Bestemmingsplan woonwagenlocaties - Toelichting 2410527.pdf
Tekst van het document
Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Stedelijk
Buitenstedelijk
Aantal rijstroken
Aantal meter aan weerszijden van de weg
5 of meer
350 m
600 m
3 of 4
350 m
400 m
1 of 2
200 m
250 m
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 41/63
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling Westlandse Langeweg, Steenbergen Op deze locatie vindt ten opzichte van de huidige situatie als gevolg van brandweervoorschriften planologisch gezien per saldo een afname plaats van het aantal standplaatsen van 15 naar 14 woonwagenstandplaatsen. Een nadere beoordeling ten aanzien van het aspect akoestiek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. De Weel, Dinteloord Deze locatie wordt uitgebreid met twee woonwagenstandplaatsen.
Een woonwagenstandplaats betreft een geluidgevoelig terrein. Indien deze wordt opgericht in de onderzoekszone van een weg, dient in het kader van de Wet geluidhinder akoestisch onderzoek plaats te vinden om aan te tonen dat aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan of dat ontheffing noodzakelijk is. De locatie aan De Weel is gelegen binnen de onderzoekszone van de Havenweg. Derhalve is in april 2023 door De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is eveneens onderzoek gedaan naar de cumulatieve geluidbelasting van de omliggende wegen. Rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 7. Uit het onderzoek volgt dat de geluidbelasting vanwege de Havenweg op zijn hoogst 37 dB bedraagt ter plaatse van de toetspunten. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden. Een hogere-waardeprocedure voor de standplaatsen is niet nodig. Ten aanzien van de berekende cumulatieve geluidbelastingen geldt dat de geluidbelasting op zijn hoogst 42 dB bedraagt ter plaatse van de toetspunten. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan ten hoogste 20 dB (standaardeis uit het bouwbesluit). Nader onderzoek naar de gevelwering is derhalve niet aan de orde.
Voor het beoordelen van het woon- en verblijfsklimaat wordt gebruik gemaakt van de ‘kwaliteitsindicatie geluid’ van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De geluidniveaus ter plaatse van de beoogde standplaatsen variëren van 41 tot 42 dB. De milieukwaliteit wordt daarom over het algemeen gekwalificeerd als ‘Zeer Goed’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de standplaatsen wordt als acceptabel aangemerkt. De cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) staat een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg. Tolsedijk, Nieuw-Vossemeer Op deze locatie wordt het bouwvlak vergroot om drie woonwagenstandplaatsen. Een woonwagenstandplaats betreft een geluidgevoelig terrein. Indien deze wordt opgericht in de onderzoekszone van een weg, dient in het kader van de Wet geluidhinder akoestisch onderzoek plaats te vinden om aan te tonen dat aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan of dat ontheffing noodzakelijk is. De locatie aan de Tolsedijk is gelegen binnen de onderzoekszones van de Molenweg en Tolsedijk. Derhalve is in mei 2023 door De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is eveneens onderzoek gedaan naar de cumulatieve geluidbelasting van de omliggende wegen. Rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 8.
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 42/63
Uit het onderzoek volgt dat de geluidbelasting vanwege de Tolsedijk in zowel situatie 1 als situatie 2 op zijn hoogst 38 dB bedraagt ter plaatse van de toetspunten. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden. Een hogere-waardeprocedure voor de standplaatsen is niet nodig. De geluidbelasting vanwege de Molenweg bedraagt in situatie 1 op zijn hoogst 52 en in situatie 2 op zijn hoogst 57 dB ter plaatse van de toetspunten. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt in situatie 1 niet overschreden. Een hogere-waardeprocedure voor de standplaatsen is nodig. Maatregelen worden niet doelmatig geacht, het verlenen van een hogere waarde blijkt mogelijk voor situatie 1. In situatie 2 wordt de maximale ontheffingswaarde overschreden. Als de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden is het in sommige gevallen nog mogelijk om dove gevels toe te passen, aangezien het hier om standplaatsen gaat voor woonwagens lijkt dat niet een mogelijkheid. Situatie 2 is zover uitgesloten. Ten aanzien van de berekende cumulatieve geluidbelastingen geldt dat de geluidbelasting in situatie 1 variëren van 49 tot 55 dB en in situatie 2 variëren van 48 tot 59 dB ter plaatse van de toetspunten.
