CConstaterende datStede Broec
Koppel je AI →
Document · PDF

S-Beleidsregels jeugdhulp

Gemeenteraad 3 maart 2022, gemeente Stede BroecBij agendapunt: Verordening Jeugdhulp15.075 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Beleidsregels van het college van burgemeester en wethouders van Stede Broec houdende beleidsregels omtrent jeugdhulp. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stede Broec, gelet op: 

artikel 1.3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

de Jeugdwet;

de Verordening jeugdhulp Stede Broec 2022

de Nadere regels jeugdhulp Stede Broec 2020

overwegende: dat het noodzakelijk is om beleidsregels vast te stellen over de wijze waarop het college omgaat met de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van zijn bevoegdheden in het kader van de Jeugdwet; besluit vast te stellen: Beleidsregels jeugdhulp Stede Broec 2022 Artikel 1 Vaststelling beleidsregels De Beleidsregels jeugdhulp Stede Broec 2022 zijn opgenomen in bijlage 1. Artikel 2 Intrekking oude beleidsregels De Beleidsregels jeugdhulp Stede Broec 2021 worden ingetrokken. Artikel 3 Inwerkingtreding Deze beleidsregels worden gepubliceerd in het Gemeenteblad en treden (met terugwerkende kracht) in werking op 1 januari 2022. Artikel 4 Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels jeugdhulp Stede Broec 2022.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van Stede Broec op 18 januari 2022.

de secretaris, A. Huisman

de burgemeester, R.A.P. Wortelboer

Inhoud Hoofdstuk 1: Inleiding ..................................................................................................................... 3 Artikel 1. Preventie................................................................................................................... 3 Artikel 2. Begripsbepalingen .................................................................................................... 3 Hoofdstuk 2: Uitgangspunten uitvoeringskader de Jeugdwet .......................................................... 4 Artikel 3. Doelgroep ................................................................................................................. 4 Artikel 4. Woonplaatsbeginsel .................................................................................................. 5 Artikel 5. Wat valt onder jeugdhulp (artikel 1.1. Jeugdwet) ....................................................... 5 Artikel 6. Pleegzorg en verblijf in een gezinshuis ..................................................................... 6 Artikel 7. Reikwijdte jeugdhulpplicht ......................................................................................... 6 Hoofdstuk 3: Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen............................................. 6 Artikel 8.

Eigen kracht .............................................................................................................. 7 Artikel 9. Zorgplicht van de ouder(s) ........................................................................................ 7 Artikel 10. Aanspreken aanvullende verzekering ..................................................................... 7 Hoofdstuk 4: Algemene en voorliggende voorzieningen .................................................................. 8 Artikel 11. Het gebiedsteam ..................................................................................................... 8 Artikel 12. Wettelijk voorliggende voorzieningen ...................................................................... 9 Hoofdstuk 5: Toegang tot jeugdhulp gemeente Stede Broec ........................................................ 11 Artikel 13. Ons Stede Broec (voorheen Stichting Welzijn Stede Broec) ................................. 11 Artikel 14. Medisch verwijzer ................................................................................................. 15 Artikel 15. Gecertificeerde instelling ....................................................................................... 15 Hoofdstuk 6: Resultaat gericht werken–Individuele voorziening .................................................... 15 Artikel 16.

Perspectiefplan ..................................................................................................... 16 Artikel 17. Arrangementen ..................................................................................................... 17 Artikel 18. Herstel of duurzaam arrangement ......................................................................... 19 Artikel 19. Componenten ....................................................................................................... 19 Artikel 20. Individuele voorzieningen (producten) die buiten een arrangement vallen ............ 20 Artikel 21. Hoogspecialistische jeugdhulp .............................................................................. 21 Artikel 22. JeugdzorgPlus ...................................................................................................... 21 Artikel 23. Toekenningsbeschikkingen ................................................................................... 21 Artikel 24. Proces na toewijzing ............................................................................................. 22 Hoofdstuk 7: Persoonsgebonden budget ...................................................................................... 22 Artikel 25. Beoordelingskader (artikel 8.1.1 Jeugdwet) .......................................................... 22 Artikel 26.

Pgb plan................................................................................................................ 22 Artikel 27. Pgb-vaardigheden ................................................................................................. 23 Artikel 28. Relevante omstandigheden met betrekking tot de pgb-vaardigheid ...................... 23 Artikel 29. Weigeringsgronden (artikel 8.1.1 lid 4 jeugdwet) ................................................... 24 Artikel 30. Vertegenwoordiger ................................................................................................ 25 Artikel 31. Informele ondersteuning ....................................................................................... 25 Artikel 32. Pgb bij een verwijzing ........................................................................................... 26 Artikel 33. Besteding pgb in het buitenland ............................................................................ 26 Artikel 34. Kwaliteitseisen ...................................................................................................... 26 Hoofdstuk 8: Overige bepalingen .................................................................................................. 26 Artikel 35. Onafhankelijke cliëntondersteuning....................................................................... 26 Artikel 36.

Vertrouwenspersoon ............................................................................................. 26 Artikel 37. Verwijsindex .......................................................................................................... 27 Artikel 38. Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling ................................................ 27 Hoofdstuk 9: Slotbepalingen ......................................................................................................... 27 Artikel 39. Hardheidsclausule ................................................................................................ 27 Artikel 40. Inwerkingtreding en citeertitel................................................................................ 28

2 / 28

Bijlage 1 Beleidsregels jeugdhulp Gemeente Stede Broec 2021 Hoofdstuk 1: Inleiding De grondslag voor de beleidsregels wordt gevormd door de Algemene wet bestuursrecht, de Jeugdwet, de Verordening jeugdhulp Stede Broec 2022, de Nadere regels Jeugdhulp Stede Broec 2020 en het Financieel besluit jeugdhulp Stede Broec 2020. In deze beleidsregels legt het college uit hoe het gebruikt maakt van de verschillende bevoegdheden die het in dit verband heeft en hoe het diverse wettelijke omschrijvingen interpreteert. Dit bevordert de uniformiteit van het gemeentelijk handelen. Bovendien draagt het bij aan de transparantie bij de uitvoering van de weten de rechtszekerheid voor de inwoners. Echter moet te allen tijde in het achterhoofd worden gehouden dat de Jeugdwet een individuele benadering veronderstelt. De toepassing van de beleidsregels wordt afgestemd op de individuele situatie van de ouder(s) en/of jeugdige(n). De Jeugdwet, verordening en beleidsregels vormen een onlosmakelijk samenhangend geheel. De wet staat boven de verordening die op haar beurt boven de beleidsregels staat. Om tot een logische opbouw van de beleidsregels en afwegingen te komen is er enige herhaling van bepalingen uit de wet en verordening. Formeel zijn deze herhalingen overbodig omdat ze reeds in een ‘hoger’ document geregeld zijn.

Door deze herhalingen wel op te nemen zijn de beleidsregels beter leesbaar en als zelfstandig handboek te gebruiken. Artikel 1. Preventie Vormen van preventie vallen niet onder de reikwijdte van de verordening en de bijbehorende beleidsregels. In artikel 1.1. Jeugdwet is opgenomen dat preventie gedefinieerd wordt als ‘op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met of jeugdigen met een risico op psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking of van de ouders met of met een risico op opvoedingsproblemen’. Preventie kan een scala aan activiteiten omvatten en is divers. Concreet komt het er op neer dat de jeugdige en/ of ouder(s) zo vroeg mogelijk ondersteuning krijgen met als doel het voorkomen dat zware vormen van jeugdhulp in de toekomst nodig zijn. Voorbeelden van preventie zijn: het inzetten van opvoedcursussen ter voorkoming van opvoedingsproblemen, vormen van inzet van vrijwilligers die begeleiding bieden aan jongeren, jonge moeders, maatjesschap etc. De op preventie gerichte ondersteuning valt niet onder de kwaliteitseisen die aan jeugdhulp worden gesteld en ook niet onder de jeugdhulpplicht van artikel 2.3 Jeugdwet.

