CConstaterende datSteenbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage nota bodembeheer 2222964.pdf

Besluitvormende Vergadering 20 oktober 2022, gemeente SteenbergenBij agendapunt: 08.: Nota bodembeheer en bodemkwaliteit.33.411 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Blad 75 van 92

Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

de Omgevingswet in paragraaf 5.4 van de Regeling bodemkwaliteit 2021. Een overzicht van afgegeven erkende kwaliteitsverklaringen is te vinden op de website van Bodem+.

20.2.3

Fabrikant-eigen-verklaring Dit is een milieuhygiënische verklaring die door een producent zelf kan worden afgegeven. In tegenstelling tot een erkende kwaliteitsverklaring, vindt bij een fabrikant-eigen-verklaring geen periodieke externe controle door een certificerende instelling plaats en is er ook geen erkenning noodzakelijk. De verantwoordelijkheid voor de milieuhygiënische kwaliteit van het product ligt dus volledig bij de fabrikant. Echter, voordat een producent een fabrikant-eigen-verklaring mag afgeven, moet hij door middel van een streng toelatingsonderzoek aantonen dat zijn product aan de gestelde milieuhygiënische eisen voldoet. De eisen die aan een fabrikant-eigen-verklaring voor een partij grond of baggerspecie worden gesteld, staan beschreven in artikel 4.3.7 van de Regeling bodemkwaliteit en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet in paragraaf 5.5 van de Regeling bodemkwaliteit 2021. Een overzicht van afgegeven fabrikant-eigen-verklaringen is te vinden op de website van Bodem+.

20.2.4

(water)bodemonderzoek Landbodem of een partij grond Bodemonderzoeken die voldoen aan bepaalde onderzoeksstrategieën uit de NEN 574018 zijn toegestaan als milieuhygiënische verklaring in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In de Regeling bodemkwaliteit wordt onderscheid gemaakt tussen onderzoeksstrategieën die kunnen worden gebruikt voor het aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit van: a. De ontvangende bodem (artikel 4.3.4 lid 1 van de Regeling en na inwerkingtreding van de Omgevingswet in paragraaf 7.1 van de Regeling bodemkwaliteit 2021) en b. Een partij toe te passen grond (artikel 4.3.4 lid 2 van de Regeling en na inwerkingtreding van de Omgevingswet in paragraaf 5.2 van de regeling bodemkwaliteit 2021). A: Voor het aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende landbodem zijn de volgende onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 toegestaan:  onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie;  onderzoeksstrategie voor een grootschalig onverdachte locatie;  onderzoeksstrategie bij een onbekende bodembelasting;  onderzoeksstrategie voor de toetsing of er sprake is van een schone bodem;  onderzoeksstrategie voor de toetsing of er sprake is van een schone bodem op grootschalige locaties;  onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet schone grond uit diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof.

B: Voor het aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit van een partij toe te passen grond zijn alleen de volgende onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 toegestaan:  onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem;

18 Landbodem: Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond

Blad 76 van 92

Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

 

onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties; onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet schone grond uit diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof.

Deze onderzoeksstrategieën gaan uit van een monstername-inspanning die in eenzelfde orde van grootte ligt als bij de hiervoor beschreven partijkeuring en erkende kwaliteitsverklaring. Waterbodem of een partij baggerspecie Als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van een partij toe te passen (of te verspreiden) baggerspecie en voor de kwaliteit van de waterbodem zijn de onderzoeksstrategieën uit de NEN 572019 toegestaan. Is voorafgaand aan het toepassen sprake van niet-procesgestuurde rijping of tijdelijke opslag van de baggerspecie, dan mogen de in-situ onderzoeksgegevens nog voor de betreffende partij baggerspecie als bewijsmiddel worden gebruikt. Gelet echter op het feit dat het rijpingsproces in veel gevallen een verbetering van de milieuhygiënische kwaliteit van de baggerspecie zal opleveren, verdient het aanbeveling om een partij baggerspecie na het rijpen opnieuw te onderzoeken (omdat de NEN 5720 geen onderzoeksstrategie kent voor depots, dient in dat geval de partij baggerspecie aan de hand van de BRL SIKB 1000, protocol 1001 te worden gekeurd).

20.3

Bewijsmiddelen onder de Omgevingswet Ook onder de Omgevingswet moet degene die een partij grond of baggerspecie toepast, de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie kunnen aantonen middels een bewijsmiddel. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt het begrip milieuhygiënische verklaring vervangen door het begrip milieuverklaring bodemkwaliteit. Dit is een verklaring over de milieuhygiënische kwaliteit van een specifieke partij of de bodem. Dit betreft een verklaring op grond van een partijkeuring, erkende kwaliteitsverklaring, fabrikanteigen verklaring, een bodemonderzoek of een bodemkwaliteitskaart. De milieuverklaring bodemkwaliteit wordt afgegeven op grond van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit staan in hoofdstuk 3A regels voor de afgifte van milieuverklaringen bodemkwaliteit. De uitwerking van deze regels staat in de Regeling bodemkwaliteit 2021. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet moet degene die toepast, naast een milieuverklaring bodemkwaliteit, ook beschikken over een afleverbon. Een afleverbon is een begeleidend document bij een partij grond of baggerspecie dat bij de afgifte van een milieuverklaring bodemkwaliteit is verstrekt als dit volgens Regeling bodemkwaliteit 2021 verplicht is. Het doel van de afleverbon is om de relatie tussen de partij en de milieuverklaring bodemkwaliteit te leggen.

De regels waaraan de milieuverklaring bodemkwaliteit en de afleverbon moeten voldoen, staan in het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit 2021.

