nhn-res-1
Tekst van het document
ui
k
p ha d t s c ij k M a a u u rl b est
p ra e lij k ag & vla k
br
Maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak is een tweede aspect van het afwegingskader.
Sys te e
it ite t n
ntie cië effi m
2.3 Participatie en draagvlak
Kw a
grond en (de daken van hun) vastgoed die niet (volledig) ingezet hoeven te worden voor de opwekking van energie voor de eigen bedrijfsprocessen of andere opgaven, beschikbaar te stellen voor lokale initiatieven.
R ui
e mt
ge
Lokaal eigendom, stimulerend beleid voor lokale initiatieven Lokaal eigendom in energieprojecten draagt bij aan een eerlijke verdeling van de lusten en de lasten van de energietransitie. In de regio Noord-Holland Noord zetten overheden en partijen zich in om per project te streven naar minimaal 50 procent lokaal eigendom. Daarnaast streven overheden ernaar hun
RES 1.0
Er kan een groter maatschappelijk (en bestuurlijk) draagvlak ontstaan als lokaal wordt meegeprofiteerd. De behoefte aan goede voorbeelden en een leidraad voor overheden, is groot. Daarom is er samen met de Participatiecoalitie Noord-Holland (zie kader op volgende pagina) een menukaart opgesteld die is bedoeld als wegwijzer voor gemeenten. De menukaart geeft op hoofdlijnen de belangrijkste mogelijkheden weer om aan de slag te gaan met lokaal eigendom. In de bijbehorende Leidraad Lokaal eigendom in de praktijk zijn deze verder uitgewerkt en aangevuld met praktische voorbeelden. In de leidraad wordt enerzijds de beleidsmatige kant belicht: hoe kan lokaal eigendom worden geborgd in beleidskaders? Anderzijds wordt uitgewerkt wat een lokale overheid (in het bijzonder de gemeente) nog meer kan inzetten om lokaal eigendom te stimuleren.
Lokaal eigendom gaat over financieel eigendom en zeggenschap over het project en over de besteding van baten. Dit kan via verschillende vormen van financiële participatie worden gerealiseerd. Niet uitputtend via: medeeigenaarschap, financiële deelneming of omwonende regeling. In de leidraad wordt dit nader toegelicht.
Participatie bij planvorming Op projectniveau is de gemeente samen met de initiatiefnemer verantwoordelijk voor
Noord-Holland Noord
19
Aan de slag met lokaal eigendom met behulp van een leidraad Om de overheden in hun aanpak te inspireren en ondersteunen, is door de Participatiecoalitie Noord-Holland een Leidraad Lokaal Eigendom opgesteld. In deze leidraad wordt onder andere toegelicht op welke wijze overheden lokaal eigendom kunnen borgen in beleidskaders. Daarnaast zijn voorbeelden van instrumenten opgenomen die ingezet kunnen worden om tot uitvoering van lokale initiatieven te komen. Ook wordt ingegaan op een aantal rollen die gemeenten, waterschappen en provincies hierbij kunnen innemen, bijvoorbeeld faciliteren, stimuleren of meer proactief door te ondernemen. Tot slot wordt ingegaan op verschillende manieren om lokale initiatieven te stimuleren en zijn verwijzingen naar praktische voorbeelden en documenten opgenomen. Deze leidraad kan worden gebruikt om tot een plan van aanpak te komen (per overheid/regio/gemeente/gebied/project). De Participatiecoalitie Noord-Holland is een samenwerkingsverband tussen de Vereniging van Energiecoöperaties en Initiatieven in Noord-Holland en de Natuur en Milieufederatie Noord-Holland (NMF NH). De Participatiecoalitie Noord-Holland kan gemeenten en initiatiefnemers helpen bij het betrekken van partijen in de regio, het realiseren van het doel tot 50 procent lokaal eigendom en meer.
zorgvuldige participatie. Hierbij gaat het om samen met betrokkenen en bewoners te komen tot een ontwerp en ruimtelijke inpassing. De gemeente bepaalt in haar beleid hoe participatie bij planvorming in de gemeente wordt ingevuld. Participatie is een belangrijke pijler onder de nieuwe Omgevingswet, die naar verwachting op 1 januari 2022 van kracht gaat. Onder de nieuwe Omgevingswet bepalen overheden zelf hoe ze hun participatiebeleid vormgeven. De participatieladder helpt bij de invulling van de participatie op projectniveau. De participatieladder onderscheidt van laag naar hoog de volgende treden: informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren en zelf laten organiseren. Bij de hoogste trede nemen inwoners (of ondernemers) zelf het initiatief, de gemeente haakt aan en faciliteert het inwonersinitiatief.
Samenwerking in de regio De uitwerking van en besluitvorming over zoekgebieden krijgen een plek binnen de uitvoeringsinstrumenten voor omgevingsbeleid. Gemeenten zijn hiervoor aan zet. Zij zorgen daarbij steeds voor regionale afstemming en bijsturing. De deelregio’s doen dat ieder op eigen wijze. In de hoofdstukken 5, 6 en 7 geven de deelregio’s Kop van Noord-Holland,
RES 1.0
“De initiatiefnemers snappen dat wij willen dat draagvlak ontstaat, mede door gedeeld eigendom. Er is voldoende animo voor. Een van de energiecoöperaties heeft zelfs een wachtlijst van mensen die graag willen deelnemen. ” Jelle Brouwer, wethouder Uitgeest (bron: website Energieregio NHN)
Noord-Holland Noord
20
Westfriesland en regio Alkmaar aan welke afwegingen en keuzes zij maken. Daarnaast ziet de provincie een rol om de samenhang tussen de deelregio’s, de RES-regio’s, het IJsselmeergebied en de aangrenzende provincies te bewaken. De samenwerking op de schaal van NoordHolland Noord heeft haar waarde bewezen. Er is de wens om deze samenwerking voort te zetten. Ook is in het vervolgproces de samenwerking met de netwerkbedrijven, energiecoöperaties, natuurorganisaties, het bedrijfsleven, agrariërs en onderwijsinstellingen van groot belang. Door met elkaar te werken aan de uitvoering van de RES, kunnen kansen beter benut worden en knelpunten sneller geagendeerd. De regionale samenwerkingsafspraken die nodig zijn voor de uitwerking en uitvoering van de RES worden uitgewerkt in een regionaal uitvoeringsprogramma, dat naar verwachting eind 2021 gereed is. Het doel van de samenwerking is om als betrokken overheden in samenspraak met inwoners en belanghebbenden tot afgewogen en gedragen keuzes te komen voor de energie- en warmtestrategie.
RES 1.0
Noord-Holland Noord
21
Windturbines en zonnepanelen zijn zichtbaar en vragen om zorgvuldige inpassing in het landschap, aandacht voor ruimtelijke samenhang, een gedegen ruimtelijk ontwerp en koppeling met andere (ruimtelijke) opgaven. Ook moet rekening worden gehouden met voldoende ruimte voor de energieinfrastructuur.
Afwegingskader
ui
k
p ha d t s c ij k M a a u u rl b est
p ra e lij k ag & vla k
br
Het inpassen van de opwek van hernieuwbare energie is bij uitstek een ruimtelijke opgave en daarom een onderdeel in het afwegingskader.
Sys te e
it ite t n
ntie cië effi m
2.4 Ruimtelijke afwegingen
Kw a
individuele RES-zoekgebieden zich tot elkaar verhouden en hoe de verhouding tussen een enkel (of meerdere) zoekgebied(en) en zijn (hun) omgeving is.
R ui
e mt
ge
Ruimtelijke samenhang in de RES Ruimtelijke samenhang is een veelgenoemd thema tijdens het RES-proces. Bij ruimtelijke samenhang gaat het om het maken van samenhangende ontwerpkeuzes op (boven) regionaal niveau, rekening houdend met de lokale omstandigheden en andere ruimtelijke aspecten. Relevante vragen daarbij zijn hoe
RES 1.0
Voor de ruimtelijke samenhang is het van belang dat de (boven)regionale samenwerking en afstemming ook na vaststelling van de RES 1.0 worden voortgezet. De provincie heeft in de bovenregionale clusters van zoekgebieden een regierol. Ook voor de overige zoekgebieden is het van belang dat de ruimtelijke samenhang wordt bewaakt. Naast de energietransitie is er de aankomende jaren een grote opgave voor woningbouw en natuurontwikkeling. Na de vaststelling van de RES 1.0 blijft de regio hier door het netwerk van samenwerkende overheden en belangenorganisaties aandacht aan besteden.
