CConstaterende datStede Broec
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Toelichting en Regels bestemmingsplan Zesstedenweg 91 AANGEPASTE VERSIE

Gemeenteraad 27 maart 2025, gemeente Stede BroecBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Zesstedenweg 9125.136 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In de toelichting van een bestemmingsplan moet voortaan het volgende worden opgenomen: Een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierdoor dienen cultuurhistorische waarden dus uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied, dus niet alleen de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. Dit is één van de pijlers van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). De Rijksdienst helpt gemeenten om hieraan te voldoen met de Handreiking erfgoed en ruimte. Hierin staat hoe gemeenten zo'n inventarisatie en analyse kunnen uitvoeren. Ook wordt in deze handreiking aangegeven op welke wijze gemeenten cultuurhistorische waarden kunnen opnemen in een bestemmingsplan, compleet met voorbeeldbepalingen. Gemeentelijk archeologiebeleid De herziene Monumentenwet verplicht gemeenten om 'rekening te houden met aanwezige of te verwachten archeologische waarden'. Het bestemmingsplan staat hierbij centraal. Hierin worden bouwen aanlegvoorschriften opgenomen.

Indien belangrijke archeologische waarden als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen niet in de bodem behouden kunnen blijven, dient de informatie te worden veiliggesteld d.m.v. een opgraving. De Monumentenwet gaat hierbij uit van een algemene vrijstelling voor ingrepen tot 100 m2, maar biedt de gemeente ook de nodige beleidsruimte om haar eigen afweging te maken. De gemeente Stede Broec wil van deze mogelijkheid gebruik maken.

31

Archeologie West-Friesland heeft voor de gemeente Stede Broec een archeologische beleidskaart ontwikkeld. De beleidskaart archeologie met toelichting is op 9 december 2019 vastgesteld door de gemeenteraad. Op de beleidskaart archeologie is aangegeven waar de bekende archeologische waarden zich bevinden en welke archeologische verwachtingen er zijn. De waarden en verwachtingen zijn gecombineerd met een beleidsadvies per zone. Voor de beleidskaart zijn onder andere bodemkaarten gebruikt om de archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de prehistorie nader te specificeren. De waarde en begrenzing van de historische dorpslinten is onder andere aan de hand van verschillende historische kaarten en de bodemkaart van Ente nader gespecificeerd. Volgens de beleidskaart ligt het plangebied deels in een zone met een hoge archeologische waarde voor vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Hier is een vrijstellingsgrens van 100 m2 aan verbonden. Voor het zuidelijk deel wordt een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de prehistorie aangehouden, waar een vrijstellingsgrens van 1.000 m2 aan is gekoppeld. Ter bescherming van de archeologische waarden kunnen burgemeester en wethouders, als daar op basis van een archeologisch onderzoek aanleiding toe bestaat, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Daarnaast is een omgevingsvergunning vereist voor werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd. De bescherming van archeologische waarden wordt geregeld via een dubbelbestemming. Deze dubbelbestemmingen gelden voor die locaties die op basis van de Beleidskaart Archeologie een hoge archeologische waarde of een hoge archeologische verwachting hebben.

De ligging van het plangebied (zwarte stippellijn) op de beleidskaart archeologie van de gemeente Stede Broec.

4.1.2

Situatie plangebied

Archeologie

32

Voor het plangebied is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Plangebied Zesstedenweg 91 en 105 te Grootebroek, RAAP, 23-03-2022, Bijlage 1). Uit dit onderzoek komen een aantal zaken naar voren: Op meer dan 12 m diepte bestaat een kans op de aanwezigheid van tijdelijke kampementen uit de tijd van jagers-verzamelaars uit de ijstijd en daarna. Dit niveau zal niet worden geraakt door de uitvoering van de plannen. Op 1,4 tot 2 m diepte – en mogelijk ondieper – kunnen resten van bewoning op de flank van een getij-inversierug uit het laat-neolithicum en de bronstijd worden aangetroffen. In het noorden van het plangebied zijn resten van bebouwing uit de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd aanwezig. In het zuiden van het plangebied bestaat een kans op de aanwezigheid van resten van bijgebouwen, water- en beerputten en daliegaten uit deze periode. Archeologie West-Friesland heeft als adviseur van het bevoegd gezag op 23-05-2023 het bureauonderzoek beoordeeld en een archeologisch advies opgesteld. Het eerder door RAAP geformuleerde advies wordt deels overgenomen door de adviseur van de gemeente. Nader archeologische onderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg is noodzakelijk, maar de keuze voor een verkennend booronderzoek wordt niet onderschreven.

Geadviseerd wordt om een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven (BRL SIKB 4003) uit te laten voeren. Als leidraad voor het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen (BRL SIKB 4001) te worden opgesteld dat vervolgens aan het bevoegd gezag ter goedkeuring wordt voorgelegd. De kosten van een dergelijk onderzoek zijn, conform de Erfgoedwet (hoofdstuk 9 § 1), voor rekening van de initiatiefnemer. Tot in ieder geval na uitvoering van het archeologisch onderzoek wordt voor de gronden een dubbelbestemming Waarde-Archeologie opgenomen in het bestemmingsplan. Bij het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, wordt door de aanvrager een rapport overlegd waarin: a. de archeologische waarden van de gronden, die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord, in voldoende mate zijn vastgesteld; en b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.