De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan ten hoogste voor situatie 1 (55-33=) 22 dB en voor situatie 2 (5933=) 26 (standaardeis uit het bouwbesluit). Voor het beoordelen van het woon- en verblijfsklimaat wordt gebruik gemaakt van de ‘kwaliteitsindicatie geluid’ van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De geluidniveaus ter plaatse van de beoogde standplaatsen in situatie 1 variëren van 49 tot 55 dB en in situatie 2 variëren van 48 tot 59 dB. De milieukwaliteit wordt daarom over het algemeen gekwalificeerd in situatie 1 als ‘Goed’ tot ‘Redelijk’ en in situatie 2 als ‘Goed’ tot ‘Matig’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de standplaatsen wordt als acceptabel aangemerkt. De cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) staat een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg. Conclusie Geluidbelasting afkomstig van wegverkeer staat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet in de weg. Het verlenen van hogere waarde is nodig vanwege de geluidsbelasting van de Molenweg. 4.8 Verkeer & Parkeren Verkeer De gemeente Steenbergen kan op basis van de omgevingsadressendichtheid worden aangemerkt als ‘weinig stedelijk’ (500–1.000 adressen per km2). Onderhavig plangebied is gelegen binnen de zone ‘buitengebied’.
Indien voor een woonwagenstandplaats wordt uitgegaan van woningtypologie sociale huurwoning, in een ‘weinig stedelijk’ gebied binnen de zone ‘buitengebied’, geldt op basis van de kencijfers van het CROW een verkeersgeneratiecijfer van maximaal 6,0 voertuigbewegingen per etmaal (vpe) per woning. Onderhavig planvoornemen zorgt derhalve voor de locatie aan De Weel voor maximaal (2 x 6,0 =) 12 en voor de locatie Tolsedijk voor maximaal in (3 x 6,0 =) 18 extra voertuigbewegingen per etmaal. Het bestaande wegennet beschikt over voldoende capaciteit om deze beperkte toename te kunnen afwikkelen. Een dergelijk lage toename aan vpe vanwege onderhavig planvoornemen vormt derhalve geen probleem ten aanzien van de afwikkeling van verkeersstromen. Het aspect verkeer vormt daarmee geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Parkeren Met de inwerkingtreding van de “Reparatiewet BZK” op 29 november 2014 is het verplicht om het parkeren te reguleren met een bestemmingsregeling. In de bestemmingsregeling kan worden opgenomen dat bij aanvraag om omgevingsvergunning (voor het bouwen en / of afwijken) dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde parkeernormen.
In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ dient echter al bij vaststelling van een bestemmingsplan inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de aldus benodigde parkeerplaatsen feitelijk duurzaam kan worden voorzien (ECLI:NL:RVS:2017:1036, r.o. 5.3). Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door het geldende parkeerbeleid.
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 43/63
De gemeente Steenbergen heeft geen eigen parkeerbeleid en maakt daarom gebruik van de parkeerkencijfers van het CROW, zoals opgenomen in het ASVV 2012. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Steenbergen. De gemeente Steenbergen kan op basis van de omgevingsadressendichtheid worden aangemerkt als ‘weinig stedelijk’ (500–1.000 adressen per km2). Op basis van deze gegevens kunnen de juiste parkeerkencijfers gehanteerd worden ten aanzien van de beoogde ontwikkelingen. Indien voor een woonwagenstandplaats wordt uitgegaan van woningtypologie sociale huurwoning, in een ‘weinig stedelijk’ gebied binnen de zone ‘buitengebied’, geldt op basis van de kencijfers van het CROW een parkeernorm van minimaal 1,2 en maximaal 2,0 parkeerplaatsen. Indien wordt uitgegaan van een gemiddelde parkeernorm geldt dat voor de locatie De Weel voorzien dient te worden in (2 x 1,6 =) 3,2 parkeerplaatsen en voor de locatie Tolsedijk in (3 x 1,6 = ) 4,8 parkeerplaatsen. Binnen de woonwagenlocaties is op eigen terrein voldoende ruimte aanwezig om in deze parkeerbehoefte te voorzien. Aan de gestelde parkeernormen kan derhalve worden voldaan. 4.9 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden.
Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNGbrochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling Westlandse Langeweg, Steenbergen Op deze locatie vindt ten opzichte van de huidige situatie als gevolg van brandweervoorschriften planologisch gezien per saldo een afname plaats van het aantal standplaatsen van 15 naar 14 woonwagenstandplaatsen. Een nadere beoordeling ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. De Weel, Dinteloord Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende inrichtingen. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied.
Het plangebied ligt in een gebied dat kan worden gekenmerkt als rustig buitengebied. Richtafstanden gelden derhalve onverkort en zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Onderhavig bestemmingsplan maakt de realisatie van twee extra standplaatsen voor woonwagens mogelijk. Deze woonwagenstandplaatsen worden toegevoegd binnen een bestaand bouwvlak met bestemming ‘Wonen’. Deze bestemming met bouwvlak wordt niet uitgebreid. In de omgeving van het plangebied is geen relevante bedrijvigheid aanwezig. Gezien ter plaatse reeds kan gewoond worden is een goed woon- en leefklimaat in het plangebied bovendien al gewaarborgd. Omgekeerd hindert het onderhavige planvoornemen omliggende inrichtingen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Tolsedijk, Nieuw-Vossemeer Op deze locatie wordt het bouwvlak vergroot om drie extra standplaatsen te kunnen realiseren. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 44/63
geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende inrichtingen. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het plangebied ligt in een gebied dat kan worden gekenmerkt als rustig buitengebied. Richtafstanden gelden derhalve onverkort en zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. De locatie bevindt zich nabij de richtafstand van enkele omliggende bedrijven. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van. Inrichting
Locatie
Milieucategorie (conform bestemmingsplan)
Richtwaarde VNG
Afstand tot plangebied
Bestemming ‘Agrarisch’ (centrum voor outdooractiviteiten)
Boerengorseweg
2
30 meter
35 meter
Bestemming ‘Gemengd gebied’ Bestemming ‘Bedrijf’
Hogendijk 53 Hogendijk naast 74
2 2
30 meter 30 meter
60 meter 100 meter
Bestemming ‘Agrarisch’ met bouwvlak
Molenweg 2
2
30 meter
90 meter
Zoals blijkt uit de tabel kan aan alle richtafstanden worden voldaan. Hierbij is gemeten vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van de beoogde woonbestemming. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied gewaarborgd. Conclusie Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd. Onderhavig initiatief belemmert omliggende inrichtingen niet in hun bedrijfsvoering. 4.10 Geurhinder en veehouderijen Toetsingskader Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woonen verblijfsklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daardoor getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan zou kunnen worden aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. De normen op grond van de Wet geurhinder en veehouderij gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd.
De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of geen concentratiegebied en binnen of buiten de bebouwde kom). De standaard geurnormen volgens de Wet geurhinder en veehouderij zijn in navolgende tabel opgenomen. Ligging geurgevoelig object Concentratiegebied
Binnen gebouwde kom 3 ouE/m3
Buiten bebouwde kom 14 ouE/m3
Geen concentratiegebied
2 ouE/m3
8 ouE/m3
De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt 'achtergrondbelasting' genoemd. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 45/63
achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. Beoordeling Westlandse Langeweg, Steenbergen Op deze locatie vindt ten opzichte van de huidige situatie als gevolg van brandweervoorschriften planologisch gezien per saldo een afname plaats van het aantal standplaatsen van 15 naar 14 woonwagenstandplaatsen. Een nadere beoordeling ten aanzien van het aspect geurhinder wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. De Weel, Dinteloord Deze locatie wordt uitgebreid met twee standplaatsen binnen het bestaande bouwvlak. Voorgrondbelasting Het grondgebied van de gemeente Steenbergen is niet gelegen in een door het Rijk aangewezen concentratiegebied, waardoor voor het plangebied, gelegen buiten de bebouwde kom, voor een geurgevoelig object conform de Wet geurhinder en veehouderij voor de voorgrondbelasting een standaardnorm van 8 ouE/m3 geldt. Artikel 6 van de Wgv stelt dat bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde. Steenbergen heeft een eigen geurverordening vastgesteld, maar de standaardnormen voor het buitengebied zijn niet aangepast.