20.4

Bewijsmiddelen voor PFAS Van partijen grond die worden toegepast binnen het beheergebied en projectgebied dient het PFAS-gehalte bepaald te zijn. Naast de lokaal geldende regels opgenomen in de geldende

19

Waterbodem: Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van waterbodem en baggerspecie

Blad 77 van 92

Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

Bodembeheernota omtrent verplaatsing van grond en baggerspecie, zijn de hieronder genoemde aanvullende regels van toepasing. Toepassen van grond en baggerspecie binnen het beheergebied en het projectgebied, is mogelijk na een melding bij het meldpunt bodemkwaliteit. Hierbij kan de bodemkwaliteitskaart PFAS dan wel het rapport bodemkwaliteit van Gol/Haven Acht uitsluitend worden gebruikt in combinatie met een historische toets (“Toets herkomst”) dan wel een historisch bodemonderzoek conform de NEN 5725 waaruit blijkt de ontgravingslocatie niet verdacht is op het voorkomen van PFASverbindingen als gevolg van een (bedrijfsmatige) activiteiten op of nabij de locatie. Een lijst met activiteiten die als verdacht op de verspreiding van PFAS in het milieu worden beschouwd, kan worden geraadpleegd via het Handelingskader voor PFAS van Expertisecentrum PFAS (ISBN/EAN 978-90-815703-0-5, d.d. 25 juni 2018). Indien uit de Toets herkomst of historisch bodemonderzoek blijkt dat de grond verdacht is op het voorkomen van PFAS door een bronlocatie, kan de bodemkwaliteitskaart niet als erkend bewijsmiddel gehanteerd worden en dient de partij middels een bodemonderzoek of partijkeuring op de aanwezigheid van PFAS onderzocht te worden.

Blijkt de concentratie van één van de PFAS de toepassingsnormen uit tabel 3 dan wel 4 uit paragraaf 1.1 in deel 1 van deze Nota te overschrijden, dan kan de grond niet worden toegepast binnen het betreffende gebied. Wanneer de bodemkwaliteitskaart PFAS niet als bewijsmiddel kan worden gebruikt, dient de milieu-hygiënische kwaliteit met betrekking tot PFAS van de toe te passen grond of baggerspecie op een andere wijze te worden aangetoond. Hiervoor zijn de volgende bewijsmiddelen erkend:  Erkende kwaliteitsverklaring;  Fabrikant-eigenverklaring;  Een partijkeuring met analyse op PFAS (AP04, BRL SIKB 1000, protocol 1001);  Een bodemonderzoek naar PFAS, conform de NEN 5740, mits een van de volgende onderzoeksstrategieën is gehanteerd (conform artikel 4.3.4 sub 2 van de Regeling Bodemkwaliteit):  De toetsing of sprake is van schone bodem (TOETS-S);  De toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR);  De partijkeuring van niet-schone grond uit een diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof (KEU-I-HE).  Een waterbodemonderzoek conform de NEN 5720. Andere onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 kunnen niet gebruikt worden als erkend bewijsmiddel van de kwaliteit van de grond.

Deze bodemonderzoeken kunnen enkel in combinatie gebruikt worden met het formulier Toets herkomst (indien van toepassing) en de bodemkwaliteitskaart. Voor het toepassen van grond of baggerspecie op uitgesloten locaties dient de kwaliteit van de ontvangende bodem vastgesteld te worden (dubbele toets). Om de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen zijn de volgende onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit:  onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie (ONV);  onderzoeksstrategie voor een grootschalig onverdachte locatie (ONV-GR);  onderzoeksstrategie bij een onbekende bodembelasting (ONB);  onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem (TOETS-S);  onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR);

Blad 78 van 92

Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet schone grond uit diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof (KEU-I-HE).

Bij de bovenstaande onderzoeksstrategieën kan onderzoek naar de kwaliteit van het grondwater en de kwaliteit van de grond van de ontvangende bodem, indien op 0,5 m-mv en dieper, achterwege blijven.

20.5

Zorgplicht bij graafwerken Indien bij graafwerken op onverdachte locaties geconstateerd wordt dat er onverwacht toch sprake is/kan zijn van een verdachte locatie, geldt – conform art. 7 van het Besluit bodemkwaliteit én art. 13 Wet bodembescherming – onverkort het zorgplichtbeginsel. Dat betekent dat onder alle omstandigheden bij grondverzet (zowel ontgraven als toepassen van grond en baggerspecie) de wettelijke zorgplicht in acht moet worden genomen. De zorgplicht betekent dat eenieder die weet heeft of redelijkerwijs kan vermoeden dat nadelige gevolgen kunnen optreden bij grondverzet, maatregelen moet nemen om verontreiniging te voorkomen of te beperken. Een dergelijke situatie betekent in ieder geval dat de bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel gebruikt mag worden. De uitvoerende partij heeft dan de plicht om alsnog de kwaliteit van de grond in beeld te brengen en te toetsen aan de eisen die gelden vanuit het generieke kader. De uitkomsten van het onderzoek (conform de NEN 5740) worden dan getoetst aan de bodemkwaliteitseisen die gelden binnen de betreffende gemeente. Alleen als aan deze eisen wordt voldaan, kan de initiatiefnemer gebruik maken van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel. Het is niet mogelijk een volledige opsomming te geven van situaties waarbij het instellen van verder onderzoek nodig is om te kunnen bepalen of hergebruik van grond mogelijk is.