Cultuurhistorie De provincie Noord-Holland hecht veel waarde aan de cultuurhistorische waarden van de ruimte. Hiervoor heeft de provincie de leidraad Landschap en Cultuurhistorie opgesteld. Het plangebied ligt in het sterk verstedelijkte oude lint Streekweg-Hoofdstraat. Door de ligging van het plangebied midden in de bestaande bebouwing heeft het geen gevolgen voor de openheid van het landschap. De structuur van het lint wordt door de ontwikkeling niet aangetast. In het lint komen op meerdere plekken al zijstraten voor waaraan woningen liggen. De al van oudsher voorkomende watergang langs de rand van het plangebied blijft behouden. De kwaliteit van het plangebied en daarmee de omgeving neemt toe met de ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. 4.1.3

Conclusie

Voor de gronden wordt een dubbelbestemming Waarde - Archeologie opgenomen. Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.

33

4.2

Bedrijven en milieuzonering

4.2.1

Wet- en regelgeving

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die in een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere activiteiten moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en worden bedrijven niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden. Voor het bepalen van de milieuzonering is gebruikgemaakt van de handreiking Bedrijven en milieuzonering (maart 2009) van de VNG. Richtafstanden gelden ten aanzien van de hinderaspecten geluid-, stof- en geurhinder en gevaar en kunnen worden gezien als de afstand waarbij onaanvaardbare hinder van een milieubelastende activiteit voor gevoelige functies kan worden uitgesloten. In gebieden waar een menging van functies voorkomt, wordt uitgegaan van een kleinere richtafstand.

4.2.2

Situatie plangebied

Het plangebied is volgens de VNG-systematiek te typeren als een rustige woonwijk. In omgeving van het plangebied bevinden zich voornamelijk woningen. Langs de Zesstedenweg komen naast woningen ook andere functies en bestemmingen voor. In de omgeving van het plangebied bestaan deze vooral uit een winkel, een cafetaria en een schoonheidssalon/kapper. De richtafstand van deze functies is 10 meter. De afstand van de dichtstbijzijnde functie, de schoonheidssalon, tot de bedrijfswoning die naar reguliere woning omgezet wordt is 15 meter. Daarmee is de afstand groter dan de richtafstand, voor de nieuwe woningen is deze afstand nog groter. Aan de zuidzijde van het plangebied, aan de overzijde van het spoor, ligt het bedrijventerrein Industrieweg met de bestemming Gemengd-1. Hierbinnen zijn planologisch bedrijven tot en met categorie 3 mogelijk. De grootste richtafstand voor bedrijven in deze categorie is 100 meter. De kortste afstand tussen het plangebied en deze functie is 200 m. Daarmee is er voldoende afstand tussen de bedrijven en de nieuwe woningen.

4.2.3

Conclusie

Uit oogpunt van milieuzonering is ter plaatse van de woningen in het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de bestaande bedrijven door de nieuwe woningen niet belemmerd in het bedrijfsuitoefening. Het aspect milieuzonering staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

34

4.3

Bodem

4.3.1

Wet- en regelgeving

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening is onderzoek noodzakelijk naar de bodemgesteldheid in het projectgebied. In de bouwverordening is wettelijk geregeld dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom moet bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld worden gebracht. Het bodemonderzoek mag niet meer dan vijf jaar oud zijn en moet een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op voor woningbouw geschikte grond te worden gerealiseerd.

4.3.2

Situatie plangebied

Voor de locatie heeft Landview Bodemonderzoek een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Verkennend bodemonderzoek Zessstedenweg 91 & 107 te Grootebroek, Landview Bodemonderzoek, 26 april 2022, Bijlage 2). Doelstelling van het onderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) ter plaatse van Zesstedenweg 91 & 107 te Grootebroek. Deellocatie 'Achter Zesstedenweg 91' Op de deellocatie achter Zesstedenweg 91 is een matige verhoging van lood in de ondergrond geconstateerd, terwijl in enkelvoudige monsters maximaal een lichte verhoging van lood is gemeten. In bovengrondse mengmonsters werden maximaal lichte verhogingen van andere onderzochte stoffen aangetroffen. Daarnaast werd een lichte verhoging van arseen in het grondwater uit peilbuis 1 vastgesteld. Tijdens het onderzoek werd zintuiglijk asbesthoudend plaatmateriaal op het maaiveld waargenomen, het gaat hierbij om hechtgebonden asbest. De ODNHN adviseert om dit door middel van handpicking te laten verwijderen. Aangezien een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) de bodem niet specifiek op asbest onderzocht, is een asbestonderzoek conform NEN 5707 noodzakelijk om de aanwezigheid van asbest in de bodem definitief uit te sluiten.

De overige verhogingen in de onderzochte stoffen op deze locatie zijn dusdanig gering of kunnen verklaard worden door omgevingsfactoren, waardoor er geen aanleiding is voor vervolgonderzoek. Deellocatie 'Zesstedenweg 91' Op de deellocatie Zesstedenweg 91 werd opnieuw een matige verhoging van lood geconstateerd in de bovengrondse mengmonsters. Grondmonster m29.3 toonde eveneens een matige loodverhoging tijdens aanvullend onderzoek, terwijl in andere grond(meng)monsters maximaal lichte verhogingen van de onderzochte stoffen werden aangetroffen. Het grondwater uit peilbuis 20 vertoonde een verhoging boven de interventiewaarde van arseen, maar bij herbemonstering werd slechts een lichte verhoging gemeten. Zintuiglijk werd er geen asbestverdacht materiaal op het maaiveld of in de bodem waargenomen, maar net als op de andere locatie is een asbestonderzoek conform NEN 5707 noodzakelijk om definitieve uitsluiting te bieden. Graafwerkzaamheden op beide terreindelen kunnen leiden tot beperkingen in het hergebruik van vrijkomende grond buiten de locatie, wat valt onder het Besluit Bodemkwaliteit. Deellocatie 'Zesstedenweg 107' Op de deellocatie Zesstedenweg 107 werd een verontreiniging tot boven de interventiewaarde met som PAK in de bovengrondse mengmonster mm1 vastgesteld.

