CConstaterende datStede Broec
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage bij buitendijks plan Onderzoek-Deltares-Zonne-Atolle-Geven-Ruimte-Aan-Natuur-En-Duurzame-Energie

Gemeenteraad 17 juni 2021, gemeente Stede BroecBij agendapunt: Regionale Energiestrategie 1.0 Noord-Holland Noord14.353 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5

Aanbevelingen Deze studie is een verkenning naar de mogelijkheden om duurzame energie opwekking middels zonnepanelen te combineren met de doelen van het PAGW project Wieringerhoek. De conclusie van de verkenning is dat meervoudig ruimtegebruik inderdaad mogelijk lijkt. Beide doelen – natuur en duurzame energie - kunnen gecombineerd worden, gebruikmakend van dezelfde ruimte. Tijdens de verkenning zijn een aantal aandachtspunten naar voren zijn gekomen. De aandachtspunten zijn in dit hoofdstuk in de vorm van aanbevelingen voor een mogelijk vervolg geformuleerd. De aard van de aanbevelingen liggen op verschillende vlakken en zijn daarom in verschillende paragrafen ingedeeld. De eerste vijf paragrafen hebben een directe relatie met de uitgevoerde verkenning en geven aan wat er nog nodig is om meer duidelijkheid te krijgen over de relatie tussen ecologie en energie. De laatste drie paragrafen hebben een iets ander karakter, dit zijn aspecten die vooral voortkomen uit de inpassingen van een dergelijk PAGW project in het gebied. Er wordt in elke paragraaf een korte toelichting gegeven en de aanbeveling staat achter het pijltje.

5.1

Binnen de zonne-atollen De hier voorgestelde zonne-atollen zijn nog nergens ter wereld gebouwd en daarom ontbreken monitor data. De grote vraag is hoe de habitats binnen de atollen zich gaan ontwikkelen. Van maatregelen elders weten we dat bij verondiepingen en luwte in het IJsselmeer waterplanten zullen gaan groeien (zie paragraaf 3.2). Indien het sediment binnen de atollen sporen en zaden bevat verwachten we dat waterplanten op korte termijn op zullen komen. Indien zaden en sporen ontbreken kan de vestiging gestimuleerd worden door het aanbrengen van een toplaag met zaden en sporen van een locatie met planten. Hiermee is in andere projecten in het IJsselmeergebied ervaring opgedaan (o.a. Eemmeer, met sediment uit de Gouwzee; Noordhuis en Van Geest 2015). Het zo gecreëerde habitat binnen een atol is in potentie aantrekkelijk als schuilplek voor jonge en overwinterende vis. Twee vragen zijn dan nog te beantwoorden: i) kan de vis de locatie vinden? en ii) wordt de overwinterende vis vervolgens niet opgegeten door aalscholvers? ➢

Aanbevolen wordt om te beginnen met een pilot zonne-atol waar bovenstaande kennisvragen onderzocht kunnen worden. Bij een pilot speelt altijd het schaalprobleem, de pilot dient een dus danige omvang te hebben dat opschalen van de zonne-atollen mogelijk is. Voor onderzoek aan overwinterende vis is variatie in diepte binnen de atollen zinvol.

Gaat de vis de atol vinden? Vis is traditioneel en zwemt graag naar plekken die ze kennen. Tegelijkertijd blijkt uit onderzoek in het Markermeer dat nieuwe gebieden met waterplanten zoals achter ijsbrekerdammen langs de Houtribdijk (Noordhuis & van Schie 2007) en oeverzones rond nieuwe eilanden (lopend onderzoek WMR en NIOO bij Marker Wadden) veel jonge vis herbergen. Uit onderzoek met gezenderde vis (Markermeer) blijkt dat grotere vissen zeer mobiel zijn en grote afstanden af kunnen leggen. Dit laat zien dat nieuwe habitats wel bereikt kunnen worden. Volgens vis expert M. Klinge kan nieuw overwinteringshabitat mogelijk sneller bevolkt worden als het in de nabijheid van bestaande overwinteringslocaties ligt, zoals havens en diepe putten.

29 van 42

Zonne-atollen geven ruimte aan natuur en duurzame energie - een verkenning 11206083-002-ZWS-0004, 21 oktober 2020

