren al lang de realiteit. In de loop van de tijd hebben die gebieden zich al meerdere keren aangepast aan de nieuwe eisen. Zeker in de B5 is de transformatie van binnensteden, herontwikkeling van stationsgebieden en revival van vooroorlogse stadswijken in volle gang. De grootste transformatieopgave bevindt zich in de naoorlogse wijken. In Brabant staan in totaal 1,2 miljoen woningen waarvan 89% in naoorlogse wijken. Deze naoorlogse wijken zijn merendeels in korte tijd vanaf de tekentafel gebouwd naar een ‘eindbeeld’ en daarna nauwelijks nog aangepast. Ze verkleuren niet mee met groei en veranderende woonwensen. Sinds de bouw staan ze vol met ruime eengezinswoningen die als gevolg van huishoudensverdunning steeds minder bewoners tellen. Als gevolg neemt de inwonerdichtheid in de hele wijk af en komt het voorzieningendraagvlak onder druk te staan. Bovendien is een deel van de voorraad ook aan het einde van haar levensduur.

De opgave is om de naoorlogse wijken ontwikkeldynamiek te geven waarin genoemde transformaties een plek kunnen krijgen.

21

Restruimte grenzend aan groenstructuur Blinde gevels aan het groen

Verouderde centrumuitstraling

Onbenutte plintruimte

Brabant heeft circa 7.000 leegstaande gebouwen. Op het platteland wordt de hoeveelheid leegstand de komende jaren nog veel groter, omdat veel boeren stoppen. De totale leegstand bestaat voor 10% uit winkels, 11% uit kantoren, 8% uit industrie, 5% uit maatschappelijk

Een andere grote ontwikkeling is leegstand. Brabant heeft circa 7.000 leegstaande

vastgoed en voor 10% uit boerderijen.

gebouwen. Op het platteland wordt de hoeveelheid leegstand de komende jaren nog veel groter, omdat veel boeren stoppen. In 2030 staat naar verwachting 6.200.000 m2 aan agrarische bebouwing leeg. De verstedelijkingsstrategie van Brabant gaat al met al voor verreweg het grootste deel over de aanpassingen die nodig zijn in de bestaande stedelijke gebieden: het transformeren van (leegstaande) gebouwen, infrastructuur en publieke ruimte. Doel moet zijn dat de transformatie de opgaven van de wijk of kern volgt. In stedelijke wijken met een goede OV-bereikbaarheid en een grote woningbouwopgave ligt verdichting voor de hand. Op andere plekken ligt de nadruk misschien eerder op ruimte maken voor een groen-blauwe structuur, diversificeren van de woningvoorraad, het creëren van een lokaal centrum of het mengen van functies. Daarom is deze tranformatieopgave ook niet beperkt tot de B5 maar geldt die net zo goed voor de M7 en kleinere kernen; de opgaven en uitkomsten verschillen maar het gereedschap van ‘transformeren van het bestaande’ is voor al die klussen noodzakelijk. Transformeren van het bestaande is veel gemakkelijker met de rugwind van een woningbouwopgave. De opgave is daarom de woningbouwopgave in te zetten als hefboom om de leefbaarheid van Brabantse buurten, dorpen en steden te versterken.

22

In 2030 staat naar verwachting één op de vier agrarische stallen leeg

5.

Groei van het Daily Urban System geeft de B5 wind in de zeilen

bijdraagt aan de kern zelf. Een ander typisch Brabants fenomeen is dat relatief veel van deze economisch succesvolle middelgrote steden (Oosterhout, Waalwijk, Uden

In ‘Brabantse Netwerken’ laat Pieter Tordoir (in 2014) de ontwikkeldynamiek van

en Veghel) zeer beperkt zijn aangetakt op het OV-systeem. Als gevolg is het voor

Brabant zien. Er blijkt in Brabant sprake van een uitsortering van bevolkingsgroepen

bedrijven in deze gemeenten lastig om aan stagiairs en hoogopgeleid personeel

langs lijnen van leeftijd, opleidingsniveau en oriëntatie die samengaat met steeds grotere

te komen. Dit remt potentiele doorgroei van bedrijven. Een mooi tegenvoorbeeld

Daily Urban Systems. Die ontwikkelingen hebben hun weerslag op de ruimtelijke

is Oss waar de ligging van Organon in het hart van de stad en naast het station

ontwikkeling van Brabant. De B5 hebben daarbij de meeste wind in de zeilen.