Gezien er in de nabijheid van het plangebied geen gronden bevinden waarop veehouderijen zijn gevestigd, is er van afstandsnormen met betrekking tot geur geen sprake. Ten aanzien van geurhinder afkomstig van veehouderijen is een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied gewaarborgd. Omgekeerd hindert onderhavig planvoornemen omliggende veehouderijen niet in hun bedrijfsvoering.
Indicatie achtergrondbelasting geur. De locatie is aangegeven met een rode ster. Bron: ODZOB, 2023.
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 46/63
Achtergrondbelasting Het plangebied is gelegen in een gebied waar op basis van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Gezien er in de omgeving slechts in beperkte mate veehouderijen aanwezig zijn en gelet op de ruime afstand hiervan tot het plangebied, biedt deze kaart een acceptabele indicatie van de kwaliteit van de leefomgeving, met de geurbelasting weergegeven in ouE/m3. De achtergrondbelasting ter hoogte van het plangebied is zeer goed (0-3 ouE/m3). Gelet op de kwalificatie van het woon- en leefklimaat, is binnen het plangebied ten aanzien van geurhinder afkomstig van veehouderijen een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Geitenhouderijen Op basis van het rapport 'Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies). Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio- aerosolen' (RIVM, 2017) blijkt dat bewoners binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij een verhoogde kans hebben op longontsteking. Binnen een straal van 2 kilometer tot het plangebied bevinden zich echter geen veehouderijen met het primaire bedrijfstype 'Geiten' of veehouderijen met een ander primair bedrijfstype waar tevens het houden van geiten vergund is.
Geconcludeerd kan worden dat eventuele gezondheidsaspecten vanwege geitenhouderijen derhalve niet van invloed zijn op het ruimtegebruik binnen het plangebied. Tenslotte is op basis van art. 2.71 en 3.47 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant omschakeling naar of nieuwvestiging van een geitenhouderij uitgesloten. Eventuele gezondheidsaspecten vanwege geitenhouderijen zijn derhalve niet van invloed op het ruimtegebruik binnen het plangebied. Tolsedijk, Nieuw-Vossemeer Op deze locatie wordt het bouwvlak vergroot om drie extra standplaatsen te kunnen realiseren. Voorgrondbelasting Het grondgebied van de gemeente Steenbergen is niet gelegen in een door het Rijk aangewezen concentratiegebied, waardoor voor het plangebied, gelegen buiten de bebouwde kom, voor een geurgevoelig object conform de Wet geurhinder en veehouderij voor de voorgrondbelasting een standaardnorm van 8 ouE/m3 geldt. Artikel 6 van de Wgv stelt dat bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde. Steenbergen heeft een eigen geurverordening vastgesteld, maar de standaardnormen voor het buitengebied zijn niet aangepast. In de nabije omgeving van het plangebied is op circa 300 meter de dichtstbijzijnde veehouderij gelegen.
Het betreft hier een melkrundveebedrijf aan de Tolsedijk 6 waar blijkens het Bestand Veehouderij Bedrijven sprake is van de volgende veebezetting: • melk- en kalfkoeien: 100 dieren (A1.5); • vrouwelijk jongvee: 118 dieren (A3.100). In de Regeling geurhinder en veehouderij zijn voor de categorieën A1 (melk- en kalfkoeien) en A3 (vrouwelijk jongvee) geen geuremissiefactoren vastgesteld. Conform de Wet geurhinder en veehouderij (artikel 4) geldt hiervoor buiten de bebouwde kom een afstandseis van 50 meter ten opzichte van geurgevoelige bestemmingen. Gelet op deze afstand is voor deze categorieën een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd en wordt de veehouderij niet in haar belangen geschaad.
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 47/63
Achtergrondbelasting Het plangebied is gelegen in een gebied waar op basis van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Gezien er in de omgeving slechts in beperkte mate veehouderijen aanwezig zijn en gelet op de ruime afstand hiervan tot het plangebied, biedt deze kaart een acceptabele indicatie van de kwaliteit van de leefomgeving, met de geurbelasting weergegeven in ouE/m3. De achtergrondbelasting ter hoogte van het plangebied is zeer goed (0-3 ouE/m3). Gelet op de kwalificatie van het woon- en leefklimaat, is binnen het plangebied ten aanzien van geurhinder afkomstig van veehouderijen een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd.