Voorbeelden van situaties waarin in deze paragraaf op worden gedoeld (niet uitputtelijk), zijn:  Bij het graven (anders dan voor tijdelijke uitname) van de grond in het bebouwde gebied waarbij meer dan 20 % bodemvreemde bijmengingen aangetroffen;  Bij het graven (anders dan voor tijdelijke uitname) in de grond in het buitengebied waarbij meer dan 5 % bodemvreemde bijmengingen worden aangetroffen;  Bij het aantreffen van asbest of asbestverdacht materiaal in of op de bodem;  Bij zintuiglijke waarnemingen anderzijds, die duiden op mogelijke bodemverontreiniging. Denk bijvoorbeeld aan verkleuringen van de grond, een oliefilm, brandsporen of vreemde geuren in de grond;  Als niet-genormeerde stoffen (zoals bijvoorbeeld chloride) en voor stoffen die niet op de groslijst voorkomen (zoals nutriënten en zwevende stof) worden verwacht;  Er worden onverwachte tanks aangetroffen e.d. Meldingsplicht voor bijzondere situaties Voor locaties waar, op grond van de zorgplicht een bodemonderzoek noodzakelijk is, dient, voorafgaand aan de ontgraving, een melding te worden gedaan bij de afdeling handhaving van de betreffende gemeente, vooropgesteld dat in betreffende geval de gemeente en niet de provincie het bevoegd gezag is. Hiermee wordt het bevoegd gezag geïnformeerd en kan gecontroleerd worden of er aanvullende onderzoeken en/of maatregelen nodig of gewenst zijn.

Deze melding moet vergezeld gaan van het uitgevoerde bodemonderzoek. De resultaten van dit onderzoek bepalen mede wat er moet/kan gebeuren met de betreffende grond.

Blad 79 van 92

Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

20.5.1

Zorgplicht Omgevingswet De komst van de Omgevingswet wijzigt niet de zorgplicht die een initiatiefnemer altijd heeft bij werken in de grond. De zorgplicht is echter wel anders geregeld. In de Omgevingswet is de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming namelijk in meerdere artikelen uitgewerkt:  Artikel 2.11 en hoofdstuk 19 Omgevingswet: specifieke zorgplicht;  Hoofdstuk 19 Omgevingswet: ongewoon voorval;  Eventuele zorgplicht in het gemeentelijk omgevingsplan;  Artikel 1.6 en 1.7 Omgevingswet: algemene zorgplichten;  Artikel 1.7a Omgevingswet en artikel 1.3 Omgevingsbesluit: vangnetbepaling en uitwerking. In hoofdstuk 19 van de Omgevingswet is de zorgplicht bij aantreffen van een ongewoon voorval geregeld. Hierbij zijn twee aandachtspunten: Als een ongewoon voorval plaatsvindt bij een aangewezen milieubelastende activiteit, gelden aanvullende regels volgens artikel 2.22 van het Bal. De veroorzaker moet dan aanvullende gegevens aanleveren aan het bevoegd gezag. Ten tweede is er sprake van een wijziging in het bevoegde gezag. Onder de Wet Bodembescherming was dit vaak de provincie. Onder de Omgevingswet zijn gemeenten in beginsel het bevoegde gezag bij een ongewoon voorval.

20.6

Onderzoek naar asbest in de bodem In Nederland is tot 1993 asbest toegepast. Asbest kan in de bodem terecht zijn gekomen op locaties waar asbest is toegepast, bijvoorbeeld in bebouwing. Veel vaker is asbesthoudend materiaal in de bodem gekomen bij sloopactiviteiten van voor 1997 waarbij het bouwafval gebruikt is in ophooglagen, erfverhardingen of dempingen. Sinds 1997 verplicht het Bouwbesluit om een asbestinventarisatie voorafgaand aan de sloop van gebouwen uit te voeren en het asbest selectief te verwijderen. De aanwezigheid van asbest in de bodem kan risico’s opleveren voor de volksgezondheid. Om deze reden is onderzoek naar het voorkomen van asbest in de bodem in sommige gevallen verplicht. Asbestonderzoek in de bodem moet conform het onderzoeksprotocol NEN 5707 of NEN 5897 worden uitgevoerd. In de beleidsbrief asbest uit 2004 (van het ministerie van VROM) is de norm voor asbest gesteld op 100 mg/kg, gewogen naar het soort asbest. Het gehalte dient vastgesteld te worden aan de hand van nader asbestonderzoek. Gehalten boven deze norm kunnen aanleiding geven om de bodem te saneren. Het asbestbeleid van de deelnemende gemeenten is primair gericht op het veiligstellen van de volksgezondheid. De gemeenten willen echter ook, in het kader van deregulering de onderzoeksplicht voor burgers en bedrijven zoveel mogelijk beperken en hierin zo goed mogelijk adviseren.

Blad 80 van 92

Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

Figuur 17: Afscherming van een asbestverdachte locatie

Wanneer is asbestonderzoek verplicht? Asbestonderzoek is verplicht bij bodemonderzoeken van locaties die op grond van voorinformatie uit terreinbezoek, vooronderzoek overeenkomend de NEN 5725 of wegens zintuiglijke waarnemingen tijdens veldwerkzaamheden verdacht zijn gebleken op het voorkomen van asbest. Dit betreft onder andere:  Erven van agrarische bedrijven met bebouwing van voor 1993 of waar voor 1997 sloopwerkzaamheden zijn uitgevoerd;  Autosloperijen;  Puinhoudende bodemlagen, afhankelijk van het type puin, zie ook de NEN 5725;  Oude ophooglagen.

In het geval van tijdelijke uitplaatsen is in het kader van risicogestuurd werken niet altijd asbestonderzoek noodzakelijk. Zie hiervoor ook de richtlijn asbest in puinhoudende bodem bij tijdelijk uitplaatsen van Bodemplus20. In het geval een gemeente bij asbestonderzoek aanvullende zaken onderzocht wenst te zien (bijvoorbeeld de stofgroep PCB), dan is het mogelijk dit middels een maatwerkvoorschrift de initiatiefnemer op te leggen.

20

https://www.bodemplus.nl/actueel/nieuwsberichten/2020/richtlijn-asbest-puinhoudende-bodem-tijdelijk/

Blad 81 van 92

Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

21

Meldingen en procedures De gemeenten zijn bevoegd gezag voor het Besluit bodemkwaliteit. In dat kader ontvangen, beoordelen en registreren de gemeenten de meldingen en verzorgen zij het toezicht op en de handhaving van het op landbodem toepassen van partijen grond of baggerspecie. Deze taken zijn in de volgende paragrafen toegelicht.