Wanneer preventie geen of onvoldoende oplossing kan bieden bij de hulpvraag van een jeugdige en/of ouder(s), dan wordt onderzocht of er noodzaak is tot het inzetten van een individuele voorziening. De verordening en de bijbehorende beleidsregels regelen de individuele voorziening. Artikel 2. Begripsbepalingen a) algemene voorziening: een voorziening die voor iedere inwoner van de gemeente beschikbaar is, zoals een buurthuis, bibliotheek etc.; b) college: het college van burgemeester en wethouder(s) van de gemeente Stede Broec; c) gecertificeerde instelling: rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in artikel 3.4 en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert; d) hoofdaannemer: de zorgaanbieder die een individuele voorziening levert en hiervoor eventueel een andere zorgaanbieder bij betrekt om het resultaat/doel vastgelegd in het perspectiefplan te behalen; e) jeugdconsulent: gemandateerde medewerker die namens het college bevoegd is om beslissingen te nemen op grond van de Jeugdwet; f) jeugdige: persoon die gebruik maakt van een algemene of voorliggende voorziening of aan wie een individuele voorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt, als bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet; g) financieel besluit: financieel besluit jeugdhulp gemeente Stede Broec 2020; h) nadere regels: nadere regels jeugdhulp Stede

Broec 2020;

3 / 28

i) j)

onafhankelijke cliëntondersteuning: een algemene voorziening die kosteloos voor de burger is; onderaannemer: een door de hoofdaannemer ingezette zorgaanbieder die specifieke onderdelen van de jeugdhulpverlening op zich neemt in opdracht van de hoofdaannemer; k) ouder(s): de ouder(s) van de jeugdige dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(s); l) pleegouder: pleegouder is de persoon die een jeugdige die niet zijn kind of stiefkind is, verzorgt alsof hij lid is van het gezin; m) pleegzorgaanbieder: jeugdhulpaanbieder die pleegzorg biedt; n) sociaal netwerk: een netwerk van betekenisvolle personen (bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige en/of het gezin behoren) dat functioneert als ondersteuningsbron voor het eigen welzijn en welbehagen en dat van de personen in het netwerk; o) verordening: verordening jeugdhulp gemeente Stede Broec 2022; p) voorliggende voorziening: een voorliggende voorziening houdt in dat er, alvorens er een recht bestaat op een wettelijke regeling, een recht is op een andere regeling; q) wettelijk vertegenwoordiger: is voor de jeugdigen, die vanwege hun leeftijd (jonger dan 12 jaar) of om andere redenen, een ander persoon, vaak één van de gezaghebbende ouders, namens hen moeten laten optreden.

Alle begrippen die niet nader zijn omschreven maar wel in deze beleidsregels worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving.

Hoofdstuk 2: Uitgangspunten uitvoeringskader de Jeugdwet Artikel 3. Doelgroep De Jeugdwet is van toepassing op in Nederland verblijvende jeugdigen (artikel 1.3 lid 1 Jeugdwet). Voor jeugdigen die in het buitenland verblijven geldt de Jeugdwet niet. Daarnaast kan de Jeugdwet ook gelden voor ouders die hulp nodig hebben bij opvoedingsproblemen. Jeugdige Een jeugdige is in ieder geval de persoon van 17 jaar of jonger. Dit betekent dat een jeugdige tot 18 jaar in aanmerking kan komen voor jeugdhulp of te maken kan krijgen met een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Kinderbeschermingsmaatregelen eindigen per definitie na het 18e levensjaar. Jeugdreclassering kan doorlopen tot uiterlijk de leeftijd van 23 jaar. Jeugdhulp eindigt in beginsel bij 18 jaar. Als voortzetting van ondersteuning noodzakelijk is, geldt voor de meeste hulp dat dit na het 18e jaar onder een ander wettelijk kader valt (Zorgverzekeringswet, Wet maatschappelijke ondersteuning of Wet langdurige zorg). In uitzonderingsgevallen kan jeugdhulp doorlopen tot maximaal het 23e levensjaar.

Het gaat dan om (artikel 1.1 Jeugdwet onder begrip 'jeugdige'):  Jeugdhulp in het kader van een strafrechtelijke beslissing;  Reeds ingezette jeugdhulp, waarvan voortzetting noodzakelijk is;  Noodzakelijkheid jeugdhulp bepaald vóór 18e levensjaar;  Hervatting jeugdhulp binnen 6 maanden;  (Verlengde) Pleegzorg en verblijf in gezinshuis. Jeugdige vreemdeling De Jeugdwet is van toepassing op in Nederland verblijvende jeugdigen. In Nederland verblijvende jeugdigen kunnen ook vreemdelingen zijn. Een jeugdige vreemdeling kan derhalve in aanmerking komen voor jeugdhulp of te maken krijgen met een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Ouders Een ouder kan ook in aanmerking komen voor jeugdhulp. Meestal gaat het dan om advies en begeleiding bij de opvoeding. Een ouder in de zin van de Jeugdwet is een van de volgende personen:  de ouder met gezag;  de stiefouder;  adoptie ouder;  een ander persoon die de jeugdige verzorgt en opvoedt als behorende tot zijn gezin.

4 / 28

Pleegouder in het kader van de Jeugdwet Een pleegouder is een persoon die een jeugdige die niet zijn kind of stiefkind is, als behorende tot zijn gezin verzorgt. We spreken over een pleegouder in het kader van de Jeugdwet als deze een pleegcontract heeft afgesloten met een pleegzorgaanbieder. Een pleegouder heeft dan recht op een pleegzorgvergoeding en ondersteuning bij het opvoeden van het pleegkind. Een pleegouder is geen ouder in de zin van de Jeugdwet. Hulp aan een pleegouder, als gevolg van opvoedproblematiek, valt onder de verantwoordelijkheid van de pleegzorgaanbieder. Dit betekent dat een pleegouder niet in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Artikel 4. Woonplaatsbeginsel Het woonplaatsbeginsel bepaalt welke gemeente verantwoordelijk is voor jeugdhulp. Vanaf 1 januari 2022 ontstaan er twee scenario’s. In het geval van ambulante zorg wordt de gemeente waar de jeugdige staat ingeschreven financieel verantwoordelijk. Als er sprake is van verblijfszorg, dan moet er gekeken worden waar de jeugdige stond ingeschreven direct voorafgaand aan de start van het jeugdhulptraject. Deze gemeente blijft financieel verantwoordelijk voor de verlening van alle jeugdhulp tot het moment dat er geen sprake meer is van zorg met een verblijfscomponent. (artikel. 1.1 Jeugdwet). Met inwerkingtreding van de Wet wijziging woonplaatsbeginsel heeft ‘woonplaats’ de volgende betekenis: 1.

de gemeente waar de jeugdige zijn woonadres, bedoeld in artikel 1.1, onder o, van de Wet basisregistratie personen, heeft; 2. ingeval een jeugdige verblijft bij een jeugdhulpaanbieder, pleegouder, in een instelling voor opvang of beschermd wonen als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 3a van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, of ingeval van jeugdhulp of jeugdreclassering in verband met het verblijf in een justitiële jeugdinrichting: de gemeente waar de jeugdige onmiddellijk voorafgaand aan zijn verblijf zijn woonadres, bedoeld in artikel 1.1, onder o, van de Wet basisregistratie personen, had; 3. ingeval de woonplaats niet op grond van de onderdelen 1° en 2° kan worden vastgesteld of ingeval bij het in de basisregistratie personen opgenomen woonadres een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 2.26 van de Wet basisregistratie personen: de gemeente waar de moeder van de jeugdige ten tijde van diens geboorte als ingezetene was ingeschreven in de basisregistratie personen, of, indien dit niet kan worden vastgesteld, de gemeente waar de jeugdige werkelijk verblijft op het moment van de hulpvraag; 4. ingeval de woonplaats buiten Nederland is: de gemeente waar de jeugdige werkelijk verblijft op het moment van de hulpvraag.

