Bijlage Was-wordt tabel APV 2024 2424066.pdf
Tekst van het document
Was-wordt tabel wijziging Algemene Plaatselijk e Verordening gemeente Steenbergen 2024 (artikel I, onderdeel A, van het wijzigingsbesluit) WAS
WORDT
Algemene Plaatselijke Verordening 2024
Algemene Plaatselijke Verordening
Toelichting: de APV wordt niet jaarlijks standaard gewijzigd en een jaargetal maakt het verwarrend indien het doorloopt in het volgende jaar. Voor een meer algemenere titel is het jaargetal verwijderd.
Artikel 1:1 (artikel I, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: WAS
WORDT
Artikel 1:1 Definities - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
- gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
Toelichting: wijzigen in verband met de overgang naar de Omgevingswet.
Artikel 2:10 (artikel I, onderdeel C, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: WAS
WORDT
Artikel 2:10, tweede lid (Voorwerpen op of aan een openbare plaats) 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; en c. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. d. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg en/of openbare plaats is verleend.
2. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; c. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard en d. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg en/of openbare plaats is verleend.
Artikel 2:11, vijfde lid, (artikel I, onderdeel D, van het wijzigingsbesluit) wordt verwijderd: WAS
WORDT
Artikel 2:11, vijfde lid, (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg) 5. Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Toelichting: lid vijf is overbodig geworden, want door de inwerkingtreding van de Omgevingswet mogen geen vergunningen meer van rechtswege worden verleend.
Artikel 2:24, vierde lid, (artikel I, onderdeel E, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: WAS Artikel 2:24, vierde lid, Definities 4. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan in totaal 250 personen; verspreid over het evenement; b. de activiteiten plaatsvinden tussen 7:00 en 23:00 uur;
WORDT 4. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan in totaal 250 personen; verspreid over het evenement; b. de activiteiten plaatsvinden tussen 7:00 en 23:00 uur;
WAS c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07:00 uur of na 23:00 uur en op zondag voor 13:00 uur of na 23:00 uur; d. het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 70 dB(A) en 83 dB(c) op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden. e. het evenement geen belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; f. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 50 m2 per object en zich hier minder dan 150 personen gelijktijdig in/op verblijven; g. er een organisator is; h. het geen vechtsportwedstrijden of – gala’s betreft, waaronder in ieder geval wordt begrepen kooigevechten, kickboksevenementen, freefightevenementen en daarmee vergelijkbare activiteiten en al dan niet in wedstrijdverband georganiseerde evenementen waarbij de menselijke waardigheid in het geding is. i. het geen evenementen betreft die vallen binnen de categorieën evenementen die door de burgemeester zijn aangewezen.
WORDT c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07:00 uur of na 23:00 uur en op zondag voor 13:00 uur of na 23:00 uur; d. het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 70 dB(A) en 85 dB(c) op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden; e. het evenement geen belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; f. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 50 m2 per object en zich hier minder dan 150 personen gelijktijdig in/op verblijven; g. er een organisator is; h. het geen vechtsportwedstrijden of – gala’s betreft, waaronder in ieder geval wordt begrepen kooigevechten, kickboksevenementen, freefightevenementen en daarmee vergelijkbare activiteiten en al dan niet in wedstrijdverband georganiseerde evenementen waarbij de menselijke waardigheid in het geding is; i. het geen evenementen betreft die vallen binnen de categorieën evenementen die door de burgemeester zijn aangewezen.
Toelichting: technische aanpassing
Artikel 2:25 (artikel I, onderdeel F, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: WAS Artikel 2:25 Evenement 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
WORDT
2. In afwijking van artikel 1:8 tweede lid, kan een vergunning ook worden geweigerd als aanvraag voor een evenement daarvoor minder dan twaalf weken voor de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
2. Evenementen vinden in beginsel plaats op maandag tot en met donderdag van 09:00 – 00:00 uur, op vrijdag en zaterdag tussen 09:00 – 02:00 uur en op zondag tussen 13:00 – 00:00 uur. In de evenementenvergunning k an de burgemeester andere tijdstippen bepalen.
3. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd, voor zover het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit brandveillig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.