21.1

Wanneer melden Op grond van artikel 42 van het Besluit bodemkwaliteit moeten alle toepassingen van grond en baggerspecie worden gemeld, met uitzondering van:  Het toepassen van minder dan 50 m3 schone grond en baggerspecie (klasse AW2000);  Het verspreiden van baggerspecie op het aangrenzend perceel;  Het toepassen van grond en baggerspecie door particulieren (behalve wanneer de werkzaamheden worden uitbesteedt aan een aannemer, in dat geval moet wel een melding worden ingediend);  Het verplaatsen van grond of baggerspecie binnen één landbouwbedrijf (de grond/baggerspecie moet in dat geval wel afkomstig zijn van een binnen hetzelfde landbouwbedrijf gelegen perceel waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld). Voor het toepassen van schone grond en baggerspecie in hoeveelheden vanaf 50 m3 moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld.

21.2

Meldingstermijn en loket Degene die grond of baggerspecie gaat toepassen, moet dit tenminste vijf werkdagen van tevoren melden, bij voorkeur digitaal, via het Meldpunt bodemkwaliteit21 (https://www.meldpuntbodemkwaliteit.nl/Voorportaal.aspx). Het meldpunt stuurt de melding vervolgens ter beoordeling door naar het betreffende bevoegde gezag. Op de website van het meldpunt zijn de meldingsformulieren te vinden alsmede informatie over welke gegevens bij de melding moeten worden gevoegd. Men kan bij het meldpunt ook terecht voor vragen over het invullen van de meldingsformulieren of het aanvragen van een account om digitaal te kunnen melden. Indien er onduidelijkheden of twijfels bestaan over het op een locatie mogen toepassen van een bepaalde partij, kan contact worden opgenomen met de bodemambtenaar van de desbetreffende gemeente.

21.3

Beoordeling De gemeenten toetsen de voorgenomen toepassing, en de eventueel bijgeleverde stukken, aan het Besluit bodemkwaliteit en onderliggende Bodembeheernota. Hierbij wordt in ieder geval nagegaan of:  Het meldingsformulier volledig is ingevuld en of de benodigde bewijsmiddelen zijn bijgevoegd (dus of de melding ontvankelijk is); Meldingen die in het kader van overgangsrecht nog moeten worden getoetst aan het Bouwstoffenbesluit dienen rechtstreeks bij het bevoegd gezag te worden ingediend. 21

Blad 82 van 92

Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

     

De werkzaamheden onder het juiste toepassingskader zijn aangemeld; Terecht van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel gebruik wordt gemaakt; Indien gebruik wordt gemaakt van de Toets herkomst NEN 5725, of deze volledig en correct is ingevuld; Op basis van de verstrekte informatie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat er inderdaad geen sprake is van bijzondere omstandigheden of onverwachte situaties; De aangeleverde bewijsmiddelen acceptabel en voldoende zijn; De eindconclusie over de toepasbaarheid van de partij grond of baggerspecie juist is.

De gemeente is het bevoegd gezag en heeft de taak om de melding te toetsen. De deelnemende gemeenten hebben de mogelijkheid een andere partij zoals de omgevingsdienst aan te wijzen om deze taken over te nemen. Indien de melding en/of de bijgeleverde gegevens naar het oordeel van de toetsende instantie onduidelijk, onvolledig of anderszins niet toereikend zijn, zullen door de toetser nadere gegevens van de melder worden verlangd. Dit verzoek kan telefonisch, per email of per brief plaatsvinden. Door de melder kan in principe vijf werkdagen na het melden met de werkzaamheden worden aangevangen. De gemeente neemt namelijk geen formeel besluit op de melding. Een toepasser kan zich niet beroepen op het uitblijven van een reactie van de gemeente op een melding. De toepasser is en blijft namelijk zelf verantwoordelijk voor het voldoen aan de vereisten van het Besluit bodemkwaliteit.

21.4

Registratie Een goede registratie van meldingen is van belang voor het toezicht op het toepassen van grond en baggerspecie en voor het op termijn actualiseren van de bodemkwaliteitskaart. Meldingen die digitaal worden ingediend, worden automatisch geregistreerd onder het account dat iedere gemeente heeft bij het Meldpunt bodemkwaliteit. Analoge meldingen worden door de gemeente geregistreerd. Hierbij worden onder meer de volgende gegevens vastgelegd:  De informatie van het meldingsformulier;  De daadwerkelijke start van het project;  Wanneer de werkzaamheden zijn afgerond;  Eventuele afwijkingen in de uitvoering.

21.5

Toezicht en handhaving Proactieve handhaving De melding geeft de gemeente de mogelijkheid om te verifiëren of de toe te passen partij en de voorgenomen toepassing voldoen aan de vereisten van het Besluit bodemkwaliteit. Door de gemeente worden bij de melder aanvullende gegevens opgevraagd indien de melding en/of de bijgeleverde gegevens onduidelijk, onvolledig of anderszins niet toereikend zijn.