een prachtige startpositie biedt. De uitdaging voor de middelgrote kernen van Brabant

Zij zijn aantrekkelijk voor jong en hoger opgeleid en zij kunnen hun stedelijk

is om zich niet meer te zien als vanzelfsprekend voorzieningencentrum in de regio maar als

voorzieningenaanbod uitbreiden door de combinatie van ‘lenen van elkaars

onderdeel van een stedelijk netwerk, waarin economische, landschappelijke en stedelijke

kwaliteiten’ en centralisatie van publieke en commerciële functies. De algemene

kwaliteiten ingezet worden om binnen dat stedelijke netwerk een unieke toevoeging te zijn.

trend van de teloorgang van een deel van de winkelvoorraad wordt vooralsnog ruim

Niet de kwantiteit van wonen en werken in de eigen kern maar de unieke kwaliteiten

goed gemaakt doordat het voedingsgebied groeit en andere functies in de stad juist

binnen het grotere geheel van het stedelijk netwerk is doorslaggevend voor de

groeien (werken, horeca, gemengde concepten). Daar ligt wel een opgave om de

toekomst van de middelgrote kernen.

centra te blijven transformeren naar deze nieuwe functies. In de middelgrote kernen zijn meerdere bewegingen zichtbaar. De studie van Pieter Tordoir laat zien dat veel middelbaar opgeleiden en ouderen vanuit kleine kernen kiezen voor het voorzieningenaanbod van de middelgrote kernen. Omgekeerd hebben de middelgrote kernen het juist lastig hun regio functie te behouden. Zij gaan op in uitdijende Daily Urban Systems waarin de grootste steden het merendeel van de activiteiten en voorzieningen naar zich toetrekken. Specifiek voor Brabant en de M7 is bovendien dat de middelgrote kernen economisch merendeels uiterst succesvol zijn en volop deel uitmaken van de nationale economie en topsectoren. Aan de andere kant zijn de krimp van het winkelaanbod en centralisatie van voorzieningen juist hier zichtbaar. De suburbane naoorlogse woonwijken lijken fysiek sterk op dezelfde generatie wijken in de B5 terwijl voorzieningenaanbod, bereikbaarheid en de kansen

Daily Urban System Bron: ODIN 2004-2018

op transformatie door groei duidelijk kleiner zijn. Potentiele plussen zoals groenblauwe woonkwaliteiten en de onmiddelijke nabijheid van het landschap worden in de middelgrote kernen over het algemeen beperkt uitgenut. De functiescheiding is bovendien zo ver doorgevoerd dat het economisch succes ruimtelijk weinig

23

6.

Kernkwaliteit van het Brabantse dorp van binnenuit bedreigd

op de beschikbaarheid van ruimte; van manege, tot pannenkoekenhuis en van tuincentrum tot webshop. En van golfbaan, tot kaasboerderij met theetuin of tot

De leefbaarheid van het dorp is een belangrijk thema in het maatschappelijk

caravanstalling. Nieuwe voorzieningen zoals winkels, recreatie en horeca richten

en politiek gesprek over de ruimtelijke inrichting van Brabant. Met het

zich niet alleen op het dorp maar op een breder (stedelijk) verzorgingsgebied. Deze

‘voorzieningenaanbod’ en het behouden van jongeren en gezinnen als kernpunten

sectoren stellen wel andere vestigingseisen dan de traditionele agrarische sector.

in de discussie. Het bouwen van (starters)woningen wordt daarin gezien als

De kwaliteiten die dat vraagt kunnen wel conflicteren met de huidige trends richting

belangrijkste oplossingsrichting. Vraag is of een dergelijke strategie veel zoden aan

grootschalige agrarische bedrijvigheid, autodominantie en de beperkte ruimtelijke

de dijk zet. De centralisatie van publieke en private voorzieningen en het verdwijnen

kwaliteit van oude en nieuwe werk- en woonfuncties. Wat nodig is voor de leefkwaliteit

van fysieke winkels is bijvoorbeeld een landelijke trend die niet anders wordt als een

van de dorpen is dus een bredere agenda die gaat over nieuwe economische dynamiek, slim

dorp met enkele procenten groeit.

omgaan met functie(mix) en voorzieningen, investeren in nabijheid en kleinschaligheid en focus op de kwaliteiten die gaan helpen voor de toekomst.