3. Onverminderd artikel 1:8 tweede lid, kan een vergunning ook worden geweigerd als: a. de aanvraag minder dan twaalf weken voor de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is; b. door de burgemeester is geconstateerd dat de organisator van het evenement de vergunningvoorschriften van hetzelfde evenement in het jaar voorafgaand heeft overtreden;
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
WAS 4. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 5. De burgemeester kan binnen 14 dagen na ontvangst van de melding besluiten een evenement als bedoeld in lid 4 te verbieden dan wel daaraan nadere voorwaarden verbinden, als er aanleiding is te vermoeden dat door het evenement de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 6. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 7. Het bepaalde in het vierde lid is niet van toepassing op een evenement dat plaatsvindt in een door de burgemeester aangewezen gebied. 8. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester een vergunning als de organisator van een evenement als bedoeld in artikel 2:24 lid 4 sub h en i van in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 9. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
WORDT c. als de organisator van een evenement als bedoeld in artik el 2:24 lid 4 sub h en i van in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 4. Een aanvraag voor een evenementenvergunning wordt ingediend via een door de burgemeester vastgesteld formulier. De aanvraag om een evenementenvergunning bevat daarnaast: a. een veiligheidsplan, als het een B- of Cevenement betreft; b. een verkeersplan, als er sprak e is van impact op het verkeer zoals een omleiding of wegafsluiting; c. een geluidsplan, als er sprak e is van versterkte muziek ; Indien de burgemeester dat voor de beoordeling nodig acht, k an hij verlangen dat er aanvullende gegevens worden overgelegd. 5. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste 14 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 6. De burgemeester kan binnen 14 dagen na ontvangst van de melding besluiten een evenement als bedoeld in lid 4 te verbieden dan wel daaraan nadere voorwaarden verbinden, als er aanleiding is te vermoeden dat door het evenement de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 7. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 8.
Het bepaalde in het vijfde lid is niet van toepassing op een evenement dat plaatsvindt in een door de burgemeester aangewezen gebied. 9. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 10. Het is verboden om confetti, snippers of andere feestversiering van niet biologisch afbreek baar materiaal te verspreiden gedurende een evenement.
Toevoeging van een nieuw lid 2: dit stond voorheen in het evenementenbeleid. Op deze manier is het direct van toepassing op alle evenementen.
Wijziging in het nieuwe lid 3: − ‘in afwijking van’ is aangepast naar ‘onverminderd’ omdat het een toevoeging op artikel 1:8 APV betreft. Het betreft dus een tekstuele aanpassing; − Voor de overzichtelijkheid is de weigeringsgrond uit het oude artikel 2:25a in aangepaste vorm verplaatst naar dit lid. Op die manier staan de aanvullende weigeringsgronden bij elkaar. − Voor de overzichtelijkheid is de weigeringsgrond uit het oude lid 8 toegevoegd aan lid 3 onder c. Toevoeging van een nieuw lid 4: Op grond van artikel 4:4 Awb kan het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, voor het indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens een formulier vaststellen, voor zover daarin niet is voorzien bij wettelijk voorschrift. Het huidige aanvraagformulier is niet vastgesteld door de burgemeester. Ook is niet bij verordening bepaald dat een aanvraag via dit formulier moet worden ingediend, of zijn er anderszins bij verordening indieningsvereisten vastgesteld. In de praktijk wordt er wel zoveel mogelijk op gestuurd om een aanvraag via het formulier in te dienen. Daarnaast stond op meerdere plekken in het evenementenbeleid genoemd, afhankelijk van het type evenement, welke stukken moesten worden overgelegd bij een aanvraag. Echter, beleid is niet rechtstreeks werkend voor organisatoren.
Voor de duidelijkheid en rechtszekerheid wordt nu voorgesteld om dit artikel in de APV op te nemen. Het formeel vastgestelde aanvraagformulier bevat alle informatie die nodig is om een vergunning te kunnen verlenen. Op deze manier wordt het bij verordening ook afdwingbaar. Voorts is het voor een organisator op deze manier overzichtelijker wat de indieningsvereisten zijn. Tot slot wordt het voor burgemeester mogelijk om een aanvraag buiten behandeling te stellen als de aanvraag niet volledig is, uiteraard na het bieden van de gelegenheid om stukken aan te vullen. Samengevat is dit artikel een formalisering om de procedure rondom de aanvraag juridisch juist te regelen. Nadere praktische uitwerking en toelichting omtrent de aanvraagprocedure is opgenomen in het evenementenbeleid. Om voorgaande redenen is het oude lid 3 ook overbodig, aangezien het onderdeel brandveilig gebruik is verwerkt in het aanvraagformulier. Wijziging van het nieuwe lid 5: het nieuwe lid 5 en 6 strookte niet met elkaar. Dat is nu rechtgetrokken. Wijziging van het nieuwe lid 7: ter verduidelijking is de verwijzing naar lid 1 toegevoegd. Toevoeging van nieuw lid 10: dit artikel is in het verleden via een motie van de raad in het evenementenbeleid opgenomen. Beleidsregels zijn niet rechtstreeks werkend, daarom is het voorstel om het op te nemen in de APV.
Met de toevoeging wordt voorgesteld om het verbod algemener te maken, zodat het meer omvat dan alleen specifiek plastic confetti of snippers. Tot slot is de nummering aangepast.
Artikel 2:25a (artikel I, onderdeel G, van het wijzigingsbesluit) wordt verwijderd: WAS Artikel 2:25a Weigering vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning zoals bedoeld in artikel 2:25, eerste lid, worden geweigerd, indien door het bevoegd gezag is geconstateerd dat de organisator van het evenement de vergunningvoorschriften en de beleidsregels evenementen van hetzelfde evenement in het jaar voorafgaand heeft overtreden.
WORDT
Verwijdering weigeringsgrond: zoals hiervoor al is toegelicht is dit ter verduidelijking samengevoegd met de andere weigeringsgrond uit artikel 2:25 lid 2.