Blad 83 van 92

Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

Actieve handhaving Een deel van de gemelde toepassingen wordt in het veld gecontroleerd. Hierbij wordt onder andere aandacht besteedt aan:  Komt de toepassingslocatie overeen met wat in de melding is aangegeven?  Komt het toegepaste volume overeen met de melding?  Komt het toegepaste materiaal overeen met wat is gemeld? Om het toepassen (hergebruik) van grond en baggerspecie op zorgvuldige wijze te kunnen laten plaatsvinden, alsmede het toezicht hierop te vereenvoudigen, gelden een aantal procedurele voorschriften:  Indien de uitvoeringsdatum ten tijde van de melding nog niet kon worden aangegeven, dient de gemeente uiterlijk vijf werkdagen vóór aanvang van de werkzaamheden op de hoogte te worden gesteld;  De eigenaar of erfpachter van de locatie waarop de toepassing plaatsvindt dient tijdens de uitvoering van de werkzaamheden een kopie van het meldingsformulier, en de bijbehorende ontvangstbevestiging van de gemeente, aan een toezichthoudend ambtenaar te kunnen overleggen;  De uitvoerder van het project dient de voor de aan te voeren c.q.

toe te passen partij grond of baggerspecie relevante bewijsmiddelen te kunnen overleggen;  Afwijkingen van de oorspronkelijke melding dienen terstond te worden gemeld;  Wanneer tijdens de uitvoering van het ontgraven of toepassen van grond of baggerspecie uit zintuiglijke waarnemingen blijkt dat de grond of baggerspecie mogelijk is verontreinigd, mag deze grond/baggerspecie niet zonder nader onderzoek of nadere bewerking worden hergebruikt. Indien een dergelijke waarneming wordt gedaan, dient de grond/baggerspecie in depot te worden gezet en dient contact te worden opgenomen met de gemeente. Als blijkt dat de toepassing niet overeenkomt met de melding zullen de toezichthouders er op toezien dat de ongewenste situatie ongedaan wordt gemaakt. Hierbij zal gebruik worden gemaakt van de beschikbare wettelijke hulpmiddelen. Afhankelijk van de geconstateerde tekortkoming, zal melding worden gedaan bij het Toezichtloket Bodem van de Inspectie Leefomgeving en Transport (https://www.ilent.nl/onderwerpen/bodemtoezicht). Naast gerichte inspecties in relatie tot gemelde toepassingen, worden door de toezichthouders surveillances uitgevoerd teneinde te controleren op niet gemelde toepassingen van grond en baggerspecie. Post-actieve handhaving Tot slot is het mogelijk om handhavend op te treden door het uitvoeren van een handhavingsonderzoek.

Indien het noodzakelijk wordt geacht om tot monsterneming over te gaan, bijvoorbeeld wanneer wordt betwijfeld of de kwaliteit van de toegepaste partij grond of baggerspecie overeenkomt met de gemelde kwaliteit, moeten de bemonstering en het laboratoriumonderzoek plaatsvinden overeenkomstig het daarvoor van toepassing zijnde kaders. Daarnaast kan strafrechtelijk en/of bestuursrechtelijk worden opgetreden bij geconstateerde overtredingen. Wat hierbij bepalend is, is of sprake is van een aandachtspunt zoals beschreven in

Blad 84 van 92

Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

de HandhavingsUitvoeringsMethode Besluit bodemkwaliteit (HUM-Bbk)22. Deze HUM-Bbk is bedoeld om alle handhavende overheidsinstanties, die toezicht houden in het kader van het Besluit Bodemkwaliteit, ondersteuning te bieden bij het signaleren, beëindigen, ongedaan maken of terugdraaien van een overtreding. Transport Voor het transport van (vrijkomende) grond en baggerspecie moet worden voldaan aan de Wegenverkeerswet, het Reglement verkeersregels en verkeerstekens en de wetgeving met betrekking tot het transporteren van afvalstoffen. (Vrijkomende) grond of baggerspecie is in principe een afvalstof, tenzij door de eigenaar aantoonbaar voldoende garanties kunnen worden gegeven dat de betreffende partij binnen afzienbare tijd direct nuttig kan worden hergebruikt op een andere locatie. In het geval van afvalstoffen dienen de volgende documenten bij het transport aanwezig te zijn: 1. Een volledig ingevulde en ondertekende ‘standaard begeleidingsbrief’ a. Het vermelden van een afvalstroomnummer is afhankelijk van de bestemming (gaat de partij wel of niet naar een inrichting); 2. Een gewaarmerkt kopie van het certificaat voor vervoer (NIWO: Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie); 3. Een verwijzing naar kwaliteitsgegevens (deze kwaliteitsgegevens moeten op de locatie van herkomst of de locatie van toepassing aanwezig zijn).

Indien kan worden aangetoond dat de partij grond of baggerspecie op korte termijn wordt hergebruikt, dan wel rechtstreeks van een leverancier vandaan komt, zijn voor het transport de volgende documenten vereist: 1. Een vrachtbrief in het kader van transportwetgeving (de eerdergenoemde begeleidingsbrief is ook als vrachtbrief te gebruiken); 2. Een gewaarmerkt kopie van het certificaat voor vervoer (NIWO); 3. Een verwijzing naar kwaliteitsgegevens. Opgemerkt wordt dat voor wat betreft grond en baggerspecie het Besluit bodemkwaliteit alleen betrekking heeft op het toepassen hiervan. Derhalve is het bevoegd gezag voor het Besluit bodemkwaliteit niet bevoegd voor het uitvoeren van controles in het kader van transport (- of afvalstoffen) wetgeving. Het bevoegd gezag in relatie tot transport zijn de politie en de provincie. Daarnaast zijn de Inspectie van Verkeer en Waterstaat en de ILenT inspectie eerstverantwoordelijke voor ketentoezicht in relatie tot het Besluit bodemkwaliteit. Wel mag een toezichthouder van de gemeente die transporten controleren die gerelateerd zijn aan een toepassing conform het Besluit bodemkwaliteit. Bij het controleren van transporten is samenwerking met de provincie of de politie echter altijd aan te bevelen.