Indicatie achtergrondbelasting geur. De locatie is aangegeven met een rode ster. Bron: ODZOB, 2023.
Geitenhouderijen Op basis van het rapport 'Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies). Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio- aerosolen' (RIVM, 2017) blijkt dat bewoners binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij een verhoogde kans hebben op longontsteking. Binnen een straal van 2 kilometer tot het plangebied bevinden zich echter geen veehouderijen met het primaire bedrijfstype 'Geiten' of veehouderijen met een ander primair bedrijfstype waar tevens het houden van geiten vergund is. Geconcludeerd kan worden dat eventuele gezondheidsaspecten vanwege geitenhouderijen derhalve niet van invloed zijn op het ruimtegebruik binnen het plangebied. Tenslotte is op basis van art. 2.71 en 3.47 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant omschakeling naar of nieuwvestiging van een geitenhouderij uitgesloten. Eventuele gezondheidsaspecten vanwege geitenhouderijen zijn derhalve niet van invloed op het ruimtegebruik binnen het plangebied. Conclusie Ten aanzien van geurhinder afkomstig van veehouderijen is een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied gewaarborgd. Omgekeerd hindert onderhavig planvoornemen omliggende veehouderijen niet in hun bedrijfsvoering.
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 48/63
4.11 Driftblootstelling spuitzones Toetsingskader Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen (zoals fruitbomen) in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen gevoelige objecten zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van de risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers en werknemers. De richtafstanden die zijn opgenomen in de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) hebben geen betrekking op open teelten en zijn dus evenmin bruikbaar (ABRvS 23 september 2009, zaaknummer 200900570/1/R2). Afhankelijk van het soort teelt en of er sprake is van een (water toevoerende) sloot, stelt het Activiteitenbesluit milieubeheer het hanteren van teeltvrije zones verplicht, maar ook hierin zijn geen afstandsnormen voor spuitzones opgenomen.
Weliswaar ontbreekt wetgeving over spuitzones, maar er heeft zich op dit terrein wel jurisprudentie gevormd die aangeeft dat een afstand van 50 meter tussen agrarische gronden met open teelten en een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelig object, zoals een woon- en tuinbestemming, in acht moet worden genomen. Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. De in de praktijk gehanteerde vuistregel van 50 meter is indicatief. Het is een afstand die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zonder nadere onderbouwing wordt geaccepteerd (ABRvS 23 september 2009, 200900570/1/R2 & ABRvS 15 februari 2006, 200504921/1), maar dat betekent niet dat een kortere afstand in een bepaalde situatie niet redelijk zou kunnen zijn indien aan die afstand een deugdelijke motivering ten grondslag is gelegd. Met andere woorden: onder omstandigheden kan van de vuistregel worden afgeweken. Omdat elk geval anders is, dient dit per situatie te worden onderzocht en afgewogen. Beoordeling Westlandse Langeweg, Steenbergen Op deze locatie vindt ten opzichte van de huidige situatie als gevolg van brandweervoorschriften planologisch gezien per saldo een afname plaats van het aantal standplaatsen van 15 naar 14 woonwagenstandplaatsen.
Een nadere beoordeling ten aanzien van het aspect driftblootstelling spuitzones wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. De Weel, Dinteloord In de omgeving van deze locatie bevinden zich agrarische gronden met open teelten waar besproeiing van gewassen zal plaatsvinden. De uitbreiding met twee standplaatsen vindt echter plaats binnen het bestaande bouwvlak waardoor planologisch gezien de bedrijfsvoering van aangrenzende agrariërs niet wordt belemmerd. Bovendien wordt, naast de reeds bestaande opgaande begroeiing ter plaatse, door middel van landschappelijke inpassing eventuele driftblootstelling afgevangen. Tolsedijk, Nieuw-Vossemeer Op deze locatie wordt het bouwvlak vergroot om drie extra standplaatsen te kunnen realiseren. De ten noordoosten van deze locatie gelegen agrarische gronden met open teelt zijn op meer dan 50 meter gelegen vanaf deze uitbreiding. Bovendien zijn op kortere afstand vanaf deze agrarische bestemming reeds woonbestemmingen aanwezig, waarmee deze maatgevend zijn voor eventuele uitbreidingsmogelijkheden van deze kwekerij. De overige agrarische gronden in de omgeving worden in de feitelijke situatie niet gebruikt voor hoog opgaande fruitof bomenteelt.