Artikel 2:26 (artikel I, onderdeel H, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: WAS Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
WORDT Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Toelichting: dit artikel heeft maar 1 lid dus hoeft niet genummerd te worden.
Artikel 2:27 (artikel I, onderdeel I, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: WAS
WORDT
Artikel 2:27 Definities 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: a.
openbare inrichting: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse, dan wel voor bezorging en afhalen, worden bereid of verstrekt;
b.
terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.
c.
Leidinggevende: i.
d.
de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd;
ii.
de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin de openbare inrichting wordt geëxploiteerd;
iii.
de natuurlijke persoon, die onmiddellijk leiding geeft aan de exploitatie van een openbare inrichting
Bezoeker: een ieder die zich in de inrichting bevindt, met uitzondering van leidinggevenden, personen die dienst doen in de inrichting, en personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is
1. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. openbare inrichting: i. een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snack bar, lunchroom, discotheek of elk e andere voor het publiek toegank elijk e, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrek t of drank en worden geschonk en of rook waren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrek t; ii. een afhaal- en/of bezorgzaak , waaronder wordt verstaan de voor het publiek toegank elijk e, besloten ruimte waar bedrijfsmatig of anders dan om niet uitsluitend voor gebruik elders dan ter plaatse in hoofdzaak ter plekk e bereide en voor directe consumptie geschik te eetwaren en/of drank en plegen te worden verstrek t; iii. een buurthuis of clubhuis. b. terras: een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid k an worden geboden en waar tegen vergoeding drank en k unnen worden geschonk en of spijzen voor directe consumptie ter plaatse k unnen worden bereid of verstrek t. Een terras maak t deel uit van de openbare inrichting. c. leidinggevende: i.
de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd;
ii.
de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin de openbare inrichting wordt geëxploiteerd;
iii.
de natuurlijke persoon, die onmiddellijk leiding geeft aan de
WAS
WORDT
2. Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een terras.
exploitatie van een openbare inrichting. d. bezoeker: een ieder die zich in de inrichting bevindt, met uitzondering van leidinggevenden, personen die dienst doen in de inrichting, en personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
Toelichting: de zinsnede ‘dan wel voor bezorging en afhalen, worden bereid of verstrekt’ is er in de coronaperiode ingekomen om afhaal- en bezorgzaken ook vergunningplichtig te maken. Op die manier kan er dan voor die horecagelegenheden een Bibob-toets worden uitgevoerd. De zinsnede is echter te breed opgenomen, want op deze manier moet ook een bakker of een slager een exploitatievergunning hebben en zo is het niet bedoeld. Het moet daarom aangepast. Het voorstel is om aan te sluiten op de nieuwe definitie van de gemeente Roosendaal. De gemeente Roosendaal heeft daarnaast in het district ook de oproep gedaan om aan te sluiten bij deze nieuwe definitie in het kader van het waterbedeffect. Zij zien een nieuwe ontwikkeling dat er steeds meer afhaal- en bezorgzaken oppoppen. Om te voorkomen dat dit misbruikt wordt voor verkeerde doeleinden, net zoals de ontwikkeling met betrekking tot autoverhuurzaken, wordt voorgesteld om de APV op dit punt aan te passen. Verder is voor de overzichtelijkheid gekozen om de formulering aan te passen en het in drie delen op te knippen. Voor de definitie van het terrassenbegrip wordt het oude lid 2 ter verduidelijking samengevoegd met lid 1 sub b. Verder wordt de opsomming aangepast.
Artikel 2:28 (artikel I, onderdeel J, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: WAS Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting
WORDT
1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.
2. Een aanvraag voor een exploitatievergunning wordt ingediend via een door de burgemeester vastgesteld formulier. Indien de burgemeester dat voor de beoordeling nodig acht, k an hij verlangen dat er aanvullende gegevens worden overgelegd.
3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 4. Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat op een vergunning of verleende vrijstelling met betrekking tot die inrichting. 5. Een vergunninghouder doet een melding aan de burgemeester indien: a. een leidinggevende op de vergunning dient te worden bijgeschreven; b. een leidinggevende van de vergunning dient te worden verwijderd als deze geen bemoeienis meer heeft met de bedrijfsvoering of de exploitatie van de openbare inrichting. 6. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een zorginstelling; c. een museum; of d. een bedrijfskantine of – restaurant; e. een schoolkantine. f. een rouwcentrum. 7.
De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod genoemd in het eerste lid aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, indien
3. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is, onder curatele staat of onder de 21 jaar is. 5. Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat (op het aanhangsel) bij de vergunning. 6. Een vergunninghouder doet uiterlijk binnen veertien dagen een melding aan de burgemeester indien: a. een leidinggevende op de vergunning dient te worden bij- of afgeschreven. De burgemeester verstrek t na de ingediende melding een gewijzigd aanhangsel behorende bij de vergunning, mits de leidinggevende aan de vereisten uit het vierde lid, sub b, voldoet; b. de openbare inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving.