De HUM-Bbk is een uitgave van SenterNovem Bodem+, in opdracht van het ministerie van VROM (kenmerk 3BODM0906, augustus 2009). 22

Blad 85 van 92

Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

21.6

Meldingen en procedures onder de Omgevingswet

21.6.1

Meldingen Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen meldingen niet meer gaan via het meldpunt bodemkwaliteit, maar via Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) is de digitale ondersteuning van de Omgevingswet. De centrale spil is het Omgevingsloket, waar digitale informatie over de leefomgeving onder de Omgevingswet samenkomt. Via het Omgevingsloket kunnen initiatiefnemers een vergunningaanvraag of een melding indienen in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Middels duidelijke stappen en vragen worden initiatiefnemers door het proces geleid. Door het maken en aanleveren van toepasbare regels door gemeenten kunnen gemeenten zelf de vragen en indieningsvereisten over activiteiten voor een verzoek bepalen. Wanneer er in het Omgevingsloket een melding wordt ingediend, krijgen zowel het bevoegd gezag als de behandeldienst (indien ingesteld) hiervan een melding. Het kan zijn dat met de inwerkingtreding van de Omgevingswet het DSO (of delen daarvan) nog niet kunnen worden gebruikt. Om tijdelijk toch nog vergunningaanvragen of meldingen te ontvangen, zijn er tijdelijke alternatieve maatregelen (TAM) beschikbaar. In hoofdstuk 4 van het Bal staat per milieubelastende activiteit of er door de initiatiefnemer informatie moet worden verstrekt (gegevens en bescheiden) aan het bevoegd gezag en/of een melding moet worden verricht.

Voor de volgende bodem-gerelateerde activiteiten is in het Bal een informatie/meldplicht geregeld:  Informatieplicht: o Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.119 van het Bal); o Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120 van het Bal); o Saneren van de bodem (paragraaf 4.121 van het Bal); o Toepassen van bouwstoffen (paragraaf 4.123 van het Bal);  Meldplicht: o Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120 van het Bal); o Saneren van de bodem (paragraaf 4.121 van het Bal); o Opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie (paragraaf 4.122 van het Bal); o Toepassen van grond of baggerspecie (paragraaf 4.124 van het Bal). Voor activiteiten waarbij zowel een melding moet worden gedaan als ook gegevens en bescheiden worden aangeleverd (informatieplicht), dienen beide onderdelen in het DSO ingevuld te worden.

21.6.2

Termijnen De meldingstermijnen wijzigen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet en worden hieronder beknopt samengevat.

Blad 86 van 92

Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

Graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit De initiatiefnemer verstrekt gegevens en bescheiden over de voorgenomen toepassing minimaal één week voorafgaande aan de aanvang van de activiteit. Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Minimaal 4 weken voor aanvang van de activiteit wordt door de initiatiefnemer de melding verricht. In het geval van tijdelijke uitname geldt een meldingstermijn van 1 week. Dezelfde termijnen gelden voor de gegevens en bescheiden die dienen te worden aangeleverd. Verder dient de initiatiefnemer binnen 1 week na afronding van de activiteit gegevens en bescheiden aan te leveren. In het geval van spoedreparaties is het niet verplicht te voldoen aan de hierboven gestelde termijnen voor informatie- en meldplicht. Wel dient de initiatiefnemer na afronding van de werkzaamheden alsnog gegevens en bescheiden aan te leveren. Saneren van de bodem Voor de activiteit saneren van de bodem dient de melding minimaal 4 weken voor aanvang van de activiteit te zijn verricht. Daarnaast moeten gegevens en bescheiden worden verstrekt: ten minste 4 weken voor de aanvang dienen gegevens over de begrenzing en verwachte startdatum te zijn verstrekt.

Minimaal 1 week voor het begin van de activiteit verstrekt de initiatiefnemer het bevoegd gezag met betrekking tot de uitvoerder en milieukundige begeleiding. Ten hoogste 4 weken na afronding na afronding van de activiteit verstrekt de initiatiefnemer een evaluatieverslag en eventuele aanvullende documenten. Opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie De initiatiefnemer meldt de activiteit minimaal 4 weken voorafgaande aan de start van de activiteit. Er gelden twee uitzonderingen:  Over het samenvoegen van partijen is maar één keer een melding nodig. Het is niet nodig om iedere keer te melden dat er partijen worden samengevoegd;  Wanneer er eenmalig wordt opgeslagen dient er een week voor de opslag een melding te worden gedaan (met inwerkingtreding van de Omgevingswet komt het begrip ‘tijdelijke opslag’ te vervallen). Toepassen van bouwstoffen Alleen in het geval van het toepassen van de bouwstoffen AVI-bodemassen en immobilisaten geldt een informatieplicht voorafgaande aan de activiteit. Voor het toepassen van overige bouwstoffen geldt geen informatieplicht vooraf. De gegevens en bescheiden voor het toepassen van AVI-bodemassen en immobilisaten dienen minimaal 4 weken voor de start te zijn ingediend.

Ongeacht de hierboven genoemde informatieplicht dient de initiatiefnemer de kwaliteit van de toe te passen bouwstoffen op moment van toepassen te kunnen aantonen. De gegevens en bescheiden dienen daarom beschikbaar te zijn tijdens de werkzaamheden. In enkele situaties is het niet noodzakelijk om de kwaliteit van het materiaal te kunnen aantonen tijdens de werkzaamheden. Dit geldt voor het toepassen van metselmortel of een natuursteenproduct, vormgegeven bouwstoffen als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit 2021 die zonder verandering van eigenschappen of samenstelling onder dezelfde omstandigheden opnieuw worden toegepast, niet-teerhoudend asfalt of asfaltbeton, tijdelijk uit een werk wegnemen of wanneer een natuurlijk persoon (particulier) bouwstoffen toepast, anders dan in zijn beroep of bedrijf.

Blad 87 van 92

Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

Toepassen van grond of baggerspecie Voor het melden van een toepassing geldt een meldplicht van 1 week. In het geval het gaat om meerdere toepassingen, is een meldingstermijn van 4 weken van toepassing. Er zijn uitzonderingen van toepassing: Voor de volgende gevallen geldt er geen meldingsplicht:  Toepassing door natuurlijk persoon: particulieren tot maximaal 25 m3;  Bedrijf voor telen van gewassen: toepassen op eigen landbouwgronden;  Maximaal 50 m3 grond kwaliteit landbouw/natuur. Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn;  Maximaal 50 m3 baggerspecie kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar: Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn (met uitzondering van toepassen in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone);  Baggerspecie verspreiden op de landbodem, als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a van het Bal;  Als een activiteit vergunningplichtig is volgens hoofdstuk 3 van het Bal, dan geldt er geen meldplicht. De gegevens die een melding moet bevatten, maken in dat geval onderdeel uit van de vergunningaanvraag;  Al eerder gemeld: als er al eerder een melding is gedaan voor dezelfde toepassing, hoeft een initiatiefnemer niet opnieuw te melden. Wel moet de initiatiefnemer gegevens en bescheiden per partij aanleveren volgens artikel 4.1267.

