Bijlage Beslissing op bezwaar Wvg Stede Broec def
Tekst van het document
uw brief van:
12 mei 2021
uw kenmerk: ons kenmerk:
918551
behandeld door:
S Ramsoekh
bijlagen:
raadsbesluit
Datum: Onderwerp:
30 september 2021 beslissing op bezwaar
Geachte heer, U heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van 8 april 2021 en hiermee ons (raads-)besluit van 27 mei 2021, waarbij op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten is besloten gronden aan te wijzen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van de Wet voorkeursrecht gemeenten van toepassing zijn. Besluit Wij hebben na heroverweging besloten om ons besluit van 27 mei 2021 in stand te laten, waarbij een verschrijving wordt doorgehaald en op één punt verduidelijking plaatsvindt. Hieronder kunt u lezen hoe wij tot dit besluit zijn gekomen. Feiten en omstandigheden Bij besluit van 8 april 2021 heeft het college, met toepassing van artikel 6 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: de Wvg), aan de raad voorgesteld om nader aangegeven gronden – te weten de percelen van bezwaarmakers, die hieronder meer specifiek zijn aangeduid – aan te wijzen als percelen waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van de Wvg van toepassing zijn. Dit besluit is op 9 april 2021 gepubliceerd in de Staatscourant en op 10 april 2021 in werking getreden. Vanaf die datum staat tegen het besluit van het college ook bezwaar open. Tegen dat besluit zijn vier bezwaarschriften ingediend: 1. De heer NAAM inzake de aanwijzing van het perceel Stede Broec, sectie D, nummer 86 2. De heer NAAM inzake de aanwijzing van het perceel Stede Broec, sectie D, nummer 87; 3.
De heer ing. H. Hendriks van Hendriks Agrarische Makelaardij, namens de heren NAMEN inzake de aanwijzing van het perceel Stede Broec, sectie D, nummer 83. 4. De heer ing. H. Hendriks van Hendriks Agrarische Makelaardij, namens de heer NAAM inzake de aanwijzing van de percelen Stede Broec, sectie D, nummers 74, 148 en 150; Bij besluit van 27 mei 2021 heeft de raad de voorlopige aanwijzing bestendigd. Ontvankelijkheid De ingediende bezwaarschriften tegen het besluit van het college zijn tijdig ingediend. Voorts
is bezwaar gemaakt door degenen die rechthebbenden zijn op de percelen. Zij hebben een persoonlijk belang bij de aanwijzing. De bezwaarschriften zijn dus ontvankelijk en kunnen inhoudelijk worden behandeld. Bestreden besluit In artikel 6 Wvg is bepaald dat het besluit van het college van rechtswege vervalt op het moment dat een besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing ingevolge artikel 3, 4 of 5 in werking treedt. Het raadsbesluit tot aanwijzing van de percelen is genomen op 27 mei 2021 en bekendgemaakt in de Staatscourant van 28 mei 2021. Het besluit is in werking getreden op 29 mei 2021. De bezwaren worden mede geacht te zijn gericht tegen ons besluit van 27 mei 2021 conform het derde lid van artikel 6 Wvg. Omdat het besluit van het college (tot voorlopige) aanwijzing met het raadsbesluit is komen te vervallen, worden de bezwaren behandeld als gericht tegen ons besluit van 27 mei 2021. Daar waar in het navolgende over het “besluit” wordt gesproken wordt dus gedoeld op ons besluit van 27 mei 2021. Hoorzitting Op 15 juli 2021 heeft een hoorzitting plaatsgevonden en bent u tezamen met andere bezwaarmakers gehoord door mevrouw S. Ramsoekh en mevrouw L. Botman van het team Juridische Zaken. Bij de hoorzitting waren aanwezig: Van de zijde van bezwaarmakers: De heer H.