Deze wijziging van het woonplaatsbeginsel betekent dat, vanaf datum inwerkingtreding van de Wet wijziging woonplaatsbeginsel de nieuwe instroom beoordeeld dient te worden aan de hand van bovenstaand nieuwe woonplaatsbeginsel. Ook de migratiegroep, de zittende populatie van jeugdigen die nu en op datum inwerkingtreding van de wet jeugdhulp ontvangen uit hoofde van de Jeugdwet, valt onder de Wet wijziging woonplaatsbeginsel. Deze groep moet dus opnieuw beoordeeld worden. Artikel 5. Wat valt onder jeugdhulp (artikel 1.1. Jeugdwet) 1) ondersteuning van hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen; 2) het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt; 3) het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij

jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt.

5 / 28

De leeftijdgrens van achttien jaar geldt niet voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht. Artikel 6. Pleegzorg en verblijf in een gezinshuis Pleegzorg wordt standaard ingezet tot 21 jaar, tenzij het pleegkind aangeeft geen gebruik meer te willen maken van pleegzorg. Verblijf in een gezinshuis wordt standaard ingezet tot 21 jaar, tenzij:  de jongere dat zelf niet wil;  en/of de gezinshuisouder(s) niet instemmen;  en/of voor alle partijen (inclusief de jongere) duidelijk is dat de jongere andere passende hulp nodig heeft, en die hulp ook beschikbaar is;  en/of de jongere voldoet aan de criteria van de Wlz. Artikel 7. Reikwijdte jeugdhulpplicht De gemeente hoeft alleen een voorziening voor jeugdhulp te treffen als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is wegens opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zoals omschreven in artikel 1.1. van de Jeugdwet. Eigen kracht Eén van de bekendste en belangrijkste uitgangspunten bij de introductie van de Jeugdwet is de eigen kracht, de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of ouder. Van de jeugdige en/of ouder(s) wordt verwacht dat zij kijken naar wat ze zelf kunnen doen om hun situatie te verbeteren. Hierbij wordt ook verwacht dat zij kijken naar wat hun sociale netwerk hierin kan betekenen.

Het college neemt dit mee in haar onderzoek naar de noodzaak een voorziening in te zetten. (zie artikel 13) Als het onderzoek naar  de behoefte en mogelijkheden van een jeugdige;  de voor hem benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan;  de mogelijkheden, de draagkracht en de belastbaarheid van zijn ouders;  de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;  het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen, tot de conclusie leidt dat ouders zelf de benodigde hulp kunnen bieden (probleemoplossend vermogen), dan hoeft het college geen jeugdhulp in te zetten vanwege voldoende eigen mogelijkheden. (CRvB 17-7-2019,ECLI:NL:CRVB:2019:2362)

Verder hoeft geen voorziening getroffen te worden wanneer gebruik kan worden gemaakt van een wettelijk voorliggende voorziening (artikel. 1.2, 1ste lid Jeugdwet) of als een algemene voorziening voldoende hulp biedt. (zie hoofdstuk 4)

Hoofdstuk 3: Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen Het college hoeft geen jeugdhulp te verstrekken als uit onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of zijn ouder(s) naar oordeel van het college toereikend zijn (artikel 2.3, eerste lid, Jeugdwet). Hulp van personen uit het sociaal netwerk valt daar ook onder. De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen zijn persoonsgebonden. Dat wil zeggen dat het betrekking kan hebben op de jeugdige of zijn ouder(s), maar ook op beiden. Het college zal in elke individuele situatie moeten beoordelen of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn (RBOVE:2016:1379). Komt het college tot het oordeel dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of ouder(s) (deels) toereikend zijn, dan kan een aanvraag om jeugdhulp geheel of gedeeltelijk worden afgewezen. De financiële draagkracht mag worden meegewogen in het besluit.

6 / 28

Artikel 8. Eigen kracht De wetgever heeft niet aangegeven wat precies onder eigen kracht moet worden verstaan. Het begrip komt op verschillende plekken terug in de parlementaire geschiedenis, waarbij de kern is dat ouders op de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Hebben zij zelf mogelijkheden om de problemen het hoofd te bieden, dan is een voorziening niet nodig (zie bv. TK 2012-2013, 33684, nr. 3, p. 135 e.v.).

Alle noodzakelijke zorg kan in beginsel van ouders worden verwacht. De rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat het uitgangspunt van de Jeugdwet is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en jeugdigen zelf ligt. Van ouders mag worden verwacht dat zij vergaande aanpassingen doen om dit te kunnen realiseren. Dit kan betekenen dat ouders hun eigen carrière of financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke zorg te kunnen bieden. Afwegingskader voor beoordeling eigen kracht Bij de beoordeling of er sprake is van voldoende eigen kracht en probleemoplossend vermogen, worden de volgende punten in kaart gebracht:  de behoefte en de mogelijkheden van de jeugdige;  de voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan;  de mogelijkheden, de draagkracht en belastbaarheid van ouders/het netwerk;  de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;  het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen. Onderzoeksvragen:  Is de ouder in staat de noodzakelijke hulp te bieden?  Is de ouder beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden?  Levert het bieden van de hulp door de ouder geen overbelasting op?  Waaruit blijkt dat de gemeente moet voorzien in de huidige hulp die door de ouders wordt geboden.

 Ontstaan er geen financiële problemen in het gezin als de hulp door de ouder wordt geboden? Als uit onderzoek naar deze factoren volgt dat de ouder(s) de benodigde hulp kunnen bieden zonder dat dit tot problemen leidt op één van deze terreinen, dan kan de gemeente concluderen dat sprake is van voldoende eigen kracht. Sociaal netwerk Als personen uit het sociale netwerk van de jeugdige en/of ouder(s) kunnen bijdragen aan het verminderen of oplossen van de problematiek, wordt dit ook gezien als het aanspreken van 'eigen kracht'. Als het netwerk beschikbaar is, mag je verlangen dat de jeugdige en/of ouder(s) hier gebruik van maken. Maar wil het netwerk dit niet leveren of alleen tegen betaling, dan kan er sprake zijn van onvoldoende eigen kracht. Artikel 9. Zorgplicht van de ouder(s) Indien uit het onderzoek van het college blijkt dat er een vorm van jeugdhulp noodzakelijk is, dan is deze aanvullend op de noodzakelijke zorg die ouders op eigen kracht kunnen bieden. Dit geldt ook als de ouders de jeugdhulp reeds leveren en dus op eigen kracht over voldoende middelen/probleemoplossend vermogen beschikken. Het kan voorkomen dat ouders dusdanig belast zijn met de zorg voor de kinderen dat zij niet langer de noodzakelijke zorg kunnen bieden. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de noodzakelijke zorg over.