‘Thematafels’
Het maken van ruimtelijke afwegingen en keuzes
Zie
Om gemeenten ook na de RES 1.0 te ondersteunen bij het maken van ruimtelijke keuzes, zijn in aanloop naar de RES 1.0 twee thematafels georganiseerd: Ruimtelijke samenhang en Ruimtelijke ontwikkelprincipes zonne- en windenergie. De thematafels hadden als doel dilemma’s op te lossen, kansen te benutten en inspiratie op te doen
is een verzamelnaam voor bijeenkomsten die zijn georganiseerd in aanloop naar de RES 1.0.
voor meer informatie het Katern Thematafels.
Noord-Holland Noord
22
om de Regionale Energiestrategie te verrijken. De uitkomsten worden door gemeenten ingezet bij het verder concretiseren van de zoekgebieden en de borging in omgevingsbeleid en -vergunningen.
Zie voor meer informatie het Katern Thematafels.
Ontwerpstudies en gebiedsgerichte aanpak Tijdens de thematafel Ruimtelijke samenhang is een inventarisatie gemaakt van regiooverstijgende structuren (zoals snelwegen) of (clusters van) zoekgebieden, die gebaat zouden zijn bij een gebiedsgerichte aanpak. Dit zijn gebieden of structuren met een (deel) regio-overstijgend karakter en waar meerdere (clusters van) zoekgebieden zijn. Voor een aantal van deze gebieden zijn in de aanloop naar de RES 1.0 ontwerpstudies gedaan, met als doel het belang van de ruimtelijke samenhang en ruimtelijke kwaliteit mee te nemen in de verdere concretisering en integrale planvorming van deze zoekgebieden. Voor Noord-Holland Noord zijn in samenwerking met Noord-Holland Zuid onder andere ontwerpstudies voor de zoekgebieden langs de A7 en de A9 gedaan. Het kader Gebiedsaanpak A9-zone (op de volgende pagina) bevat een beknopte uitwerking van de ontwerpstudie. Een uitgebreide rapportage van de ontwerpstudies vindt u in katern Thematafels.
Handreiking voor onderzoeken zoekgebieden en initiatieven Naast de ontwerpstudies is de handreiking Onderzoek zoekgebieden en initiatieven zonne- en windenergie vanuit het perspectief Landschap, Natuur en Leefomgeving opgesteld. Deze handreiking is het eindproduct van de thematafel Ruimtelijke ontwikkelprincipes zonne- en windenergie. De handreiking geeft gemeenten en initiatiefnemers van energieprojecten een kapstok voor het verder onderzoeken en uitwerken van zoekgebieden voor zonneen/of windenergie. Zij geeft inzicht in harde kaders vanuit wet- en regelgeving op het gebied van natuur, landschap, leefbaarheid en participatie (onder andere Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en veiligheidsnormen) ter toetsing van zoekgebieden en ruimtelijke principes die inspiratie bieden voor de inpassing. De handreiking wordt samen met de RES-viewer van Noord-Holland gebruikt, waarin de zoekgebieden en ruimtelijke beleidskaders op kaart zijn gevisualiseerd. De handreiking geeft met behulp van een stroomschema aan, welke afwegingen doorlopen worden en welke ruimtelijke principes hierbij van toepassing kunnen zijn.
RES 1.0
Van ruimtelijke samenhang naar inpassing en ruimtelijke kwaliteit Naast ruimtegebruik en -samenhang op (boven)regionaal niveau, is ook de ruimtelijke kwaliteit op projectniveau van belang. Voor alle zoekgebieden geldt dat na de vaststelling van de RES 1.0 moet worden bekeken hoe een duurzame opwek zo optimaal mogelijk in de omgeving kan worden ingepast. Daarbij gaat het om het zuinig gebruik van ruimte door meervoudig ruimtegebruik, en combinaties van hernieuwbare opwek met andere opgaven zoals biodiversiteit, waterhuishouding, recreatiewerken of natuurontwikkeling. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt ernaar gestreefd dat:
Zie ook Katern Thematafels.
• Nieuwe projecten de landschappelijke waarde en natuurwaarde van het gebied verbeteren. • Negatieve effecten op de natuur en omgeving worden gemitigeerd (bijvoorbeeld door middel van een gebiedsfonds).
Noord-Holland Noord
23
Gebiedsaanpak A9-zone Ontwerptraject A9 Opwekking van hernieuwbare energie langs of in de buurt van infrastructuur is een veelvoorkomende keuze in de deelregio’s. Hiervoor bestaat echter geen generieke aanpak. Een one size fits all-aanpak doet geen recht aan de landschappelijke context waar de infrastructuur zich in begeeft. Het is dus van belang om rekening te houden met de karakteristieken van zowel het landschap als van de infrastructuur. De A9-zone van Haarlem tot aan Alkmaar is een snelweg die een groot deel van de provincie doorsnijdt en waarlangs door verschillende gemeenten zoekgebieden zijn ingetekend, direct gekoppeld aan, of in de directe omgeving van de weg. In een ontwerptraject zijn de (on) mogelijkheden van duurzame energieopwekking langs de A9 verkend (zie katern Thematafels voor meer toelichting over het proces en de volledige uitwerking van het traject). Principes Door gebruik te maken van
die met zonne-en/of windenergie kunnen worden gecombineerd. Naast de ruimte binnen de knoop kan het voor een aantal knooppunten, vanuit het principe van ‘clustering’, interessant zijn om ook naar de ruimte direct rond het knooppunt te kijken voor energieopweklocaties. Bij verzorgingsplaatsen zijn ook veel restruimtes te benutten en bestaat tevens de mogelijkheid om parkeren te overkappen met zonnepanelen.
overkoepelende ruimtelijke principes bij de concretisering, kunnen de landschappelijke kwaliteiten worden behouden en/of bevorderd. Wanneer de inpassing van zonne- en/of windenergie op een consistente en eenduidige manier gebeurt, kunnen hiermee de identiteit en samenhang van de A9-zone worden versterkt. Uit de verschillende werksessies is een aantal kansrijke principes naar voren gekomen: •
Benutten van restruimtes: knooppunten en verzorgingsplaatsen. Op en rondom knooppunten zijn veel kleinere en grotere restruimtes te vinden
•
RES 1.0
en -wallen. Deze zijn goed te combineren met het opwekken van zonne-energie. Op deze locaties kan eventueel ook de berm van de A9 worden benut. •
Multifunctionele stedelijke randen. Ook bij de stedelijke randen langs de A9 liggen kansen om zonne-energie in te passen, bijvoorbeeld gecombineerd met het verbeteren van natuur- of recreatiewaarden.
Benutten van geluidsschermen en -wallen. Langs de A9 ligt een aantal geluids-schermen
Noord-Holland Noord
24
Samenhang met omliggende RES-regio’s De energietransitie vraagt om een integrale benadering en om een passende weging van belangen. Dat is nog van groter belang in gebieden die qua ruimtelijke kwaliteit uniek en kwetsbaar zijn. In die gebieden lopen veel ontwikkelingen gelijktijdig. Zonder passende afstemming kan dit tot onsamenhangende keuzes leiden. Dit geldt ook voor gebieden die RES-regio-overstijgend zijn, zoals het IJsselmeergebied dat zich over meerdere RES-regio’s uitstrekt. RES-regio's hebben een verantwoordelijkheid om keuzes die regiooverstijgende effecten kunnen hebben, af te stemmen met omliggende RES-regio's. Zowel in provinciaal beleid als in rijksbeleid (de Nationale Omgevingsvisie) wordt het belang van dit soort gebieden benadrukt. Voor dit soort regio-overstijgende gebieden wordt in samenwerking met de relevante overheidspartijen zoals het ministerie van Buitenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Rijkswaterstaat gewerkt aan gedeelde uitgangspunten voor hernieuwbare energieopwekking.