Zijn de overwinterende vissen veilig in de atollen? Jonge vis zal tussen de waterplanten en kunstmatige structuren binnen de atollen in de zomer genoeg schuilgelegenheid en voedsel vinden. Voor overwinterende vis kan dat anders zijn, omdat de beschutting van de waterplanten dan is weggevallen. Een recente studie van WMR (De Leeuw & Van Donk in prep.) constateert een sterke ondervertegenwoordiging van grote vis in het IJsselmeer (t.o.v. het Markermeer). Deze constatering suggereert dat predatie naast afname van de voedselrijkdom van het meer een belangrijke oorzaak is. Door de toename van enerzijds de winterpredatie (toename van overwinterende aalscholvers) en anderzijds van de helderheid van het water voelt de vis zich mogelijk niet veilig meer en vertrekt naar omliggende wateren. Het aanbieden van nieuwe overwinteringslocaties kan de kansen voor vis verbeteren zolang ze zich niet te vaak hoeven te verplaatsen; vissen eten in de winter nauwelijks en hebben daardoor uiteindelijk weinig reserves. De ringdijken en de panelen bieden mogelijk aantrekkelijke rustplaatsen voor aalscholvers, van wie ook bekend is dat ze geen moeite hebben met het foerageren in kleine besloten wateren.

5.2

De ringdijken De ringdijken van de zonne-atollen dienen een zoveel mogelijk natuurlijk karakter te krijgen maar moeten ook stabiel zijn om de zonnepanelen te beschermen. Onze suggestie was om de ringdijken te verstevigen met een palendijk (Figuur 3.4) in plaats van stortstenen. Een palendijk heeft een natuurlijker karakter zoals de gereconstrueerde Zuiderzee palendijken op Schokland en langs het Eemmeer bij Spakenburg. Afhankelijk van uitvoering en beheer kunnen de ringdijken aantrekkelijk worden gemaakt als broed- en rustlocatie voor verschillende vogelsoorten. Dit kan gunstig zijn als het gaat om bepaalde Natura 2000 doelsoorten. ➢

5.3

In een pilot zonne-atol kunnen ook een aantal vragen rond de stabiliteit en robuustheid (levensduur) van de ringdijken worden beantwoord. De mogelijkheden om dit te combineren met broed- en rustlocaties voor vogels kan dan ook getest worden. In de pilot zal ook duidelijk worden hoeveel beheer (bv zandsuppletie) van de ringdijken nodig zal zijn.

Buiten de zonne-atollen Bij alle onderzoeksalternatieven en bij de zonne-energie variant van het PAGW project Wieringerhoek wordt uiteindelijk een diverse set van habitats aangelegd. De verwachting is dat het aanbod de biodiversiteit van het gebied zal stimuleren en bepaalde vis en vogelsoorten zal behouden. Hoe flora en fauna reageren op het aanbod is in grote lijnen redelijk voorspelbaar en te leren uit de gang van zaken in andere delen van het IJsselmeergebied. In de details is echter minder zekerheid. ➢

➢

30 van 42

Een algemene aanbeveling voor de uitvoering van PAGW projecten is om het samen te laten gaan met een adequaat monitoring programma van de natuurontwikkeling (zoals bij Marker Wadden of Trintelzand). Alleen dan is tijdige bijsturing mogelijk. Voor de aanleg van de habitats buiten de ringdijken is het zinvol om gefaseerd uit te voeren, waarbij ervaring wordt opgedaan met de stabiliteit en de ontwikkeling van de beoogde habitats en waarin ruimte is voor experimenten met verschillende materialen (bijv. substraat voor mosselen).

Zonne-atollen geven ruimte aan natuur en duurzame energie - een verkenning 11206083-002-ZWS-0004, 21 oktober 2020

Hoe reageren vogels? De zone tussen de Wieringermeerdijk en de atollen is ongeveer een kilometer breed en is ondiep met een vaargeul aan de oostzijde. Deze opbouw komt sterk overeen met delen van de Veluwerandmeren zoals de noordelijke helft van het Veluwemeer, het Drontermeer en het Vossemeer (Veluwerandmeren, Gouwzee; Van de Winden et al. 1997; Noordhuis 2010; Noordhuis et al. 2002). De ondieptes in deze meren zijn volledig begroeid met waterplanten en trekken elke winter tienduizenden watervogels aan die foerageren op de planten of de daarmee geassocieerde vissen en ongewervelden. De vogels concentreren zich in de grootste aantallen in de maanden vanaf september, en zijn dan gevoelig voor verstoring door bijvoorbeeld watersporten als kitesurfing, die in de wintermaanden worden beoefend. Combinatie van natuurfuncties met dergelijke vormen van recreatie vraagt dus om een efficiënte ruimtelijke zonering. Concentraties foeragerende en rustende vogels, die nu aanwezig zijn in de luwte van de Wieringermeerdijk, worden ook verwacht in de luwte aan de oostzijde van de atollen, zoals dat ook het geval is in de luwte van andere eilanden in het IJsselmeergebied (bv eilanden in het brede, zuidelijke deel van het Veluwemeer). Niet bij alle Natura 2000 vogelsoorten is bij voorbaat duidelijk of ze op het aanbod aan habitat en voedsel zullen reageren.