Indien er sprake is van uitval van de ouder in een eenoudergezin, of beide ouders ondervinden beperkingen in de zorg van de kinderen, wordt er eerst nagegaan wat het sociaal netwerk kan betekenen. Vervolgens wordt gekeken wat kan worden opgelost middels algemene en voorliggende voorzieningen (bijvoorbeeld kinderdagverblijf, naschoolse opvang). Indien is vastgesteld dat er geen gebruik gemaakt kan worden van deze opties, wordt onderzocht wat mogelijk is vanuit de Jeugdwet. Artikel 10. Aanspreken aanvullende verzekering Soms blijken de jeugdige en/of ouders aanvullend verzekerd te zijn voor de jeugdhulp die het college nodig acht. In dat geval mag van de jeugdige en/of ouders verwacht worden dat ze die aanvullende verzekering

7 / 28

aanspreken. Het college hoeft namelijk geen voorziening voor jeugdhulp te treffen als de jeugdige of zijn ouders in staat zijn zelf de problemen op te lossen (artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet). Een aanvullende verzekering vergoedt niet altijd de volledige kosten. Als vaststaat dat de hulp noodzakelijk is en meer behandelingen nodig zijn of slechts een gedeelte wordt vergoed, moet het college hiervoor in het kader van de Jeugdwet aanvullend een voorziening treffen.

Hoofdstuk 4: Algemene en voorliggende voorzieningen Algemene voorzieningen zijn voor iedereen toegankelijk, met en zonder beperkingen. Voor een algemene voorziening is geen toestemming van de gemeente nodig. Voorbeelden hiervan zijn:  het openbaar vervoer;  buurthuizen;  jongerenwerk;  schoolmaatschappelijk werk;  het consultatiebureau/ jeugdgezondheidszorg;  (school) maatschappelijk werk;  het gebiedsteam. Artikel 11. Het gebiedsteam Het streven is de benodigde ondersteuning zo snel, zo dichtbij en zo effectief mogelijk aan te bieden aan de inwoners en samen tot een plan van aanpak te komen. Het uitgangspunt is dat de inwoner zelf de regie blijft houden en dat er zoveel mogelijk wordt gewerkt vanuit het uitgangspunt één gezin, één plan, één regisseur. Ons Stede Broec Bij Ons Stede Broec kunnen alle inwoners van Stede Broec terecht voor sociale, culturele en maatschappelijk activiteiten en ondersteuning. Ons Stede Broec en medewerkers van de gemeente Stede Broec kijken samen met de jeugdige en/of ouder(s) naar de hulpvraag om zo ondersteuning op maat te kunnen bieden. Het gebiedsteam van Ons Stede Broec is een team van specialisten dat dicht bij de inwoners, jeugdigen en gezinnen eerstelijnszorg levert. Het kan gaan om hulp bij problemen op het gebied van opvoeden, wonen, werk, financiën, relaties etc.

Maar ook voor het bespreken van specifieke ondersteuning en zorg zoals begeleiding en gespecialiseerde (jeugd)hulp. Het team bestaat uit een groep van hulpverleners met expertise op onder andere het gebied van:  Algemeen maatschappelijk werk  Voorschools advies  opvoedondersteuning;  veiligheid;  psychiatrie; echtscheidingsproblematiek relatieproblemen  licht verstandelijke beperkingen;  bemoeizorg (wijk GGD)  Meervoudige gezinsproblemen  schoolmaatschappelijk werk  Jongerenwerk  Zelfredzaamheid vergroten op alle leefgebieden  Netwerkversterking  Mantelzorgondersteuning en respijt  Eenzaamheidsproblematiek  Rouwbegeleiding  School/werk problemen  Sociaal, maatschappelijk en culturele activiteiten  Toeleiden naar ….. Welzijn/jeugdhulp/wmo  Regie in de keten  Weerbaarheidsversterking  Ouderenadviseur

8 / 28

 

Praktische hulp van vrijwilligers (wonenplus) / maatjestrajecten Spreekuren

Het gebiedsteam onderhoudt contacten met maatschappelijke organisaties, huisartsen en zorgaanbieders. Voor deze vorm van hulpverlening is geen beschikking nodig. Het gebiedsteam is namelijk onderdeel van het preventienetwerk in Stede Broec. Het preventienetwerk is een samenwerkingsverband van maatschappelijke organisaties. Het gebiedsteam is een belangrijke schakel in het preventienetwerk. Het gebiedsteam werkt volgens de methode één gezin, één plan, één regisseur. Toeleiden naar jeugdhulp Het kan zijn dat het gebiedsteam samen met de jeugdige en/of ouders, inschat dat er een vorm van jeugdhulp geboden door een zorgaanbieder, noodzakelijk is. Het gebiedsteam stelt dan samen met het gezin een perspectiefplan op om een aanvraag in te dienen bij de gemeente. Zij adviseren de gemeente in welke hulp de jeugdige en/of ouders mogelijk nodig hebben. Artikel 12. Wettelijk voorliggende voorzieningen Een wettelijk voorliggende voorziening is een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet. Deze voorzieningen noemen we 'voorliggend' omdat ze voorrang hebben op voorzieningen uit de Jeugdwet.

Voorliggende voorzieningen waar de jeugdige gebruik van kan maken zijn:  aanspraak op zorg op grond van de “Wet langdurige zorg” (Wlz);  aanspraak op zorg op grond van de “Wet Passend Onderwijs”;  recht op zorg op grond van de “Zorgverzekeringswet”;  voorzieningen op grond van andere wetten, voor zover het college van oordeel is dat daar aanspraak op bestaat. Het college moet hier aantonen dat inderdaad sprake is van een andere mogelijkheid om het probleem op te lossen middels een voorliggende voorziening;  aanspraak op zorg op grond van de “Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen”. Er is pas sprake van een voorliggende voorziening als de jeugdige ook daadwerkelijk aanspraak kan maken op die voorziening. De voorliggende wet moet dus inderdaad mogelijkheden bieden voor hulp of behandeling. Van de jeugdige en/of ouders kan dan worden verwacht dat zij gebruik maken van die voorliggende voorziening. Van een voorliggende voorziening is geen sprake als de voorziening op basis van de andere wettelijke bepaling is afgewezen of als vaststaat dat de jeugdige daar niet voor in aanmerking komt. 1. Wet langdurige zorg (Wlz) Via de Wlz wordt zorg geleverd voor jeugdigen die blijvend zijn aangewezen op permanent toezicht of 24uurs zorg. De zorg wordt geïndiceerd door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). De uitvoering van de Wlz wordt gedaan door de zorgkantoren.

Als een jeugdige aanspraak kan maken op de Wlz, dan wordt van de jeugdige en/of ouder(s) verwacht dat zij een Wlz-aanvraag doen. Voor zover de hulp uit de Wlz wordt bekostigd, hoeft het college geen jeugdhulp in te zetten. Sommige vormen van hulp biedt de Wlz niet en vallen dus mogelijk onder het bereik van de Jeugdwet (bijv. jeugd-ggz of pleegzorg). Een Wlz-indicatie en jeugdhulp kunnen dus naast elkaar bestaan. 2. Passend Onderwijs Kinderen met leer- of gedragsproblemen kunnen extra zorg op school nodig hebben. Scholen zijn ervoor verantwoordelijk dat leerlingen een zo passend mogelijke onderwijsplek krijgen. Ook als die leerlingen extra ondersteuning nodig hebben. Samenwerkingsverbanden in het primair en voortgezet onderwijs (inclusief speciaal onderwijs) zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van passend onderwijs. De verantwoordelijkheid voor passend onderwijs is vastgelegd in de verschillende onderwijswetten, waaronder de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra. Zorgplicht van het onderwijs Scholen voor primair en voortgezet onderwijs hebben een zorgplicht. Dit betekent dat de school verplicht is om kinderen die extra ondersteuning nodig hebben een zo goed mogelijke plek (passend) in het onderwijs