Advies jongeren:
“Creatief naar een nieuw normaal” We moeten niet in het verleden blijven hangen, maar een balans zoeken tussen ‘polderen’ en het halen van de klimaatdoelstellingen. De inpassing van duurzame energie kan creatiever om draagvlak te vergroten, zonder dat hierbij de doelgericht-heid uit het oog moet worden verloren. Jongeren kijken vooral naar meervoudig ruimtegebruik en het combineren van functies. Voor de inpassing van zonne-energie in het landschap moet op een planmatige manier gewerkt worden aan het versterken van de biodiversiteit. Daarnaast moet er ruimte zijn voor innovatieve manieren van inpassing, zoals drijvende zonnevelden. Om de inpasbaarheid van windenergie te vergroten moet zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van locaties waar al sprake is van geluidshinder en ‘horizonvervuiling’. Je moet duurzame opwek overal tegenkomen. Ook op onverwachte plekken en in verrassende vormen.
RES 1.0
Noord-Holland Noord
25
RES 1.0
Noord-Holland Noord
26
Systeemefficiëntie is daarom een van de aspecten van het afwegingskader. Uit de netimpactanalyse bij de RES blijkt dat het elektriciteitsnet nog efficiënter kan worden gebruikt. Hoe slimmer we met het elektriciteitsnet omgaan, hoe minder gevolgen er zijn voor de schaarse ruimte, doorlooptijden en maatschappelijke kosten. Dit beïnvloedt ook het draagvlak en maakt de RES haalbaar en betaalbaar voor de regio.
Kw a
Afwegingskader
ui
k
p ha d t s c ij k M a a u u rl b est
p r a e lij k ag & vla k
br
De opgave voor het elektriciteitsnet als gevolg van het Klimaatakkoord is groot: in tien jaar moet meer werk gerealiseerd worden dan in de afgelopen veertig jaar.
Sys te e
it ite t n
ntie cië effi m
2.5 Energieinfrastructuur
R ui
e mt
ge
Wat is een netimpactanalyse? Een robuuste energie-infrastructuur is randvoorwaardelijk voor een toekomstbestendige regio en dus ook voor het realiseren van de ambities in de RES en het Klimaatakkoord. Immers, als energie opgewekt is, moet deze via de energieinfrastructuur naar de verbruikers toe. De netbeheerder bekijkt in hoeverre de ambitie
RES 1.0
voor duurzame opwek past op de huidige energie-infrastructuur en doet aanbevelingen voor manieren waarop de ambitie van de regio voor 2030 aangesloten kan worden. In deze paragraaf staan de belangrijkste uitgangspunten, de stand van zaken en de bevindingen van de netimpactanalyse van netbeheerder Liander voor de energieregio Noord-Holland Noord (zie bijlage 3, Netimpactanalyse Liander, voor de volledige analyse).
Ontwerpprincipes om het bestaande elektriciteitsnet zo slim en efficiënt mogelijk te gebruiken De transitie van fossiele brandstoffen naar duurzame energie betekent dat het elektriciteitsnet moet worden verzwaard en uitgebreid. Dat is een gigantische operatie met grote maatschappelijke impact. Een operatie die bovendien veel tijd, geld en mankracht kost. Het is onmogelijk om alle aanpassingen tegelijkertijd te doen. Om de doelstellingen voor 2030 te kunnen halen, is het belangrijk om zo efficiënt mogelijk te werk te gaan. Door het bestaande elektriciteitsnet slim te gebruiken, zijn er minder kabels, uitbreidingen en nieuwe transformatorstations nodig. Dit scheelt tijd, hectares aan schaarse ruimte en miljoenen aan (maatschappelijke)
De netimpactanalyse van de RES 1.0 is een momentopname. Liander heeft gerekend met de maximale opwekpotentie van de zoekgebieden (p.4 van de netimpactanalyse), zoals deze in februari 2021 bekend waren. De ambitie van de regio is lager dan de maximale potentie. De bevindingen en aanbevelingen van de netimpactanalyse blijven echter van belang.
Noord-Holland Noord
27
kosten die we anders terugzien op onze energierekening. Dat kan helpen om draagvlak te krijgen voor gebieden waar nu al windof zonne-energie aangesloten kan worden. Zo blijft de energietransitie haalbaar, betaalbaar en toekomstbestendig. Om tot een efficiënte energietransitie te komen, adviseert Liander de volgende vijf ontwerpprincipes voor de energie-infrastructuur: 1.
Benut de bestaande energie- infrastructuur optimaal. Sluit nieuwe projecten voor het opwekken van energie aan op plekken waar nu ruimte op het net is.
2. Combineer opwek en verbruik. Plaats projecten voor het opwekken van energie in de buurt van plekken waar veel energie nodig is. Zo minimaliseren we het energietransport over lange afstanden. 3. Zorg voor een constante productie van energie. Combineer zon en wind in een 50/50-vermogensverdeling, omdat zon en wind verschillende opwekpieken hebben. 4. Cluster projecten voor duurzame opwek. Zet in op grootschalige projecten. Het is makkelijker om eenmalig aanpassingen te doen in een groot gebied, dan meerdere aanpassingen in kleinere gebieden.
5. Gebruik slimme technische oplossingen, zoals cable pooling (zon en wind combineren op één aansluiting) en curtailment (beperken van de opwekpiek). Zie bijlage Netimpactanalyse (p.66-67) voor meer uitleg en de handreiking Slimme energiecombinaties in de regio.
Wat is de huidige situatie van het elektriciteitsnet? In Noord-Holland Noord groeit de vraag naar energie door elektrische mobiliteit en energieintensieve sectoren, zoals de glastuinbouw en datacenters. Bovendien worden op sommige plekken veel nieuwe woningen gebouwd. Ook wordt er veel energie opgewekt, onder meer in zonneparken. In de Wieringermeer staat bovendien het grootste Nederlandse windmolenpark op land, met 99 windturbines. Het elektriciteitsnet raakt op steeds meer plekken vol. In dunbevolkte gebieden was tot voor kort relatief weinig vraag naar stroom en vermogen om energie terug te leveren. Daarom zijn de kabels van oudsher lang en dun. Maar in deze gebieden wordt tegenwoordig juist veel duurzame energie opgewekt. Daardoor groeit de vraag naar vermogen op deze netten, terwijl de capaciteit daarvoor vaak niet toereikend is.
RES 1.0
Liander werkt hard aan het versterken van de energie-infrastructuur. Maar het tempo waarin nu zonneweides en zonnepanelen op daken worden gerealiseerd, kan de netbeheerder niet bijhouden. Tijdige afstemming en samenwerking met de netbeheerder is essentieel. Daarom is netbeheerder Liander nauw betrokken bij de RES Noord-Holland Noord. Een actueel overzicht van beschikbare transportcapaciteit voor het afnemen en terugleveren van elektriciteit is te vinden op de website van Liander.
“Zijn we deze avond niet te veel luchtkastelen aan het bouwen, als we niet zeker weten of de infrastructuur het wel aankan?” Deelnemer lokale bijeenkomst Medemblik
Noord-Holland Noord
28
Centrale energieproductie
Centrale en decentrale energieproductie
RES 1.0
Een veranderend energiesysteem Van eenrichtingsverkeer (van grote elektriciteitscentrales naar gebruikers) naar tweerichtingsverkeer, waarbij op verschillende netvlakken duurzame energie wordt ingevoed. Het elektriciteitsnet is hier nog onvoldoende op aangepast, waardoor knelpunten ontstaan. Zo kan het voorkomen dat de kabel in de straat onvoldoende capaciteit heeft voor teruglevering door zon op dak terwijl een windpark in dezelfde gemeente wel kan worden aangesloten omdat er beschikbare capaciteit op het transformatorstation is.
Noord-Holland Noord
29
Impact van de Regionale Energiestrategie 1.0
Impact op stationsniveau op basis van de RES 1.0
In de RES 1.0 ligt de focus met name op zonne-energie – zowel zonneweides als zon op dak – en heeft windenergie een kleiner aandeel. Het algemene beeld is dat dit een ongunstige ontwikkeling is voor de energieinfrastructuur, want juist een een-op-een verhouding tussen het vermogen van zon en wind is optimaal voor de belasting van het elektriciteitsnet. De analyse van netbeheerder Liander met betrekking tot de impact van de Regionale Energiestrategie 1.0 van NoordHolland Noord op het elektriciteitsnet (zie bijlage 3) bevestigt dit beeld. Uit deze analyse blijkt dat in de gebieden waar de regio stroom wil opwekken, de capaciteit op veel plekken niet toereikend is.