Een soort waarbij dat niet meteen duidelijk is, is de toppereend. De onzekerheid zit vooral in het feit dat de mosselen waarop ze foerageerden in de periode waarop het instandhoudingsdoel is gebaseerd, in kwaliteit achteruit zijn gegaan (slechtere groei, minder vleesinhoud; Noordhuis 2010, Noordhuis et al. 2014). Ook is de driehoeksmossel van toen grotendeels vervangen door de quaggamossel, die enigszins verschilt in eigenschappen. Andere doelsoorten zoals kuif- en tafeleend hebben dat deels kunnen compenseren door over te stappen op andere prooien zoals vlokreeftjes en slakjes die tussen de planten leven (Van Rijn et al. 2012), maar de toppereend arriveert pas in december, als de planten al weg zijn.

5.4

Helofytenmoeras en overstromingsgrasland Over de aanleg van deze habitats in combinatie met seizoensgebonden peil binnen afgescheiden compartimenten is enig pionierwerk verricht (Koopmanspolder; o.a. Van Ek 2016; Van Emmerik & de Laak 2017), maar er zijn nog veel vragen. Die vragen betreffen de invloed van verschillende regimes in peil (en overig beheer) op de duurzaamheid van de beoogde vegetaties en de uitwisseling van vis en voedingsstoffen. Daarnaast zijn er vragen rond de functionaliteit van de structuren die de uitwisseling met het meer tot stand moeten brengen (Rijkswaterstaat 2020; Van der Geest 2019). ➢

5.5

Het verdient aanbeveling om de aanleg van helofytenmoeras en overstromingsgrasland meer experimenteel op te zetten dan die van de andere habitats. Opties zijn compartimenten met verschillende peilregimes en constructies die een afwisseling van open en gesloten compartimenten mogelijk maken. Zo kan je al doende leren en de beste optie kiezen voor verdere aanleg.

Het zonnepark We hebben gekozen voor een bedekkingspercentage van 50% en voor de toepassing van bifaciale panelen. Met de huidige kennis lijkt dit de beste optie voor toepassing in een vogelrijk gebied waar veel licht de bodem moet bereiken. Toepassing van zonnepanelen op water is nog een relatief nieuwe techniek, innovatie is in ontwikkeling en veel kennis moet nog verzameld worden. Er zijn wel al zonneparken op reservoirs of regionale wateren maar de parken die er nu liggen zijn nog jong en niet aan het einde van de levensduur. Wat daarom ontbreekt is een uitgebreide database van de praktijk. Modellen voor impact op de ecologie of opbrengst4 zijn er wel maar moeten nog gevalideerd worden met data uit de praktijk. —————————————— 4

31 van 42

Bigeye is door TNO ontwikkeld: https://www.tno.nl/en/about-tno/news/2018/7/the-potential-of-bifacial-pv/

Zonne-atollen geven ruimte aan natuur en duurzame energie - een verkenning 11206083-002-ZWS-0004, 21 oktober 2020

Het onderzoek naar zonnepanelen zelf en de toepassing op water is in volle gang. De komende jaren wordt in Nederland veel onderzoek gedaan om te komen tot duurzame toepassingen voor zoet en zoutwater. Dit onderzoek wordt vaak uitgevoerd samen met marktpartijen. Het Nationaal Consortium Zon op Water is een samenwerkingsverband van meer dan 35 partijen in Nederland waar de nieuwe kennis wordt gedeeld. De missie van het consortium is om drijvende zonne-energie tot een groot Nederlands succes te maken. Onderzoek en ontwikkeling richt zich op optimalisatie tussen energieopbrengst, veiligheid, betrouwbaarheid, circulariteit en lage impact op de omgeving. Op het moment van uitvoering van de hier geschetste zonne-atollen zijn er wellicht andere opties beschikbaar die nog meer licht doorlaten en gunstig zijn voor toepassing in een vogelrijk zonne-atol. ➢

5.6

Integreer testen met panelen in de pilot zonne-atol om zo het optimale ontwerp te vinden voor toepassing in een zonne-atol (paragraaf 5.1).

Landschappelijke inpassing Door het Bestuurlijk Platform IJsselmeergebied (BPIJ) is in het voorjaar van 2020 Handreiking Omgevingskwaliteit5 vastgesteld. De Handreiking bevat ontwerpregels voor landschap, ecologie en cultuurhistorie. De voorliggende verkenning doet geen uitspraken over landschap of cultuurhistorie, wel zijn de ecologische ontwerpprincipes meegewogen. De volgende ecologische ontwerpprincipes uit de Handreiking Omgevingskwaliteit zijn richtinggevend geweest: i) maak het ecosysteem completer en verbindt componenten van het systeem met elkaar. Er is samenhang in de ecologische functies van de diverse delen van het IJsselmeergebied, ii) verzacht de land-waterovergangen en iii) vergroot de diversiteit in oeverhabitats. ➢

Bij het verder vormgeven van de zonne-energie variant dienen de ontwerpregels uit de Handreiking Omgevingskwaliteit meegenomen te worden.