9 / 28

aan te bieden. Niet elke school hoeft zorgleerlingen op te vangen. Maar binnen het samenwerkingsverband moet er wel een passende plek te vinden zijn op een andere school. Afbakening passend onderwijs en Jeugdwet Als de extra ondersteuning voor de leerling primair gericht is op het leerproces, is de school verantwoordelijk. Het gaat dan om ondersteuning gericht op het volgen van onderwijs en om de leerling verder te helpen in zijn onderwijsontwikkeling. Dat de ondersteuning mogelijk ook een bijdrage levert aan de ontwikkeling op andere leefgebieden, doet daar niet aan af. Voorbeelden van ondersteuning van een leerling zijn (TK 2011-2012, 33 106, nr. 3, p. 16; MvT wetsvoorstel passend onderwijs):  speltherapie die er op is gericht om spelenderwijs leerproblemen aan te pakken;  observatie, onderzoek of tijdelijke begeleiding door een orthopedagoog of een psycholoog;  het aanschaffen van aangepast lesmateriaal (bijvoorbeeld pictogrammen of braille leerboeken);  remedial teaching;  begeleiding bij dyslexie;  sociale vaardigheidstraining;  kindcoaching. Onderwijs-zorgarrangementen Er kan een onderwijs-zorg arrangement worden afgesproken: dit is een integrale samenwerking tussen jeugdhulp en het onderwijs. Doel hiervan is dat de desbetreffende jongere zich optimaal en ononderbroken kan ontwikkelen. Het gaat hierbij om maatwerk.

Het uitgangspunt is dat er altijd gestreefd wordt door beide partijen naar een samenhangend beeld van de problematiek van een kind, zowel thuis, op school als in andere contexten. Voor de inhoud van Onderwijszorgarrangementen wordt verwezen naar de Handreiking en het afwegingskader Onderwijszorgarrangementen welke te vinden is in het document Onderwijs-zorgarrangementen West Friesland. https://www.dewestfrieseknoop.nl/uploads/20210705_po_Handreiking_en_afwegingskader_Onderwijszorgar rangementen.pdf Huiswerkbegeleiding Huiswerkbegeleiding ziet op het begeleiden van de leerling bij het structureren, plannen en zelfstandig maken van huiswerk. Deze hulp is primair gericht op het leerproces en het doorlopen van het onderwijsprogramma. Dit valt onder de zorgplicht van scholen. Huiswerkbegeleiding kan niet gezien worden als jeugdhulp. De gemeente hoeft hiervoor geen voorziening te treffen (zie ook Rechtbank Rotterdam 1-7-2020, ECLI:NL:RBROT:2020:5711, nr. 19/2763 ROT). Dyslexie Het onderwijs is verantwoordelijk voor signalering en begeleiding van jeugdigen met lichte en matige dyslexie. De ondersteuning van leerlingen met dyslexie maakt deel uit van de basisondersteuning die elke school moet bieden. Dit valt onder de zorgplicht van scholen. Fysieke hulpmiddelen bij dyslexie horen daar ook bij. De gemeente hoeft hiervoor geen voorziening te treffen.

De gemeente is wel verantwoordelijk voor de bekostiging van diagnostiek en behandeling van kinderen met ernstige enkelvoudige dyslexie in de leeftijd van 7-12 jaar die basisonderwijs volgen. Er zijn afspraken tussen de gemeente en het onderwijs gemaakt over de toeleiding naar diagnostiek en behandeling bij ernstige enkelvoudige dyslexie. De toeleiding voor deze ondersteuning verloopt via het onderwijs. 3. Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) Een voorziening op grond van de Wmo 2015 wordt gezien als een voorliggende voorziening (artikel 1.2 lid 1 Jeugdwet). Als een jeugdige een Wmo-voorziening krijgt, bestaat geen recht op een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet, behalve als gaat het om begeleiding aan jeugdigen tot 18 jaar. Deze begeleiding valt onder de Jeugdwet. De Wmo 2015 biedt voorzieningen in de vorm van hulpmiddelen, zoals een rolstoel, en woningaanpassingen. Beschermd wonen en beschermd thuis Beschermd wonen voor personen vanaf 18 jaar valt onder de Wmo 2015. Beschermd wonen kan verleend worden aan personen met psychische problemen of psychosociale problemen. Het gaat om personen die als

10 / 28

gevolg van deze problemen niet in staat zijn zich op eigen kracht staande te houden in de samenleving. Zij kunnen dan wonen in een instelling die hen een beschermende woonomgeving biedt met daarbij behorend toezicht en begeleiding. Steeds vaker blijven deze mensen in hun eigen huis wonen en komen de hulpverleners bij hen thuis. Deze beweging zorgt ervoor dat mensen mee kunnen blijven doen in de samenleving en structuur in hun dagelijks leven behouden. Beschermd wonen is geen voorziening onder de Jeugdwet. Voor jeugdigen tot 18 jaar wordt beschermd wonen gezien als noodzakelijke zorg geboden door ouders. 4. Zorgverzekeringswet De Zorgverzekeringswet regelt het recht op medisch noodzakelijke zorg. Dit recht geldt voor verzekerden van alle leeftijden. De medisch noodzakelijke zorg is vastgelegd in het basispakket. Een recht op zorg op grond van de Zorgverzekeringswet wordt gezien als een voorliggende voorziening. Als een jeugdige dus zorg uit de zorgverzekering krijgt, bestaat geen recht op een voorziening op grond van de Jeugdwet. Behalve als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen van de jeugdige. In dat geval gaat de jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet voor (artikel 1.2 lid 2 Jeugdwet). Jeugd-GGZ De behandeling en diagnose van geneeskundige ggz voor kinderen tót 18 jaar valt onder de Jeugdwet.

Dat geldt ook voor het verblijf in een ggz-instelling en het vervoer van en naar de instelling. Vanaf het moment dat een jeugdige 18 jaar wordt valt GGZ-zorg onder de Zorgverzekeringswet (basisverzekering). Medicatie Als een jeugdige niet in een instelling verblijft en medicijnen krijgt vanwege een psychische stoornis, dan valt dit onder de Zorgverzekeringswet. Het gaat dan enkel om het organiseren van het gebruik van de medicatie. Als een consult van een psychiater nodig is in verband met de medicatie valt dit onder de Jeugdwet, zoals medicatiecontroles. (TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 52-53) Verpleging Verpleging valt volledig onder de Zorgverzekeringswet. Verzorging Onder de Zorgverzekeringswet valt de persoonlijke verzorging die nodig is in verband met een 'behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop'. Bedoeld wordt de verpleging en verzorging die verpleegkundigen bieden. Voor jeugdigen tot 18 jaar beoordeelt een kinderverpleegkundige of er sprake is van 'behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop'. Als dat zo is, geeft de kinderverpleegkundige een indicatie af voor persoonlijke verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet. Voorbeelden van deze zorg zijn: schoonhouden en verzorgen van een stoma, toedienen medicijnen, toedienen van sondevoeding. Onder de Jeugdwet valt de persoonlijke verzorging bij algemene dagelijkse levensverrichtingen.

Bedoeld wordt de zorg die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid. Dit wordt beoordeeld door een jeugdconsulent of een gebiedsteammedewerker. Bijvoorbeeld begeleiding bij: lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, reguliere huidverzorging en tandenpoetsen.

Hoofdstuk 5: Toegang tot jeugdhulp gemeente Stede Broec Artikel 13. Ons Stede Broec De toegang tot jeugdhulp van de gemeente Stede Broec geschiedt via Ons Stede Broec. De jeugdige en/of ouder(s) kan op verschillende manieren contact opnemen met Ons Stede Broec voor informatie en advies over jeugdhulp. Ook een hulpvraag kan gesteld worden bij Ons Stede Broec. Dit kan telefonisch, via een contactformulier op de website of via het e-mailadres van Ons Stede Broec.