Stations met capaciteitsoverschrijding Stations met capaciteit beschikbaar
Dit zijn de belangrijkste bevindingen uit de netimpactanalyse: • Op dit moment raken al steeds meer stations overbelast, ondanks het feit dat er hard gebouwd wordt aan uitbreiding van energie-infrastructuur, bijvoorbeeld door de recente bouw van de transformatorstations De Weel en Middenmeer. Kijkend naar de huidige energie-infrastructuur en de opwekpotentie in de RES 1.0, dan is de verwachting dat:
RES 1.0
Noord-Holland Noord
30
- Zestien transformatorstations vóór 2030 de maximale capaciteit hebben bereikt. - Tien transformatorstations voldoende capaciteit hebben tot 2030 om duurzaam opgewekte energie te leveren aan het elektriciteitsnet. •
•
In de RES 1.0 is een groot zoekgebied in de Wieringerhoek (IJsselmeer) met zonneatollen. De opwekpotentie van dit zoekgebied is dermate groot dat de verwachting is dat dit rechtstreeks wordt aangesloten op de landelijke netbeheerder van de hoogspanning, TenneT. Dit zoekgebied is dan ook niet meegenomen in de analyse door Liander, de regionale netbeheerder. TenneT geeft echter wel op pagina 30-31 van de Netimpactanalyse een toelichting met betrekking tot de mogelijkheden voor aansluiting op het hoogspanningsnet. De grootschalige opwek van zonneenergie is voor alle deelregio’s de belangrijkste oorzaak voor het bereiken van de maximale capaciteit op de transformatorstations. Zon op dak brengt daarnaast grote uitdagingen met zich mee in de lokale netten. De versnippering
van zon op dak zorgt over de hele deelregio voor een grote uitdaging in de maakbaarheid van de RES. De piekbelasting van zon op dak zorgt ervoor dat Liander veelal lagergelegen netdelen (transformatorstations, kabels) moet verzwaren. Dit is een enorme opgave, omdat daarvoor veel straten opengebroken moeten worden. Deze werkzaamheden kennen vaak lange doorlooptijden, brengen hoge maatschappelijke kosten en mogelijke overlast met zich mee. Zonder coördinatie heeft dit grote impact op de omgeving en invloed op de haalbaarheid naar 2030. •
Elektrische mobiliteit vraagt in alle deelregio’s veel energie; de sterke groei draagt bij aan de overbelasting van het elektriciteitsnet. Hier ligt wel een kans om het elektriciteitsnet te ontlasten door overdag elektrisch te laden wanneer de zon het hardst schijnt. Alleen met directe koppeling van vraag en aanbod haal je druk van het net af.
•
Om de opwekpotentie van de RES 1.0 aan te kunnen sluiten, moet Liander de bestaande overbelaste transformatorstations uitbreiden en nieuwe stations realiseren. Dit betekent vier nieuwe en
RES 1.0
twaalf uit te breiden stations. In kosten, ruimte en tijd betekent dit globaal:
Alleen al in 2020 investeerde Liander ruim 250 miljoen euro in de regio Noord-Holland en sloot het gemiddeld zo’n 720 zonneinstallaties per week aan (een groei van 30 procent!). Dus het gaat sneller én er is veel mogelijk. Toch blijft het een grote uitdaging om alle zoekgebieden in de RES 1.0 voor 2030 aan te sluiten. Liander verwacht 50 procent van de benodigde uitbreidingen en nieuwe transformatorstations voor 2030 te kunnen realiseren. Het gaat dan om drie nieuwe stations en vijf uitbreidingen die gaan helpen om een groot deel van de RES-zoekgebieden aan te sluiten. Deze transformatorstations zijn opgenomen in de investeringslijn van Liander tot 2030 en worden reeds verkend of voorbereid. De netbeheerder kijkt voor nieuwe stationslocaties ook verder vooruit dan 2030 in haar netvisie tot 2050. Daaruit blijkt dat bijna de totale omvang van de RES-potentie in te passen is in het net van de toekomst. Daarvoor moet nog veel gebeuren en is regionale
Noord-Holland Noord
31
samenwerking noodzakelijk. Bovendien heeft Liander voldoende zekerheid en concreetheid in de RES-plannen nodig om investeringen te kunnen verantwoorden, en te zorgen voor een tijdige realisatie. Daarom is het van belang om, naast uitbreidingen van de energieinfrastructuur, ook in te zetten op slim gebruik van deze infrastructuur.
Wat gaat de energieregio doen? De omvangrijke investeringen in de energie-infrastructuur worden uiteindelijk door de inwoners en bedrijven betaald. Bovendien heeft deze infrastructuur zowel boven- als ondergronds een aanzienlijke ruimtelijke impact en kent de aanleg vaak lange doorlooptijden. Daarom is het, naast de noodzakelijke uitbreidingen van deze infrastructuur, belangrijk dat de regio inzet op slim gebruik hiervan. Op deze wijze zijn er minder kabels, uitbreidingen en nieuwe transformatorstations nodig, en draagt systeemefficiëntie bij aan een haalbare, betaalbare en toekomstbestendige RES. 1.
We maken systeemefficiënte keuzes. Dat scheelt tijd, geld en ruimte, zonder dat concessies in de ambitie nodig zijn. Door bijvoorbeeld het opwekpotentieel in een aantal zoekgebieden minimaal
te verlagen, vallen deze zoekgebieden wel binnen de huidig beschikbare transportcapaciteit. Of door zon en wind te combineren op één aansluiting kan er meer opwek worden aangesloten op datzelfde transformatorstation met alleen zon. Op deze manier kan de ambitie gehaald worden zonder een aantal stations uit te breiden of nieuw te bouwen. De tijden ruimtewinst die hiermee worden behaald, helpen te versnellen op andere (opwek)locaties.
3. We concretiseren zoekgebieden verder in een gezamenlijk regionaal uitvoeringsprogramma. Zo kan per zoekgebied worden vastgesteld wanneer de grootschalige opwek in het gebied kan worden aangesloten en wat de tijdslijnen daaraan vooraf zijn. Dit vergroot de haalbaarheid van de RES-doelstellingen.
2. We willen het zon-op-dakpotentieel coördineren. Voor zon op dak is veel draagvlak, maar dit potentieel brengt enorme uitdagingen voor het elektriciteitsnet met zich mee. Begin eerst op daken die geclusterd liggen of waar een hoog constant verbruik van energie is. Dit zorgt voor minder uitbreidingen van kabels en minder transport van energie doordat de opgewekte energie tegelijkertijd verbruikt wordt op deze locaties. Bedrijventerreinen zijn hiervoor, vanuit slim gebruik van het elektriciteitsnet, in de regel een goed startpunt. Ook het lokaal samenwerken aan (innovatieve) oplossingen om slimmer om te gaan met het huidige elektriciteitsnet, kan hier deel van uitmaken.
RES 1.0
Noord-Holland Noord
32
RES 1.0
Noord-Holland Noord
33
2.6 Effecten Door de verschillende maatschappelijke en financiële effecten van energieprojecten in beeld te brengen, wordt het makkelijker om alternatieven of varianten te vergelijken. Het in beeld brengen van de effecten is geen doel op zich, maar kan helpen bij de verdere besluitvorming over de zoekgebieden.
Effectbepaling tot de RES 1.0
Zie voor meer details het katern RES 1.0 en MER en milieueffecten.
Zie ook document expertsessies.
In het traject tot de RES 1.0 heeft NoordHolland Noord al op verschillende manieren aandacht besteed aan de effecten. Er is onderzoek gedaan naar de effecten en de beoordeling van de effecten (directe economische effecten, indirecte economische effecten, kosten en exploitatie, effecten op natuur, landschap, ruimtegebruik en hinder en energieopwekking en -gebruik). Dit was een algemeen onderzoek, niet gericht op specifieke locaties. Vervolgens zijn de effecten
op natuur, landschap, ruimtegebruik, kosten en opbrengsten van verschillende scenario’s in beeld gebracht. Dit hielp bij het vergelijken van de scenario’s en het komen tot de zoekgebieden. Daarnaast is in de conceptRES een beoordeling op hoofdlijnen van de effecten op natuur en landschap gemaakt op het niveau van de RES-regio. Voor de kosten en opbrengsten zijn in de concept-RES de aandachtspunten in beeld gebracht op het niveau van de RES-regio. Deze effectbeoordelingen sluiten aan bij het abstractieniveau van de conceptRES en de RES 1.0. Detailonderzoeken naar leefbaarheidseffecten zoals geluid, zicht, slagschaduw en ecologische veldonderzoeken, zijn nog geen onderdeel van de RES 1.0. Dergelijke onderzoeken zijn pas zinvol op lokale schaal, omdat deze afhangen van de precieze locatie en van de concrete scope van het project (zoals omvang, type windturbine, wijze van aanleg enz.). Deze onderzoeken zullen dan ook pas plaatsvinden in het kader van bijvoorbeeld het nader uitwerken van het zoekgebied, het opstellen van het omgevingsplan of in het kader van de omgevingsvergunning. Ook voor de effecten op de netinfrastructuur zijn al de nodige onderzoeken uitgevoerd. Liander heeft zowel voor de concept-RES
RES 1.0
als voor de RES 1.0 een netimpactanalyse uitgevoerd, waarin de netbeheerder inzicht geeft in de effecten op kosten en ruimtegebruik van de benodigde netinfrastructuur. Daarnaast hebben de provincies Noord-Holland en Flevoland onderzoek laten uitvoeren naar de werkgelegenheidseffecten in Noord-Holland.