Minimaal één week voor aanvang van de activiteit dient de initiatiefnemer het bevoegd gezag te voorzien van gegevens en bescheiden. De gegevens en bescheiden hoeven niet aangeleverd te worden in de volgende gevallen:  Toepassing door natuurlijk persoon: particulieren tot maximaal 25 m3;  Bedrijf voor telen van gewassen: toepassen op eigen landbouwgronden;  Grond met kwaliteitsklasse landbouw/natuur. Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn;  Baggerspecie met kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar. Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn (met uitzondering van toepassen in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone);  Baggerspecie verspreiden op de landbodem, als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a van het Bal. Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn. Op de website https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/toepassen-grondbaggerspecie/toepassingsbereik-melding-gegevens/ zijn stroomdiagrammen opgenomen die de meldplicht en informatieplicht verduidelijken.

21.6.3

Toezicht en handhaving Het basistakenpakket voor toezicht en handhaving is onder de Omgevingswet op een paar onderdelen gewijzigd. De omzetting van het basistakenpakket wordt zo beleidsneutraal mogelijk gedaan. In hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn de toebedeelde taken nu eenvoudiger te vinden. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er enkele wijzigingen in het basistakenpakket (BTP) uitgevoerd door omgevingsdiensten. Het doel is om een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving te bevorderen.

Blad 88 van 92

Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

Een aantal belangrijke wijzigingen is:  De milieubelastende activiteit is nu de ingang voor het basistakenpakket en niet langer het begrip 'inrichting';  Bodemgerelateerde activiteiten zijn onder de Omgevingswet niet langer apart geregeld. Dit is omdat deze activiteiten onder de regels van milieubelastende activiteiten vallen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);  Onder het basistakenpakket vallen nu ook de uitvoering en het toezicht en de handhaving van de regels in het omgevingsplan, als het gaat om activiteiten uit het basistakenpakket. Wanneer een activiteit niet binnen het bereik van het basistakenpakket valt, mag deze wel als extra taak bij de omgevingsdienst belegd worden.

Blad 89 van 92

Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

Deel 4: Bodemkwaliteitskaarten Om het toepassen van grond of baggerspecie binnen de regio te vereenvoudigen hebben decentrale overheden de mogelijkheid om bodemkwaliteitskaarten op te stellen. Gemeenten stellen over het algemeen een bodemkwaliteitskaart op voor de landbodem binnen hun grondgebied. In een bodemkwaliteitskaart zijn over het algemeen de volgende kaarten opgenomen: 1. Ontgravingskaart; 2. Toepassingskaart; 3. Functiekaart. Dit deel van de Nota geeft een toelichting op de kaarten en beschrijft wanneer welke kaart gebruikt moet worden.

Blad 90 van 92

Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

22

De bodemkwaliteitskaart

22.1

Ontgravingskaart De ontgravingskaart geeft een indicatie van de chemische kwaliteit van een partij grond die wordt ontgraven voor hergebruik elders. Hierbij is onderscheid gemaakt in de bovengrond en de ondergrond. De te verwachten bodemkwaliteit is verdeeld in de kwaliteitsklassen die binnen het Besluit bodemkwaliteit van kracht zijn (zie figuur 18).

Figuur 18: Overzicht normen landbodem

Wanneer de ontgravingskaart gebruikt kan worden als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de vrijkomende grond, is opgenomen in deel 3, hoofdstuk 20. Aangenomen wordt dat grond uit bodemlagen dieper dan 2,5 m -mv. van eenzelfde zo niet een betere kwaliteit is dan grond afkomstig uit de laag 0,5 - 2,5 m -mv. Om deze reden wordt de ontgravingskaart van de ondergrond representatief geacht voor grond uit bodemlagen dieper dan 2,5 m -mv. met inachtneming van het verrichten van een vooronderzoek zoals beschreven in deel 3, hoofdstuk 20.

22.2

Functiekaart Zie voor nadere beschrijving van de bodemfunctieklassenkaart hoofdstuk 4 (deel 1 van deze Nota).

22.3

Toepassingskaart generieke kader Op de toepassingskaart is de kwaliteitsklasse aangegeven waar een partij grond of baggerspecie aan moet voldoen wanneer men deze op een bepaalde locatie binnen de gemeente wil toepassen. Het landelijk geldende beleidskader van het Besluit bodemkwaliteit (= het generieke kader; zie ook deel 3 van deze Nota, hoofdstuk 16 en 17; na inwerkingtreding van de Omgevingswet artikel 4.1272 Bal) schrijft voor dat:  De kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie geschikt moet zijn voor de functie die de bodem heeft én;  Voor het toepassen van de partij grond of baggerspecie de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende bodem niet mag verslechteren. Dit betekent dat een op de landbodem toe te passen partij grond of baggerspecie getoetst moet worden aan zowel de kwaliteitsklasse als de functieklasse van de ontvangende bodem. De

Blad 91 van 92

Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

strengste van beide klassen bepaalt uiteindelijk de kwaliteitsklasse waar een toe te passen partij grond of baggerspecie aan moet voldoen.