Hendriks van Hendriks Agrarisch Makelaardij namens de heren NAMEN (via digitale verbinding) De heer NAAM, De heer NAAM, De heer NAAM, De heer NAAM Namens de raad: de heer NAAM, afdeling Ruimte de heer NAAM (Metafoor) en mevrouw NAAM (Metafoor) Tijdens de hoorzitting zijn de bezwaargronden toegelicht. Deze luiden als volgt: De heer NAAM: Het vestigen van een voorkeursrecht is niet aan de orde, omdat het perceel voldoet aan de gebiedsvisie 2017. De heer NAAM: Het perceel is bestemd voor toekomstige (her-)ontwikkeling en uitbreiding van Gourmet B.V. De heren NAAM: De duur van de aanwijzing is onaanvaardbaar lang; De afbakening is te ruim gekozen; De vraag wordt gesteld of er sprake is van concrete plannen; De regierol kan ook op andere manieren veilig worden gesteld; Prijsopdrijving is niet aan de orde. De heer NAAM: De Wvg blokkeert toekomstige uitbreidingsmogelijkheden; Pagina 2 van 8
-
De afbakening is te ruim gekozen; De vraag wordt gesteld of er sprake is van concrete plannen; De regierol kan ook op andere manieren veilig worden gesteld; Prijsopdrijving is niet aan de orde.
Relevante wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht (Awb) Artikel 1:2, eerste lid luidt: Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Artikel 8:1 bepaalt dat een belanghebbende beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Artikel 7:1, eerste lid bepaalt dat degene aan wie het recht is toegekend beroep in te stellen, eerst bezwaar moet maken. In artikel 7:11 is neergelegd dat indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaatsvindt. Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) Artikel 2 luidt: De gemeenteraad kan gronden aanwijzen waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van toepassing zijn. Artikel 3, eerste lid luidt: Voor aanwijzing komen in aanmerking gronden waaraan bij het bestemmingsplan of inpassingsplan een niet-agrarische bestemming is toegekend en waarvan het gebruik afwijkt van dat plan. Op grond van het bepaalde in artikel 4 Wvg eerste lid onder a komen voor aanwijzing ook in aanmerking gronden die zijn begrepen in een structuurvisie, waarbij aanwijzingen zijn gegeven voor de bestemming en waaraan bij de structuurvisie een niet-agrarische bestemming is toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming.
Op grond van het bepaalde in artikel 5 Wvg eerste lid komen gronden, voor zover nog niet opgenomen in een bestemmingsplan of structuurvisie, ook voor aanwijzing in aanmerking indien in het besluit tot aanwijzing aan de betrokken gronden een niet-agrarische bestemming wordt toebedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die bestemming. In het besluit tot aanwijzing wordt aangegeven of nadien nog zal worden overgegaan tot het vaststellen van een structuurvisie. Op grond van het bepaalde in artikel 6 Wvg eerste lid kunnen burgemeester en wethouders gronden voorlopig aanwijzen mits in het daartoe strekkende besluit aan de gronden een nietagrarische bestemming is toegedacht en het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming. Het derde lid van artikel 6 Wvg bepaalt dat een bezwaar dat aanhangig is tegen een voorlopige aanwijzing zich van rechtswege richt tegen een besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing als door inwerkingtreding van het raadsbesluit het collegebesluit komt te vervallen. Pagina 3 van 8
Overwegingen: Algemeen: De gemeente Stede Broec heeft plannen om het gebied Stede Broec Zuidwest te herstructureren. In de Toekomstvisie Stede Broec 2014-2024 (structuurvisie) is voor dit gebied opgenomen dat het doel is om een ruimtelijke (gebieds)visie te ontwikkelen voor het gebied die moet leiden tot een samenhangend en integraal programma op het gebied van woningbouw, bedrijvigheid, infrastructuur, natuur en sport en recreatie. Deze gebiedsvisie is neergelegd in de Gebiedsvisie & Ontwikkelkader Stede Broec Zuidwest “Landschap in beweging” d.d. 30 maart 2017. Op basis van deze visie bestaat de wens om het gebied dat is aangewezen met het bestreden besluit, te transformeren naar een gebied voor sport- en recreatie. Gebiedsontwikkeling vindt veelal plaats door een bestemmingsplan vast te stellen, hetgeen een langdurig proces is. Na het vaststellen van een bestemmingsplan met vastomlijnde kaders, gaat het proces lopen tot realisatie van de plannen voor het gebied. Ook dat is een langdurig proces, dat vaak in fasen wordt uitgevoerd. Om regie te houden bij de ontwikkeling van het gebied, waarbij als knelpunt wordt ervaren dat gemeenten geen eigenaar zijn van de gronden binnen het gebied, wordt in de Wvg het instrument tot het vestigen van een voorkeursrecht geboden.