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 49/63
Conclusie Ter plaatse van het plangebied is met betrekking tot spuitzones een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd en worden omliggende kwekerijen niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 4.12 Externe veiligheid 4.12.1 Inrichtingen en externe veiligheid Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR). Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Beoordeling Westlandse Langeweg, Steenbergen Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd.
Hieruit volgt dat de dichtstbijzijnde risicovolle inrichting gelegen is op een afstand van circa 30 meter (Autobedrijf Bastians). Op deze locatie vindt ten opzichte van de huidige situatie als gevolg van brandweervoorschriften planologisch gezien per saldo een afname plaats van het aantal standplaatsen van 15 naar 14 woonwagenstandplaatsen. Hierdoor zijn er geen gevolgen voor wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De Weel, Dinteloord Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit volgt dat de dichtstbijzijnde risicovolle inrichting gelegen is op een afstand van circa 650 meter (Autobedrijf Helmons). Gelet op de ruime afstand van het plangebied tot deze inrichting zijn er geen gevolgen wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor het overige zijn er geen relevante inrichtingen met een potentieel veiligheidsrisico in de buurt van deze locatie. Tolsedijk, Nieuw-Vossemeer Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit volgt dat zich in de nabijheid van deze locatie geen risicovolle inrichtingen bevinden en er geen sprake is van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi.
Gelet hierop zijn er geen gevolgen voor wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Conclusie Het aspect inrichtingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.12.2 Transport en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 50/63
berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Westlandse Langeweg, Steenbergen Om te bepalen of er in de directe omgeving risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat deze locatie is gelegen op een afstand van circa 1,5 kilometer van de Rijksweg A4. Over deze transportroute vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van de risicokaart is onderhavig plangebied niet gelegen binnen een risicocontour van deze weg. Gelet op de ruime afstand van de transportroute tot het plangebied vormt de ligging hiervan geen belemmering voor onderhavig voornemen ten aanzien van het plaatsgebonden risico of het groepsrisico. Bovendien geldt dat op deze locatie ten opzichte van de huidige situatie als gevolg van brandweervoorschriften planologisch gezien per saldo een afname plaatsvindt van het aantal standplaatsen van 15 naar 14 woonwagenstandplaatsen.
Hierdoor zijn er geen gevolgen voor wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De Weel, Dinteloord Om te bepalen of er in de directe omgeving risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat deze locatie is gelegen op een afstand van circa 750 meter van de Rijksweg A4. Over deze transportroute vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van de risicokaart is onderhavig plangebied niet gelegen binnen een risicocontour van deze weg. Gelet op de ruime afstand van de transportroute tot het plangebied vormt de ligging hiervan geen belemmering voor onderhavig voornemen ten aanzien van het plaatsgebonden risico of het groepsrisico. Tolsedijk, Nieuw-Vossemeer Om te bepalen of er in de directe omgeving risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat deze locatie is gelegen op een afstand van circa 1,7 kilometer van de Corridor Westerschelde – Rijn. Over deze transportroute vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van de risicokaart is onderhavig plangebied niet gelegen binnen een risicocontour van deze vaarweg. Gelet op de ruime afstand van de transportroute tot het plangebied vormt de ligging hiervan geen belemmering voor onderhavig voornemen ten aanzien van het plaatsgebonden risico of het groepsrisico.
Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.12.3 Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico en een verantwoording van het groepsrisico van relevante buisleidingen. Binnen de PR 106 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden.