In de afgelopen (ruim) vijftig jaar is de werkgelegenheid in de agrarische sector teruggelopen. Ook veel werk in de agrarische keten en diensten ‘centraliseert’. Voor arbeidsintensieve (seizoens)werkzaamheden worden vaak arbeidsmigranten ingezet. Gevolg is dat de arbeidsrelatie tussen de dorpen en de agrarische sector nog maar beperkt is. Het Brabantse dorp is steeds minder een autonome eenheid en steeds meer een woonenclave in een groter stedelijk en suburbaan systeem. Ook qua woningmarkt, waarbij nieuw aanbod links- of rechtsom terecht komt bij een bredere en merendeels welvarende doelgroep, die aangetrokken wordt door landelijke en dorpse woonkwaliteit. In de dorpen daalt het voorzieningenaanbod en komen andere functies. Oorzaken zijn centralisatie van voorzieningen, toename van e-commerce ten koste van fysieke winkels, vergrijzing en ontgroening (en in het verlengde daarvan verdunning van huishoudens). Kansen zijn er ook voor de Brabantse dorpen. De nabijheid van het landschap, de online-economie, werken op afstand, de nabijheid van de stedelijke markt met een onderscheidende woonkwaliteit als troef. Het biedt de dorpen de gelegenheid economisch dynamisch te blijven of te worden. Groei in werkgelegenheid komt voort uit recreatie en bedrijvigheid die leunt op het landschap of simpelweg

24

Rond 2050 zal naar verwachting in maar liefst twee op de drie gemeenten het aantal inwoners teruglopen (provinciale prognose) 2010-2020

2030-2040

2040-2050

Krimp of toename?

25

PORT OF MOERDIJK

7.

Brabant in 2050: fossielvrije energie en circulaire grondstoffen

De klimaatverandering is de komende 30 jaar de grote ruimtelijk transitieopgave. Om haar bijdrage te leveren aan de wereldwijde noodzaak tot CO2-reductie is de opgave allereerst zo snel mogelijk de CO2 uitstaat terug te brengen. Dit laat zich concreet vertalen in een grondstoffentransitie en een energietransitie. Energietransitie De Brabantse doelstelling is om in 2050 voor energie geen fossiele bronnen meer te gebruiken. Tussenstap in 2030 is een reductie van ten minste 50% van de broeikasgassen (ten opzichte van 1990) en 50% energieneutraal. Aan deze doelstelling wordt gewerkt via twee sporen: (A) Verminderen van het energieverbruik. Energie die je niet verbruikt hoef je ook niet op te wekken; (B) Verduurzaming van het energiesysteem: via wind, zon, water en duurzame warmte. Duurzame energie (opwek, transport en opslag) is een nieuwe ruimtevrager in een Brabant dat al op de vierkante meter is bestemd en ingericht. Dat vraagt (gedacht vanuit zuinig ruimtegebruik) om meervoudig ruimtegebruik, slimme functiecombinaties en (in sommige gevallen) een weloverwogen functieverandering van een gebied of locatie. Regionaal zijn de ambities voor de opwek van elektriciteit in 2030, vastgelegd in de Regionale Energiestrategieën (RES 1.0). In de RES 2.0 zal de warmtevoorziening voor de gebouwde omgeving centraal staan. •

RES Metropoolregio Eindhoven: 49% minder CO2-uitstoot en opwekken 2 TWH aan duurzame energie

•

RES West-Brabant: 2,0 TWh duurzaam opwekken met grootschalige wind- en zonne- energie en 0,2 TWh met innovatieve technieken.