Hiermee hebben gemeenten de bevoegdheid om een voorkeursrecht te vestigen op gronden, mits hieraan geen agrarische bestemming is toegedacht en het bestaande gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming. Het vestigen van een voorkeursrecht is een middel om een eerste recht van koop af te dwingen en een mogelijk instrument om het eigendom te verkrijgen om de gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken. Hierdoor kan een eigenaar niet tot vervreemding van de gronden overgaan voordat deze aan de gemeente is aangeboden, uitzonderingen daargelaten. Met dit middel kan de gemeente haar regierol –om deze ontwikkeling te bewerkstelligen- veilig stellen en voorkomen dat andere marktpartijen de gronden kopen. Ongewenste speculatie kan hiermee worden tegengegaan. De vestiging van een voorkeursrecht heeft tot doel: 1. Het voorkomen van grondposities van marktpartijen (het bevriezen van bestaande grondposities); 2. Het verkrijgen van een sterkere positie van de gemeente bij de verwerving van gronden; 3. Het voorkomen van prijsopdrijving. Voorwaarden en bevoegdheid: Op grond van artikel 2 van de Wvg is de raad bevoegd gronden aan te wijzen waarop een voorkeursrecht wordt gevestigd.
Uit artikel 3, 4 en 5 van de Wvg volgt dat voor het vestigen van een voorkeursrecht, vast moet staan dat: (1) de gronden geen agrarische bestemming is toegedacht, en (2) het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming. Vast staat dat het toekomstige gebruik niet agrarisch is, maar (hoofdzakelijk) voor sport- en recreatieve doeleinden. Het huidige gebruik wijkt daarvan af; in het bestemmingsplan geldt de bestemming “Agrarisch” voor deze gronden. Dit betekent dat aan de voorwaarde voor aanwijzing wordt voldaan. Pagina 4 van 8
Op grond van artikel 4 van de Wvg eerste lid onder a kunnen de percelen waarvoor een structuurvisie is vastgesteld worden aangewezen. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was er een structuurvisie voor deze locaties, met uitzondering van het perceel met nummer D148. Voor zover de percelen vallen onder de Structuurvisie, de Toekomstvisie Stede Broec 2014-2024 (percelen D 86, D87, D74, D150 en D83) berust de bevoegdheid tot aanwijzing op artikel 4, eerste lid onder a Wvg. Voor perceel D148 geldt dat de bevoegdheid berust op artikel 5, eerste lid Wvg. In artikel 5 Wvg is bepaald dat de raad in het besluit tot aanwijzing moet aangeven of nadien nog zal worden overgegaan tot het vaststellen van een structuurvisie. Ten aanzien van de inhoud van het besluit: In het raadsbesluit staat dat de raad voornemens is over te gaan tot het vaststellen van een bestemmingsplan voor de aangewezen percelen. Dit impliceert dat er geen structuurvisie zal worden opgesteld. Voor zover dit niet expliciet in het raadsbesluit is benoemd, kan dit in bezwaar worden verduidelijkt en is dit in bijgaand raadsbesluit ook geschied (zie bijlage). De bijlage maakt onlosmakelijk onderdeel uit van deze beslissing op bezwaar.