Tijdens aanvullend onderzoek werden in grondmonsters m60 en m61 opnieuw verontreinigingen boven de interventiewaarde met som PAK

35

geconstateerd. In m61 werd ook een verontreiniging met lood gelijk aan de interventiewaarde vastgesteld, terwijl maximaal matige verhogingen van andere onderzochte stoffen in overige grond(meng)monsters werden aangetroffen. Er werden geen verhogingen in het grondwater aangetroffen. De hypothese dat de grond verhoogde gehalten verontreinigende stoffen bevat, werd bevestigd in het onderzoek. Er worden echter geen interventiewaarden overschreden. De hypothese dat in het grondwater geen verhoogde concentraties aanwezig zijn, behalve mogelijk van nature verhoogde concentraties, wordt in het onderzoek bevestigd. Tijdens het onderzoek werd geen asbestverdacht materiaal waargenomen in zintuiglijk onderzoek, maar net als op de andere locaties is een asbestonderzoek conform NEN 5707 noodzakelijk om definitieve uitsluiting te bieden. Gezien de plaatselijke overschrijding van interventiewaarden bestaat het mogelijke risico voor de volksgezondheid. Om dit risico te beoordelen en de ecologische en verspreidingsrisico's te evalueren, is in principe nader onderzoek noodzakelijk. Echter is op basis van de resultaten van het onderzoek de verontreinigingssituatie voldoende duidelijk. Er wordt geconcludeerd dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging op Zesstedenweg 107, aangezien in een bodemvolume van meer dan 25 m3 één of meer interventiewaarden worden overschreden.

Graafwerkzaamheden op deze locatie moeten worden beschouwd als saneringswerkzaamheden en moeten worden gemeld aan het bevoegd gezag, meestal de gemeente, volgens de voorschriften van het Besluit Uniforme Saneringen (BUS) of door indiening van een saneringsplan Wbb. Graafwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd door een aannemer met BRL 7000-certificering en moeten worden milieukundig begeleid volgens BRL 6000-certificering. Vanwege de geconstateerde verontreinigingen moeten graafwerkzaamheden op deze locatie worden uitgevoerd met extra veiligheidsmaatregelen onder toezicht van een veiligheidsdeskundige die de indeling in veiligheidsklasse conform CROW400 zal beoordelen. Hergebruik van grond buiten de locatie moet voldoen aan het Besluit Bodemkwaliteit, en grond met verontreinigingen boven interventiewaarden is niet geschikt voor hergebruik elders. Het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente, is verantwoordelijk voor de uiteindelijke toetsing en handhaving.

4.3.3

Conclusie

Om cijfermatig uit te sluiten of er asbest in de bodem aanwezig is, is uitvoering van een asbestonderzoek conform NEN 5707 noodzakelijk. Dit onderzoek wordt uitgevoerd na het slopen van de opstallen (waar asbest in is verwerkt). De aanwezige asbest op 'Achter Zesstedenweg 91' moet door middel van handpicking worden verwijderd. De sterke verontreiniging met PAK moet worden afgeperkt. Vervolgonderzoek voor de bodem is niet nodig. Wel dienen er tijdens de uitvoering sanerende en veiligheids maatregelen worden getroffen. Het aspect bodem staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

36

4.4

Ecologie

4.4.1

Wet- en regelgeving

Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming (WNB) van kracht. De Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet worden in deze wet geïntegreerd. In de WNB is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het bouwen van woningen of het dempen van wateren kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de WNB verkregen worden. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). De WNB regelt ook de gebiedsbescherming van Natura 2000 gebieden. De provincies kunnen ook andere gebieden aanwijzen vanwege landschappelijke en/of natuurlijke waarden, zoals het Natuur Netwerk Nederland (NNN).

In de bescherming worden ook de gevolgen van de stikstofdepositie door de geplande ontwikkeling op de beschermde gebieden meegenomen. In 2009 werd afgesproken het stikstofprobleem ‘programmatisch’ te gaan aanpakken. Dit heeft geleid tot ‘Programma Aanpak Stikstof’ (PAS). Met het PAS is ontwikkelingsruimte beschikbaar gesteld voor nieuwe economische ontwikkelingen. Tegelijkertijd zijn met het PAS maatregelen vastgesteld waarmee geborgd wordt dat de natuurlijke kenmerken van de natuurgebieden niet worden aangetast. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 is de basis voor het verlenen van vergunningen onder het PAS komen te vervallen. Vergunningen kunnen nu nog slechts kunnen worden verleend indien is aangetoond dat er géén sprake is van (een toename van) stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. Met het programma AERIUS Calculator wordt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en worden negatieve effecten uitgesloten.