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 51/63
Beoordeling Westlandse Langeweg, Steenbergen Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat de dichtstbijzijnde hogedruk buisleiding direct ten noorden van deze woonwagenlocatie is gelegen. De locatie ligt daarmee binnen de 100% letaalzone van buisleiding Z-52501. Op deze locatie vindt ten opzichte van de huidige situatie als gevolg van brandweervoorschriften planologisch gezien per saldo een afname plaats van het aantal standplaatsen van 15 naar 14 woonwagenstandplaatsen. Hierdoor zijn er geen gevolgen voor wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De Weel, Dinteloord Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat de dichtstbijzijnde hogedruk buisleiding (Z-529-17) is gelegen op een afstand van circa 400 meter. Gelet op de ruime afstand van de buisleiding tot deze woonwagenlocatie vormt de ligging van de leiding geen belemmering voor onderhavig voornemen. Tolsedijk, Nieuw-Vossemeer Om te bepalen of er in de directe omgeving risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat er in de omgeving geen risicorelevante buisleidingen zijn gelegen.
De dichtstbijzijnde buisleiding ligt op een afstand van circa 5,5 kilometer ten zuiden van het plangebied en betreft een aardgasleiding (Z-525-04). Gelet op de ruime afstand van de buisleiding tot het plangebied vormt de ligging van de leiding geen belemmering voor onderhavig voornemen. Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan. 4.13 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. kDe 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3.
Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 52/63
Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2.
In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: • 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; • 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; • 100.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg • 200.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Beoordeling Westlandse Langeweg, Steenbergen Op deze locatie vindt ten opzichte van de huidige situatie als gevolg van brandweervoorschriften planologisch gezien per saldo een afname plaats van het aantal standplaatsen van 15 naar 14 woonwagenstandplaatsen. Een nadere beoordeling ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. De Weel, Dinteloord Deze locatie wordt uitgebreid met twee standplaatsen binnen het bestaande bouwvlak.
Gesteld kan worden dat deze uitbreiding in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1.500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg is de Rijksweg A4 op circa 800 meter ten oosten van het plangebied. Uit het CIMLK volgt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg onder de grenswaarden lagen. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tolsedijk, Nieuw-Vossemeer Op deze locatie wordt het bouwvlak vergroot om drie extra standplaatsen te kunnen realiseren. Gesteld kan worden dat deze uitbreiding in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1.500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit.
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 53/63
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg is de N257 op circa 1,3 kilometer ten noorden van het plangebied. Uit het CIMLK volgt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg onder de grenswaarden lagen. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens is uit paragraaf 4.8 gebleken dat het aantal verkeersbewegingen als gevolg van onderhavig voornemen niet significant zal toenemen. Daarmee kan worden gesteld dat met betrekking tot luchtkwaliteit ten opzichte van de huidige situatie een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied is gegarandeerd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. Binnen het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat. 4.14 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer1. 1. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; 2.
buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; 3. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; 4. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; 5. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken2. Beoordeling Ter plaatse van de woonwagenlocaties zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien noodzakelijk kan in een later stadium een KLIC-melding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.15 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten.
Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het
1 'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én
leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 54/63
milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: • Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); • Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; • Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt.
Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling In onderhavige situatie is sprake van de toevoeging van vijf woonwagenstandplaatsen verdeeld over twee locaties binnen de gemeente Steenbergen. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. De activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder de categorie D 11.2, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De grenswaarde betreft hier gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op onder andere een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat.
Het initiatief heeft slechts betrekking op vijf woonwagenstandplaatsen. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde uit de D-lijst ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Er geldt derhalve geen verplichting tot het uitvoeren van een formele m.e.r.-beoordeling, waardoor enkel een vormvrije m.e.r.-beoordeling resteert. Voor wat betreft een vormvrije m.e.r.-beoordeling geldt dat de wijziging van het gebruik van de gronden, gelet op de aard en omvang, niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Daar geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, behoeft geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. De toetsing aan de milieuaspecten in dit hoofdstuk kan echter als een vormvrije m.e.r.-beoordeling gezien worden. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden.
Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure.
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 55/63
Conclusie Concluderend is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 56/63
5
Juridische plantoelichting
5.1 Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5.2 Opbouw van de regels Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: • inleidende regels; • bestemmingsregels; • algemene regels; • overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan. 5.3 Regels Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ Artikel 1 Begrippen In het eerste artikel, ‘begrippen’, worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP en Bor omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de ‘wijze van meten’ uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de ‘wijze van meten’ worden in de SVBP richtlijnen gegeven die zijn overgenomen in dit plan.