De kustgemeenten en de provincie Noord Holland ontwikkelen samen een integrale Kustvisie. In de visie wordt samen met andere partijen gezocht naar mogelijkheden om de toeristisch-economische en recreatieve kwaliteit van het gebied te kunnen opwaarderen. De visie is integraal van opzet en kijkt ook naar andere functies van het gebied.

➢ Het is van belang de mogelijkheden rond meervoudig ruimtegebruik (PAGW en RES) mee te nemen in de Kustvisie.

➢ Recreatieve ontwikkeling langs de Wieringermeerdijk lijkt mogelijk binnen de hier geschetste zonne-energie variant middels de aanleg van strandjes. Aanbeveling is om de potentie van recreatieve ontwikkeling binnen het PAGW project Wieringerhoek verder te onderzoeken voor de Kustvisie.

5.7

Ruimtelijke inpassing Het projectgebied bevat structuren zoals vaargeulen of havens die behouden moeten blijven. In de gepresenteerde zonne-energie variant wordt hier rekening mee gehouden (paragraaf 3.3). ➢

Bij verdere uitwerking verdienen het vrijhouden van het gebied voor de havens ten noorden van de Zeughoek en de bereikbaarheid van de vaargeul Den OeverEnkhuizen expliciete aandacht.

—————————————— 5

32 van 42

Deze Handreiking is te vinden in de Nieuwsbrief #6 van de Agenda IJsselmeer gebied 2050

Zonne-atollen geven ruimte aan natuur en duurzame energie - een verkenning 11206083-002-ZWS-0004, 21 oktober 2020

De landbouwfunctie van de achtergelegen landbouwgronden is afhankelijk van zoetwater voorziening middels hevels. Deze hevels zullen in de zonne-energie variant verlengd moeten worden tot aan het Nevenvaarwater (zie paragraaf 3.4.5), zodat de zoetwater voorziening voor landbouw gegarandeerd blijft. ➢

Om de zoetwatervoorziening voor de landbouwgronden te garanderen dient nader onderzoek gedaan te worden naar de mogelijkheden van het verlengen van de hevels.

De zonne-energie variant bevat modules die liggen in het schootsveld van defensie (Figuur 3.2). Deze loopt van Breezanddijk op de Afsluitdijk in zuidwestelijke richting bovenin het IJsselmeer tot aan het windmolenpark. De voorwaarde van het schootsveld is dat er geen elementen kunnen komen die permanent of tijdelijk boven water komen. De ondieptes vormen geen belemmering, maar de ringdijken en de zonnepanelen van modules A t/m E mogelijk wel. ➢

In de verdere verkenning van de zonne-energie variant zal gekeken moeten worden of dit alternatief te optimaliseren is voor het gebruik door Defensie. Dit geldt ook voor een aantal van de bestaande PAGW onderzoeksalternatieven (Turlings, 2020; Figuur 1.2).

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het projectgebied Wieringerhoek valt onder het IJsselmeergebied zoals aangegeven in titel 2.12 van het Barro. De regels zijn in het Barro opgenomen met het oog op de bescherming van de natuur en het waterbergend vermogen van het IJsselmeergebied. Het IJsselmeergebied is ook van groot belang voor de afvoer van overtollig water via het IJsselmeer naar de Waddenzee. Op grond van de regels in titel 2.12 is landaanwinning in beginsel niet of zeer beperkt toegestaan omdat dit het waterbergend vermogen vermindert. Alle PAGW projecten binnen het IJsselmeergebied krijgen hiermee te maken. ➢

5.8

In een verdere verkenning zullen de consequenties van het ruimtelijk beleid aan bod moeten komen.

Bescherming zoetwatervoorraad Een belangrijke functie van het IJsselmeer is het leveren van zoet (drink)water. Daarvoor is onder andere de bergingsfunctie van belang. Vraag is of de hier voorgestelde modules verandering aanbrengen in de bergingsfunctie. Een waterbergingsgebied is een gebied waar wateroverschotten kunnen worden opgevangen. Hierbij gaat het dus niet om het volume van het IJsselmeer maar om de waterschijf die zo nodig kan worden gevuld bovenop het bestaande peil. Deze functie wordt verkleind door structuren die boven water uitkomen of door het uitsluiten van een deel van het waterlichaam. Een snelle rekensom laat zien dat het bergingsverlies ongeveer 0,9% bedraagt van het totale oppervlak van het IJsselmeer en Ketelmeer (zie Bijlage B voor de berekening). ➢ In een verdere verkenning zullen de consequenties voor het bergingsverlies nauwkeurig uitgerekend te worden. Deze aanbeveling geldt voor alle PAGW projecten in het IJsselmeergebied.