In de WNB is daarnaast de bescherming van houtopstanden (bossen, rijenbeplantingen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen of beplantingen van bosplantsoenen) geregeld. Dit is van toepassing als er kap nodig is van een houtopstand die buiten de vastgestelde bebouwde kom houtopstanden ligt en die groter is dan 10 are (1.000 vierkante meter) of voor bomen in een rijbeplanting van 20 bomen of meer. Een belangrijke bepaling van de WNB is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”

37

4.4.2

Situatie plangebied

In het kader van de plan is ecologisch onderzoek uitgevoerd (Zesstedenweg 91 en 107 te Grootebroek Toetsing in het kader van de natuurwetgeving , Van der Goes & Groot, 07-03-2022, Bijlage 3).

Resultaten Gebiedsbescherming Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten eventuele indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Wnb of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Er is een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

Stikstof Omgevingsdienst Noord-Holland Noord heeft voor de realisatie van kleine woningbouwontwikkelingen, in elf gemeenten binnen het werkgebied van de omgevingsdienst, de stikstofdepositie berekent in de omliggende Natura 2000-gebieden (Stikstofdepositie woningbouw ODNHN, Sweco, 22 februari 2023, Bijlage 4). Bij eventuele vergunningsaanvraag voor woningbouw binnen deze gemeenten kunnen deze berekeningen van de stikstofdepositie worden gebruikt en hoeven hiervoor geen aparte berekeningen meer te worden aangeleverd. In dit rapport zijn de uitgangspunten en resultaten vastgelegd van de berekeningen en wordt voor de kleine woningbouwontwikkelingen inzichtelijk gemaakt of en waar significante negatieve effecten optreden in stikstofgevoelige habitattypen en/of stikstofgevoelige leefgebieden van soorten. Het plan ziet toe op de realisatie van 6 nieuwe woningen. De gemeente Stede Broec heeft een stikstofberekening laten uitvoeren voor de bouw- en de ingebruikname van maximaal 11 woningen, deze berekeningen zijn geprojecteerd op een stikstofkaart. Het plangebied bevindt zich in een groene zone (geen depositie bij de realisatie van 11 woningen, een project-specifieke berekening is daarom niet vereist). Bij de bouw van de woningen is rekening gehouden met de landelijke wetgeving om gasloos te bouwen.

Resultaten Soortenbescherming Op grond van de uitgevoerde natuuronderzoeken zijn de volgende conclusies getrokken: Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond be-schermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die

38

van Huismus, Gierzwaluw, Ransuil en Sperwer. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze vogelsoorten noodzakelijk. Worden tijdens vervolgonderzoek volgens geldende richtlijnen dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een ontheffings-aanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Voor incidenteel aanwezige kleine marterachtigen wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege de grootte van het plangebied en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving. De dieren kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor kleine marterachtigen. In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk. Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstand-aarden en/of Kennisdocumenten één of meer soorten vleer-muizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.

Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijk-baar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken.

Nader onderzoek Het nadere onderzoek is uitgevoerd door Vonk Ecologie (Nader onderzoek diverse soorten Zesstedenweg 91 en 107 te Grootebroek, Vonk Ecologie, 23-09-2023, Bijlage 5). De werkzaamheden hiervoor zij uitgevoerd tussen mei en september 2023. Er zijn tijdens deze periode geen verblijfplaatsen of nesten of overige functies voor de onderzochte soorten gesignaleerd in de te slopen bebouwing of in het achtergelegen groen. Hierdoor is het niet nodig om maatregelen te treffen. Er kan geen verstoring plaats vinden van vleermuizen, gierzwaluwen, roofvogels en uilen. In het kader van biodiversiteit kunnen er wel extra maatregelen worden getroffen voor diverse soorten.

4.4.3

Conclusie

Het aspect ecologie staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg. Voor de uit te voeren werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat er niet willens en wetens schade mag worden toegebracht aan beschermde natuurwaarden. Mochten tijdens de uitvoering beschermde soorten worden waargenomen, dienen maatregelen te worden getroffen om schade zoveel mogelijk te voorkomen.

4.5

Externe veiligheid

4.5.1

Wet- en regelgeving

Bij de invloed van de externe veiligheid binnen het bestemmingsplan wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico's door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico's door stationaire (inrichtinggebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico's door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden.

39

Er wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als de kans per jaar die een persoon op een bepaalde plaats heeft om dodelijk getroffen te worden door enig ongeval ten gevolge van een bepaalde activiteit, indien de persoon zich continu maximaal blootstelt aan de schadelijke gevolgen van het ongeval. Het groepsrisico betreft de kans per jaar dat een bepaald aantal personen dodelijk getroffen wordt door enig ongeval ten gevolge van een bepaalde activiteit, waarbij van de feitelijke omgevingssituatie wordt uitgegaan. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de Wet milieubeheer. Dit houdt onder meer in dat er sprake is van een resultaatsverplichting om te voldoen aan de norm. Voor het groepsrisico is geen wettelijke norm vastgelegd maar wordt uitgegaan van een oriënterende waarde. Dit houdt in dat er een inspanningsverplichting is om te voldoen aan de norm. Het bevoegd gezag kan zo nodig, mits gemotiveerd en na belangenafweging, afwijken van deze norm.

Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. De regelgeving zoals die in het Bevi is opgenomen, is gericht op het beperken van de risico's van een ongeval met gevaarlijke stoffen in inrichtingen (bedrijven) voor personen. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en de oriënterende waarde voor het groepsrisico zijn in het Bevi vastgesteld. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In het Bevb is bepaald dat er bij buisleidingen (veiligheids)zones aanwezig zijn. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet in werking getreden. In het Bevt staat de wet- en regelgeving, het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In het Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Verder worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.

4.5.2

Situatie plangebied

In de omgeving van het plangebied komen de volgende inrichtingen en situaties voor waar rekening mee gehouden moet worden vanuit het oogpunt van externe veiligheid: vuurwerkopslag aan de Industrieweg; LPG tankstation met vulpunt, gelegen aan de Raadhuislaan; opslag chloorbleekloog bij het zwembad De Kloet; spoorlijn Hoorn - Enkhuizen; buisleiding.

40

Uitsnede risicokaart (plangebied rood omkaderd), bron: www.risicokaart.nl

De Westfriese Vuurwerkhal ligt op 375 meter afstand van het plangebied. De vuurwerkopslag is geen Bevi-inrichting. Er ligt hier minder dan 10.000 kg vuurwerk opgeslagen. De veiligheidsafstand is 8 m. Gelet op de grote afstand tot het plangebied vormt deze functie geen belemmering voor het woningbouwplan. Het LPG tankstation met een vergunde jaardoorzet van meer dan 1.000 m³ ligt op 665 meter van het plangebied. De risicoafstand (PR 10-6) voor deze inrichting is 40 meter. De afstand tot de grens invloedsgebied verantwoording groepsrisico is 150 meter. Gelet op de grote afstand tot het plangebied vormt deze functie geen belemmering voor het woningbouwplan. De afstand tussen het plangebied en zwembad De Kloet is 740 meter. Bij het zwembad wordt natriumhypochloriet (chloorbleekloog) opgeslagen. De inhoud van de opslagtank is 2.700 liter. Hoewel een zwembad een inrichting is waar risicovolle activiteiten plaatsvinden, valt het niet onder het Bevi. Wel moet beoordeeld worden of sprake is van 'verhoogd gevaar' voor de bevolking, volgens de Leidraad Risico Inventarisatie, deel Gevaarlijke Stoffen (LRI-GS) omdat aan de opslag en behandeling van natriumhypochloriet gevaaraspecten zijn verbonden. Indien natriumhypochloriet in contact komt met een zuur ontstaat het giftige chloorgas. Volgens de LRI is dan ook sprake van een potentieel risicovolle inrichting.

Het invloedsgebied (1% letaal) ligt volgens de LRI bij een opslag tot 5.000 liter op 150 meter vanaf de opslag van het natriumhypochloriet. De afstand tussen de opslag en het plangebied is ruimschoots groter. Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen zijn een waarschuwing aan de bevolking om te schuilen (ramen en deuren sluiten) en evacuatie naar locaties buiten het invloedsgebied de belangrijkste taken van de brandweer en het bevoegd gezag. De spoorlijn ligt op 140 meter van het plangebied. De spoorlijn is niet opgenomen in het Basisnet Spoor. Er vindt geen transport van gevaarlijke stoffen die routeplichtig zijn plaats over deze spoorlijn. Een verantwoording van het risico is daarom niet nodig. Ten noorden van het spoor ligt een hogedruk aardgasleiding van de Gasunie (W-573-05). De leiding heeft geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6. Het invloedsgebied van het groepsrisico (1% letaliteitsafstand) bedraagt 140 meter. De kortste afstand tussen het plangebied en de buisleiding is 110 meter. Het plangebied ligt dus deels binnen het invloedsgebied. Het plangebied ligt buiten de 100%

41

letaliteitsafstand van 70 meter. In het gebied tussen de 1% en de 100% letaliteitcontour kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico zonder groepsrisicoberekening: Dit houdt in het aangegeven van de toename van de personendichtheid in het invloedsgebied als gevolg van de planontwikkeling en het vragen van advies aan de veiligheidsregio over rampbestrijding en zelfredzaamheid. Het scenario dat van toepassing is in het plangebied betreft een fakkelbrand. Dit kan optreden bij lekkage, scheur of breuk van een aardgastransportleiding. Vrijgekomen aardgas zal in brand vliegen en gepaard gaan met druk en hevige hitte-ontwikkeling in de vorm van een fakkelbrand. Personen kunnen hierdoor overlijden of brandwonden oplopen. Binnen het invloedsgebied worden 2 woningen gerealiseerd. De toename van de personendichtheid in het invloedsgebied is daarom zodanig gering dat er geen significante invloed is op het groepsrisico. In het kader van de standaard verantwoording wordt ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid bij dit scenario.

Bestrijdbaarheid Bij een fakkelbrand zijn alleen de gevolgen bestrijdbaar. De bestrijdbaarheid van de ramp wordt door het plan niet beïnvloed. Waarschuwen voor dit scenario is niet mogelijk. Preventieve maatregelen zijn beperkt mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van bouwkundige oplossingen (bestendigheid tegen hitte). De omvang van de ramp wordt door het plan beperkt beïnvloed, maar blijft van gelijk orde van grootte. De primaire bluswatervoorziening is aanwezig en tweezijdig aanrijden door hulpdiensten is mogelijk. Het plan voldoet hiermee aan de beginselen van rampbestrijding bij dit scenario.