22.4

Bodemkwaliteitskaarten en bodemfunctiekaart onder de Omgevingswet De bodemkwaliteitskaart en bodemfunctiekaart behouden onder de Omgevingswet hun centrale functie binnen het lokale bodembeleid. De functiekaart en het gebiedsspecifieke beleid wordt gelijkgesteld aan het tijdelijk deel van het omgevingsplan (dit is opgenomen in deel 1 van deze Nota). De bodemkwaliteitskaart blijft bruikbaar als basis voor de afgifte van een milieuverklaring bodemkwaliteit, op basis van artikel 25c van het gewijzigde Besluit bodemkwaliteit. De bodemkwaliteitskaart kan ook als losstaand document vastgesteld worden. Gelijk aan de huidige situatie dient de bodemkwaliteitskaart eens per vijf jaar geactualiseerd te worden. Bodemkwaliteitskaarten ouder dan 5 jaar kunnen niet gebruikt worden als bewijsmiddel voor de milieuverklaring bodemkwaliteit. Indien de bodemkwaliteitskaart gebruikt wordt als milieuverklaring bodemkwaliteit, dient aan de volgende zaken te worden voldaan:  De bodemkwaliteitskaart is ten hoogste vijf jaar geleden vastgesteld dan wel geactualiseerd;  Er is een vooronderzoek overeenkomstig de NEN 5725 uitgevoerd. Meer over het gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel van de bodemkwaliteit en het vooronderzoek overeenkomstig de NEN 5725 is beschreven in deel 3 van deze Nota, hoofdstuk 20.

De bodemfunctiekaart wordt onderdeel van het omgevingsplan op basis van artikel 5.89p van het Bkl (indeling landbodem in bodemfunctieklassen). Ook onder de Omgevingswet is de lokale overheid vrij om binnen haar beheergebied gebieden een functie aan te wijzen. Het vastleggen van de bodemfunctie is onder de Omgevingswet zelfs een verplichting (Bkl, artikel 5.89p). De uitwerking van de bodemfuncties binnen het beheergebied moet worden opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente. De functie van de bodemkwaliteitskaart, eisen aan de bodemkwaliteitskaart en hoe de bodemkwaliteitskaart gebruikt kan worden voor de milieuverklaring bodemkwaliteit zijn beschreven in hoofdstuk 2A (artikelen 25a t/m 25g) van het nieuwe Besluit bodemkwaliteit en in verder detail in hoofdstukken 5 en 7 van de nieuwe Regeling bodemkwaliteit 2021. De bodemkwaliteitskaart behoudt onder de Omgevingswet dezelfde functies voor de uitvoering van het bodembeleid als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten23 is beschreven aan welke eisen bodemkwaliteitskaarten dienen te voldoen. Onder het huidige stelsel is het opstellen van een bodemkwaliteitskaart conform deze eisen een verplichting vanuit de Regeling bodemkwaliteit. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is deze Richtlijn niet langer een verplichting maar een richtlijn.

De bodemkwaliteitskaart moet worden opgesteld op grond van de regels die daartoe zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit 2021.

Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, 3 september 2007, met wijzigingsblad van 1 januari 2019. Beschikbaar via: https://www.nen.nl/milieu/bodem 23

Blad 92 van 92

Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

Bijlage 1 Afkortingenlijst

Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

Bijlage 1 Afkortingenlijst AMvB = Algemene maatregel van bestuur BAG = Basisregistratie Adressen en Gebouwen Bal = Besluit activiteiten leefomgeving Bbk = Besluit bodemkwaliteit BGT = Basisregistratie Grootschalige Topografie Bkl = Besluit kwaliteit leefomgeving BSO = Buitenschoolse opvang BUS = Besluit uniforme saneringen DSO = Digitaal stelsel Omgevingswet GBT = grootschalige bodemtoepassing GHG = Gemiddeld hoogste grondwaterstand HUM-Bbk = Handhaving Uitvoerings Methode Besluit bodem kwaliteit IOV = Interim omgevingsverordening LWM = lokale maximale waarden m -mv = meter onder het maaiveld msPAF = meer-soorten Potentieel Aangetaste Fractie NNP = Natte natuurparel PAK = polycyclische aromatische koolwaterstoffen PCB = Polychloorbifenyl PFAS = Poly- en perfluoralkylstoffen PFOA = Perfluoroctaanzuur PFOS = Perfluoroctaansulfonzuur PMV = Provinciale milieuverordening TAM = Tijdelijke alternatieve maatregelen

Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

TGG = Thermisch gereinigde grond Wbb= Wet bodembescherming Wro = Wet ruimtelijke ordening ZZS = Zeer zorgwekkende stoffen m/m = massa percentage

Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

Bijlage 2 Geactualiseerde bodemfunctieklassenkaart Midden- en WestBrabant

Nota Bodembeheer Deelnemende gemeenten in regio Midden- en West Brabant projectnummer 0474495.100 4 juli 2022 revisie 03 Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

Bijlage 2 Geactualiseerde bodemfunctieklassenkaart Midden- en WestBrabant

Legenda Functieklasse Natuur Landbouw Wonen Industrie Water Overig Natte Natuur Parel

! ° C0

NR

30-6-2022 DATUM

Def

OPDRACHTGEVER

J. van de Zand PROJECTLEIDER

I. Lanting

PROJECTOMSCHRIJVING

Nota bodembeheer Steenbergen

KAARTNUMMER

SCHAAL

1:200.000

FORMAAT

A3

DATUM

BLAD IN BLADEN

STATUS

WIJZ.NR

30-6-2022

Functieklassenkaart participerende gemeenten OMWB

0478019.100-GFK

GET.

GIS SPECIALIST

Gemeente Steenbergen

KAARTTITEL

(ABC)

WIJZIGING

Def

1 van 1 C0

www.anteagroup.nl

Esri Nederland, Community Map Contributors C:\GIS-Shapes\20220330_BKK_AG\2022_Bkk_Steenbergen\Gebied_OMWB.mxd

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://raad.gemeente-steenbergen.nl/api/v1/meetings/1577/documents/17654