Bijlage was-wordt-tabel APV Steenbergen 2020-2021 BM2006195.pdf
Tekst van het document
Was-wordt-tabel wijziging Model Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Steenbergen 2020 – 2021 WAS
WORDT
Titel Algemene Plaatselijke Verordening 2020
Algemene Plaatselijke Verordening 2021
Artikel 1:1 (Definities), definitie voertuig: - voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;
- voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;
Toelichting: De definitie in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (hierna: RVV 1990) eindigt op wagens. De uitzondering maakt duidelijk dat kleine wagens geen voertuig zijn. Rolstoelen zijn een uitzondering op gehandicaptenvoertuigen zoals genoemd in de definitie in het RVV 1990. Artikel 2:6 (Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen), vijfde lid: 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:10 (Voorwerpen op of aan de openbare plaatsen, titel, vijfde en achtste lid: Titel
Titel
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de openbare plaatsen
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg of een openbare plaats
5. Het bevoegd bestuursorgaan stelt nadere regels voor de categorieën, bedoeld in het derde lid.
5. Het college stelt nadere regels voor de categorieën, bedoeld in het vierde lid.
8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3
Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020
van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
WAS
WORDT
Toelichting: De titel van het artikel is tekstueel aangepast. Vijfde lid: De burgemeester wordt in artikel 156 van de Gemeentewet niet genoemd als mogelijke delegataris van regelgevende bevoegdheid. Algemeen wordt aangenomen dat hij hooguit gebiedsaanwijzingen mag doen of aanwijzingen van categorieën inrichtingen waarvoor een vergunningplicht geldt (dat zijn besluiten van algemene strekking die op regelgeving lijken, maar het niet zijn) en dat hij geen zelfstandige normstelling mag plegen. Nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften. Dus alleen het college kan hier worden genoemd, ook voor de gevallen waarvoor burgemeester bevoegd gezag is. Immers, de bevoegdheid van de burgemeester op grond van artikel 174 van de Gemeentewet betreft toezicht en uitvoering van verordeningen, niet het vaststellen van regelgeving. De verwijzing naar het derde lid klopte niet; dit is gerepareerd naar de verwijzing naar het vierde lid. Achtste lid: Redactionele verbetering. Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg), vijfde lid: 5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 2:24 (Definities), eerste lid, onder b: b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22;
b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;
Toelichting: Correctie van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet. Artikel 2:25 (Evenementenvergunning), zesde tot en met tiende lid: 6. De burgemeester kan nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en het milieu en omtrent het organiseren van periodiek terugkerende evenementen.
6. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of
7. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.
evenement dat plaatsvindt in een door de burgemeester aangewezen gebied.
8. Het bepaalde in het vierde lid is niet van toepassing op een evenement dat plaatsvindt in een door de burgemeester aangewezen gebied.
burgemeester een vergunning als de organisator van een evenement als bedoeld in artikel 2:24 lid 4 sub h en i in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester een vergunning als de organisator van een evenement als bedoeld in artikel 2:24 lid 4 sub h en i van slecht levensgedrag is.
9. Op aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van
10. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toelichting:
Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020
aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 7. Het bepaalde in het vierde lid is niet van toepassing op een
8. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de
de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
WAS
WORDT
Negende lid: Aanpassing aan de formulering van slecht levensgedrag in de artikelen 2:28, derde lid, onder b, en 3:7. Tiende lid: Redactionele verbetering. Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:27 (Definities), eerste lid onder a: a. openbare inrichting: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt;
a. openbare inrichting: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse, dan wel voor bezorging en afhalen, worden bereid of verstrekt;
Artikel 2:28 (Exploitatie openbare inrichting), derde en negende lid: 3. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
3. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de a. woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
6. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in
6. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in
a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;
a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;
b. een zorginstelling;
b. een zorginstelling;
c. een museum; of
c. een museum; of d. een bedrijfskantine of – restaurant; e. een schoolkantine; f. een rouwcentrum.
d. een bedrijfskantine of – restaurant; e. een schoolkantine.
Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020
WAS
WORDT
9. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in het zevende lid.
9. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in het zevende lid.
Toelichting: Derde lid: De toegevoegde weigeringsgrond is aan de gemeentelijke praktijk ontleend. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat ‘slecht levensgedrag’ een voldoende duidelijke weigeringsgrond is. Negende lid: Redactionele verbetering. Artikel 2:29 (Sluitingstijd), zesde lid: 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 2:39 (Speelgelegenheden), vierde lid: 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 2:33a Gebruik van glas- en vaatwerk De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of veiligheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer openbare inrichtingen tijdelijk het gebruik van glas- en vaatwerk, anders dan van kunststof of karton materiaal, voor het verstrekken van dranken, verbieden en nadere regels stellen omtrent het gebruik van glas- en vaatwerk.