Zelfredzaamheid Binnen het plangebied zullen personen aanwezig zijn die zelfredzaam zijn. Verwacht wordt, dat personen in het plangebied verglijkbaar zelfredzaam zijn met de doorsnede van de Nederlandse bevolking. Daarnaast is de hoofdontsluitingsroute vanuit het plangebied van de risicobron af gericht. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn daarmee goed te noemen.

4.5.3

Conclusie

Omdat het plangebied gelegen is binnen het invloedsgebied van risicovolle activiteiten is de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen met betrekking tot hulpverlening en zelfredzaamheid in geval van een calamiteit. De veiligheidsregio heeft in een schriftelijke reactie laten weten dat externe veiligheid geen belemering vormt voor het planvoornemen. Het aspect externe veiligheid leidt niet tot een belemmering voor het plan.

4.6

Geluid

4.6.1

Wet- en regelgeving

Wet geluidhinder De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) alsook de Luchtvaartwet. De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Met de invoering van geluidproductieplafonds voor hoofd(spoor)wegen op 1 juli 2012 geldt de Wgh niet meer voor de aanleg/wijziging van hoofd(spoor)wegen, maar nog wel voor de bouw van gevoelige bestemmingen

42

langs deze wegen. De Wet geluidhinder heeft een sterk verband met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Anders dan de naam van de Wet geluidhinder misschien suggereert, worden niet alle milieugerichte geluidsaspecten in de Wet geluidhinder geregeld. Volgens de Wet geluidhinder dient te worden getoetst aan de regelgeving en de grenswaarden van de Wet geluidhinder. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet hoger zijn dan de voorkeurgrenswaarde. Als de geluidbelasting op de gevel wel hoger is dan de voorkeurgrenswaarde, kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van hogere waarden. Hierbij mag de geluidsbelasting de uiterste grenswaarde echter niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen kunnen per geluidsbron verschillen. Om voor vaststelling van een hogere grenswaarde in aanmerking te kunnen komen, moet aan de volgende wettelijke eis worden voldaan: het moet om een situatie gaan waarbij maatregelen om het verwachte geluidsniveau terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard stuiten.

Wegverkeerslawaai Langs alle wegen bevinden zich als gevolg van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, behalve bij woonerven en 30 km-gebieden. Nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen, binnen zones van wegen moeten worden getoetst aan de Wgh (artikel 74). De breedte van de zone langs wegen is afhankelijk van de ligging van een weg (in stedelijk gebied of buitenstedelijk) en van het aantal rijstroken, zie onderstaande tabel.

Bij nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen is akoestisch onderzoek nodig. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen bedraagt veelal 48 dB(A). De uiterste grenswaarde bedraagt binnen de bebouwde kom 63 dB(A). Buiten de bebouwde kom bedraagt de uiterste grenswaarde 53 dB(A).

Spoorweglawaai De zonebreedte bij spoorwegen is volgens art. 106b van de Wet geluidhinder afhankelijk van het aantal sporen en de intensiteit van het gebruik. Bij nieuwe/gewijzigde geluidsgevoelige bestemmingen in de zone moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde bedragen respectievelijk 55 en 68 dB(A).

Industrielawaai Rond industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van bedrijven, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, de zogenaamde grote lawaaimakers, moet op grond van art. 41 van de Wet geluidhinder een geluidzone worden vastgesteld. In deze zone gelden regels ten aanzien van nieuwbouw van geluidsgevoelige bestemmingen. Door middel van zonebeheer moet worden voorkomen, dat de geluidbelasting ten gevolge van de geluidemissie van de bedrijven gezamenlijk buiten de zone hoger wordt dan de voorkeursgrenswaarde. Binnen de zone moeten zo nodig maatregelen worden getroffen en kan voor de geluidsgevoelige bestemmingen een hogere waarde worden

43

vastgesteld. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde bedragen respectievelijk 50 en 60 dB(A).

4.6.2

Situatie plangebied

Voor het plangebied is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Akoestisch onderzoek Zesstedenweg 91 en 107 te Grootebroek, Aveco de Bondt, 28-03-2022, Bijlage 6). Op de percelen Zesstedenweg 91 en 107 te Grootebroek worden, nadat de bestaande bebouwing is verwijderd, woningen ontwikkeld. Het plan gaat uit van vier vrijstaande woningen en twee patiowoningen. Het plangebied bevindt zich binnen de wettelijke geluidzone van de spoorlijn Hoorn-Enkhuizen. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 44 dB, ruimschoots lager dan de wettelijke voorkeurswaarde van 55 dB. Daarnaast ligt het plan nabij een aantal 30 km/uur-wegen. De geluidbelastingen als gevolg van deze wegen zijn inzichtelijk gemaakt in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Uit de berekeningen volgt dat de geluidbelasting vanwege de Zesstedenweg, Fuut en Waterhoen respectievelijk ten hoogste 38 dB, 23 dB en 28 dB bedraagt. Dit is ruimschoots lager dan de wettelijke voorkeurswaarde van 48 dB. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelastingen als gevolg van zowel rail- als wegverkeerslawaai ruimschoots lager zijn dan de wettelijke voorkeurswaarden. De conclusie is dat, uit het oogpunt van geluid, ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het stedenbouwkundig plan is sinds dat het onderzoek is uitgevoerd verandert.

Qua positionering zijn de geluidsgevoelige objecten verwaarloosbaar verandert. Het akoestisch onderzoek is hieromtrent nogsteeds actueel.