•

REKS Hart van Brabant: 1 TWH duurzame opwek, 20% energiebesparing (50% besparing richting 2050).

•

RES Noordoost Brabant: 1,6 TWh hernieuwbare elektriciteit, 11% besparen op elektriciteit en warmte en opwekken van 3 PJ duurzame warmte.

26

Naast de Regionale energiestrategieën worden er ten behoeve van de energievoorziening voor de industriële clusters en bedrijven, Cluster Energiestrategieën (CES) opgesteld. Binnen Brabant is er al een CES voor Moerdijk, onderdeel van de CES Rotterdam-Moerdijk (Cluster 5). Daarnaast is een CES in de maak voor de zogenaamde Cluster 6 bedrijven: Bedrijven die geen deel uitmaken van een industriecluster, maar wel een (zeer) grote energievraag hebben. Brabant kent een groot aantal van dit soort bedrijven. Transitie van centraal naar decentraal. Momenteel vindt productie/winning van energie plaats op een beperkt aantal centrale plekken met bijbehorend distributiesysteem. Richting de toekomst zal energieproductie (en opslag) veel meer gedecentraliseerd geregeld worden. Dat leidt tot (inter)nationale ontwikkelingen zoals een waterstofnetwerk, delta-corridor, grote vermogens elektriciteit via wind van zee en tot meer regionale of lokale ontwikkelingen waar opwek en vraag van/naar energie op dat niveau op elkaar worden afgestemd. Het energiesysteem dreigt vast te lopen. Ontwikkelingen in aanbod en vraag naar bijvoorbeeld elektriciteit gaan momenteel zo snel dat netbeheerders de verzwaring en uitbreiding van het elektriciteitsnet niet gelijk op kunnen laten lopen met deze ontwikkelingen.

Dit heeft deels te maken met (te weinig) inzicht/duidelijkheid in toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen en bijbehorende energievraag, deels met een versnelde omschakeling naar elektriciteit voor verwarming, productieprocessen

en mobiliteit (wat leidt tot een steeds groter wordende vraag) en deels met een

binnenvaart, railtransport en luchtvaart. Het transporteren van waterstof moet

gebrek aan technisch personeel. Bij nieuwe ontwikkelingen op het gebied van

in de toekomst (medio 2027) grotendeels mogelijk worden door een nationaal

verstedelijking, verduurzaming van de gebouwde omgeving en mobiliteit zouden

netwerk, ook wel de waterstofbackbone genoemd. Hierbij wordt gebruik

opwek en transport/beschikbaarheid van energie daarom integraal onderdeel

gemaakt van (A) bestaande aardgas-buisleidingen, van (B) gereserveerde ruimte

moeten worden van de planvorming.

opgenomen in de Structuurvisie buisleidingen en deels ook van (C) nieuwe corridors (met de Deltacorridor, tussen Rotterdam en Duitsland als voorbeeld).

De energietransitie stelt nieuwe en zwaardere eisen aan de energie-infrastructuur: om

Het netwerk zal eerst vooral industriële sectoren bedienen en wellicht later ook de

te kunnen zorgen voor tijdige beschikbaarheid van de juiste soorten energie

gebouwde omgeving. Tot die tijd kunnen de risico’s van het vervoer en het aantal

op de juiste plaatsen en in de juiste hoeveelheden. Het energiesysteem moet

transporten van gevaarlijke stoffen structureel toenemen omdat het transport van

bovendien flexibeler worden. Ongeacht waar de duurzame energie vandaan komt

waterstof(dragers) op korte termijn alleen mogelijk is over de weg, het spoor of

(vanaf zee, het directe ommeland, import via Rotterdamse haven, enz.), zal een

water. Bij deze vormen van vervoer zijn relatief veel transporten nodig zijn om een

deel van het jaarlijkse energieverbruik op moeten worden geslagen om dag-

hoeveelheid energie te transporteren.

en seizoenswisselingen te overbruggen. Flexibiliteit kan onder andere worden gerealiseerd door op strategische plekken in het hoofdnetwerk buffercapaciteit