11 / 28

Het is mogelijk dat de ouder of jeugdige direct antwoord heeft gekregen op de vraag of wordt doorverwezen naar een algemene of voorliggende voorziening, zoals (school) maatschappelijk werk, het consultatiebureau, school etc. (zie hoofdstuk 4). Indien de hulpvraag nader onderzocht moet worden, wordt er een aantal stappen genomen om tot een besluit op de hulpvraag te komen.

Stappenplan aanvraag jeugdwet - Stap 1 Aanvraag In de Jeugdwet is niets geregeld over de procedure rondom het aanvragen van jeugdhulp. Dat betekent dat de systematiek van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Binnen deze systematiek begint de procedure met het indienen van een aanvraag (artikel 1:3 lid 3 Awb). Hierbij moet een aanvraag schriftelijk worden ingediend (artikel 4:1 Awb). Het indienen van deel 1 van het perspectiefplan wordt beschouwd als een aanvraag. Een aanvraag is een verzoek van belanghebbende om een besluit te nemen. Iedere belanghebbende kan een aanvraag indienen voor jeugdhulp (artikel 1:3 lid 3 Awb). Op de eerste plaats zijn dat jeugdigen of ouders zelf. Het begrip 'belanghebbende' is ruimer dan enkel jeugdigen of ouders. Ook een pleegouder kan een aanvraag in dienen voor noodzakelijke hulp aan de jeugdige. Belanghebbenden bij jeugdhulpbesluiten voor jeugdigen tot 16 jaar ouder met gezag Het belang van de ouder met gezag is rechtstreeks bij het jeugdhulpbesluit betrokken omdat het besluit de opvoeding(situatie) en de gezagspositie raakt. De ouder met gezag is op grond daarvan een belanghebbende. NB: ouders met gezag dienen in te stemmen met het verlenen van de jeugdhulp voor de jeugdige tot 16 jaar.

ouder zonder gezag, zijnde de opvoeder Het belang van de ouder zonder gezag die het kind verzorgt en opvoedt is rechtstreeks bij het besluit betrokken omdat het jeugdhulpbesluit de opvoeding(situatie) raakt. Deze ouder zonder gezag is daarom een belanghebbende voor zover hij/zij de opvoeder van de jeugdige is. een ander dan de ouder die de jeugdige verzorgt en opvoedt Het belang van degene die het kind als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, is rechtstreeks bij het besluit betrokken omdat het jeugdhulpbesluit de opvoeding(situatie) raakt. Deze persoon is daarom een belanghebbende. Dit kan bijvoorbeeld een pleegouder zijn of een ander die het kind opvoedt. Het gaat dus om de persoon bij wie de jeugdige woont. Als een jeugdige bij een ouder en zijn/haar nieuwe partner woont, kan ook deze nieuwe partner als belanghebbende worden aangemerkt. Er moet dan wel sprake zijn van een duurzame relatie. de jeugdige die in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen Het belang van de jeugdige zelf is altijd rechtstreeks bij het besluit betrokken, omdat het besluit zich tot die jeugdige richt. Jeugdigen zijn belanghebbenden voor zover zij in staat zijn tot een redelijke waardering van hun belangen. In de praktijk wordt er vanuit gegaan dat kinderen van 12 jaar of ouder daartoe in staat zijn.

Het is belangrijk dat gemeenten per individueel geval beoordelen of het betreffende kind in staat is om een eigen mening te vormen. Dat kan ook het geval zijn bij kinderen die jonger dan 12 jaar zijn. NB: Als het college jeugdhulp verleent voor een jeugdige van 12 jaar of ouder dan is diens instemming daarvoor vereist. Belanghebbenden bij jeugdhulpbesluiten voor jeugdigen van 16 tot 23 jaar de jeugdige Het belang van een jeugdige is altijd rechtstreeks bij het besluit betrokken, omdat het besluit zich tot die jeugdige richt. De jeugdige is daarom een belanghebbende. NB: Jeugdigen van 16 jaar en ouder kunnen zelf - zonder toestemming van de ouders met gezag jeugdhulp aangaan. De jeugdigen zijn op dit punt dus vanaf 16 jaar handelingsbekwaam. Hoewel ouders

12 / 28

nog belast zijn met het gezag totdat de jeugdige 18 jaar is, kunnen zij dat gezag - zodra de jeugdige 16 jaar is - niet meer uitoefenen als het gaat om het aangaan van jeugdhulp. Daarom zijn ouders in principe geen belanghebbenden bij jeugdhulpbesluiten voor jeugdigen vanaf 16 jaar. Deze regel geldt niet als de jeugdhulp betrekking heeft op de verblijfplaats van de jeugdige of de zorg- of omgangregeling. Vanaf de leeftijd van 12 jaar mag de jeugdige zelf jeugdhulp aanvragen. Voor een rechtsgeldige aanvraag (artikel 1:2 lid 3 Awb) moet de jeugdige zijn handtekening zetten. Voor het verlenen van de jeugdhulp is toestemming van de jeugdige (vanaf 12 jaar) nodig en toestemming van de ouder(s) met gezag. Vanaf 16 jaar is geen toestemming van ouders noodzakelijk om de jeugdhulp te verlenen. Toestemming van ouders is wel noodzakelijk als het om verblijf gaat. De handtekening van beide ouders met gezag is niet vereist, de gemeente Stede Broec vindt dit wel wenselijk en zal om die reden beide ouders verzoeken te tekenen in het kader van een zorgvuldig proces. - Stap 2 Jeugdwet onderzoek Na het indienen van een aanvraag- vanwege opvoed- en opgroeiproblemen, problemen in de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie bij een jeugdige - wordt er door een medewerker van Ons Stede Broec en/of jeugdconsulent een afspraak gemaakt.

De medewerker van Ons Stede Broec en/of de jeugdconsulent zal samen met de jeugdige en/of ouders in gesprek gaan om de ondersteuningsbehoefte en de mogelijke oplossingen in kaart brengen. In het kader van een zorgvuldig proces zullen beide gezaghebbende ouders betrokken worden in het onderzoek. De jeugdige wordt – waar mogelijk- ook gesproken. Een gesprek vindt bij voorkeur plaats middels een huisbezoek. Het staat een jeugdige en/of ouder(s) vrij om iemand uit het eigen netwerk aanwezig te laten zijn ter ondersteuning bij het gesprek. Ook kan er gebruik gemaakt worden van onafhankelijke cliëntondersteuning. (zie artikel 35) Uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met artikel 2.3 van de Jeugdwet volgen de voorwaarden waaraan een goed onderzoek (na de hulpvraag) ten minste moet voldoen (CRVB:2017:1477). Het onderzoek behoort tot de voorbereiding van het besluit (artikel 3:2 Awb). Onderzoeksverplichting en- criteria De Jeugdwet schrijft voor dat het college onderzoek moet doen naar de behoefte en noodzaak tot jeugdhulp, indien een ouder of jeugdige een hulpvraag stelt. Uit de jurisprudentie blijkt dat het college niet altijd alleen kan uitgaan van de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Het gaat er om dat het college een volledig beeld krijgt van de situatie (RBOBR:2018:469, RBGEL:2017:3439).