Verder merken wij op dat in beslispunt 3 de volgende tekst is opgenomen: “Toepassing te geven aan artikel 7 van de Wvg door het raadsbesluit (inhoudende een besluit tot voorlopige aanwijzing) voor een ieder ter inzage te leggen…” Hierin staat -abusievelijk- het woord “” voorlopige”. Er is sprake van een kennelijk misslag die verder inhoudelijk of procedureel geen consequenties heeft. In het besluit van 30 september 2021 is het woord “voorlopige” doorgehaald. Hieronder zal aan de hand van de bezwaren ingegaan worden op het bestreden besluit. Bezwaargronden de heer NAAM Gesteld is dat het perceel voldoet aan de gebiedsvisie. Het perceel van de heer NAAM is in de gebiedsvisie aangewezen als “middengebied” waarbinnen “sport” de hoofdfunctie is van dit gebied. Het gebruik van het perceel van de heer NAAM is hiermee in strijd. Voorzover gesteld is dat wonen in aflopende dichtheid in westelijke richting een programmatische spelregel is, is dit niet correct. Bezwaarmaker verwijst hierbij naar de programmatische spelregels die gelden voor “kleinschalig recreatielandschap”(pag. 23 van de gebiedsvisie). De gronden die zijn aangewezen vallen niet hieronder. Verder is gesteld dat dit perceel valt onder kleinschalige Agribusiness. Dit wordt in de gebiedsvisie omschreven als “pluktuin, fruittuin, zorgboerderij”. Bezwaarde heeft niet onderbouwd dat van een dergelijk gebruik sprake is.
Overigens merken wij op dat uit de Parlementaire behandeling van de Wvg blijkt dat de voorkeursregeling niet zo beperkt behoeft te worden uitgelegd dat deze alleen kan worden toegepast wanneer de nieuwe bestemming op wezenlijk andere gebruiksvormen ziet. Ook wanneer de nieuwe bestemming voorziet in een vergelijkbaar, maar intensiever gebruik dan het bestaande, zal van een afwijkend gebruik kunnen worden gesproken . Het bezwaar slaagt dan ook niet. Bezwaargronden de heer NAAM Aangevoerd is dat de gronden bestemd zijn voor toekomstige herontwikkeling en uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten van Gourmet B.V. te Lutjebroek. Ter zitting is nog aangevoerd dat het de bedoeling is om dit perceel uit te ruilen tegen belendende percelen, in eigendom bij buren. Door de vestiging van een voorkeursrecht vervalt deze mogelijkheid. Pagina 5 van 8
Wij stellen vast dat het perceel niet in eigendom is van Gourmet B.V., maar van bezwaarmaker. Vervreemding van het perceel aan Gourmet B.V. of uitruil van dit perceel ten behoeve van uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten van Gourmet BV. is niet mogelijk, zonder het perceel eerst te koop aan te bieden aan de gemeente. Dit wordt nu juist beoogd met het inzetten van het instrument dat de wetgever heeft geboden met de Wvg. Deze bezwaargrond is geen reden om van het vestigen van een voorkeursrecht op dit perceel af te zien. Bezwaargronden de heren NAMEN a. duur aanwijzing De aanwijzing duurt drie jaar of tot het moment van vaststelling van een bestemmingsplan voor dit gebied. Na vaststelling een bestemmingsplan kan het aanwijzingsbesluit met tien jaar worden verlengd. Deze termijn is door de wetgever gegeven omdat ruimtelijke procedures veel tijd in beslag nemen. Na het vaststellen van een bestemmingsplan is het normaal dat gedurende de planperiode (van 10 jaar) een ontwikkeling verwezenlijkt wordt. Dit zijn termijnen die de wetgever hanteert. Van een onredelijk lange termijn is naar ons oordeel dan ook geen sprake. b. ruime afbakening De vraag of al het land binnen het gebied nodig is voor sport en recreatie kan vooralsnog niet worden beantwoord. In de gebiedsvisie is het (Midden)gebied aangewezen voor Sport- en Recreatiedoeleinden als hoofdfunctie.