Een grote uitdaging voor de energietransitie ligt in bestaand stedelijk gebied. Binnen

te bewerkstelligen. Potentie voor dit soort plekken ligt met name op multimodale

de wijken moet ruimte worden gereserveerd voor buffer en opslag (denk aan

knooppunten van elektriciteit, water, buisleidingen, moleculen en logistiek. Plekken

transformatorhuisjes, nieuwe kabels en leidingen, in bestaande gebouwen en in de

waar omzetting van de ene energievorm naar de andere kan plaatsvinden en waar

ondergrond). Nieuwbouw valt met de huidige stand van techniek energieneutraal-

tegelijkertijd in de directe nabijheid ook een grote vraag naar energie in wat voor

of zelfs energieleverend te maken (al gaat dat niet uit zichzelf). Bestaande bouw is

vorm dan ook is. De industrie is als grootgebruiker hoe dan ook een belangrijke

daarentegen slecht geïsoleerd en heeft een hoge temperatuur verwarmingsvraag.

spil in de energietransitie. Het transitiepad is daarbij echter nog grotendeels in

Deze verwarming is deels te verkrijgen via geothermie of via restwarmte uit

ontwikkeling via de eerdergenoemde CESsen.

industrie. Of waar deze potentie beperkt is via elektrificatie (warmtepompen).

Kansen voor duurzame waterstof. De verwachting is dat duurzame waterstof

Een andere grote uitdaging is om opweklocaties voor energie een goede plek te geven met

(dan wel duurzame waterstofdragers) een grote rol gaat spelen binnen de

behoud van bestaande of het creëren van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten. Eerder onderzoek

energietransitie en gaat bijdragen aan het verminderen van luchtvervuiling

(Brabant op 100% wind, water en zon - TU/E en HNS, 2018) toont aan hoeveel en in

en schadelijke emissies (Rapportage ketenstudie omgevingsveiligheid van

welke vorm energie-opwek een plek kan krijgen in het landelijk en stedelijk gebied

duurzame waterstofrijk energiedragers, Min I&W, december 2021). Mogelijke

in Brabant met aandacht voor ruimtelijke kwaliteit. Het devies vanuit ruimtelijke

toepassingen van waterstof gaan enerzijds over het vervoeren van energie

kwaliteit voor energie-opwek is daarbij: ‘geen generieke monofunctionele,

over lange afstanden en het grootschalig en langdurig opslaan van energie.

losgezongen technische energieproductielandschappen maar luisteren naar het

Anderzijds kan waterstof de energiebron vormen voor de industrie, bij zee- en

landschap’.

27

Circulaire economie

bouwen kan de bouwopgave versnellen. Uitgangspunt is minder CO2-uitstoot en

In 2050 zijn er naar verwachting ruim negen miljard mensen die voldoende voedsel,

minder gebruik van primaire grondstoffen. Economie voor stad en land, nieuwe

water en materialen nodig hebben en in welvaart willen leven. De behoefte aan

woningbouwconcepten en duurzaamheid worden zo gecombineerd.

grondstoffen neemt alleen maar toe terwijl ze juist schaarser worden. Bewuster omgaan met grondstoffen vermindert de impact op bodem, water, lucht, klimaat

Om de circulaire ambities voor de bouwsector in 2030 te bereiken is versnelling

en natuur, tegelijkertijd wordt het economisch steeds meer rendabel om duurzaam

nodig. Vanuit de Brabantse Aanpak Circulair Bouwen (BACB) wordt met de

met beschikbare grondstoffen om te gaan. Brabant heeft zichzelf als doel gesteld om

marktsegmenten uit de bouwsector gezamenlijk toegewerkt naar de circulaire

de stap te zetten van wegwerpeconomie naar circulaire economie. Stedelijke gebieden

versnelling in de bouw. Hiermee is stap gezet naar gezamenlijke norm voor circulair

hebben grote aantrekkingskracht op circulaire activiteiten door (1) haar goede

bouwen in Brabant.