33 van 42

Zonne-atollen geven ruimte aan natuur en duurzame energie - een verkenning 11206083-002-ZWS-0004, 21 oktober 2020

Referenties De Leeuw J.J. 1997. Demanding divers. Ecological energetics of food exploitation by diving ducks. Van Zee tot Land 61. Rijkswaterstaat Directie IJsselmeergebied, Lelystad, en dissertatie Univ. Groningen. De Leeuw J.J. & S.C. van Donk in prep. Hypotheses voor afname van de visstand in het IJsselmeer. WUR, IJmuiden. De Leeuw J.J. & M.R. van Eerden 1995. Duikeenden in het IJsselmeergebied. Herkomst, populatie-structuur, biometrie, rui, conditie en voedselkeuze. Flevobericht 373, RWS Directie IJsselmeergebied, Lelystad. Dionisio Pires, M. en S. Loos 2020. Zonnesystemen op water. Wat zijn de effecten op waterkwaliteit en natuur en welke kennis ontbreekt? Deltares rapport 11204838-002-ZWS-0002. Dorenbosch M., F.M.F. Driessen & J.H. Bergsma 2017. Dreissena mosselen op kunstmatige banken en referentiegebieden in IJburg. Monitoringsresultaten 2017. Bureau Waardenburg bv, rapport 17-179, Culemborg. Loos, S. en R. Wortelboer 2018. Handreiking voor vergunningverlening drijvende zonneparken op water. STOWA 2018-73. Mandemakers J. en L. Turlings, 2020. Doelbereik Verkenning project Wieringerhoek. Nog niet gepubliceerd. Moedt S. 2017. De dichtheid van de driehoeks- en quaggamosselen in het IJsselmeer Resultaten van een gebiedsdekkende kartering uitgevoerd in 2017. Eurofins / Aquasense, Amsterdam. Noordhuis R. (red.) 2010. Ecosysteem IJsselmeergebied: nog altijd in ontwikkeling.

Trends en ontwikkelingen in water en natuur van het Natte Hart van Nederland. Rapport Rijkswaterstaat Waterdienst, Lelystad. Noordhuis R. & G.J. van Geest 2015. Evaluatie KRW-maatregel Eemmeer. Deltares, rapport project 1210545-000, Utrecht. Noordhuis R., S. Groot, M. Dionisio Pires & M. Maarse 2014. Wetenschappelijk eindadvies ANTIJsselmeergebied. Vijf jaar studie naar kansen voor het ecosysteem van het IJsselmeer, Markermeer en IJmeer met het oog op de Natura-2000 doelen. Rijkswaterstaat WVL, Lelystad. Noordhuis R, D.T. van der Molen & M.S. van den Berg 2002. Response of herbivorous waterbirds to the return of Chara in Lake Veluwemeer, The Netherlands. Aquatic Botany 72/3-4: 349-367. Noordhuis R. & J. van Schie 2007. Vooroevers Houtribdijk: toestand ecologie en waterkwaliteit 2006. Inventarisatie van waterplanten, watervogels, Driehoeksmosselen, fysische en chemische parameters. RIZA rapport 2007.006, Lelystad. Rijkswaterstaat 2020. Kansen voor achteroevers. Rijkswaterstaat, Lelystad (te vinden op www.helpdeskwater.nl) Tien N.S.H., A.B. Griffioen, O.A. van Keeken, J.C. van Rijssel & J.J. de Leeuw 2019. Vismonitoring Zoete Rijkswateren en Overgangswateren t/m 2017. Deel 1: Toestand en trends. Wageningen Marine Research rapport C084/18A, IJmuiden.

34 van 42

Zonne-atollen geven ruimte aan natuur en duurzame energie - een verkenning 11206083-002-ZWS-0004, 21 oktober 2020

Turlings L. 2020 Notitie Reikwijdte en Detailniveau. Project Wieringerhoek. Rijkswaterstaat Midden Nederland i.s.m. Witteveen en Bos, Lelystad. Van den Berg M.S. 1998. Charophyte colonization in shallow lakes; processes, ecological effects and implications for lake management. PhD thesis VU Amsterdam. Van den Berg M.S., W. Joosse & H. Coops 2003. A statistical model predicting the occurrence and dynamics of submerged macrophytes in shallow lakes in the Netherlands. Hydrobiologia 5-6-509: 611-623. Van Ek R. 2016. Pilot Koopmanspolder. Eindrapportage monitoring. Deltares rapport 1230049-004, Utrecht. Van Emmerik W.A.M. & G.A.J. de Laak 2017. Visonderzoek achteroever Koopmanspolder. Sportvisserij Nederland, Bilthoven. Van der Geest H. 2019. Van land naar water. Presentatie 11 november 2019, via https://rvanek.home.xs4all.nl/kmp/ Van Rijn S., M. Bovenberg, K. Hasenaar, M. Roos & M.R. van Eerden 2012. Voedsel van overwinterende duikeenden in het IJsselmeergebied. Rapport Delta Milieu, Culemborg. Winden J. van der, M. Poot, M.S. van den Berg, T.J. Boudewijn & S. Dirksen 1997. Kranswieren: voedsel voor grote aantallen watervogels. De Levende Natuur 98: 3441.