Daarnaast zijn enkele andere functies mogelijk (gerefereerd wordt aan Wonen met een lage landschappelijke dichtheid, ondersteunend aan Recreatie en landschap, Werken (ondersteunend aan recreatie en landschap), Agribusiness: kleinschalig bijvoorbeeld pluktuin, fruittuin, zorgboerderij en Natuur). Hoe en in welke mate aan deze genoemde programma’s vorm wordt gegeven, zal verder worden uitgewerkt in een ontwerpbestemmingsplan. Voor zover bezwaarmaker vraagtekens plaatst bij de stelling in het raadsvoorstel op pagina 3, onder 1.2 dat de “toekomstige herstructurering tot een gebied waar wonen en recreatie met voorzieningen tot de mogelijkheden behoort”, merken wij het volgende op. Zoals uit alle onderliggende stukken blijkt, gaat het op deze locatie om de ontwikkeling van een sportlandschap. Daarnaast zijn de bovengenoemde programma’s (in mindere mate) mogelijk. Naar aanleiding van de stelling van bezwaarde dat grootschalige woningproductie kan gaan plaatsvinden vanwege de wens van de Provincie van versnelling van de woningproductie (realisatie van 16.000 woningen in de periode 2020-2030) is ter zitting aangegeven dat geenszins sprake zal zijn van grootschalige woningbouw. Binnen het programma “Wonen” moet gedacht worden aan een landgoed of zorgboerderij.
In de gebiedsvisie is hierover opgenomen dat wonen toegestaan wordt in een lage landschappelijke dichtheid, ondersteunend aan recreatie en landschap. Voor zover in het raadsvoorstel onder punt 1.2 de indruk wordt gewekt dat herontwikkeling plaatsvindt naar (grootschaliger) wonen merken wij op dat dit niet op die manier bedoeld wordt. Uitgangspunt is dus de ontwikkeling van een sportlandschap waarbij in mindere mate ruimte zal zijn voor de overige programma’s die in de gebiedsvisie voor het middengebied worden genoemd. c. concrete plannen Wij kunnen het standpunt volgen dat momenteel niet concreet is welke functie exact op welk perceel komt te liggen. Deze keuzes worden in het kader van het (ontwerp-)bestemmingsplan gemaakt. Binnen drie jaar na de datum van het raadsbesluit moeten de plannen concreet zijn en in een bestemmingsplan zijn vervat. Dit standpunt leidt echter niet tot het oordeel dat Pagina 6 van 8
daarom geen voorkeursrecht op het perceel mag worden gelegd. Het is volgens vaste jurisprudentie geen eis dat de plannen concreet moeten zijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, brengt de systematiek van de Wvg mee dat op het moment dat het voorkeursrecht kan en dient te worden aangewend, veelal onzeker zal zijn of de geplande ontwikkeling feitelijk zal kunnen worden gerealiseerd. Gelet op het doel van de wet -het verschaffen van voorrang aan gemeenten bij aankoop van gronden benodigd voor het realiseren van toekomstige planologische ontwikkelingen-, staat de gestelde onzekerheid niet in de weg aan het gebruik van de bij wet gegeven bevoegdheid tot het vestigen van een voorkeursrecht. d. regierol Voor zover gesteld is dat de gemeente altijd de regie heeft over gewenste ontwikkelingen, kunnen wij dit niet volgen. Juist het feit dat dit niet het geval is, heeft de wetgever ertoe geleid om de Wvg in het leven te roepen. Voor het nut en de noodzaak van dit instrument verwijzen wij naar onze overwegingen over de regierol onder het kopje “Algemeen” op pagina 2. Het is niet juist dat alleen met een bestemmingsplan al voldoende regie en sturing kan worden behaald. Met het bevriezen van grondposities wordt beoogd onnodige prijsopdrijving, grondspeculaties, versnippering van grondposities, te voorkomen. e. prijsopdrijving Prijsopdrijving is volgens bezwaarmakers niet aan de orde.
De markt bepaalt de prijs van land en gebouwen. Het is mogelijk dat bezwaarmakers niet uit zijn op prijsopdrijving. Het vestigen van een voorkeursrecht is erop gericht speculaties te voorkomen. Immers, er is overheden veel aangelegen om grond te verwerven om hun doelstellingen te kunnen verwezenlijken. Marktpartijen kunnen daar hun voordeel mee doen, waardoor wij een hogere prijs voor de gronden moeten betalen dan de marktwaarde. Gesteld is dat gronden die door marktpartijen worden aangekocht om positie te krijgen tegen een lagere prijs aan de gemeente worden doorverkocht. Dit komt soms voor, bijvoorbeeld in ruil voor een bouwclaim en als er sprake is van een economische crisis, maar dit is lang niet altijd het geval. Het doel prijsopdrijving te voorkomen wordt met het vestigen van een voorkeursrecht wel degelijk gediend. Dit is dan ook geen onevenredig middel. Voor de stelling dat het vestigen van een voorkeursrecht vertragend en verstorend zou werken is geen onderbouwing gegeven. Dit standpunt kunnen wij dan ook niet volgen. De heer NAAM a. blokkeren uitbreidingsmogelijkheden Wij hebben begrip voor de positie van een rechthebbende die zijn -agrarische- bedrijf wil uitbreiden, maar strikt genomen is er geen sprake van het blokkeren van uitbreidingsmogelijkheden. Met het vestigen van een voorkeursrecht kan een rechthebbende doorgaan met investeringen.
Op het moment dat een rechthebbende zijn percelen wil verkopen en de gemeente besluit over te gaan tot aankoop dan zal de marktwaarde moeten worden betaald. Gedane investeringen spelen een rol bij de waardebepaling. Mocht een eigenaar de gronden niet aanbieden ter verkoop, dan zullen wij verder moeten bepalen welke middelen er zijn om de gronden te verwerven. In het uiterste geval kan worden overgegaan tot onteigening. Maar ook dan spelen gedane investeringen een rol bij de waardebepaling van de aangewezen gronden. b t/m e. ruime afbakening, concrete plannen, regierol, prijsopdrijving Deze bezwaren zijn gelijkluidend aan de bezwaren van de heren Hoff. Voor de bespreking Pagina 7 van 8
van deze bezwaren wordt verwezen naar de bespreking hierboven onder b t/m e. Conclusie Geconcludeerd wordt dat wij ons besluit van 27 mei 2021 in stand laten, met de volgende aanpassingen: beslispunt 3: In de tekst “Toepassing te geven aan artikel 7 van de Wvg door het raadsbesluit (inhoudende een besluit tot voorlopige aanwijzing) voor een ieder ter inzage te leggen”, het woord “voorlopige” door te halen. Beslispunt 4: De tekst “Voornemens te zijn om over te gaan tot het opnemen van die locatie in een nog vast te stellen bestemmingsplan” te wijzigen in: “Voornemens te zijn voor de locatie waar de onder punt 1 bedoelde percelen gelegen zijn, een bestemmingsplan vast te stellen. Perceel D148 zal hierin worden meegenomen, hetgeen betekent dat er geen structuurvisie zal worden vastgesteld voor dat perceel.”
Hoogachtend, namens burgemeester en wethouders,
S. Ramsoekh Juridisch medewerker Beroepsmogelijkheid Als u belanghebbende bent en u bent het niet eens met dit besluit dan kunt u een beroepschrift indienen bij de Rechtbank Noord-Holland, Postbus 1621, 2003 BR, Haarlem. Dit moet u doen binnen zes weken na de verzenddatum. U kunt uw beroepschrift ook digitaal indienen via http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. U moet hiervoor beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). In het beroepschrift moet u in elk geval vermelden: uw naam en adres de datum een omschrijving van het besluit waartegen u in beroep gaat de redenen waarom u het niet eens bent met het besluit Vergeet niet het beroepschrift te ondertekenen. Aan de Rechtbank moet u een griffierecht betalen. Het besluit blijft van kracht, ook als daartegen beroep is ingediend. Wilt u dat het besluit wordt geschorst of dat de rechter een voorlopige voorziening treft, dan kunt u een verzoek doen aan de Rechtbank Noord-Holland. Zo’n verzoek kunt u alleen doen als u beroep heeft aangetekend. Ook hiervoor moet u een griffierecht betalen. Voor de hoogte van het griffierecht verwijzen wij u naar www.rechtspraak.nl.
Pagina 8 van 8