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 57/63
Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ Artikel 3 Agrarisch met waarden – Landschapswaarden Deze bestemming voorziet in een passende regeling die toeziet op het aanleggen en instandhouding van de landschappelijke inpassing op locatie De Weel te Dinteloord. Artikel 4 Groen Deze bestemming voorziet in een passende regeling die toeziet op onder meer groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Artikel 5 Wonen - Woonwagenstandplaats Op de gronden met de bestemming ‘Wonen – Woonwagenstandplaats’ is het wonen in een woonwagen toegestaan. Binnen deze bestemming is wonen de hoofdfunctie. De planregels maken de bouw van woonwagens mogelijk. In de regels worden eisen gesteld aan onder meer het oppervlak, goot- en bouwhoogte en andere maximale afmetingen van hoofd- en bijgebouwen. Voor erfafscheidingen en bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden afwijkende regels en hoogtematen. In de regels is de realisatie van de landschappelijke inpassing gewaarborgd door deze middels een voorwaardelijke verplichting te koppelen aan het bouwen van woonwagens. Hierbij geldt dat een voorwaardelijke verplichting ook kan zien op gronden buiten het plangebied, mits de verplichting uitvoerbaar is. In dit geval bestaat over de uitvoerbaarheid daarvan geen twijfel omdat de desbetreffende gronden in eigendom zijn van de gemeente Steenbergen zelf.
Artikel 6 Verkeer De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor wegen en paden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, verkeersvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Artikel 7 Leiding - Gas De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor een hogedruk aardgastransportleiding (inclusief voorzieningen) met de daarbij behorende belemmeringenstroken. Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Artikel 9 Algemene bouwregels In dit artikel is bepaald dat bestaande afmetingen, afstanden en percentages als minimaal dan wel maximaal toegestaan zijn. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is bepaald dat het bevoegd gezag kan afwijken van de regels in hoofdstuk 2 en overschrijdingen in een bouw-, aanduidings- en/of bestemmingsplan kunnen toestaan. Artikel 11 Overige regels In dit artikel is bepaald dat er in voldoende parkeergelegenheid dient te worden voorzien overeenkomstig het geldend gemeentelijk beleid voor parkeernormen. Tevens is een afwijkingsmogelijkheid hiervoor opgenomen.
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 58/63
Hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’ Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: Artikel 12 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan. Artikel 13 Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan "Woonwagenlocaties".
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 59/63
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 60/63
6
Economische uitvoerbaarheid
6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan. 6.2 Toepassing Grondexploitatiewet De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van één of meer woningen en de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.
6.3 Economische uitvoerbaarheid Gemaakte kosten bij de uitvoering van de beoogde ontwikkelingen zijn voor rekening van de gemeente Steenbergen c.q. woningcorporatie. Het bestemmingsplan is hiermee economisch uitvoerbaar.
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 61/63
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 62/63
7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Daarnaast heeft de gemeente de mogelijkheid om een voorontwerp van het bestemmingsplan ter inzage te leggen voor een inspraakperiode van zes weken. Dit inspraakmoment maakt geen onderdeel uit van de ‘formele’ procedure uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het voorontwerp is in het kader van het wettelijk vooroverleg naar de vaste vooroverlegpartners verstuurd. Dit heeft vanuit de provincie Noord-Brabant geleid tot enkele opmerkingen op het plan. De onderdelen van het bestemmingsplan die nog niet in overeenstemming waren met de Interim omgevingsverordening zijn in het ontwerpbestemmingsplan aangepast. Het wettelijk vooroverleg is hiermee afgerond. 7.2 Zienswijzen De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening.
Het ontwerp bestemmingsplan heeft met ingang van 8 november 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Tijdens de terinzagelegging zijn twee zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn in de Nota van Zienswijzen, zoals opgenomen in bijlage 9, samengevat en voorzien van een puntsgewijze reactie met inbegrip van de gevolgen voor het vast te stellen bestemmingsplan. Tevens is inzichtelijk gemaakt welke ambtshalve aanpassingen zijn gemaakt. 7.3 Vaststelling Na de periode van tervisielegging van het ontwerp bestemmingsplan kan het bestemmingsplan worden vastgesteld door de gemeenteraad. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
datum referentie
5 maart 2024 230050_AdB_RAP_0001_v4.0
P 63/63