De burgemeester verstrek t na de ingediende melding een gewijzigde vergunning, mits de inrichting aan de vereisten uit het derde en vierde lid voldoet. 7. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in: a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de
WAS
WORDT
a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de datum van aanvraag om vergunning als bedoeld in het eerste lid geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting, dan wel
openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een zorginstelling; c. een museum; d. een bedrijfskantine of – restaurant; e. een schoolkantine; f. een rouwcentrum.
b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid. 8. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het zevende lid onder a.
8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
9. Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toevoeging van een nieuw lid 2: Op grond van artikel 4:4 Awb kan het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, voor het indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens een formulier vaststellen, voor zover daarin niet is voorzien bij wettelijk voorschrift. Het doel hiervan is het proces duidelijk en efficiënt te laten verlopen. Voor de duidelijkheid en rechtszekerheid wordt nu voorgesteld om dit artikel in de APV op te nemen. Het formeel vastgestelde aanvraagformulier bevat alle informatie die nodig is om een vergunning te kunnen verlenen. Op deze manier wordt het bij verordening ook afdwingbaar. Voorts is het voor een exploitant op deze manier overzichtelijker wat de indieningsvereisten zijn. Tot slot wordt het voor de burgemeester mogelijk om een aanvraag buiten behandeling te stellen als de aanvraag niet volledig is, uiteraard na het bieden van de gelegenheid om stukken aan te vullen. Samengevat is dit artikel een formalisering om de procedure rondom de aanvraag juridisch juist te regelen. Nadere praktische uitwerking en toelichting omtrent de aanvraagprocedure is opgenomen in de notitie.
Wijziging van het nieuwe lid 4 sub b: in het kader van het beschermen van de openbare orde en veiligheid is de zinsnede ‘onder curatele staat of onder de 21 jaar is’ toegevoegd. Dit sluit ook aan op alcoholvergunning op grond van de Alcoholwet. Wijziging van het nieuwe lid 5: het voorstel is om, net zoals bij de alcoholvergunningen, te werken met een aanhangsel waar de leidinggevenden op staan. Bij wijziging van leidinggevenden, hoeft daardoor niet heel de vergunning aangepast te worden. Daarom is deze zinsnede toegevoegd. Dit geldt nadrukkelijk niet bij wijziging van de vergunninghouder. Wijziging van het nieuw lid 6: dit artikel wordt aangescherpt door een termijn van veertien dagen eraan te koppelen. Verder is het oude sub a en b samengevoegd, en is het nieuwe sub b toegevoegd; het verplicht melden als de bedrijfsvoering veranderd. Dit kan namelijk invloed hebben op de openbare orde, openbare veiligheid en het woon- en leefklimaat. Dit moet getoetst worden. Op die manier houden we meer regie op de horeca en kunnen we ervoor zorgen dat de realiteit ook aansluit op wat ooit vergund is. Tot slot is de procesmatige vervolgstap opgenomen: wijziging van leidinggevende leidt tot een nieuw aanhangsel en wijziging van bedrijfsvoering leidt tot een gewijzigde vergunning. Dit werkt ook zo bij alcoholvergunningen.
Verwijderen van het oude lid 7 en 8: deze artikelen staan in de APV en komen voort uit het VNG-model. De gedachte is dat de zogenoemde natte horeca (horeca waar alcohol geschonken wordt) geen exploitatievergunning nodig heeft in sommige gevallen. Dat is onwenselijk. In het kader van openbare orde en veiligheid, toetsing woon- en leefklimaat, dient elke openbare inrichting een exploitatievergunning nodig te hebben (op de uitzonderingen in het nieuwe lid 7 na). Juist ook bij horeca waar alcohol geschonken wordt, dient o.a. het woon- en leefklimaat beoordeeld te worden. Veel gemeenten uit de regio hebben dit artikel er daarom ook al uitgehaald. De woorden ‘verleende vrijstelling’ wordt in de navolgende artikelen ook verwijderd. Tot slot is de nummering aangepast.
Artikel 2:28a (artikel I, onderdeel K, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:
WAS Artikel 2:28a Intrekkingsgronden 1. Onminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt een exploitatievergunning of verleende vrijstelling ingetrokken indien: a. de vergunning/vrijstelling is verleend op grond van door de exploitant verstrekte onjuiste of onvolledige informatie en een ander besluit op de aanvraag zou zijn genomen indien bij het nemen daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; b. een leidinggevende niet langer voldoet aan de eisen, zoals die zijn vermeld in artikel 2:28 tweede lid; c. zich in of in de nabijheid van de horecainrichting feiten hebben voorgedaan, die – naar het oordeel van de burgemeester – de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, de veiligheid, de volksgezondheid, het woon- en leefklimaat of de zedelijkheid; d. indien voor de exploitatie van een horecainrichting tevens een vergunning op basis van de Alcoholwet is vereist en deze vergunning is ingetrokken. 2. Een exploitatievergunning of vrijstelling kan worden ingetrokken: a. indien is of wordt gehandeld in strijd met de verleende vergunning en/of de daaraan verbonden voorschriften; b. niet langer wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens deze verordening zijn bepaald; c.