35 van 42

Zonne-atollen geven ruimte aan natuur en duurzame energie - een verkenning 11206083-002-ZWS-0004, 21 oktober 2020

A

Mosselen als voedsel voor vogels Driehoeksmosselen (Dreissena polymorpha) vormden in het verleden stapelvoedsel voor een aantal watervogelsoorten met Natura 2000 instandhoudingsdoelen, met name kuifeend, tafeleend, toppereend, brilduiker en meerkoet. In hoeverre de mosselen profijtelijk benut kunnen worden hangt onder meer af van de waterdiepte en de vleesinhoud (De Leeuw 1997; De Leeuw & van Eerden 1995). De vleesinhoud is geleidelijk afgenomen in combinatie met de afname van de voedselrijkdom van het water (Noordhuis 2010; Noordhuis et al. 2014). Vanaf 2007 kreeg de Driehoeksmossel gezelschap van de nauw verwante quaggamossel, (Dreissena bugensis) die de gezamenlijke populatie inmiddels sterk domineert. Deze quaggamossel heeft vrijwel dezelfde verschijningsvorm en leefwijze, en wordt ook door watervogels gegeten. Recent maagonderzoek suggereert echter een meer diverse voedselkeuze dan vroeger bij kuif- en tafeleend (Van Rijn et al. 2012).

Figure A.1 Resultaten van karteringen van Driehoeks- en Quaggamosselen in het IJsselmeer. Grotere

stippen en donkerder kleuren geven hogere dichtheden aan. Bewerkingen aangevuld naar Noordhuis 2010, laatste kartering Moedt 2017,

36 van 42

Zonne-atollen geven ruimte aan natuur en duurzame energie - een verkenning 11206083-002-ZWS-0004, 21 oktober 2020

Mosselkarteringen met een vergelijkbare methodiek zijn beschikbaar uit 1992, 1999, 2006, 2012 en 2017. Het grid van de karteringen is na 2000 grover geworden, zodanig dat meestal gegevens van slechts één locatie matchen met de locatie van de modules van variant 5. Wel zijn de dichtheden per locatie gebaseerd op 5 deelmonsters. Het patroon van dichtheden is door de jaren met karteringen heen vrij constant geweest, terwijl de gemiddelde dichtheden hebben gefluctueerd. In alle karteringen is in het IJsselmeer een tweedeling te zien in een zuidoostelijke deelpopulatie en een noordwestelijke, die een wat beperktere omvang heeft. De noordwestelijke deelpopulatie concentreert zich op de ondieptes van het IJsselmeer, voor zover die niet te dynamisch zijn (Friese kust). Ook in het noordwesten bij Den Oever waren de dichtheden meestal relatief laag, alleen in 2017 werd een hoge dichtheid gevonden op het meest noordwestelijke meetpunt. De spreiding over de 5 deelmonsters was echter groot, en de gemiddelde waarde leunt sterk op één van de vijf waarden). Relatief hoge dichtheden zijn steeds aangetroffen op de ondiepte die van de Zeughoek naar de Kreupel loopt, met name dicht bij de kust direct onder de Zeughoek. Langs de kust tussen Den Oever en de Zeughoek waren de dichtheden meestal lager; in 2017 zijn hier nauwelijks mosselen aangetroffen.

De dichtheden van Driehoeksmosselen waren in 2007 sterk afgenomen, vermoedelijk in verband met sterfte door zuurstofgebrek tijdens een hittegolf in 2006. Een deelkartering in het zuiden van het IJsselmeer in 2008 toonde herstel, later versterkt door opmars van de nauw verwante quaggamossel. Bij de karteringen van 2012 en 2017 domineerde deze laatste soort sterk, waarbij plaatselijk hogere dichtheden werden bereikt dan voordien, maar in vergelijkbare verspreidingspatronen.

37 van 42

Zonne-atollen geven ruimte aan natuur en duurzame energie - een verkenning 11206083-002-ZWS-0004, 21 oktober 2020

Figure A.2 Projectie van de resultaten van de mosselkartering van 2017 op inrichtingsvariant 5. De

grootte en kleur van de cirkels vertegenwoordigen de dichtheid van de mosselen. De getallen zijn locatienummers. Deze zijn evenals de letters van de modules van de inrichtingsvariant terug te vinden in tabel 1, samen met de exacte mosseldichtheden.