“Behoud van Nederland is belangrijker dan Nederland precies houden zoals het nu is.”
Zie Onderzoek naar de werkgelegenheidseffecten van de energietransitie in Noord-Holland en Flevoland.
Leerling van het Saenredam College in Zaandijk
In aanloop naar de RES 1.0 is een aantal zoekgebieden verder onderzocht. Daarbij zijn voor enkele zoekgebieden ruimtelijke impactstudies natuur en landschap opgesteld. Waar mogelijk zijn de uitkomsten verwerkt in de gebiedspaspoorten.
Zie RES-viewer
Noord-Holland Noord
34
Verschil tussen de concept-RES en de RES 1.0: wat valt op voor de effecten natuur en landschap, en kosten en opbrengsten? Natuur en landschap Op het schaalniveau van de regio is iets te zeggen over de gewijzigde effecten op natuur en landschap. Ten opzichte van de concept-RES zijn in Noord-Holland Noord enkele zoeklocaties voor windenergie afgevallen, zoals op Texel, in het IJsselmeer, aan de Hondsbossche Zeewering en nabij Uitgeest en het Alkmaardermeer. Het afvallen van de zoeklocaties voor wind aan de kusten voorkomt negatieve effecten op natuur, zoals voor de hierdoorheen lopende migratieroutes van vogels en vleermuizen. Het afvallen van de zoeklocatie voor windenergie op het IJsselmeer voorkomt de aantasting van openheid. Het afvallen van de windlocaties bij Uitgeest en het Alkmaardermeer voorkomt aantasting van verschillende landschappelijke en cultuurhistorische waarden, zoals UNESCOgebied, weidevogelkerngebied, een provinciaal monument en een aardkundig monument. Kosten en opbrengsten De kosten en opbrengsten zijn sterk afhankelijk van de locatie en exacte uitwerking. Op het
schaalniveau van de regio is het mogelijk iets te zeggen over de gewijzigde effecten op de kosten. Het toevoegen van de grootschalige zonneatollen op het IJsselmeer in het zoekgebied is een keuze voor een kostenefficiënte inpassing van duurzame energieopwekking. Door de schaal van deze energieopwekking zouden de zonneatollen aangesloten moeten worden met een hoogspanningsaansluiting. Dit is kostenefficiënter dan plannen van dezelfde omvang op middenspanning aan te sluiten. In regio Alkmaar is bij de concretisering van de zoekgebieden rekening gehouden met de energie-infrastructuur. In de aanpak is de kostenefficiëntie beschouwd en dit heeft een positief effect op het efficiënt gebruik (lagere kosten) van de energie-infrastructuur. Voor de overige zoekgebieden zullen de kosten en opbrengsten richting de RES 2.0 en verder nog in beeld gebracht moeten worden. Zoekgebieden met relatief hoge kosten worden niet op voorhand uitgesloten hoewel dit de uitvoerbaarheid zal verkleinen. De keuzes hierin moeten op basis van een brede belangenafweging worden gemaakt. De netbeheerder heeft in de netimpactanalyse aanbevelingen gedaan om kosten, tijd en ruimte te besparen.
RES 1.0
In het kader hiernaast is aangegeven wat de wijzigingen ten opzichte van de concept-RES betekenen voor de effecten op het gebied van natuur, landschap, kosten en opbrengsten.
Effectbepaling na de RES 1.0 Met de verdere concretisering van de zoekgebieden in de komende jaren richting RES 2.0 en de borging in omgevingsbeleid, zullen de maatschappelijke en financiële effecten en de effecten op de energieinfrastructuur, voor zover mogelijk en nodig, verder in beeld worden gebracht. Gemeenten kunnen voor deze beleidsafwegingen gebruikmaken van verschillende afwegingsmethoden. Belangrijke vragen daarbij zijn hoe en wanneer belanghebbenden worden betrokken en welke effecten van belang zijn. Zo zet de effectenmatrix de effecten alleen op een rij, worden in een multicriteria-analyse effecten ten opzichte van elkaar gewogen, geeft een businesscase inzicht in de financiële gegevens en leidt een maatschappelijke kosten-batenanalyse tot inzicht in maatschappelijk rendement. Om de besluitvorming zo zorgvuldig mogelijk te laten plaatsvinden, zullen gemeenten moeten bepalen of, en zo ja welke afwegingsmethode ze het best kunnen toepassen tijdens de verschillende momenten van besluitvorming.
Noord-Holland Noord
35
Gezondheidsaspecten en de RES De RES is de uitwerking van een deel van de in het nationaal Klimaatakkoord gemaakte afspraken met als doelstelling de uitstoot van broeikasgassen substantieel te verlagen. De energietransitie, het stap voor stap overgaan van fossiele brandstoffen naar duurzame opwek van energie, zorgt hiermee ook voor een schonere en duurzamere leefomgeving. Zo wordt met het vervangen van bijvoorbeeld kolencentrales niet alleen CO2-uitstoot gereduceerd, maar ook de hoeveelheid stikstofdioxine, zwaveloxide en kwik. Het middel mag niet erger zijn dan de kwaal. Het opwekken van duurzame energie met zonneweides en windturbines, het verwarmen en koelen van gebouwen door het gebruik van warmte en koude uit oppervlaktewater, afvalwater of drinkwater, mogen ons niet voor nieuwe gezondheidsrisico’s stellen. Daarom is hier bij het opstellen van de RES rekening mee gehouden. Dit geldt in het bijzonder voor de hinder en geluidsoverlast van windturbines. De hoeveelheid geluid die een windturbine produceert is afhankelijk van de windsnelheid, het bouwjaar en de hoogte van de turbine. Nieuwe windturbines produceren minder geluid. Hogere turbines draaien langzamer en maken daardoor minder geluid. In de wet staat dat het geluid van een windturbine gemiddeld per jaar niet meer dan 47 decibel mag zijn, gemeten op de gevel van een woonhuis.
’s Nachts mag dit niet meer dan gemiddeld 41 decibel zijn. Ter vergelijking: het geluidsniveau van een gesprek is 60 decibel,
dat van een drukke verkeersweg op 100 meter afstand is 80 decibel en van een opstijgend vliegtuig op 200 meter hoogte 100 decibel (zie ook het informatieblad van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland). Voordat een vergunning voor een windturbine kan worden afgegeven, is het verplicht een onderzoek uit te voeren naar de geluidscontouren. In een vergunning kunnen voorwaarden worden gesteld aan de mate van hinder en kunnen maatregelen opgenomen worden om de hinder binnen bepaalde normen te houden. Hierbij mag het bevoegd gezag strengere normen hanteren dan wettelijk vastgesteld. Veel mensen maken zich hierbij zorgen over het zogenoemde laagfrequent geluid (lage tonen) van windturbines. Bij het opstellen van de RES wordt steeds weer gebruikgemaakt van de meest actuele inzichten. Op dit moment zijn dit vooral de studies uitgevoerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In Nederland accepteren we een bepaalde mate van hinder. Dat geldt voor bijna alles wat in de openbare ruimte wordt gedaan. Denk bijvoorbeeld aan de bouw van wegen en het bijkomende lawaai van wegverkeer. Via milieuwetgeving zijn normen gesteld aan de hoeveelheid geluid die windturbines mogen veroorzaken. Hiervoor wordt voor windturbines gebruikgemaakt van de in de Activiteitenregeling milieubeheer beschreven reken- en meetvoorschriften.