de intrekking van de vergunning op grond van het eerste lid, onder b, kan eerst geschieden een maand nadat van het voornemen daartoe aan de vergunninghouder schriftelijk mededeling is gedaan tenzij de vergunninghouder zelf niet langer voldoet aan de eisen zoals gesteld in artikel 2:28 tweede lid; d. in een horeca-inrichting de functie van leidinggevende wordt uitgeoefend door een persoon, die niet op de vergunning met betrekking tot dat bedrijf als zodanig is vermeld; e. op verzoek van de exploitant. 3. Ten aanzien van horeca-inrichtingen waarvan de exploitatievergunningen ingevolge het eerste lid onder c van dit artikel wordt ingetrokken kan tevens worden bepaald dat een exploitatievergunning voor de desbetreffende locatie gedurende een bepaalde termijn van maximaal vijf jaar zal worden geweigerd.
WORDT 1. Een exploitatievergunning wordt ingetrok k en indien: a. de vergunning is verleend op grond van door de exploitant verstrekte onjuiste of onvolledige informatie en een ander besluit op de aanvraag zou zijn genomen indien bij het nemen daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; b. de exploitant en/of leidinggevende niet langer voldoet aan de eisen, zoals die zijn vermeld in artikel 2:28, vierde lid, sub b; c. zich in of in de nabijheid van de horecainrichting feiten hebben voorgedaan, die – naar het oordeel van de burgemeester – de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, de veiligheid, de volksgezondheid, het woon- en leefklimaat of de zedelijkheid; d. de vergunninghouder de in artik el 2:28, zesde lid, bedoelde melding niet heeft gedaan. 2. Onverminderd het bepaalde in artik el 1:6 k an een exploitatievergunning of verleende vrijstelling worden ingetrokken indien: a. niet langer wordt voldaan aan de eisen die bij of k rachtens deze verordening zijn bepaald; b. in een horeca-inrichting de functie van leidinggevende wordt uitgeoefend door een persoon, die niet op de vergunning met betrekk ing tot dat bedrijf als zodanig is vermeld. 3.
Ten aanzien van horeca-inrichtingen waarvan de exploitatievergunningen ingevolge het eerste lid onder c van dit artikel wordt ingetrokken kan tevens worden bepaald dat een aanvraag voor een exploitatievergunning voor de desbetreffende locatie gedurende een bepaalde termijn van maximaal vijf jaar zal worden geweigerd.
Toelichting: met artikel 2:28a is het kennelijk de bedoeling geweest om aan te sluiten op de intrekkingsgronden uit artikel 31 van de Alcoholwet. Om dezelfde lijn aan te houden maar wel een juridische actualisatieslag te maken, die aansluit op de praktijk, is het voorstel om de volgende aanpassingen door te voeren: − Aanhef in lid 1 is verwijderd omdat artikel 1:6 een ‘kan-bepaling’ is en dit is een ‘wordt-bepaling’; − Het oude lid 1 sub d wordt verwijderd. Er is allereerst geen wettelijke grondslag om de Alcoholwet te koppelen aan de exploitatievergunningsplicht uit de APV. Voorts is deze koppeling ook overbodig. De alcoholvergunning wordt op grond van artikel 31, lid 1, sub b van de Alcoholwet ingetrokken als iemand van slecht levensgedrag wordt. Dat is ook het geval op basis van artikel 2:28a, lid 4, sub b van de APV. Op basis van het zijn van slecht levensgedrag worden beide vergunningen dus al ingetrokken. Om die reden is de koppeling dus ook overbodig. − Het nieuwe lid 1 sub d wordt toegevoegd om aan te sluiten op artikel 31, lid 1, sub d van de Alcoholwet en de nieuwe bepaling uit artikel 2:28, lid 6, sub b, van de APV. Met deze intrekkingsgrond wordt er een consequentie verbonden aan de meldplicht. − Het oude lid 2 sub a en e worden verwijderd omdat dit al is opgenomen in artikel 1:6, lid 1, sub c en e. Het is dubbelop dus overbodig.
− Het oude lid 2 sub c wordt verwijderd omdat dit een overbodige procedurele bepaling is die al volgt uit artikel 4:8 van de Awb. Tot slot wat tekstuele aanpassingen en aanpassingen in de nummeringen en verwijzingen.
Artikel 2:28b (artikel I, onderdeel L, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: WAS Artikel 2:28b Vervallen vergunning 1. De exploitatievergunning of verleende vrijstelling vervalt wanneer: a. de exploitatie van het horecabedrijf feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) overgedragen; b. zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de exploitatievergunning, zonder dat van deze vergunning gebruik is gemaakt; c. gedurende zes maanden anders dan wegens overmacht geen gebruik is gemaakt van de exploitatievergunning. 2. De burgemeester kan in afwijking van lid 1 bepalen dat een exploitatievergunning niet van rechtswege vervalt dan wel op andere gronden vervalt.