Het onderzoek De medewerker van Ons Stede Broec en/of de jeugdconsulent gaat bij de jeugdige en/of ouders op huisbezoek. Naast het huisbezoek kan het zijn dat er toestemming gevraagd wordt informatie op te vragen bij derden. Dit is afhankelijk van de hulpvraag en de inschatting van de medewerker/jeugdconsulent welke informatie noodzakelijk is om tot een besluit te komen. In het kader van de aanvraag mag de consulent zonder toestemming informatie opvragen bij onderwijs Voorbeelden van derden kunnen zijn: (eerder) betrokken hulpverlening, onderwijs, kinderopvang, consultatiebureau e.d. Indien er geen toestemming wordt gegeven, kan dit tot gevolg hebben dat de consulent onvoldoende informatie heeft om tot een beoordeling van de aanvraag te komen. De aanvraag wordt dan mogelijk formeel afgewezen. Aan Informatie uitvraag bij (eerder) betrokken hulpverlening dient wel toestemming aan vooraf te gaan van ouders (tot 12 jaar, jeugdigen en ouders (van 12 jaar-16) en vanaf 16 jaar (jeugdigen. Het volledige onderzoek wordt vastgelegd in een perspectiefplan en doorloopt in ieder geval de volgende stappen: (Memorie van toelichting en CRVB:2017:1477)

13 / 28

    

Stel allereerst vast wat de eigenlijke hulpvraag van de jeugdige of ouders is; Stel vervolgens de stoornissen, opgroei en opvoedingsproblemen of psychische problematiek vast en breng deze in kaart; Stel vast welk aandeel de ouders of het sociale netwerk in de hulp kunnen hebben; Stel vast of dit opgelost kan worden met een voorliggende of algemene voorziening; Stel daarna vast of er een individuele voorziening nodig is, welke jeugdhulp ingezet wordt en in welke mate die nodig is.

Zijn die mogelijkheden ontoereikend, dan zal het college een maatwerkvoorziening moeten verlenen. Wanneer het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist, mag een specifiek deskundig oordeel en advies niet ontbreken (bijvoorbeeld een onafhankelijk sociaal medisch advies). Voor het vaststellen van de concrete problematiek is deskundigheid vereist (zie artikel 2.14 Jeugdwet in samenhang met artikel 2.1 Besluit Jeugdwet). Daarnaast moet voor de jeugdige of ouder duidelijk zijn wie, wanneer met welke deskundigheid de hulpvraag heeft onderzocht. De gemeente heeft niet altijd de juiste deskundigheid in huis om de (specifieke) problematiek goed in kaart te kunnen brengen en te kunnen beoordelen wat nodig is. Dat hoeft ook niet, mits ze wel kunnen inschatten wanneer andere (externe) deskundigheid nodig is en die deskundigheid vervolgens ook worden ingeschakeld. De stappen die in dit proces wordt gezet, moeten voor de jeugdige en/of ouder transparant en controleerbaar zijn. - Stap 3 Perspectiefplan Het perspectiefplan is het document waarin wordt vastgelegd welk perspectief de jeugdige en/of ouder(s) met behulp van de ondersteuning wil bereiken. (zie artikel 16) - Stap 4 Advies Uit het onderzoek volgt een advies en besluit over het al dan niet inzetten van een vorm van jeugdhulp.

Bij een positief advies en besluit wordt samen met de jeugdige en/of ouder(s) onderzocht welke zorgaanbieders de gemeente heeft gecontracteerd en passen bij de hulpvraag. Indien nodig wordt er vooraf, eventueel anoniem, overlegt met de zorgaanbieder. Het perspectiefplan wordt, met toestemming van de jeugdige en/of ouder(s) gedeeld met de gewenste zorgaanbieder. Is het besluit dat de jeugdige en/of ouder(s) niet in aanmerking komen voor een vorm van jeugdhulp dan wordt stap 5 overgeslagen en wordt stap 6 genomen. - Stap 5 Intake na positief besluit Het perspectiefplan wordt, met toestemming van de jeugdige en/of ouder(s) naar de gewenste zorgaanbieder gestuurd. De zorgaanbieder zal samen met de jeugdige en/of ouder(s) een intake hebben. De informatie uit de intake wordt toegevoegd aan het perspectiefplan.(zie artikel 24) Indien de keuze wordt gemaakt de zorg via een pgb in te kopen, zal deze optie nader worden onderzocht, zoals beschreven in hoofdstuk 7. - Stap 6 Besluit over de aanvraag De aanvraag voor ondersteuning via de jeugdwet wordt onderzocht in stap 2 en beschreven in het perspectiefplan – stap 3-. Vervolgens wordt samen met de jeugdige en/of ouder(s) bepaald welke zorgaanbieder passend is bij het behalen van de resultaten. Na de intake en ondertekening van het gehele perspectiefplan neemt het college een formeel besluit over de aanvraag.

Dit gebeurt in de vorm van een beschikking. Hierin staat of de aanvraag wordt toegekend of (deels) wordt afgewezen. Deze beschikking krijgen de jeugdige en/of ouder(s) thuis gestuurd. - Doorlooptijd van aanvraag tot beschikking Het college moet de beschikking binnen een redelijke termijn na ontvangst (datum van ontvangst door college) van de aanvraag geven. (artikel 4.13 lid 1 Awb) Dit betekent concreet dat dit in beginsel niet langer dan 8 weken mag zijn. Het college heeft de mogelijkheid de beslistermijn eenmalig te verlengen voor de duur van maximaal 8 weken. De aanvrager wordt hierover schriftelijk geïnformeerd. Tegen dit besluit kan geen bezwaar worden gemaakt.

14 / 28

Artikel 14. Medisch verwijzer Artikel 2.6 lid 1e van de Jeugdwet bepaalt dat naast de gemeente ook de huisarts, de medisch specialist (bijvoorbeeld de psychiater) en de jeugdarts toegang mogen geven tot jeugdhulp. De zorgaanbieder waar naar verwezen is zal, samen met de jeugdige en/of ouder(s) beoordelen welke jeugdhulp nodig is. De zorgaanbieder moet zich houden aan de contractuele afspraken met de gemeente en de voorwaarden die de gemeente stelt. Er moet rekening worden gehouden met de zorg die de gemeente heeft ingekocht, alsmede met welke aanbieders de gemeente een contract heeft afgesloten. Verwijzing naar een niet-gecontracteerde aanbieder Als de medisch verwijzer oordeelt dat er jeugdhulp ingezet moet worden door een niet-gecontracteerde aanbieder, moet daar eerst overleg over plaats vinden tussen de gemeente en de huisarts. Met toestemming van de gemeente kan er verwezen worden naar niet-gecontracteerde zorgaanbieders. Zonder toestemming van de gemeente zal zij bij een verwijzing niet voorzien in de financiering van de jeugdhulp wanneer de zorgaanbieder geen contract heeft met de gemeente e. Dit is ook zo in de situatie dat de gemeente geen soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een gecontracteerde aanbieder. (zie Rechtbank Oost-Brabant 26-3-2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761).

Beschikking naar verwijzing De gemeente geeft, na verwijzing door een medisch verwijzer naar een gecontracteerde zorgaanbieder, een beschikking af. Artikel 15. Gecertificeerde instelling Naast de gemeente en de medisch verwijzer, kan ook een gecertificeerde instelling toegang bieden tot jeugdhulp in het kader van de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. De gecertificeerde instelling moet zich houden aan de afspraken met de gemeente en de voorwaarden die de gemeente stelt. Er moet rekening worden gehouden met de zorg die de gemeente heeft ingekocht, alsmede met welke aanbieders de gemeente een contract heeft afgesloten. De gecertificeerde instelling mag alleen tijdens de uitvoering van een opgelegde maatregel bepalen welke jeugdhulp nodig is. Zij mogen geen jeugdhulp toekennen die buiten de termijn van de maatregel gaat. Verwijzing naar een niet-gecontracteerde aanbieder Als de gecertificeerde instelling oordeelt dat er jeugdhulp ingezet moet worden door een nietgecontracteerde aanbieder, moet daar eerst overleg over plaats vinden tussen de gemeente en de gecertificeerde instelling. Inzet pgb na verwijzing gecertificeerde instelling Als een pgb gewenst is, dan is het aan de gemeente om te beoordelen of dit kan.

