Reactie op voorstellen Progressief Samen voor het bijstellen van doelen in DuurSAMEN.pdf
Tekst van het document
Doelen Hieronder de reactie op de inbreng vanuit Progressief Samen. Allereerst onderschrijven wij de behoefte en het belang van concrete meetbare resultaten. Vandaar ook de inzet die wij zullen doen voor het opstellen van een gedegen en uitgebreide monitor. Het ‘hard’ maken van de doelstellingen hebben we helaas (nog) niet overal kunnen en willen doen om 3 redenen: 1. Onduidelijkheid die er soms nog is over waar we staan en wat de impact is van de verschillende interventies. We willen juist deze programmaperiode tot 2030 aangrijpen om deze duidelijkheid te krijgen door ‘gewoon’ te gaan doen, te meten, bij te stellen en weer door te gaan. Op die manier krijgen we inzicht en kunnen we in de loop van deze periode beter sturing krijgen op de transitie. Via de monitor wordt de raad hiervan op de hoogte gehouden. 2. Omdat de gemeentelijke invloed beperkt is en we vooral in de stimulerende en faciliterende rol zitten. Of, omdat er te veel externe factoren zijn met grote invloed waar wij geen controle over hebben. Het benoemen van harde cijfers is in dat geval een ‘gok’. 3. Omdat we soms nog niet precies weten wat onze aanpak zal zijn. Dit is nog een onderzoek die we de komende periode aangaan. We hebben realistische doelen willen stellen waarmee we geen vertekend of vals beeld geven van waar we staan en wat we kunnen bereiken. De ambitie die er ligt is al enorm.
Alleen al het integreren van de duurzaamheidsambities in ALLE werkzaamheden van de gemeente is niet alleen een enorme (verander)opgave maar zal ook een grote impact hebben in de samenleving en op de doelen die we realiseren. Het niet formuleren van een concreet cijfer staat in die zin niet gelijk aan gebrek aan ambitie. Als de gemeentelijke organisatie in staat is de geformuleerde ambities te realiseren dan is dat al een enorme prestatie en geeft dit ons grip op de opgave. Algemeen 1. Op korte termijn (2024) implementeren we een systeem voor monitoring en rapportage. (p13) Energie 2. In 2030 is onze bebouwde omgeving minimaal 55 % energieneutraal. (p14)
3. In 2030 zijn de eerste wijkuitvoeringsplannen gereed en is gestart met het aardgasvrij maken van de eerste wijken. Aardgasgebruik is gemeente breed met 30 % afgenomen. (p15) 3 RD2400023 Antwoord: We kunnen dit overnemen maar we hebben dan een referentiejaar nodig. De laatste beschikbare cijfers die we hebben zijn van 2004. Ons voorstel is om dit als referentiejaar (afwijkend van landelijk 1990 als referentiejaar) te nemen en dan de doelstelling aan te passen naar een reductie van 40%. Dit betreft een reductie van alleen gasverbruik door woningen. Bedrijven laten we buiten beschouwing omdat zij veel meer gestimuleerd worden door landelijke normen en regelgeving. De doelstelling wordt dan dus: Voorstel aanpassen doel 3: 3. In 2030 zijn de eerste wijkuitvoeringsplannen gereed en is gestart met het aardgasvrij maken van de eerste wijken. Aardgasgebruik is voor woningen gemeente breed met 40 % afgenomen ten opzichte van 2004. Een reductie van het aardgasverbruik van 30% voor woningen en bedrijven ten opzichte van dit moment is niet haalbaar. Dit zou alleen kunnen wanneer er in de gemeente gekozen wordt voor grotere collectieve oplossingen zoals de aanleg van een warmtenet. 4. In 2030 hebben we voldaan aan ons RES-bod en hebben we onze input geleverd voor de RES 2.0. (p16) 5. In 2030 is energiearmoede afgenomen met 90 % door de inzet van (kleine) energiebesparende maatregelen.
(p17) We kunnen dit overnemen. De meetbaarheid is wel moeilijk, gekeken kan worden naar bijvoorbeeld hulpvragen op het gebied van energierekeningen maar kunnen geen individuele gegevens opvragen of inzien. Ook moeten we ons realiseren dat energiearmoede door zoveel factoren wordt bepaald waar de gemeente geen invloed op heeft. Denk aan energieprijzen en prijzen van andere eerste levensbehoeften zoals voedingswaren en dergelijken. Veranderingen hierin hebben grote invloed op de haalbaarheid van de doelstelling.