WORDT 1. De exploitatievergunning vervalt wanneer: a. de exploitatie van het horecabedrijf feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) overgedragen; b. zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de exploitatievergunning, zonder dat van deze vergunning feitelijk gebruik is gemaakt, tenzij sprak e is van overmacht. Dan geldt een termijn van maximaal één jaar. 2. De burgemeester kan in afwijking van lid 1 bepalen dat een exploitatievergunning niet van rechtswege vervalt dan wel op andere gronden vervalt.
Toelichting: sub b en c waren in principe gelijkluidend, op de overmachtsbepaling na. Met dit voorstel wordt de bepaling duidelijker gemaakt. De regio heeft deze bepaling in het verleden ook al verduidelijkt op deze manier.
Artikel 2:29 (artikel I, onderdeel M, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: WAS Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten tussen 02:00 uur en 6:00 uur.
WORDT Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten tussen 02:00 uur en 06:00 uur.
2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.
2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na de verleende sluitingstijd.
3. In afwijking van lid 1 kan de burgemeester een andere sluitingstijd vaststellen.
3. In afwijking van lid 1 kan de burgemeester een andere sluitingstijd vaststellen.
WAS 4. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, zesde lid aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.
WORDT 4. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, zevende lid aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.
5. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.
5. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.
6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: tekstuele aanpassingen en aanpassingen in de verwijzingen.
Artikel 2:30 (artikel I, onderdeel N, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: WAS Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
WORDT Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. 3. In het geval van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in het eerste lid, is het voor een openbare inrichting toegestaan om voor maximaal 12 dagen per k alenderjaar buiten de bij exploitatievergunning verleende openingstijden open te zijn, mits het veertien dagen van te voren gemeld is via het vastgestelde meldingsformulier. De sluitingstijden uit artik el 2:29, eerste lid, worden in acht gehouden.
Toelichting: de ‘verlaatjes sluitingstijden’ waar in de notitie over wordt gesproken komt voort uit lid 1. Dat zijn de ‘bijzondere omstandigheden’. Lid 3 is toegevoegd als beoordelingskader. Er wordt gewerkt met een meldingssysteem om een toename van administratieve laten te beperken, maar om tegelijkertijd wel regie te behouden.
Artikel 2:33a (artikel I, onderdeel O, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: WAS Artikel 2:33a Gebruik van glas- en vaatwerk 1. Het is verboden gedurende evenementen glasen vaatwerk, anders dan van kunststof of karton materiaal, te gebruiken voor het verstrekken van dranken.
WORDT
2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, genoemd in lid 1.
2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, genoemd in lid 1.
1. Het is verboden gedurende evenementen glas- en vaatwerk, anders dan van herbruik baar kunststof of karton materiaal, te gebruiken voor het verstrekken van dranken.
WAS
WORDT 3. De exploitant is verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de bezoek ers van de inrichting geen drinkgerei of flessen van glas buiten de inrichting brengen.
Toelichting lid 1: in verband met het verbod op single use plastic is voor de volledigheid het woord ‘herbruikbaar’ toegevoegd. Toelichting toevoeging lid 3: Deze inspanningsverplichting wordt momenteel in de individuele vergunningen opgenomen. Op deze manier geldt het voor elke exploitant en is het direct van toepassing.
Artikel 2:34b (artikel I, onderdeel P, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: WAS Artikel 2:34b schenktijden paracommerciële rechtspersonen Paracommerciele rechtspersonen verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank gedurende de periode niet eerder beginnende één uur voorafgaande aan de activiteit(en) en eindigende na maximaal twee uren na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon, maar niet later dan 01:30 uur.
WORDT
1. Paracommerciële rechtspersonen die zich hoofdzak elijk richten op activiteiten van sportieve aard en in het bezit zijn van een alcoholvergunning verstrek k en uitsluitend zwak -alcoholhoudende drank en ten behoeve van verenigings- of wedstrijdactiviteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving op: a. Maandag tot en met donderdag tussen 17:00 uur en 01:00 uur; b. vrijdag tussen 15:00 uur en 02:00 uur; c. zaterdag en zondag tussen 12:00 uur en 20:00 uur. 2. In afwijk ing het eerste lid is het voor die paracommerciële rechtspersonen toegestaan om maximaal 16 dagen per k alenderjaar zwak alcoholhoudende drank en te verstrek k en, mits − Het niet eerder dan 12:00 uur is; − niet later dan 01:00 uur; − het een verenigings- of wedstrijdactiviteit betreft die past binnen de statutaire doelomschrijving; − er hoofdzak elijk volwassenen van de leeftijd van 18 jaar of ouder deelnemen; − en het minimaal 14 dagen van te voren gemeld is via het daarvoor bestemde meldingsformulier. 3. Overige paracommerciële rechtspersonen, zoals gemeenschaps-, buurt- en dorpshuizen, die in het bezit zijn van een alcoholvergunning verstrek k en uitsluitend alcoholhoudende drank en gedurende de periode van één uur voorafgaande en tot maximaal twee uur na beëindiging van de activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving, maar niet later dan 02:00 uur.