infrastructuur en (2) door haar hoge dichtheid en massa. De locatiekeuze van een recyclingbedrijf bijvoorbeeld, zal mede worden bepaald door de mate waarin aan-en afvoer efficiënt kan plaatsvinden. Tevens kunnen er deeleconomie en servicegerichte (repair, refurbish) activiteiten ontstaan die dichtheid en massa nodig hebben. De stedelijke omgeving biedt ook mogelijkheden voor urban mining (voor metalen) en het sluiten van andere specifieke kringlopen, zoals die voor bouwmateriaal en (afval)water. Op een grotere schaal biedt de combinatie van de agro-sector met procesindustrie en chemie interessant. Op dit snijvlak worden veel nieuwe oplossingen ontwikkeld waarin met behulp van ‘bio’ hernieuwbare ketens ontstaan ter vervanging van eindige grondstoffen. Opgave is om ruimtelijk de condities te scheppen voor de circulaire economie op beide schaalniveaus. De circulaire opgave heeft ook een direct raakvlak met verstedelijking. Inzetten op circulair nieuwbouwen en renoveren van woningen biedt economische kansen voor Brabant. Het draagt bovendien fors bij aan de klimaatdoelstellingen. De bouw is voor 50% verantwoordelijk voor de grondstromen en is substantieel voor de stikstofproblematiek.

Circulariteit biedt volop kansen voor een (economisch) robuust en toekomstbestendig Brabant: biobased bouwen biedt kansen (of uitweg) voor de landbouw door teelt van vezelproducten (hennep/vlas), die direct inzetbaar zijn voor de bouw; industrieel conceptueel (hout)bouwen, flexibel en aanpasbaar

28

8.

Brabant in 2050 klimaatadaptief

Brabant West speelt verzilting. Dit zal op termijn toenemen als er niet genoeg ‘tegendruk’ van zoetwater in het oppervlaktewatersysteem is.

Ondanks de inspanningen om de CO2 reductie terug te brengen verandert het klimaat fors: de zeespiegel stijgt, het wordt warmer en ook droger en natter. De

HET WORDT NATTER: risico op schade en ontwrichting. Bij wateroverlast gaat het om

extremen worden groter. De hetere zomers, de heftigere zomerbuien en nattere

watergangen die buiten hun oevers treden omdat deze de hevige neerslag niet

winters hebben effecten op een groot aantal terreinen, waarvan sommige effecten

kunnen verwerken. Dat kan komen door perioden van langdurige neerslag in

zichtbaar zijn (zoals wateroverlast, schade in land- en tuinbouw, en hittestress) en

een groter gebied of door een kortstondige lokale wolkbreuk. In het verstedelijkt

andere op het eerste gezicht misschien minder opvallen (zoals de stijging van het

gebied gaat dit gepaard met rioleringsproblematiek, ‘water op straat’ of erger en

aantal allergiedagen, droogte, veranderingen in ziekten en plagen en toename kans

kan aanzienlijke schade en ontwrichting ontstaan. Gezien hoogteverschillen in het

natuurbranden en uitval IT-voorzieningen).

landschap zijn lage delen van het landschap (zoals beekdalen, vennen, natuurlijke laagten en buitendijkse gebieden langs de regionale rivieren) van nature veel gevoeliger voor wateroverlast dan hogere delen. Ook gebieden met een aanzienlijke mate van verharding (straten, gebouwen en alle andere soorten van verhard oppervlak) krijgen eerder met wateroverlast te maken dan onverharde gebieden. De afgelopen decennia was de inrichting van het waterbeheer vooral gericht op zo snel mogelijk afvoeren van water ten gunste van landbouw en verstedelijking. In het rivierengebied en de Brabantse Delta is de verwachting dat we in de toekomst hogere waterstanden moeten opvangen. De mogelijke gevolgen van overstromingen worden steeds groter, omdat het aantal inwoners en de

Plaatsgebonden overstromingskans >0cm Grote overstromingskans (>1/30 per jaar) Middelgrote kans (1/30 tot 1/300 per jaar) Kleine kans (1/300 tot 1/3.000 per jaar) Zeer kleine kans (1/3.000 tot 1/30.000 per jaar)

(Klimaateffectatlas.nl/LIWO)