6. We stimuleren actief de transitie naar emissieloos vervoer en geven zelf het goede voorbeeld. Het doelgroepenvervoer is voor 100% emissieloos. (p17) Nemen we over, de doelstelling wordt dan: 6. We stimuleren actief de transitie naar emissieloos vervoer en geven zelf het goede voorbeeld. Conform landelijk beleid kopen we vanaf 2030 uitsluitend emissieloos doelgroepenvervoer in. 7. In 2030 zijn minimaal alle lichte voertuigen van het gemeentelijk wagenpark emissieloos en zwaardere wagens zoveel mogelijk vervangen door emissieloze alternatieven. (p18) 8. In 2030 is het elektrisch materieel van de gemeente vervangen voor emissieloze alternatieven. (p18) Het woord elektrisch moet weg. In de versie die naar de raad is gestuurd ter besluitvorming staat dit er niet meer foutief in. Er staat in het beleidskader: In 2030 is het gemeentelijk materieel vervangen door elektrische alternatieven. Dit is correct.
Circulair 9. In 2030 hebben we door samenwerking in de regio een gedegen circulair beleid ontwikkeld en de eerste stappen gezet in een circulaire aanpak: 50 % minder primaire grondstoffen 20 % fossiele grondstoffen vervangen door biobased grondstoffen 50 % minder voedselverspilling weglaten: 2000 nieuwe banen in de Agrofood & Biobased-sector. (p20) We kunnen dit niet overnemen omdat we in West-Brabant uitgaan van de richtinggevende doelen van de Rijksoverheid. Hierin is nog geen heldere aanpak. Wel nemen we het schrappen van het laatste punt (inz. de banen) over, dit is belegd is in ons economisch beleid. 10. In 2030 koopt de gemeente Steenbergen voor minimaal 50 % producten en diensten circulair in. (p21)
In het beleidskader dat naar de raad is gestuurd voor besluitvorming is het woord “minimaal” al opgenomen. 11. Bij nieuwe ruimtelijke plannen voor bedrijventerreinen en revitalisering van bestaande bedrijventerreinen houden wij standaard rekening met een extra ruimtegebruik van 30 % voor circulariteit. (p21) Akkoord, dit nemen we over. De indicatie van 30% wordt ook provinciaal aangehouden. Dit betreft een indicatie omdat 30% extra ruimtegebruik verschillend geïnterpreteerd kan worden. Het kan betekenen dat bedrijven grotere kavels nodig hebben voor hun circulariteitsopgaven. Maar het kan ook betekenen dat er hogere gebouwen gewenst zijn voor extra ruimte. Dit zou wat betekenen voor de bouwregels, en niet zozeer het fysieke ruimtebeslag. De doelstelling is opgenomen omdat er indicatief wordt aangegeven dat bedrijven simpelweg extra ruimte nodig zullen hebben voor hun bedrijfsvoering. 12. We voldoen aan het landelijke grondstoffenbeleid. Het restafval per inwoner is in 2023 gereduceerd tot 30 kg per jaar. (p22) We nemen aan dat met 2023 eigenlijk 2030 wordt bedoeld. In dat geval kunnen we dit overnemen omdat dit aansluit bij landelijk beleid. De kanttekening is wel dat al is vastgesteld dat dit eigenlijk te ambitieus is. Deze kanttekening staat al in de tekst en willen we wel laten staan. Klimaat 13.
We ontwikkelen we een algemene beoordelingsmethodiek voor klimaatadaptatie en biodiversiteit. In 2024 is dit gereed. (p24) We adviseren dit niet over te nemen. De beoordelingsmethodiek is er in de basis al maar we moeten er een tijdje mee werken om deze “algemeen” en generiek toepasbaar te kunnen maken. We gaan het wel al dit jaar toepassen. Klimaatadaptatie 14. De klimaatbestendigheid van onze kernen is in 2030 aanzienlijk verbeterd. Wateroverlast met 50 % verminderd. Watertekort en droogte met 50 % verminderd. Hittestress met 50 % verminderd. We kunnen deze punten niet overnemen. Deze ambitie is te groot (inhoudelijk en financieel) om in 2030 te halen, enerzijds omdat
we geen invloed hebben op het klimaat (die sneller verandert dan verwacht), anderzijds omdat een groot deel van de opgave op particulier terrein ligt en we kiezen om werk met werk te maken. Klimaatadapatie gaat over aanpassing van de omgeving aan het klimaat, het klimaat an sich kunnen we niet beïnvloeden. Het klimaat verandert op dit moment zo snel dat veel planningen en berekeningen sneller “verouderen” dan verwacht. Ook de klimaatscenario’s van het KMNI. Op basis van knelpunten, signalen, inspecties en klimaatscenario’s passen we steeds onze aanpak en planningen aan en nemen we ondergrondse (gescheiden riolering) en bovengrondse maatregelen. We zijn hierin continu wendbaar en proactief en passen onze aanpak en planning aan. De meetbaarheid van bovenstaande punten is ook lastig, dit kan in schade of frequentie. In de klimaatstresstest die in 2026 (en 6-jaarlijks) opnieuw wordt uitgevoerd zal wel opnieuw inzicht geven in knelpunten en een eventueel reductie of toename daarvan. 15. De klimaatbestendigheid van ons agrarisch gebied is in 2030 aanzienlijk verbeterd. We informeren de agrarische sector. Nemen we over. We kunnen de agrarische sector gewoon via communicatie op de hoogte houden van klimaatverandering.