Toelichting: tijdens de bijeenkomsten hebben de aanwezigen de wensen kenbaar gemaakt omtrent de schenktijden. Het doel was om zoveel mogelijk duidelijkheid en uniformiteit te verschaffen. Vanuit de organisatie werd daaraan toegevoegd dat de regels handhaafbaar moeten zijn. Diverse opties hebben de revue gepasseerd. Alle voorstellen hebben voor- en nadelen. Om onderstaande redenen wordt dit aan uw raad voorgesteld:
Juridisch Duidelijkheid
Handhaafbaarheid
Gelijkheid
Goed: voldoet aan de Alcoholwet + sluit aan op gedeelte van de regio en is conform het VNG-model Goed: het is direct duidelijk tot wanneer je mag schenken. Het is mogelijk om 16 keer per jaar langer door te gaan, mits voldaan aan de gestelde voorwaarden. Het risico van ter plekke een nieuwe activiteit verzinnen zodat je mag blijven schenken is hierdoor weg. Groot risico van schijnduidelijkheid/nadelig effect: de schenktijden komen niet altijd overeen met de sluitingstijden uit de exploitatievergunning. Dus het lijkt alsof je mag schenken tot 1:00 uur, terwijl je volgens je exploitatievergunning maar tot 23u open mag zijn. Dit is te ondervangen met duidelijk uitleg over de regels. Goed: op een gemelde activiteit na, is het voor de boa’s duidelijk dat er na X tijd niet meer geschonken mag worden. Risico/nadelig effect: de situatie kan zich voordoen dat ze conform exploitatievergunning nog open mogen zijn, maar dat ze niet meer mogen schenken. Dan wordt handhaving een uitdaging. Ook kunnen bezoekers creatief worden met snel veel bier bestellen voor einde schenktijd of zelf drank meenemen en opdrinken. Goed: er wordt wel onderscheid gemaakt tussen typen paracommercie maar dit is wettelijk geoorloofd. Die overeenstemming is tijdens één van de bijeenkomsten ook al onderling met de ondernemers en voorzitters van verenigingen bereikt.
Verder geldt voor elke sportvereniging in elke kern hetzelfde.
Artikel 2:34c (artikel I, onderdeel Q, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: WAS Artikel 2:34c bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen 1. Paracommerciele rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon zijn betrokken.
WORDT
Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon zijn betrokken.
2. het verbod in het eerste lid geldt niet voor gelegenheden die betrekking hebben op een uitvaart (koffietafel, samenkomst, etcetera) en voor de duur van deze gelegenheid. Toelichting: Het toestaan van het schenken van alcohol bij bijeenkomsten van persoonlijke aard is oneerlijke concurrentie en daarom niet wenselijk. Vanuit de regio was ook de dringende oproep om dit onveranderd in de APV te houden. Er werd gevreesd voor een zogenoemd waterbedeffect als het wel wordt toegelaten. Paracommerciële rechtspersonen ontvangen ook vaak subsidies. Het is niet de bedoeling dat privépartijen door de overheid gesubsidieerd worden. Dat staat tevens haaks op diverse beleidsuitgangspunten op het gebied van volksgezondheid. Voorgaande geldt evenals voor de uitzondering uit het tweede lid. Daarom is het voorstel om dit te verwijderen.
Artikel 2:34d (artikel I, onderdeel R, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt toegevoegd: WAS
WORDT Artik el 2:34d Proeverij bij slijterij 1. Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artik el 3, eerste lid, en het in artik el 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlok aliteit. 2. De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlok aliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.
Het is belangrijk om ondernemers hiertoe de kans te bieden. Derhalve het voorstel om dit artikel op te nemen.
Afdeling 7A (artikel I, onderdeel S, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: WAS
WORDT
Afdeling 7A. Winkelbedrijven
Afdeling 7. Winkelbedrijven
Afdeling 7B (artikel I, onderdeel T, van het wijzigingsbesluit) wordt verwijderd: WAS
WORDT
Afdeling 7B. Toezicht op bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen Toelichting: het artikel dat valt onder afdeling 7B wordt gewijzigd naar een ander artikelnummer, zoals te zien in de volgende tabel. Hierdoor is deze afdeling overbodig geworden.
Artikel 2:40i (artikel I, onderdeel U, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: WAS
WORDT
Artikel 2:40i Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemingsklimaat
Artik el 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemingsk limaat
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
1. In dit artik el wordt verstaan onder:
a. Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
a. bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artik el 3 van de Alcoholwet of de artik elen 2:28 of 3:3;
b. Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten;
b. beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijk e leiding over de bedrijfsmatige activiteit;
c. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. Het college kan gebouwen en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. In een door het college op grond van het tweede lid aangewezen gebouw voor door het college genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of b. Indien de uitoefening van het bedrijf een door het college op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 4. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. In het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
c. exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rek ening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 2. De burgemeester k an in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. 3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied. 4. De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te mak en van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrek t: a. voor welk e bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd; b. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder;
b. Indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
c. het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;
c. Indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn;
d. het nummer van inschrijving in het Handelsregister;
d. Indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met
e. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder;
het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; e. Indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend omgevingsplan; f. Indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 APV kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien:
f. voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten; g. een document waaruit blijk t dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikk en waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; h. een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder. 5. Onverminderd het bepaalde in artik el 1:8 k an de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
Door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, of;
b. als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
b. Door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of;
c. als redelijk erwijs moet worden aangenomen dat de feitelijk e toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
c. De voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd, of; d. De exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of; e. De exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed, of; f. Er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of; g. Er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, of; h. De bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd, of; i. Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.