RES 1.0
“We willen zoveel mogelijk duurzame energieopwek, maar we hebben ook de rol van bewaker van de kwaliteit van natuur en landschap. Toch staan de belangen niet haaks op elkaar” Sijas Akkerman, directeur Natuur- en Milieufederatie Noord-Holland (bron: website Energieregio NHN)
Noord-Holland Noord
36
RES 1.0
Noord-Holland Noord
37
3
Regionale Structuur Warmte RES 1.0
Noord-Holland Noord
38
Het deel van de RES dat over warmte gaat, heet de Regionale Structuur Warmte (RSW). Elke energieregio maakt een RSW. De RSW beschrijft hoe de beschikbare warmtebronnen en de warmtevraag in de regio op een logische, efficiënte en betaalbare wijze aan elkaar kunnen worden gekoppeld en welke consequenties dit heeft voor het aanleggen van warmtenetten. In de RES gaat het vooral over bovengemeentelijke warmtebronnen: grotere warmtebronnen die relevant kunnen zijn voor het invullen van de warmtevraag in meerdere gemeenten. Parallel aan het RES-traject ontwikkelen gemeenten een zogeheten Transitievisie
Warmte (TVW). In de TVW wordt op buurtniveau inzicht gegeven in de best passende warmtetechnieken (warmtenetten, of bijvoorbeeld het gebruik van warmtepompen) en wordt nagedacht over de volgorde van het aardgasvrij maken van buurten. De TVW’s zijn een verantwoordelijkheid van de gemeenten, niet van de RES-regio’s. De RES maakt geen keuze in welk type warmtevoorziening waar wordt toegepast, dat doen de gemeenten in hun TVW. De RSW levert inzichten op over de beschikbare bovengemeentelijke warmtebronnen die meegenomen kunnen worden in de TVW. Andersom vormen de TVW’s en de bijbehorende uitvoeringsplannen input voor de Regionale Structuur Warmte. Deze wisselwerking is dus een iteratief proces (zie figuur).
RSW / RES Iteratieslag
Iteratieslag
TVW Gemeente 1
TVW Gemeente 2
TVW Gemeente 3
TVW Gemeente 4
TVW Gemeente 5
De eenheid die voor warmte-energie wordt gebuikt is joule. In de RES wordt met name gesproken over energie uit elektriciteit, waarbij de eenheid wattuur wordt gebruikt. Deze getallen zijn eenvoudig naar elkaar om te rekenen: 1 TWh komt overeen met 3,6 PJ.
In deze RSW wordt inzicht gegeven in de warmtevraag, het aanbod van warmtebronnen en de (regionale) warmte-infrastructuur. Ook worden de context en regionale samenwerking beschreven. De focus ligt daarmee op kansen voor (grootschalige) warmtenetten. Lokaal worden de kansen voor overige technieken (warmtepompen en lokale warmtenetten) in de TVW in beeld gebracht.
RES 1.0
Noord-Holland Noord
39
3.1 Warmtevraag
Gegevens hierover zijn opgehaald vanuit de analysekaarten van het NP RES. Voor landbouw en industrie is gebruikgemaakt van gegevens van de systeemstudie Noord-Holland.
Met warmtevraag wordt bedoeld: de vraag naar warmte voor ruimteverwarming en warm tapwater. Deze vraag komt vanuit woningen en gebouwen, landbouw (met name glastuinbouw) en de industrie. Er is vooral veel bekend over de huidige verwarmingsvraag van woningen en gebouwen in de energieregio. Deze hebben ook de grootste vraag naar warmte. Het bedrijfsleven en industrie hebben daarnaast nog een warmtevraag voor de bedrijfsprocessen. Daar gaat de RSW niet over.
Woningen en gebouwen De warmtevraag valt uiteen in een vraag voor woningen en een vraag voor andere gebouwen: kantoren, ziekenhuizen en scholen. De warmtevraag in Noord-Holland Noord wordt gedomineerd door woningen.
De totale warmtevraag voor woningen is ongeveer 10 PJ. De totale warmtevraag voor andere gebouwen is veel minder, namelijk circa 4 PJ (zie tabel op volgende pagina). De warmtevraag in de dienstverlening is het hoogst in de gemeente Alkmaar, gevolgd door Den Helder en Hoorn. De verdeling in de warmtevraag voor woningen en gebouwen in de regio is weergegeven in het kaartbeeld op de volgende pagina.
Landbouw De warmtevraag van de landbouw komt met name voort uit de glastuinbouw. De exacte warmtevraag van de landbouw is niet bekend. Indicatief ligt de warmtevraag ergens tussen de 0,7 en 6,5 PJ. De ligging van de glastuinbouwclusters zijn ook weergegeven in het kaartbeeld.
Industrie Ook de warmtevraag van de industrie in Noord-Holland Noord is niet volledig bekend. Dit komt doordat aardgas in de industrie niet enkel wordt ingezet voor ruimteverwarming, maar ook wordt gebruikt voor het aandrijven van processen. De totale vraag van de industrie naar zowel proces- als verwarmingsenergie komt neer op circa 2,5 tot 4,7 PJ.
RES 1.0
Effecten van besparing De getallen voor woningen en gebouwen gaan nog niet uit van de effecten van besparing. Wanneer woningen en gebouwen worden geïsoleerd, zal de warmtevraag dalen. Het energieverbruik gaat daarbij niet naar nul. Voorbeeld: de isolatie van een woning met een huidig energielabel E naar label B levert een energiebesparing op van circa 24 procent. De gemeenten in de energieregio werken actief aan het stimuleren van energiebesparing (zie hiervoor de katern Rollen, kader en instrumenten van overheden).
Bron: CE Delft.
Voor de glastuinbouwsector geldt dat de warmtevraag in grote mate afhankelijk is van de gebruikte teelttechnieken. Ook zijn nieuwe kasconcepten, zoals gesloten kas en gestapelde teelt, in ontwikkeling waardoor de warmtevraag nog kan dalen. Voor industrie worden de plannen voor verduurzaming en energiebesparing in de Cluster Energie Strategie (strategische weergave van de energie en infrabehoefte van grote industrieclusters) gemaakt.
Noord-Holland Noord
40
Woningequivalenten zijn een methode om de warmtevraag van kantoren en ander vastgoed (utiliteit) op te kunnen tellen bij die van woningen. Een woningequivalent is gelijk aan één woning of 130 m2 utiliteit. Buurten met een warmtevraag lager dan 2 WEQ/ha zijn niet ingekleurd op deze kaart.
Warmtevraag voor de woningen en gebouwen in Noord-Holland Noord, uitgedrukt in woningequivalenten .
Regio Alkmaar Kop van Noord-Holland Westfriesland
Woningen Warmtevraag 2017 (PJ) 4,8 2,6 2,9
Utiliteit Warmtevraag 2017 (PJ) 2,1 1,7 1,1
Totaal RES NHN
10,3
4,9
RES 1.0
Noord-Holland Noord
41
3.2 Aanbod van warmtebronnen Het warmtedataregister Noord-Holland biedt een geografisch overzicht van duurzame warmtebronnen en warmtenetten.