Alleen de gemeente is bevoegd om te oordelen over de inzet van een pgb (artikel 8.1.1 Jeugdwet).Er moet dan een aanvraag bij de gemeente worden ingediend. De gemeente zal in dat geval bekijken of aan de voorwaarden voor het toekennen van een pgb is voldaan. Het oordeel van de gemeente ziet dus enkel op de verzilveringsvorm toe, niet op de noodzaak van de hulp. De gemeente moet de beslissing over het pgb wel vastleggen in een beschikking.

Hoofdstuk 6: Resultaat gericht werken–Individuele voorziening Vanaf 1 januari 2020 is in de regio West-Friesland door alle zeven gemeenten resultaat gericht werken geïntroduceerd. De visie hierbij is dat de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouders leidend moet zijn. Samen met jeugdige en/of ouders wordt bepaald welke resultaten behaald zouden moeten worden om de problemen welke worden ervaren op te heffen of te stabiliseren. Er wordt samen onderzocht welke zorgaanbieder het beste past bij de te behalen resultaten. In het resultaat gericht werken coördineert één zorgaanbieder in één arrangement alle gewenste behandeling en/of begeleiding voor één jeugdige door middel van hoofdaannemerschap. Het arrangement is

15 / 28

erop gericht dat de gestelde resultaten zoals beschreven in het perspectiefplan worden bereikt. Om deze resultaten te behalen kan de zorgaanbieder eventueel, via onderaanneming, samenwerkingspartners inzetten om op onderdelen bij te dragen aan het gewenste maatwerk. Artikel 16. Perspectiefplan In het perspectiefplan wordt opgenomen wat de hulpvraag is, hoe de jeugdige functioneert op diverse levensgebieden, welke resultaten worden gesteld, wat daarin prioriteit heeft en welke concrete doelen daaraan gekoppeld zijn. Het perspectiefplan wordt bij voorkeur opgesteld door de jeugdige en/of ouder(s), waar nodig met ondersteuning vanuit de jeugdconsulent, het gebiedsteam of een onafhankelijke cliëntondersteuner. Vanuit het oogpunt van de jeugdige en/of ouder(s) moet helder worden belegd waar de regieverantwoordelijkheid ligt op het moment dat het gezin niet zelf in staat is deze regie te voeren. Uitgangspunt is dat de jeugdige en/of ouder(s) zelf de regierol voor de eigen hulpvraag op zich neemt, tenzij zij hiertoe niet in staat is of er sprake is van een onveilige situatie van één van de gezinsleden. In dat geval ligt de regie bij iemand uit het netwerk, het gebiedsteam, de jeugdconsulent of bij een zorgaanbieder, al naar gelang de situatie en de op dat moment binnen het gezin werkzame professional(s).

De regisseur zorgt ervoor dat er integrale hulpverlening verleend wordt aan jeugdige en/of ouder(s). Het perspectiefplan bestaat uit drie zes delen:  Deel 1: Persoonsgegevens van de aangemelde jeugdige, persoonsgegevens van de (gezaghebbende) ouder(s)/ verzorger(s)/ pleegouder(s) of (gezins)voogd en de mogelijkheid de gegevens van de overige gezinsleden in te vullen. Dit deel dient als aanvraag  Deel 2: Inhoud hulpvraag, leefgebieden, resultaten en doelen, samenvatting, advies van de toegang (jeugdconsulent of team inzet) en conclusie, waaronder het ondersteuningsprofiel en blok intensiteit.  Deel 3: Intake informatie van de aanbieder, intensiteit, indien van toepassing componenten, wijze waarop er aan de resultaten gewerkt gaat worden en de gemaakte (evaluatie) afspraken.  Deel 4: Evaluatie Jeugd. Er wordt een tussentijdse of eindevaluatie afgenomen. In het perspectiefplan zijn in deel II resultaten beschreven waaraan gewerkt wordt. Deze resultaten worden in deel 4 geëvalueerd.  Deel 5: Verzoek om wijziging Jeugd die dient als aanvraag en ter vervanging van het reeds vastgestelde perspectiefplan.  Deel 6: Aanvraag verlening Jeugd. Uitsluitend van toepassing bij duurzame trajecten. Bij Deel 4 Evaluatie is bepaald of vervolghulp nodig is en zo ja welke resultaten cliënt wil bereiken voor het vervolgtraject.

Alle informatie in een perspectiefplan is inzichtelijk voor de jeugdige en/of ouder(s). Het perspectiefplan is een dynamisch document. Na de invulling en ondertekening van het gehele perspectiefplan wordt een besluit genomen en de beschikking verstuurd. Het perspectiefplan is onderdeel van het besluit. Afspraken met de hoofdaannemer Tussen de zorgaanbieder, die als hoofdaannemer fungeert, en de jeugdige en/of ouder(s) worden afspraken gemaakt over hoe de resultaten uit het perspectiefplan bereikt worden. De zorgaanbieder zorgt dat dit deel (deel 3) van het perspectiefplan wordt gevuld met de gemaakte afspraken. Dit deel behelst de concrete acties en afspraken die gemaakt worden om de resultaten te behalen. De jeugdige en zijn ouders weten dan precies welke hulp zij daadwerkelijk ontvangen. Het perspectiefplan wordt ondertekend door de zorgaanbieder en de jeugdige en/of ouder(s) en wordt beschouwd als afronding van een onderzoek naar het recht op een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet. Het perspectiefplan wordt onderdeel van de beschikking met een verwijzing daartoe omdat daar in staat op welke hulp de jeugdige kan rekenen. Het perspectiefplan bij geen toekenning van een maatwerkvoorziening In eerste instantie wordt altijd gekeken naar de eigen mogelijkheden en of een algemene voorziening aan de hulpvraag kan voldoen.

Als dat mogelijk is, eindigt hier het traject met het perspectiefplan. De jeugdige en/of zijn ouders worden hierover geïnformeerd. Een eventuele aanvraag om een individuele voorziening kan

16 / 28

komen te vervallen (in overleg met ouders) of afgewezen omdat de hulpvraag opgelost kan worden zonder inzet van een individuele voorziening. Directe verwijzing en het perspectiefplan Indien een jeugdige en/of ouder(s) door een medisch verwijzer, een rechter of gecertificeerde instelling verwezen wordt naar jeugdhulp, dan wordt een perspectiefplan opgesteld door de zorgaanbieder in samenwerking met de jeugdige en/of ouder(s).. De zorgaanbieder stelt de gemeente in kennis dat de jeugdige op basis van een geldige verwijzing in zorg is en deelt het perspectiefplan met de gemeente. Hierna wordt de beschikking opgesteld. De verwijzing naar een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet wordt in dit geval vertaald naar een arrangement. Op basis van het perspectiefplan en daarin gestelde resultaten zal de zorgaanbieder een arrangement kiezen. Het perspectiefplan wordt gedeeld met de gemeente. Met inachtneming van het eventuele beroepsgeheim van de verwijzer kan op deze manier beoordeeld worden op welke wijze de zorgaanbieder met de jeugdige en/of ouder(s) aan de resultaten heeft gewerkt. Het beoordelen of de resultaten behaald zijn is hier onderdeel van. Dit maakt dat het voor een zorgaanbieder verplicht is een perspectiefplan op te stellen met de jeugdige en/of ouder(s). Artikel 17.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11116434/1