DE ZEESPIEGEL STIJGT: toename overstromingsrisico en verzilting. Het risico op overstromingen (vanuit de zee of de grote rivieren) neemt toe als gevolg van klimaatverandering. Het zijn vooral de poldergebieden die kwetsbaar zijn, waarbij delen van die polders zowel met meer hoge waterstanden, als zeer korte evacuatietijden te maken hebben. In het uiterste westen van de polders in West-

29

Verleden ca.1850 - Historisch landschap

Heden - Ontwateringsmachine Brabant

Toekomst - Beekdallandschap als structuurdrager

Naar een gezond beekdallandschap (HNS, 2019)

economische waarden achter de rivierdijken toenemen. 80% van Brabant is een

infiltreerde het meeste water lokaal in de grond en vulde zo het grondwater aan.

combinatie van zandgronden en beken; het bekenlandschap. Vrijwel overal zijn waterlopen gegraven, en beken rechtgetrokken en uitgediept. Door toevoeging van

Tijdens langere tijden van droogte is er een watertekort. Veel natuurgebieden in

verharding en intensivering van de landbouw met als gevolg ontwatering en een

Brabant kampen structureel met verdroging door te lage grondwaterstanden.

teruglopende bodemkwaliteit is de sponswerking van het hele beekdalsysteem

Beregening ten behoeve van de landbouw en toegenomen drinkwatervraag tijdens

afgenomen. Het water wordt nauwelijks vastgehouden en nutriënten en

droge perioden zet het grondwater verder onder druk. De agrarische bodems zijn

bestrijdingsmiddelen spoelen uit. Zeker als extremen in het weer gaan toenemen

op veel plaatsen uitgeput als gevolg van de intensieve benutting die er jarenlang op

kan het huidige watersysteem gebaseerd op afvoer het teveel aan water niet langer

plaats gevonden heeft. De bodemkwaliteit is slecht door verregaande eutrofiering,

aan. Er ontstaat vaker wateroverlast in de laaggelegen gebieden en neerslagpieken

vervuiling en verdichting door zwaar landbouwmaterieel. Het bodemleven en het

zorgen voor grote schade in stad, land- en tuinbouw.

organische stofgehalte zijn hierdoor teruggelopen, waardoor de capaciteit om water vast te houden sterk is afgenomen. De natuurlijke sponswerking en buffercapaciteit

HET WORDT DROGER: stad, natuur en landbouw hebben last van verdroging. Grondwater

is niet langer aanwezig.

is een belangrijke pijler onder de totale zoetwatervoorziening en een drijvende kracht achter het watersysteem. Op hoge gronden infiltreert water dat in de

BODEMDALING: funderingsproblemen in historische kernen. Bodemgesteldheid in

lagere delen als kwel aan de oppervlakte komt. Veel kwetsbare natuur is daarvan

relatie tot verstedelijking gaat over de vraag of de bodem stevig genoeg is om

afhankelijk. Onderweg wordt grondwater ook opgepompt voor allerhande gebruik,

op te bouwen en of de gebouwde omgeving daarna voor de lange termijn prettig

ondermeer door de landbouw. Het is dan ook van belang dat het gebruik van

bewoonbaar blijft. In Brabant is bodemdaling op zichzelf niet een probleem zoals in

grondwater in evenwicht is met de aanvulling ervan. Die balans staat momenteel

de Randstad, omdat oxiderende veenlagen in de ondergrond niet voorkomen in de

ernstig onder druk, met name op de hogere zandgronden. Er wordt steeds meer

mate zoals daar aan de orde is. Funderingsproblemen zoals we die uit de Randstad

onttrokken en steeds minder grondwater aangevuld. Dit komt in belangrijke mate

kennen kunnen echter ook hier ontstaan in historische kernen, zij het op veel

ook door de toegenomen verharding (vooral sinds de gedecentraliseerde bouw

minder grote schaal (en met name in West-Brabant-West).

van uitbreidingswijken vanaf jaren ’50). Al het hemelwater dat valt op het stedelijk gebied wordt daarbij zo snel mogelijk de stad uit afgevoerd naar zee. Voorheen