In deze paragraaf gaan we nader in op de beschikbare warmtebronnen in Energieregio Noord-Holland Noord. Hierbij is gekeken of bronnen bovengemeentelijk relevant zijn en hoe de potentie kan worden geduid. Onder andere wordt het aanbod van warmte uit restwarmte en omgevingswarmte (aquathermie en geothermie) besproken. Tot slot wordt kort ingegaan op de (nog beperkte) rol die hernieuwbaar gas als warmtebron voor de gebouwde omgeving kan spelen. Niet alle warmtebronnen zijn bovengemeentelijk relevant Niet alle warmtebronnen zijn relevant voor bovengemeentelijke warmtelevering. Het is economisch gezien interessant om
warmte over de gemeentegrenzen heen te transporteren wanneer de warmte een voldoende hoog temperatuurniveau heeft. Bronnen met een leveringstemperatuur van boven de 70°C zijn daarmee geschikt voor (regionaal) transport, maar het is economisch wel voordeliger om deze dicht bij de bron in te zetten. Voorbeelden zijn restwarmte en geothermie. Warmtebronnen met een lagere leveringstemperatuur (lager dan 70°C, maar vaak met temperaturen rond de 40°C) zijn minder geschikt als bron voor regionaal warmtetransport. Voorbeelden van lokale bronnen zijn aquathermie, zonthermie en
Theoretisch potentieel Technisch potentieel Praktisch potentieel
Inzetbare warmte
RES 1.0
lage temperatuur-restwarmte uit bijvoorbeeld datacenters. Daar waar veel van deze bronnen dicht bij elkaar liggen biedt dit wel kansen voor het aanleggen van een warmtenet op lage temperatuur. Zo’n net kan ook over de gemeentegrenzen heen uitgelegd worden. Potentiële warmtebron niet altijd bruikbaar De theoretische of technische potentie van warmtebronnen zegt vaak nog niet of deze warmte in de praktijk ingezet kan gaan worden (zie onderstaande figuur). Soms is er wel een warmtebron, maar geen nabijgelegen vraag. En zelfs als er vraag is, dan zal deze niet altijd
Theoretisch maximum hoeveelheid Houdt rekening met technische beperkingen Houdt rekening met de match tussen vraag en aanbod
Daadwerkelijk in te zetten warmte
Noord-Holland Noord
42
Restwarmtebronnen in Noord-Holland Noord
volledig kunnen worden ingezet. Dat hangt onder andere af van de maatschappelijke acceptatie voor de warmtebron en de vraag of er een verdienmodel kan worden gevonden zodat de warmte ook daadwerkelijk kan worden ontsloten. Deze concretere potenties zijn enkel te bepalen in lokale detailstudies. Deze RSW geeft dan ook enkel de bekende theoretische potentie van warmtebronnen. Het is daarmee niet zinvol om de warmtevraag uit de RSW een-op-een te vergelijken met de theoretische potenties. Wel laten deze potenties zien waar welke warmtebronnen aanwezig zijn en welke warmtebronnen een hoge, dan wel lage potentie hebben.
Restwarmte Restwarmte is warmte uit bedrijfs- en industrieprocessen, die nu naar de lucht wordt uitgestoten of in het water wordt geloosd. Energieregio Noord-Holland Noord heeft relatief weinig grote restwarmtebronnen. In Alkmaar is één grote restwarmtebron aanwezig, namelijk de afvalenergiecentrale van HVC. Verder ligt er in Anna Paulowna (gemeente Hollands Kroon) een mogelijk interessante bovengemeentelijk warmtebron vanuit een gascompressorstation van Gasunie.
RES 1.0
Noord-Holland Noord
43
Ook restwarmte uit datacenters is een potentiële warmtebron. Deze warmte heeft een lage temperatuur (30°C), maar de temperatuur kan eventueel met een warmtepomp nog worden opgehoogd. Op Agriport A7, in de gemeente Hollands Kroon, zijn verschillende datacenters gevestigd. Uit onderzoek blijkt de toepassing van restwarmte uit deze datacenters niet realistisch voor de gebouwde omgeving maar mogelijk wel voor de glastuinbouw. Deze mogelijkheid wordt door de gemeente Hollands Kroon, samen met de provincie Noord-Holland en de betrokken bedrijven nader verkend. Verder heeft de regio lagetemperatuur restwarmtebronnen uit koelprocessen van bedrijven (zie figuur Restwarmtebronnen in Noord-Holland Noord). Fabrieken, koel- en vrieshuizen, de ICT-sector en supermarkten gebruiken veel energie voor hun koelsystemen. Door het koelen wordt lucht of water (waarmee wordt gekoeld) warmer en zodoende ontstaat er een restwarmtebron. Dit is echter vaak een relatief kleine bron, die geen bovengemeentelijke meerwaarde heeft en ook niet kan dienen als hoofdwarmtebron voor een warmtenet. Echter, wanneer er veel van deze bronnen bij elkaar liggen, kunnen warmte en koude onderling lokaal worden uitgewisseld. Een mooi voorbeeld van
samenwerking en uitwisseling van warmte en koude is de Duurzame Ring Heerhugowaard. Op dit bedrijven-/industrieterrein is in potentie 25 GWh (90.000 GJ) per jaar aan industriële restwarmte op lage temperatuur beschikbaar, wat goed is voor levering van warmte aan zo’n 6000 woningequivalenten (WEQ’s) voor nieuwbouwwoningen.
Omgevingswarmte Omgevingswarmte is warmte uit de directe leefomgeving, zoals het water of de grond. De belangrijkste bronnen zijn aquathermie en geothermie. Strikt genomen is ook de lucht een bron van omgevingswarmte, maar hiervan is de potentie vooral relevant voor de inzet van elektrische warmtepompen. De locaties van de omgevingswarmtebronnen zijn weergegeven in het figuur op de volgende pagina. Vervolgens wordt ingegaan op de potentie van de verschillende bronnen.
Aquathermie Aquathermie, ofwel het benutten van warmte en koude uit water, kent drie typen: thermische energie uit oppervlaktewater (TEO), uit afvalwater (TEA) en uit drinkwater (TED). De temperaturen van aquathermie zijn laag, waardoor aquathermie een lokale warmtebron is.
RES 1.0
TEO, TEA en TED Bij thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) wordt warmte onttrokken uit diepe plassen of stromend water. Bij thermische energie uit afvalwater (TEA) wordt warmte uit rioolwater of uit de rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) gewonnen. Thermische energie uit drinkwater (TED) gebruikt de grotere watertransportleidingen en drinkwaterleidingen om warmte aan te onttrekken. Voor het inzetten van de warmte uit deze bronnen is veelal (warmte-koude)opslag nodig.
Energieregio Noord-Holland Noord wordt omringd door de zee, het IJsselmeer en het Markermeer. Langs de kusten in de regio is dan ook een grote theoretische potentie voor het winnen van thermische energie uit oppervlaktewater. Deze potentie kan niet overal worden benut, want aquathermie win je het liefst zeer dicht bij de gebouwen die je wilt verwarmen (maximaal enkele kilometers). Daarnaast moet voor het winnen van de warmte soms door zekeringen en dijken geboord worden. Het is dan ook nog maar de vraag of de theoretische potentie van deze wateren ook praktisch kan worden ingezet. Daarnaast liggen er kansen in de boezemwateren en kanalen van de polders.
Noord-Holland Noord
44
Ligging bestaande geothermiebronnen en de aanwezigheid van potentiële bronnen van omgevingswarmte in Noord-Holland Noord
Thermische energie uit afvalwater kan gewonnen worden bij enkele gemalen en rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s), en uit de rioolleidingen van en naar de RWZI’s. Er zijn gemalen in de hele regio en meerdere rioolwaterzuiveringsstations, zowel op het vasteland als op Texel. Hiervan hebben de RWZI’s bij Wervershoof (gemeente Medemblik) en Geestmerambacht (gemeente Langedijk) de hoogste technische potentie. Binnen de RES Noord-Holland Noord is al veel bekend over de warmtepotentie van aquathermie. Voor enkele gemeenten ontbreekt nog de gemeentelijke TEA-potentie, ofwel de potentie van de gemeentelijke riolen. In opdracht van de provincie Noord-Holland wordt deze potentie nader onderzocht. Dit onderzoek wordt medio 2021 opgeleverd. De data worden ontsloten via het online warmtebronnenregister Noord-Holland. De waterschappen van Noord-Holland onderzoeken de mogelijkheden van aquathermie en willen de regio helpen bij de inzet ervan. Er is een actieagenda opgesteld voor de ontwikkeling van aquathermie. Deze is opgenomen in de katern Thematafels. Tot slot kan ook uit de drinkwaterpersleidingen die door de regio lopen thermische energie worden gewonnen. De potentie van deze leidingen moet nader bepaald worden.
RES 1.0
Noord-Holland Noord
45
Technische potentie geothermie in Noord-Holland Noord
Actieagenda aquathermie In het kader van de RES 1.0 is er een thematafel Aquathermie opgericht. De thematafel Aquathermie heeft tot doel dilemma’s op te lossen, kansen te benutten en inspiratie op te doen waarmee de RES verrijkt kan worden. De thematafel Aquathermie heeft een actieagenda opgesteld waarin de meest prangende kwesties rondom de verdere ontwikkeling en realisatie van aquathermie zijn benoemd. Deze actieagenda is te vinden in de katern Thematafels. Het gaat hierbij om het nader bepalen van de potentie van verschillende bronnen van aquathermie, het ondersteunen van gemeenten met kennis en kunde over het inzetten van aquathermie, meer kennis opdoen, en duidelijkheid scheppen over de eisen en benodigde vergunningen voor aquathermieprojecten.
Geothermie Geothermie (ook aardwarmte genoemd) kan een geschikte warmtebron zijn om warmtenetten mee te voeden. Een geothermiebron is een flinke investering, een businesscase heeft daarom zo’n 4.000 tot 8.000 woningequivalenten op een warmtenet nodig voordat een installatie financieel haalbaar is. Ook moet de ondergrond geschikt zijn voor geothermie. Dit is afhankelijk van
RES 1.0
Noord-Holland Noord
46
de lokale eigenschappen van de aardlagen. De huidige bekende theoretische potentie is weergegeven in het figuur op de vorige pagina. Zoals te zien is op het kaartbeeld is de potentie van geothermie nog niet overal bekend. Pas na het uitvoeren van een proefboring is definitief vast te stellen of een geothermieproject kans van slagen heeft en dus ook daadwerkelijk inzetbaar is. In de gemeenten Hollands Kroon en Medemblik (Agriport A7, en Het Grootslag in Andijk) leveren geothermiebronnen op dit moment al warmte aan het kassengebied (zie figuur over omgevingswarmte en onderstaand kader). Er lopen onderzoeken om de geothermiebron bij de Agriport A7 ook in te zetten voor bedrijfspanden en woningen in Medemblik. Uit een verkenning is al gebleken dat inzetten van deze bron in de gemeente Hollands Kroon niet haalbaar is.
Hernieuwbaar gas Hernieuwbaar gas wordt onderverdeeld in de categorieën groen gas en waterstofgas. Deze gassen hebben een belangrijke rol in het energiesysteem omdat ze goed opgeslagen en over lange afstand getransporteerd kunnen
De Energie Combinatie Wieringermeer (ECW) zorgt op twee locaties in Noord-Holland Noord voor de realisatie en exploitatie van geothermie:
Agriport A7 – Door het installeren van drie geothermieprojecten wordt het energiegebruik op de Agriport A7 verduurzaamd. In plaats van aardgas kan nu de warmte die wordt gewonnen aan de hand van geothermie worden gebruikt voor de bedrijfsprocessen.
Het Grootslag – Het Grootslag is een glastuinbouwgebied van 150 tot 200 ha. In het gebied zijn twee geothermieprojecten gerealiseerd waar tien glastuinbouwbedrijven warmte van ontvangen. Het doel is om circa 50 procent van de warmte in het gebied duurzaam in te vullen.
worden en een hoge energiedichtheid hebben. Deze gassen zijn echter schaars. Het is dan ook belangrijk om deze gassen daar in te zetten waar zij de meeste (toegevoegde) waarde hebben. Dit is met name het geval in de industrie en het zwaar wegverkeer.
grootschalige beschikbaarheid zal zijn van waterstof en groen gas. Waterstof en groen gas zullen naar verwachting een sluitstuk zijn van de warmtetransitie; deze gassen zullen worden ingezet op die plekken waar andere technieken geen oplossing kunnen bieden. Wel kan er al geleerd worden door het uitvoeren van pilots en het opschalen van de productiecapaciteit. De regio Noord-Holland Noord werkt vanuit een innovatieprogramma aan het uitvoeren van (pilot)projecten met onder andere waterstof en groen gas. Meer informatie over de rol van waterstof in de regio vindt u in het katern Innovatie en in hoofdstuk 8.1 bij het thema Waterstof.
Kansen voor uitwisseling van warmte
Dit blijkt uit de
Energieregio Noord-Holland Noord heeft op dit moment een zeer beperkt aantal regiooverstijgende restwarmtebronnen. Lokaal wordt gekeken naar de uitwisseling van datacenterwarmte, maar de studies tot nu toe laten een beperkte inzetbaarheid zien. De potentie van geothermie kan mogelijk bovengemeentelijk worden ingezet. Hier lopen momenteel ook studies naar.
Visie waterstof en het Duurzaamheidskader biogrondstoffen van de Rijksoverheid, alsmede de Ladder voor inzet van waterstof van Natuur & Milieu.
Specifiek voor het verwarmen van gebouwen met groen gas en waterstof, geeft de Rijksoverheid aan dat er voor 2030 nog geen
RES 1.0
Noord-Holland Noord
47
Ligging bestaande warmtenetten in Noord-Holland Noord
3.3 Warmteinfrastructuur Om warmte van de ene naar de andere gemeente te transporteren is een warmteinfrastructuur nodig. Deze infrastructuur is kostbaar. Er zal dan ook altijd goed gekeken moeten worden of het economisch zinvol is om warmte via een warmteleiding naar een andere locatie te transporteren, of dat lokaal beter ingezet kan worden op andere warmtetechnieken.
RES 1.0
Noord-Holland Noord
48
Er is een regionaal warmtenet aanwezig in Alkmaar, Heerhugowaard en Broek op Langedijk (Langedijk). Dit warmtenet is op de kaart aangegeven. De bron voor dit warmtenet is de bio-energiecentrale van HVC. In Schagen, Medemblik, Heerhugowaard en Heiloo liggen enkele warmtenetten van Eteck. Het gaat hierbij om zeer kleine warmtenetten, bijvoorbeeld een gemeenschappelijke WKO voor de verwarming van een (aantal) appartementencomplex(en). Daarnaast liggen in de Agriport A7/Wieringermeer en Andijk warmtenetten die worden ingezet voor de verwarming van de glastuinbouw. Deze warmtenetten voor de glastuinbouw maken gebruik van geothermie. Momenteel worden deze netten niet ingezet voor de gebouwde omgeving.
RES 1.0
Noord-Holland Noord
49
Stand van zaken Transitievisies Warmte in Noord-Holland Noord
3.4 Visie op de warmtevoorziening De visie op de warmtevoorziening wordt vastgesteld in de lokale Transitievisies Warmte (TVW). Op het moment van schrijven hebben tien van de achttien gemeenten een Transitievisie Warmte vastgesteld (zie figuur). De overige gemeenten zijn hard bezig met het opstellen van hun Transitievisie Warmte. De gemeenten die nu al een TVW hebben vastgesteld gaan vooral eerst aan de slag in buurten waar een warmtenet een interessante optie lijkt. Dit is voornamelijk het geval in de grotere kernen, waar de benodigde schaalgrootte voor een warmtenet eerder in beeld komt. Het gaat in de regio NoordHolland Noord met name om warmtenetten
RES 1.0
Noord-Holland Noord
50
op lagere temperatuur, met een lokale warmtebron (zoals aquathermie en mogelijk zonthermie).
Holland Noord wordt regionaal bijgehouden en is in te zien via een webviewer.
In Heerhugowaard, Alkmaar, Langedijk en Heiloo wordt actief gekeken naar de mogelijkheden van het uitbreiden van het bestaande warmtenet van HVC. In Hoorn werkt men aan een nieuw warmtenet in de wijk Kersenboogerd voor 1.850 corporatiewoningen. Ook wordt onderzocht of het net in de toekomst uitgebreid kan worden naar omliggende wijken. Zo wordt op termijn voldoende schaal bereikt om geothermie als bron mogelijk te maken. Tot die tijd zet men in Hoorn in op kleinschaliger lokale warmtebronnen, zoals aquathermie, als alternatief indien opschaling naar geothermie niet mogelijk is. In Medemblik lopen onderzoeken om het warmtenet van Agriport A7 uit te breiden richting een aantal wijken in de kern Medemblik.
Coöperatieve warmte
Voor meer
Net als bij plannen voor hernieuwbare elektriciteit op land, bieden lokale initiatieven en een coöperatieve werkwijze kansen voor de warmtetransitie. Participatie in de wijkaanpakken van de TVW leidt tot betere plannen; inwoners kennen hun buurt en hun woning het best. Lokale initiatieven verhogen het draagvlak; koplopers mobiliseren de andere inwoners in de buurt. Lokale initiatieven kunnen worden gestimuleerd door uitgangspunten hiervoor op te nemen in de TVW. De wijze waarop dit wordt vastgelegd verschilt per gemeente. Op schaal van de energieregio kunnen kennis en ervaring worden uitgewisseld. De Vereniging van Energiecoöperaties en Initiatieven in NoordHolland (VEINH) kan daarbij ondersteuning bieden, zij heeft kennis over en ervaring met buurtwarmte .