1. Het is verboden gedurende evenementen glas- en vaatwerk, anders dan van kunststof of karton materiaal, te gebruiken voor het verstrekken van dranken. 2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, genoemd in lid 1.
Nieuw artikel 2:50b Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties
Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020
WAS
WORDT Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelede onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:64 (Bijen), zesde lid: 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting op de wijziging van artikel 2:64: Redactionele verbetering. Artikel 2:65 (Bedelarij): Artikel 2:65 Bedelarij
Artikel 2:65 Bedelarij
Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.
Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken.
Toelichting: Door deze wijziging geldt het verbod ook voor bijvoorbeeld parken of plantsoenen. ‘Een voor het publiek toegankelijk gebouw’ voor zover het verblijf daarin door de gerechtigde niet aan een doel is gebonden, is ook een openbare plaats. Artikel 2:67 (Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister), derde lid: 3. Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
3. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:72 (Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen), tweede lid: 2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toelichting op de wijziging van de artikelen 2:67 en 2:72: Redactionele verbetering. Hoofdstuk 2, afdeling 16,
Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020
2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
WAS
WORDT
Afdeling 16 Gebiedsontzegging
Afdeling 13 Gebiedsontzegging
Toelichting op de wijziging van deze titel: bij de vorige update van de APV zijn de eerste afdelingen van hoofdstuk 2 samengevoegd. Per abuis is afdeling 16 niet hernummerd naar afdeling 13. Artikel 3:3 (Vergunning), vijfde lid: 5. Een vergunning kan mede voor één seksinrichting worden verleend.
5. Een vergunning kan mede voor een seksinrichting worden verleend.
Toelichting: Een seksinrichting is een onderdeel van een seksbedrijf, dus een vergunningplichtig seksbedrijf (activiteit of activiteiten) kan meer dan een seksinrichting (locatie) omvatten. Ter verduidelijking is ‘één’ vervangen door ‘een’. Artikel 3:7 (Weigeringsgronden), eerste tot en met vierde lid: 1. Een vergunning wordt geweigerd als:
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 wordt een vergunning geweigerd als:
a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat;
a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat;
b. de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij; c. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;
b. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is
d. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;
c. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet
e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke
f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;
e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager
g. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;
f. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf
h. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;
g. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar
Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020
veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; heeft bereikt; toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;
WAS
WORDT
i. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:
h. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar
1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening;
1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de
2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;
2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;
3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994;
4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994;
5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of
5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of
6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
j. Een maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt; k. De voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, een beheersverordening.
i. Een maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt;
2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder h, wordt gelijkgesteld:
2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g,
a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;
a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;
b. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt.
b. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375
3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning
4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.
4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een
voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:
Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening;
j. De voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, een beheersverordening. wordt gelijkgesteld:
bedraagt.
teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.
Toelichting: De in het eerste lid genoemde weigeringsgronden dienen als aanvulling op de algemene weigeringsgronden van artikel 1:8. Dat is in de aanhef tot uitdrukking gebracht. In het eerste lid is onderdeel b geschrapt en zijn de overige onderdelen verletterd.. Door de inwerkingtreding van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregel (Stb. 2014/131) is niet langer sprake van ontheffing of ontzetting uit het ouderlijk gezag of de voogdij, maar van beëindiging van ouderlijk gezag of voogdij. Artikel 3:7, eerste lid, onder b, is daarom geschrapt. Beëindiging van het ouderlijk gezag is veel ruimer dan de zeer beperkte groep ontzette ouders. (Voor de Drank- en Horecawet was één van de weigeringsgronden destijds ook dat degene die de vergunning aanvraagt niet uit het ouderlijk gezag mag zijn gezet. Dit vereiste is in 2015 vervallen.)
Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020
WAS
WORDT
Artikel 3:9 (Intrekkingsgronden), eerste lid, onder e: e. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met i;
e. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met h;
Toelichting: De verwijzing naar artikel 3:7 is aangepast door de verlettering in dat artikel. Artikel 4:9a nieuw (Verbod tot het oplaten van ballonnen) Artikel 4:9a Verbod oplaten ballonnen 1. Onder ‘ballon’ wordt verstaan: een licht omhulsel van welk materiaal dan ook gevuld met een gas dat lichter is dan lucht of gevuld met hete lucht afkomstig van vuur of een brandstofelement. 2. Het is verboden om ballonnen op te laten in de open lucht. Het is ook verboden het oplaten van ballonnen te organiseren. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. 4. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op: a. ballonnen waarbij de richting en/of hoogte door menselijk ingrijpen wordt bepaald en b. ballonnen, die noodzakelijk zijn voor bijvoorbeeld meteorologische of andere wetenschappelijke waarnemingen. Toelichting: Middels aangenomen motie d.d. 19 oktober 2020 heeft de gemeenteraad verzocht een dergelijk verbod op te nemen in de Algemene Plaatselijke Verordening. Middels onderhavige tekst wordt voorzien in deze wens. Artikel 5:2 (Voertuigen van autobedrijf en dergelijke), vijfde lid: 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:3 (Te koop aanbieden van voertuigen), derde lid: 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:6 (Kampeermiddelen en andere voertuigen), eerste en vierde lid:
Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020
WAS
WORDT
1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:
1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:
a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben;
a. langer dan drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben, deze drie dagen gerekend inclusief eventuele onderbrekingen. Na deze periode van drie dagen mag gedurende een periode van minimaal zeven dagen geen plaats worden ingenomen door hetzelfde voertuig op deze plaats of in de directe nabijheid van deze plaats;
4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:7 (Reclamevoertuigen), derde lid: 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:8 (Grote voertuigen), zesde lid: 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:13 (Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving), vierde lid: 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting op de wijziging van de artikelen 5:2, 5:3, 5:6, 5:7, 5:8 en 5:13: Redactionele verbetering. Artikel 5:14 (Definitie), tweede lid, onder b: b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of artikel 5:22; Toelichting: Correctie van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet. Artikel 5:15 (Ventverbod), derde lid:
Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020
b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of artikel 5:22;
WAS
WORDT
3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 5:17 (Definitie), tweede lid, onder a: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;
a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;
Toelichting: Correctie van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet. Artikel 5:18 (Standplaatsvergunning en weigeringsgronden), vierde lid: 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 5:32 (Crossterreinen), eerste lid: 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
Toelichting: Er zijn gemeenten met een terrein (in het buitengebied) waar incidenteel een paar uurtjes gecrost wordt met brommers. Het crossen is puur recreatief, dus niet ter voorbereiding op wedstrijden. Om hiertegen te kunnen optreden bij (geluids)overlast hebben wij het crossen buiten wedstrijdverband aan het eerste lid toegevoegd. Artikel 5:36 (Verboden plaatsen), vierde lid: 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 6:1 (Sanctiebepaling), derde lid:
Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020
4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
WAS
WORDT
2. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, vijfde juncto eerste lid, 2:11, tweede lid, 2:12, eerste lid, en 4:11, tweede lid.
2. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10 en 2:11 als sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit, artikel 2:12, eerste lid, en artikel 4:11, tweede lid.
Toelichting: De verwijzing naar artikel 2:10 betreft variant 1. Bovendien staat in het vijfde lid van deze variant geen verbod, maar wordt alleen gesteld dat de vergunning als omgevingsvergunning wordt verleend. Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar artikel 2:11. De tekst is daarom verduidelijkt door het verbod te duiden als omgevingsvergunningplichtige activiteit. Artikel 6:2 (Toezichthouders) 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening, zijn belast de als buitengewoon opsporingsambtenaar of andere beëdigde ambtenaren zoals bedoeld in artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering, ambtenaren van de gemeente Steenbergen van de afdeling Wonen, Werken en Beleven, cluster VTH, ambtenaren van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant en Staatsbosbeheer die vanuit hun functie belast zijn met toezicht en/of handhaving. 2. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening, zijn belast de ambtenaren van de politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering; de als buitengewoon opsporingsambtenaar of andere beëdigde ambtenaren zoals bedoeld in artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering; ambtenaren van de gemeente Steenbergen van de afdeling Wonen, Werken en Beleven, cluster VTH; ambtenaren van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant en Staatsbosbeheer die vanuit hun functie belast zijn met toezicht en/of handhaving.
3. Met het toezicht op de naleving van het bij hoofdstuk 3 bepaalde zijn belast ambtenaren van de politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering.
2. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.
Toelichting
Toelichting
Algemeen
Algemeen
(…)
(…)
Op diverse plaatsen in de APV wordt aan het college of de burgemeester de bevoegdheid verleend om nadere regels te stellen dan wel een aanwijzingsbesluit te nemen. Deze nadere regels dan wel aanwijzingsbesluiten worden door het college of de burgemeester bij afzonderlijk besluit genomen.
Op diverse plaatsen in de APV wordt aan het college de bevoegdheid verleend om nadere regels te stellen dan wel een aanwijzingsbesluit te nemen. Deze nadere regels dan wel aanwijzingsbesluiten worden door het college of de burgemeester bij afzonderlijk besluit genomen.