4.6.3

Conclusie

Het aspect geluid staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg. Een goed akoestisch binnenklimaat wordt door maatregelen aan de woning gewaarborgd.

4.7

Luchtkwaliteit

4.7.1

Wet- en regelgeving

De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Met de nieuwe Wet luchtkwaliteit en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. Gelijktijdig met het in werking treden van de nieuwe Wet luchtkwaliteit is de AMvB 'Niet in betekende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriele regeling 'niet in betekende mate' (Regeling NIBM) in werking getreden. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een project draagt niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bij aan de concentraties fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Projecten die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn onder andere: 1. Woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000

44

nieuwe woningen bij twee ontsluitingswegen; 2. Kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen; 3. Bepaalde landbouwinrichtingen en spoorwegemplacementen . Bovenstaande projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

4.7.2

Situatie plangebied

In het plangebied wordt de bouw van maximaal 6 woningen mogelijk gemaakt. Het valt daarmee onder de projecten die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging (woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen). Er is geen sprake van verslechtering van de luchtkwaliteit ter plekke. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt inzicht gegeven in de luchtkwaliteit binnen het plangebied. In de beheersverordening 'Kom Stede Broec' wordt aangegeven dat er binnen de gemeente geen overschrijdingen zijn op het gebied van luchtkwaliteit. Ook uit de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) - een webapplicatie die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort - blijkt dat direct langs de maatgevende wegen ruimschoots aan de grenswaarden uit de Wlk wordt voldaan. Op de kaart van de luchtkwaliteit van het RIVM (www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat het plangebied binnen de grenswaarden blijft. De luchtkwaliteit zal in de komende jaren verbeteren door het effect van maatregelen die met name op rijksniveau zijn doorgevoerd. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan schonere auto’s, verplichten van roetfilters op vrachtwagens en nieuwe auto’s en het stellen van strengere eisen aan de industrie. Er is uit het oogpunt van luchtkwaliteit dan ook sprake van een goed woon- en leefklimaat.

4.7.3

Conclusie

Het onderhavige plan voldoet aan de Wet luchtkwaliteit en er zijn op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmeringen te verwachten.

4.8

Waterparagraaf

4.8.1

Wet- en regelgeving

Sinds 1 november 2003 is de watertoets een verplicht onderdeel van een ruimtelijk plan. Het doel van het watertoetsproces is om in een zo vroeg mogelijk stadium rekening te houden met water in ruimtelijke plannen en besluiten. In de startovereenkomst Waterbeleid voor de 21e eeuw en in het Nationaal Bestuursakkoord Water hebben de gezamenlijke overheden bepaald dat water een sturend principe moet zijn in de ruimtelijke ordening. Hierbij wordt het waterneutraal principe gehanteerd. Concreet houdt dit in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij het verhard oppervlak toeneemt en/of waarbij het waterbergend vermogen afneemt, er maatregelen worden getroffen om de negatieve effecten op te kunnen heffen. Uitgangspunt is dat dit plaatsvindt in het plangebied. Daarnaast is er het Deltaprogramma 2015: Nederland veilig en leefbaar in de 21e eeuw, een nationaal programma met beslissingen en strategieën die Nederland de komende decennia moeten beschermen tegen hoogwater en moeten zorgen voor voldoende zoetwater. Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten gaan aan de slag om Nederland robuuster in te richten en de extremen van het klimaat veerkrachtig op te vangen. Voor nieuwbouw is hierbij van belang het punt ruimtelijke inrichting: alle

45

overheden gaan gezamenlijk en systematisch aan het werk om de bebouwde omgeving bij (her)ontwikkeling beter bestand te maken tegen hitte, droogte, wateroverlast en eventuele overstromingen. Dit betekent steden en dorpen waterbestendig inrichten en het water waar nodig de ruimte te geven. In 2050 moet heel Nederland meer klimaatbestendig zijn ingericht.

4.8.2

Situatie plangebied

Verantwoordelijk voor het waterbeheer in het plangebied is Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Het Hoogheemraadschap heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen Voor het opstellen van het bestemmingsplan de watertoets ingevuld (d.d. 24 februari 2022, Bijlage 7). Hierbij is aangegeven dat de korte procedure doorlopen moet worden.

Watercompensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. Om deze effecten, zoals versnelde waterafvoer, te nivelleren dient nieuw verhard oppervlak gecompenseerd te worden door extra wateroppervlak, berekend op basis van de toename van het verharde oppervlak. De berekening van de watercompensatie is:

Bestaande situatie: Bebouwing

2.207 m²

Infrastructuur

1.121 m²

Totaal

3.328 m²

Nieuwe situatie Bebouwing (incl. nieuwe loods)

1.092 m²

50% resterend uitgeefbare kavel

1.765 m²

Infrastructuur

1.149 m²

Totaal

4.006 m²

Er is sprake van een toename van de verharding met 678 m².

Daarnaast ontstaat er door het verbreden van de watergang en het tot een geheel maken van het eiland 46

een aanpassing in de bestaande waterstructuur. Hierbij wordt water gedempt en extra aangelegd. Het gedempte water moet voor 100% gecompenseerd worden. Te dempen water

199,6 m²

Nieuw te graven water

620,1 m²

Toename wateroppervlak

420,5 m²

Er is toename van het wateroppervlak en de verharding. Er dient compensatie uitgevoerd te worden voor de toegenomen verharding. Dit dient 10%, oftewel 67,8m² te zijn. Met de realisatie toename van 420,5m² wateroppervlak wordt hier ruimschoots aan voldaan. De watergang is overal verbreed tot minstens 6 meter breed.