De tabel hieronder geeft ook de percentages van het voor eenden beschikbare mosselbestand (op dieptes van maximaal 4,5 m) in het gehele IJsselmeer in 2017.

38 van 42

Eiland

Nr mossellocatie

Waterdiepte

Dichtheid (ml/m2)

Areaal (ha)

A

26

2,8

410

735

301350

1,1

B

38

2,6

0

233

0

0

C

43

3,1

0

283

0

0

D

48

4,0

50

910

45500

0,2

E

54

5,5

1183

1318

1559194

0

E

60

4,6

1321

F

32

4,5

0

451

0

0

G noord

53

3,4

4388

c. 250

1097000

4,2

G zuid

70

4,6

0

226

0

0

Gem.

442

116000

48620000

Gem. <4,5m

436

60254

51272000

Zonne-atollen geven ruimte aan natuur en duurzame energie - een verkenning 11206083-002-ZWS-0004, 21 oktober 2020

Totaal (ml)

% van tot <4,5 m

Eiland A: gemiddelde dichtheid op goed bereikbare diepte. De dichtheid was hier bij alle eerdere karteringen aanzienlijk lager of zelfs 0. In 2017 was de spreiding over de vijf deelmonsters bovendien groot (1625 – 333 – 0 – 54 – 35), en de gemiddelde waarde leunt sterk op het eerstgenoemde deelmonster. Eiland B: geen mosselen, lage dichtheden tijdens eerdere karteringen Eiland C: geen mosselen, lage dichtheden tijdens eerdere karteringen Eiland D: lage dichtheid (11% van gem.) op bereikbare diepte Eiland E: hoge dichtheid (2,7x gem.), maar op slecht bereikbare diepte Ondiepte F: geen mosselen (en slecht bereikbare diepte), lage dichtheden tijdens eerdere karteringen Ondiepte G: zeer hoge dichtheid op goed bereikbare diepte in het noordelijke deel. De spreiding over de vijf deelmonsters was beperkt (979 – 7292 – 6875 – 438 – 6354). Hoewel lager dan in 2017, lieten de andere karteringen hier eveneens relatief hoge dichtheden zien. In het zuidelijke deel werden in 2017 geen mosselen gevonden en was bovendien de bereikbaarheid voor de vogels slecht (4,6 m). In het verleden waren de dichtheden hier wisselend.

Berekening: ➢ Mosselen zijn door vogels profijtelijk te benutten tot op 4,5 meter waterdiepte ➢ Op basis van de opgegeven waterdieptes bij de mosselkartering van 2017 is de diepte op 53% van de locaties (en van het IJsselmeer) 4,5 meter of minder ➢ Op deze dieptes is de gemiddelde dichtheid van de mosselen 436 ml/m2 ➢ Totaal is dat 26,3 miljoen ml ➢ Verlies door aanleg van de eilanden is (maximaal) 5,5% ➢ Het overgrote deel hiervan (4,2%) betreft module G. Mosselen in de compartimenten: Waar water blijft staan binnen de aangegeven arealen kan een deel van de mosselen terugkeren of zich handhaven, afhankelijk van het habitat dat zich ontwikkelt. Bij een diepte van minder dan enkele dm komen door incidentele droogval of te sterke dynamiek meestal geen mosselen voor, en in dichte waterplantenvelden evenmin. Onder en aan zonnepanelen op of boven water (fundering) kunnen mosselen groeien, maar daarop zal waarschijnlijk niet door alle betrokken watervogelsoorten worden gefoerageerd (bijv. meerkoet wel, toppereend niet). Compensatie van verlies: Het verlies van mosselen als voedsel voor watervogels wordt op twee manieren in het voorstel gecompenseerd: ➢ Door middel van het stimuleren van de ontwikkeling van mosselbanken op een deel van de voorgestelde ondiepten. Dit is mogelijk door middel van het aanbieden van substraat. Bureau Waardenburg heeft hiermee ervaring o.a.

in het IJmeer, waar dit als compensatiemaatregel bij IJburg is toegepast (Dorenbosch et al., 2017). Driehoeks- en quaggamosselen hechten zich met draden aan een harde ondergrond. In het IJsselmeer zijn dat vaak grote schelpen (Strandgaper) uit de Zuiderzee periode, die zich nog in de toplaag van het sediment bevinden. De mosselen hechten zich daar op vast en vormen kluitjes die verspreid op de bodem liggen. Watervogels kunnen daarop in open water foerageren. Dit levert meer op naarmate de duikdiepte geringer is. Met name Toppereenden, die het meest van mosselen afhankelijk zijn, zijn gebonden aan groot open water, en zullen waarschijnlijk niet in grote aantallen foerageren in het water tussen de Markermeerdijk en de eilandmodules. Daarom is gekozen voor compensatie aan de oostkant van deze modules, in diepte aansluitend op de zones met waterplanten.