d. als niet voldaan is aan de bij of k rachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag; e. als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of k rachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer. 6. De exploitant is verplicht elk e verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet. 7. Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoek ers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.
6. De burgemeester kan de sluiting van het bedrijf bevelen indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd. 7. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 8. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 9. Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden. 10. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is. 11.
In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.
8. De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden. 9. Onverminderd het bepaalde in artik el 1:6 k an de burgemeester een vergunning intrek k en of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat: a. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; b. de exploitant of beheerder betrok k en is of ernstige nalatigheid k an worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; c. er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; d. er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of k rachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; e. de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of f. redelijk erwijs moet worden aangenomen dat de feitelijk e toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 10.
Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning of het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, k an de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artik el 2:80, een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 11. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf. 12. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van k racht is.
WAS
WORDT 13. Het is eenieder verboden een overeenk omstig het tiende lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin te verblijven. 14. De burgemeester k an de sluiting opheffen als later bek end geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 15. In afwijk ing van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrek k ing van een aan hem verleende vergunning. 16. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschik k ing bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Er zijn vier concreet voorgestelde wijzigingen wat betreft dit ondermijningsartikel. 1.Wijziging artikelnummer: Gemeente Steenbergen heeft ‘ondermijningsartikel’ 2:40I al in de APV staan. Het verdient echter de voorkeur om de ondermijningsartikelen (2:80 en 2:81) bij elkaar te zetten en om in dit geval dus aan te sluiten bij de structuur van het VNG-model. 2.Wijziging bevoegd gezag: In het model-artikel van de VNG wordt het bestuursorgaan burgemeester genoemd als bevoegd orgaan om een aanwijzingsbesluit te nemen. In het verleden is het aanwijzingsbesluit op basis van dit artikel (vergunningplicht autoverhuurbranche) echter genomen door het college. T.a.v. bevoegdheid bestuursorgaan is inmiddels duidelijk geworden dat dit de burgemeester is. Er moet immers gekeken worden naar de achterliggende reden voor het aanwijzingsbesluit: In de ledenbrief van de VNG over de voorgestelde wijzigingen APV staat daarover het volgende: ‘’De burgemeester kan de bevoegdheden van de bepaling (2.81) inzetten als dat nodig is om verstoring van de openbare orde of nadelige beïnvloeding van de leefbaarheid tegen te gaan, als die wordt veroorzaakt door een onveilig en malafide ondernemersklimaat.’’ Hoe zit het dan met het huidige aanwijzingsbesluit? Het door het college genomen aanwijzingsbesluit vervalt formeel van rechtswege op het moment dat de grondslag daarvoor uit de APV komt te vervallen.
Het voorstel is om het door het college genomen aanwijzingsbesluit vanuit het oogpunt van rechtszekerheid en kenbaarheid desalniettemin wel in te trekken, zodat dit geen eigen leven kan gaan leiden. De burgemeester zal, op basis van de nieuwe gecreëerde grondslag, (opnieuw) een aanwijzingsbesluit moeten nemen. 3: Toevoeging lid 4 sub A-H: De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij een opsomming wordt gegeven van gegevens die moeten worden verstrekt (sub A-H). 4. Wetstechnische wijziging lid 10:
Het betreft hier geen cumulatieve, maar afzonderlijke criteria om een besluit te kunnen nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. Deze wijziging biedt derhalve ruimere gronden tot sluiting. Verder zijn de leden soms tekstueel iets anders van aard en staan ze in net een andere volgorde. De strekking van het artikel is voorderest echter hetzelfde.
Artikel 2:44a (artikel I, onderdeel V, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: WAS
WORDT
Artikel 2:44A Vervoer geprepareerde voertuigen 1.
2.
Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde voertuigen
Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zicch te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.
1.
2.
Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.
Toelichting: tekstuele wijziging.
Artikel 2:48a (artikel I, onderdeel W, van het wijzigingsbesluit) wordt verwijderd: WAS
WORDT
Artikel 2:48a 1. Het is verboden op openbare plaatsen en in voor publiek openstaande gebouwen lachgas te inhaleren uit een ballon of enig ander hulpmiddel, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. 2. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen lachgas al dan niet tegen betaling aan te bieden. Voorstel: dit artikel verwijderen, omdat dit inmiddels in hogere wetgeving, te weten de Opiumwet, geregeld is.
Artikel 2:60 (artikel I, onderdeel X, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: WAS Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
WORDT
WAS
WORDT
1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: