Bijlage 5 Bestuurlijke reactie namens het college op het advies van de Jongerenadviesraad
Tekst van het document
Beste leden van de Jongerenadviesraad SED-gemeenten, Op 10 oktober jl. hebben wij uw advies op de “Visie sociaal domein 2026 en verder” ontvangen. Wij willen u bedanken voor uw betrokkenheid en advisering over dit onderwerp. Hieronder geven wij een reactie op uw advies en vragen. •
U schrijft dat u zich afvraagt of er in de visie voldoende rekening is gehouden met de knellende begroting van dit jaar en de verwachting dat er komende jaren nog meer bezuinigd moet worden. U schrijft dat de wijkteams een grote verantwoordelijkheid krijgen in het aanbieden van preventieve ondersteuning aan inwoners. De vraag is of er voldoende budget beschikbaar is om deze teams daadwerkelijk uit te breiden, zodat zij, zoals de gemeente zelf aangeeft dichter bij de inwoner kunnen staan. U hoort graag wat de definitie van dichterbij precies is. Verder vindt u het belangrijk dat de teams en de coördinatie in de drie gemeenten zoveel mogelijk hetzelfde worden ingericht. Een visie is een droombeeld van de toekomst, ondersteund door kernwaarden. De visie geeft richting aan waar wij naar toe werken. Gezien de financiële druk op gemeenten is ervoor gekozen een ‘smallere’ visie te formuleren: een visie waaruit blijkt wat wij belangrijk vinden en waar we prioriteit aan geven. Dit moet bijdragen aan het maken van keuzes over waar de gemeenteraden welke budget beschikbaar voor stellen. De wijkteams (hierna lokale teams) hebben een grote rol in het sociaal domein en de beheersing van kosten. Door ons daarop te focussen sluiten wij aan bij de landelijke ontwikkelingen zoals de Hervormingsagenda Jeugd.
Door te investeren in de teams, verwachten we op de lange termijn minder kosten te hebben voor specialistische zorgen ondersteuning. ‘Dichtbij’ betekent minimaal binnen de gemeentegrenzen, op zichtbare en toegankelijke plekken: daar waar de inwoner met de hulpvraag komt of kan komen. Het advies over uniformiteit bij de inrichting van de teams nemen wij mee in het vervolgvraagstuk over lokale teams en toegang.
•
U schrijft dat u rondom jongeren leest dat er gewerkt gaat worden met preventieve teams die dichter bij hen staan. Wordt hiervoor eerst een pilot opgezet om te toetsen of deze aanpak in de praktijk ook echt werkt? Zijn dit dan experimentele pilots, zoals wijkteams in buurthuizen? De wijze waarop wij uitvoering gaan geven aan de visie volgt in het uitvoeringsplan. Vraagstukken als pilots, monitoring e.d. worden dan uitgewerkt.
•
Daarnaast mist u in de visie aandacht voor nazorg. Er wordt gesteld dat inwoners na een behandelingstraject weer op eigen kracht hun leven moeten kunnen oppakken. U geeft aan dat juist nazorg essentieel is om te voorkomen dat mensen terugvallen en opnieuw gebruik moeten maken van preventieve of zelfs specialistische zorg. Ook de commissie Van Ark benadrukte eerder dat afgeronde trajecten vaak lastig opnieuw op te bouwen zijn, waardoor het risico ontstaat dat jongeren bij vervolgvragen opnieuw op een wachtlijst belanden. De term nazorg wordt niet nadrukkelijk genoemd in de visie sociaal domein. Maar is wel degelijk onderdeel van de rol die een regisseur van de gemeente heeft. Dit staat onder andere opgenomen in kernwaarde 3. Op basis van uw opmerking is de volgende zin opgenomen bij kernwaarde 3: De regisseur biedt ook ‘nazorg’, zo voorkomen we terugval of opnieuw gebruik van de sociale basis of specialistische zorg en ondersteuning.
•
U schrijft dat u in de visie leest dat het nieuwe team Stevige Lokale Toegang mag doorverwijzen. Uw vraag is onder welk mandaat zij dit doen. Betreft dit een formele doorverwijzing met krachtig mandaat, of slechts een advies richting bijvoorbeeld een medisch specialist of huisarts? Allereerst komen er geen nieuwe teams. Op basis van de Hervormingsagenda Jeugd is er voor gekozen de huidige wijkteams in het vervolg “stevige lokale teams en toegang” te noemen. Met doorverwijzen wordt in dit geval niet het “autonoom doorverwijzen1”bedoeld zoals opgenomen in de Jeugdwet. Dit is enkel voorbehouden aan de autonoom verwijzers, zoals een medisch specialist, huisarts, Gecertificeerde Instelling. In het geval van de lokale teams en toegang gaat het in om iemand adviseren, verwijzen, begeleiden naar de juiste zorg vorm. De mandatering is geen onderdeel van deze visie.
•
U geeft aan benieuwd te zijn of er al gewerkt wordt aan een duidelijke fasering: welke onderwerpen worden als eerste uitgewerkt, en welke pas later? In hoofdstuk 5 zijn prioriteiten opgenomen. Verdere fasering volgt met het uitvoeringsplan.
•
Om te voorkomen dat jongeren, inclusief jongeren met een hoge zorgbehoefte, tussen wal en schip vallen door het tekort aan betaalbare woningen, adviseert u dat woonzekerheid expliciet wordt meegenomen binnen het sociaal domein. Woonzekerheid is immers een belangrijke voorwaarde voor bestaanszekerheid, maatschappelijke participatie en het welzijn van jongeren. De samenwerking met woningcorporaties verdient in dit kader extra aandacht. Gemeenten en corporaties zouden gezamenlijk moeten zorgen voor toegankelijke sociale huur, tijdelijke of flexibele woonvormen, en een goed systeem van monitoring en vroegtijdige signalering van jongeren die risico lopen op woononzekerheid, met speciale aandacht voor jongeren die intensieve begeleiding nodig hebben. Door deze aspecten op te nemen, sluit de visie sociaal domein beter aan bij de praktijk van jongerenhuisvesting en de preventieve rol van het sociaal domein. Wij onderschrijven de urgentie van woonzekerheid, niet alleen voor jeugdigen, maar voor alle (kwetsbare) doelgroepen in de samenleving. Daarom hebben wij in de visie ook opgenomen dat bestaanszekerheid het fundament is en meer aandacht verdient. Echter kunnen wij woonzekerheid niet in die bewoordingen opnemen in de visie. Wij zijn van veel krachten afhankelijk, die maken dat wij de belofte mogelijk niet waar kunnen maken De gemeenten gaan niet direct over woonzekerheid.
Uiteraard streven we ernaar dat iedereen -zoveel als mogelijk- toegang heeft tot passende huisvesting.
•
Hoewel het belangrijk is om inzicht te hebben in resultaten, bestaat het risico dat dit leidt tot extra administratieve druk voor hulpverleners. Heeft de gemeente dit onderkend, en zo ja, hoe wordt dit voorkomen? We onderschrijven het risico en willen vooral in gesprek blijven met onze partners over de monitoring en sturing. Het moet gezamenlijk iets opbrengen wat ten goede komt aan de inwoners. Monitoren en sturen is altijd een balans zoeken tussen informatie verkrijgen en de administratieve lasten. Daarom denken we aan de voorkant goed na over ‘wat’ we willen weten en met ‘welk’ doeleinde. Dit kan resulteren in wat meer werk, maar draagt bij aan de kwaliteit van zorg en ondersteuning voor inwoners.
1 Verwijzers die in het kader van de Jeugdwet direct mogen verwijzen naar specialistische jeugdhulp zonder
tussenkomst van gemeenten. Het gaat bijvoorbeeld om huisartsen, medisch specialisten, Gecertificeerde Instellingen.
2/3
Hopende u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
3/3