39 van 42

Zonne-atollen geven ruimte aan natuur en duurzame energie - een verkenning 11206083-002-ZWS-0004, 21 oktober 2020

Vanaf deze kant zijn deze ondieptes onbeschermd. Mosselbanken kunnen bijdragen aan stabilisatie. Door middel van het stimuleren van alternatief voedsel voor mossel etende watervogels. De meeste “mossel etende” watervogelsoorten (kuifeend, tafeleend, brilduiker, meerkoet) hebben een bredere voedselkeuze en kunnen zich ook voeden met andere ongewervelde dieren (slakjes, vlokreeftjes, muggenlarven etc.), sommige zelfs met planten (tafeleend). De grote afhankelijkheid van mosselen in het verleden had ook te maken met het gebrek aan alternatieve voedselbronnen. Dat aanbod is inmiddels diverser geworden, terwijl de kwaliteit van de mosselen (vleesinhoud) is gedaald. Onderzoek naar verspreiding en voedselkeuze van de vogels heeft onder meer laten zien dat tafeleenden en brilduikers zich meer hebben geconcentreerd in gebieden waar de waterplanten sterk zijn toegenomen, en dat de maaginhouden van onder meer kuifeenden diverser is geworden. Voor deze soorten zal het voedselaanbod in de vorm van deze alternatieve prooien naar verwachting toenemen met de ontwikkeling van de vegetaties op de aan te leggen ondieptes. Door de combinatie van nieuw mosselbanken en alternatief voedsel kan het aanbod voor kuifeend, tafeleend, brilduiker en meerkoet verbeteren ten opzichte van de huidige situatie, zeker gezien de afgenomen kwaliteit van de mosselen.

Alleen de toppereend heeft nog geen positieve reactie laten zien op de ontwikkelingen in recente jaren. Deze noordelijke soort arriveert pas in december, als de planten al lange tijd zijn afgestorven, en vertrekt voordat de nieuwe vegetatie zich ontwikkelt. Ook deze soort kan andere prooisoorten aan, maar de steekproefgrootte bij het maagonderzoek was niet groot genoeg om eventuele veranderingen aan te kunnen tonen. De toppereend is sterk afgenomen in het IJsselmeer, maar waarschijnlijk is de voedselsituatie daarvoor niet de enige oorzaak.

40 van 42

Zonne-atollen geven ruimte aan natuur en duurzame energie - een verkenning 11206083-002-ZWS-0004, 21 oktober 2020

B

Berekening bergingsverlies Een belangrijke functie van het IJsselmeer is het leveren van zoet (drink)water. Daarvoor is onder andere de bergingsfunctie van belang. Vraag is of de hier voorgestelde modules verandering aanbrengen in de bergingsfunctie. Een waterbergingsgebied is een gebied waar wateroverschotten kunnen worden opgevangen. Hierbij gaat het dus niet om het volume van het IJsselmeer maar om de waterschijf die zo nodig kan worden gevuld bovenop het bestaande peil. Deze functie wordt verkleind door structuren die boven water uitkomen of door het uitsluiten van een deel van het waterlichaam. De totale oppervlakte van de voorgestelde modules van de zonne-energie variant is 4417 ha in het IJsselmeer. Bij een totaal oppervlak van 116.000 ha is dat 3,33%. Behalve module A en het noordelijke deel van module E staat het water in de modules in open verbinding met het meer. Daardoor is het verlies aan bergingsfunctie veel kleiner. Twee typen structuren hebben wel verlies aan bergingsfunctie tot gevolg: ➢ De randen van de eilandmodules. Deze hebben een gezamenlijk areaal van 209 ha. Deze categorie verkleint de bergingscapaciteit met 0,2%. ➢ Het deel van de helofyten, zand en overstromingsgrasland arealen dat boven het streefpeil ligt. Deze arealen zijn maximaal 516 ha (A) en 316 ha (E) groot. Dit is samen 0,7% van de bergingscapaciteit.

Een belangrijk deel hiervan ligt beneden het zomerpeil. In principe kunnen voorzieningen getroffen worden voor een bergingsfunctie, maar de kans is groot dat vanwege het natuurlijke peil dat binnen deze compartimenten wordt nagestreefd, het peil hier al hoog is op het moment dat wateroverschotten voorkomen. Het bergingsverlies bedraagt dus ongeveer 0,9% van het totale oppervlak van het IJsselmeer en Ketelmeer.

41 van 42

Zonne-atollen geven ruimte aan natuur en duurzame energie - een verkenning 11206083-002-ZWS-0004, 21 oktober 2020

42 van 42

Zonne-atollen geven ruimte aan natuur en duurzame energie - een verkenning 11206083-002-ZWS-0004, 21 oktober 2020

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10634495/1