We staan positief tegenover nieuwe drinkwaterwinning.(p28) Dit kunnen we niet overnemen, omdat we het belang wel inzien van nieuwe drinkwaterwinning, maar we niet bij voorbaat kunnen zeggen dat we hier positief tegenover staan. Dit is onder anderen afhankelijk van mogelijke (negatieve) gevolgen van de drinkwaterwinning voor de omgeving. Hierover weten pas meer wanneer er zich daadwerkelijk een initiatief/ locatie aandient. 16. De klimaatbestendigheid van onze natuurgebieden is in 2030 aanzienlijk verbeterd. We informeren de inwoners en ondernemers over waterbewustzijn. We informeren sportvissers over loodvrije alternatieven. (p29) Nemen we over.
17. We hebben de waterveiligheid van Dinteloord verbeterd en maatregelen genomen om eventuele gevolgschade te beperken. We adviseren en informeren de inwoners, organisaties en bedrijven van Dinteloord over overstromingsgevaar. (p29) We kunnen dit overnemen met de kanttekening dat dit primair de verantwoordelijkheid is van Rijkswaterstaat en het Waterschap. De gemeente is verantwoordelijk voor stedelijk grondwater en riolering en hebben de plicht tot het afvoeren van hemelwater. Rijkswaterstaat en het waterschap zijn verantwoordelijk voor het beschermen tegen overstromingen uit zee, meren, rivieren, kanalen en andere waterlichamen. Zij beheren de waterkeringen. Het waterschap beheert ook nog eens het grondwater buiten de bebouwde kom. Kortom, Rijkswaterstaat heeft hierin een leidende rol en als gemeente kunnen en willen we daarin ondersteunen/bijdragen. Biodiversiteit 18. Er is in 2030 meer ruimte voor de natuur in onze kernen: deze zijn meer natuurinclusief. (p31) 19. Er is in 2030 meer ruimte voor de natuur in ons agrarisch gebied; het agrarisch gebied is meer natuurinclusief. De soortenrijkdom is toegenomen van 74 naar 148 soorten. (p32) Deze kunnen we niet overnemen, omdat soorten te algemeen zijn en slechts één indicator van biodiversiteit. En soorten van 74 naar 148 is erg summier.
In een lokale achtertuin vindt men al makkelijk tot 300 soorten (hier rekenen we ook insecten mee). In onze 0-meting en toekomstige monitoring gaan we aan de slag met indicatoren die bewezen de biodiversiteit meten, ook in agrarisch gebied. Hierin werken we samen met agrarische ondernemers. 20. In 2030 hebben we grote stappen gezet in het realiseren van natuurnetwerken in het buitengebied. Het buitendijks gelegen vooroever Schelde-Rijnkanaal met Stellebos is verbonden met De Rietkreek. Het Halsters Laag en het Oudland zijn met elkaar verbonden. Dit kunnen we niet overnemen. Het woord ‘verbonden’ is te algemeen. Vele soorten hebben hun specifieke habitat (leefgebied) nodig om zich te kunnen verplaatsen (migreren). Dus bij een verbetering van bijvoorbeeld de biodiversiteit, moeten we gebieden met bepaalde habitats (bomen, planten of structuren) verbinden. Niet alle habitats zijn tussen of langs de genoemde gebieden
aanwezig en dat is ook niet altijd mogelijk. Tot 2030 focussen we ons daarom eerst op ecologische verbindingszones. In deze zones koppelen we natuurgebieden aan elkaar met als doel dat planten en dieren zich kunnen verplaatsen. We focussen daarbij op doelsoorten. Een doelsoort is een biologische soort waarop natuurbeleid gericht is. Omdat dit een grote opgave is, focussen we ons eerst op deze gebieden, samen met het Waterschap en andere partners. Daarnaast vergeten we uiteraard onze andere (natuur)gebieden niet. We ontwikkelen daarom een ‘groenblauwe structuurkaart’. Dit is een kaart die groenblauwe structuren (bomen, grasland, water bijvoorbeeld) in beeld brengen en waar de mogelijkheden liggen om die te versterken. Op natuurlijke momenten, zoals werkzaamheden aan een weg, kunnen deze structuren verbeterd of hersteld worden.