Artikel 2:25a Weigering vergunning
Artikel 2:25a Weigering vergunning
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning zoals bedoeld in artikel 2:25, eerste lid, worden geweigerd, indien door het bevoegd gezag is geconstateerd dat de organisator van het evenement de vergunningvoorschriften en de nadere regels evenementen van hetzelfde evenement in het jaar voorafgaand heeft overtreden.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning zoals bedoeld in artikel 2:25, eerste lid, worden geweigerd, indien door het bevoegd gezag is geconstateerd dat de organisator van het evenement de vergunningvoorschriften en de beleidsregels evenementen van hetzelfde evenement in
Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020
(3. Vervalt)
het jaar voorafgaand heeft overtreden.
WAS
WORDT Artikel 2:26 lid 2 en artikel 2:50b In deze artikelen is het verboden gesteld om zichtbare uitingen van verboden organisaties (OMG´s) zichtbaar te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren zowel op evenementen (artikel 2:26 lid 2) als op openbare plaatsen en voor publiek toegankelijke gebouwen (artikel 2:50b). Het is vanuit het oogpunt van openbare orde en veiligheid niet acceptabel dat in de publieke ruimte of evenementen nog uiterlijk vertoon plaatsvindt dat verband houdt met dergelijke verboden en ontbonden organisaties, gelet op de intimidatie die daarvan uitgaat of uit kan gaan. Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, logo’s, spreuken, kleding en afbeeldingen op motoren. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 6:1. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een anti-samenloopbepaling (derde lid). Door strafbaarstelling in de APV kan daartegen handhavend worden opgetreden. Vanuit een oogpunt van openbare orde is het wenselijk om niet te wachten met het weren van zichtbare aanwezigheid van verboden/ontbonden organisaties uit de publieke ruime of evenement tot een onherroepelijk vonnis voorhanden is.
Artikel 2:27 Begripsbepalingen De begripsbepaling van het begrip “openbare inrichting” is verduidelijkt. In de oude tekst was niet altijd duidelijk dat er sprake was van een openbare inrichting als daar snacks en hapjes ter plekke konden worden gegeten, en niet als het alleen ging om afhaal. Verder omvat eerste lid, onder a, een redactionele verbetering.
Artikel 2:27 Begripsbepalingen De begripsbepaling van het begrip “openbare inrichting” is verduidelijkt. Door de COVID-crisis verschuiven horeca-activiteiten van het ter plaatse nuttigen van spijzen en dranken steeds vaker naar het afhalen of bezorgen. Door ook de afhaalen bezorgfaciliteiten vanuit de ‘reguliere’ horeca onder het begrip openbare inrichting te brengen, wordt verzekerd dat ook bij deze horeca-activiteiten wordt voldaan aan de geldende eisen en voorschriften uit de exploitatievergunning zoals, slecht levensgedrag als weigeringsgrond. Winkels vallen deze niet onder deze uitbreiding. Dit blijkt uit artikel 2:28 lid 6 sub a van de APV: Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit. Artikel 2:74
Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020
WAS
WORDT Conform de regionale intentie om de Algemene Plaatselijke Verordeningen op elkaar te laten aansluiten, wordt een nieuw lid 2 aan artikel 2:74 APV toegevoegd, waarin het gebruik van harddrugs (artikel 2 Opiumwet) aangepakt kan worden. Hierdoor kan zowel de politie optreden als gebruik van harddrugs plaatsvindt, als een last onder dwangsom door het bestuur worden opgelegd wanneer overlast structureel wordt. Voor dit laatste is een bestuurlijke rapportage van de politie nodig.
Artikel 6:2 Toezichthouders Het artikel met betrekking tot toezichthouders is regionaal aangepast. Er wordt onderscheid gemaakt tussen toezicht met betrekking tot hoofdstuk 3, welk toezicht wordt uitgeoefend door de ambtenaren van de politie, en toezicht met betrekking tot de overige hoofdstukken. Op de overige hoofdstukken van de APV wordt toezicht gehouden door personen die zijn aangewezen in dit artikel dan wel personen die door het college dan wel de burgemeester zijn aangewezen. Bovendien zijn volgens lid 5 ambtenaren van de politie voor de gehele APV belast met het toezicht hierop.
Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, juli 2020
Artikel 6:2 Toezichthouders Door de nieuwe aanpassing is bewerkstelligd dat politieambtenaren, BOA´s, ambtenaren van het cluster VTH, ambtenaren van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant en Staatsbosbeheer (die vanuit hun functie belast zijn met toezicht en/of handhaving) allen toezicht kunnen houden op de gehele Algemene Plaatselijke Verordening. Bovendien kan het college dan wel de burgemeester daarnaast andere personen aanwijzen voor wat betreft het toezicht op de naleving van deze verordening.