30

HET WORDT HETER: steeds meer hittestress in de stad. Met name de stedelijke gebieden,

Robuust water- en groensysteem

waaronder stads- en dorpscentra, bedrijventerreinen en vliegvelden, hebben te

De ambitie is om in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust te zijn. De opgave

maken met hittestress. Het stedelijk gebied warmt sneller op en blijft warmer dan

is op de hoge gronden het water vast houden door in het landschap op de hoge

de omgeving. De aanwezigheid van voldoende groen en water in en om de stad is

gronden meer ruimte te geven voor vertraagde afvoer, en meer infiltratie. Dat

daarom belangrijk. Dit brengt verkoeling, draagt bij aan een gezonde leefomgeving

betekent meer ruimte maken voor water en de stad inrichten als spons. Niet alleen

jaarrond en is goed voor de waterhuishouding in de stad. Dit vraagt om een niet

voor het hoogwaterprogramma maar ook voor lokale piekbuien, het tegengaan

te groot aandeel verharding en is een aandachtspunt bij verdichtingsopgaves.

van droogte en hittestress. Dat gaat zowel over ruimte voor de grote groen/blauwe

Daarnaast is ventilatie van belang. De warme lucht moet met koelere lucht de stad

structuren als om kleinere ingrepen op wijk, straat en perceelniveau. Het betekent

kunnen verlaten. Dat vraagt niet alleen een doordachte inrichting van de stad zelf,

over de hele linie ingrijpen in de grote stedelijke massa in de naoorlogse wijken en

maar ook van het omliggende buitengebied. Op de aanvoerroute van die lucht is het

bedrijventerreinen. Transformatie daarvan is dus kernonderdeel van water-inclusief

niet verstandig om te verharden, bijv. met kassen en zodoende daar hitte eilanden

ontwikkelen.

of barrières te creëren. Op het stedelijke schaalniveau is meer aandacht nodig voor groen en blauw bij HET WATER IS NIET SCHOON GENOEG: onvoldoende (drink)waterkwaliteit. In de

de inrichting van het bebouwd gebied (verkoeling door meer ruimte voor beken

Europese Unie moeten vanaf 2027 alle aan Brussel gerapporteerde wateren in

en waterlopen, in combinatie met parken, geveltuinen, groene daken, groene

een goede ecologische toestand zijn. Dat is wettelijk bepaald in de Kaderrichtlijn

schoolpleinen en waterpartijen). Een schaalniveau hoger moet het water veel beter

Water, die sinds 2000 van kracht is. Een groot deel van het oppervlaktewater in

worden vasthouden op de hogere gronden in het bekenlandschap. De daarop

Brabant (inclusief de beken) heeft onvoldoende ecologische kwaliteit en voldoet

gelegen steden en dorpen, landbouw en natuurgebieden moeten weer ‘als spons’

niet aan de vastgestelde KRW-normen. Dit kan een grond gaan vormen om

fungeren en slechts langzaam het water afgeven aan de beekdalen. Daarnaast is

economische activiteiten lokaal, binnen een waterlichaam of stroomgebied te

ruimte nodig voor de grote rivieren om afvoer- en bergingscapaciteit te vergroten

blokkeren, zoals in de stikstofcrisis is gebeurd (PBL, 2022). Daarnaast staat de

en waar mogelijk natuur en recreatie meer ruimte te geven.

kwaliteit van het grondwater en daarmee ook de strategische voorraden voor de drinkwatervoorziening onder druk. Het ecosysteem van de beek is afhankelijk van schoon stromend water, met voldoende zuurstof en voedselarmoede bovenin het beekdal. Doordat de bodem haar sponswerking heeft verloren wordt het water nauwelijks vastgehouden en spoelen nutriënten en bestrijdingsmiddelen uit. Het oorspronggebied van de beek heeft vaak de functie landbouw. Dat maakt het moeilijk om de natuurlijke gradiënten en processen te herstellen. Dat is immers alleen mogelijk bij een zeer goede waterkwaliteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://raad.gemeente-steenbergen.nl/api/v1/meetings/1722/documents/20402