De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Regenwater van schoon verhard oppervlak kan geloosd worden op het oppervlaktewater en belast daarmee niet de afvalwaterzuivering. Bij afkoppeling is het noodzakelijk om gebruik te maken van duurzame materialen. Voor het plangebied is uitgegaan van een afkoppeling van het hemelwater (HWA), zowel van de openbare weg als van de bebouwing. Dit zal worden geloosd op het oppervlaktewater. Doelstelling is om zo veel mogelijk van het verharde oppervlak niet aan te koppelen. Voor de riolering wordt uitgegaan van de aanleg van een gescheiden stelsel.

Keur Elk waterschap stelt een keur vast waarin de gebods- en verbodsbepalingen zijn opgenomen die het waterschap nodig oordeelt ter uitvoering van zijn taak: de waterstaatkundige verzorging van het beheersgebied. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier zorgt voor voldoende en schoon water in de sloten en meren van Noord-Holland ten noorden van het Noordzeekanaal. Om dat doel te bereiken stelt het hoogheemraadschap eisen aan het onderhoud van de wateren. Het is van belang dat de wateren blijven bestaan, de juiste afmetingen hebben en worden onderhouden. De legger is onlosmakelijk verbonden met de Keur Hoogheemraadschap Holland Noorderkwartier en algemene regels bij de keur. In de keur staat wat er wel en niet mag en wat moet. In de legger staat waar de keur van toepassing is en is gedetailleerd vastgelegd wie wat in hoeverre moet onderhouden.

47

Uitsnede leggerkaart Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (plangebied rood omkaderd) bron: www.hhnk.nl

Primair zijn de wateren die van belang zijn voor de aan- en afvoer van water en waterberging op regionaal en polderniveau. Het zijn wateren met een belangrijke publieke functie. Secundair is een stelsel van wateren die van belang zijn voor de aan- en afvoer van water en waterberging op perceelniveau met diverse belanghebbenden. Wateren dus met een beperkte publieke functie. In de Legger Wateren is beschreven wie onderhoudsplichtig is. De primaire wateren worden over het algemeen onderhouden door het hoogheemraadschap zelf; dit betreft dan het buitengewoon onderhoud, het onderhoud nat en het baggeren. De secundaire en tertiaire wateren worden onderhouden door de aanliggende eigenaren. De wateren rondom het plangebied secundaire waterlopen. Deze waterlopen hebben in het bestemmingsplan de bestemming 'Water' gekregen. In de regels bij deze bestemming wordt aangegeven dat voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde, in of aan het water de waterbeheerder schriftelijk een positief advies moet hebben uitgebracht.

Waterkwaliteit en riolering In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI). Hierbij geeft het HHNK het advies om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen. Voor het afvalwater wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering.

48

4.8.3

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9

Kabels en leidingen

In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van kabels en leidingen die ruimtelijke relevantie hebben en/of van belang zijn in het kader van beheer, externe veiligheid of gezondheidsrisico's. Ten zuiden van het plangebied ligt, zoals in paragraaf 4.5 aangegeven, de hogedruk aardgasleiding van de Gasunie. Dit heeft echter geen gevolgen voor de voorgenomen wijziging. Voor het overige zijn er geen kabels en leidingen van belang voor het bestemmingsplan.

Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.10

Milieueffectrapportage

4.10.1 Wet- en regelgeving Per 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. Een belangrijk nieuw element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevals-definities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Onderdeel C van het Besluit m.e.r. wijst de activiteiten en gevallen aan waarvoor een directe m.e.r.-plicht geldt. In dit onderdeel staan de activiteiten benoemd die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Onderdeel D van het Besluit m.e.r. bevat grotendeels dezelfde activiteiten als onderdeel C. Een belangrijk verschil zit in de gevallen (kolom 2) waarop de activiteit betrekking heeft. De drempelwaarden die in kolom 2 'gevallen' aangegeven staan, zijn in onderdeel D lager dan in onderdeel C. Voor deze activiteiten, die boven de drempelwaarden van onderdeel D, maar beneden die van onderdeel C vallen, geldt niet een directe m.e.r.-plicht, maar een m.e.r.-beoordelingsplicht. In deze m.e.r.-beoordelingsplicht moet het bevoegd gezag beoordelen of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Voor activiteiten die beneden de indicatieve drempelwaarden van onderdeel D vallen dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden aan de hand van de criteria uit Bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r., om te bepalen of (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen op kunnen treden.

Als uit deze vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen mogelijk zijn geldt voor plannen, die deze activiteiten mogelijk maken, geen directe (plan-)m.e.r.-plicht. Op 7 juli 2017 is een wetswijziging van het Besluit milieueffectrapportage inwerking getreden. Deze wijziging heeft onder meer tot gevolg dat het bevoegd gezag ook bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling hierover een expliciet besluit moet nemen: het m.e.r.-beoordelingsbesluit.

4.10.2 Situatie plangebied Het plan voorziet in de bouw van maximaal 6 woningen, een toename ten opzichte van de bestaande situatie. Dit valt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage onder: 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterrein'. De drempelwaarden voor een m.e.r.- plichtige activiteit zijn hierbij: Een oppervlakte van 100 hectare of meer, Een aaneengesloten gebied dat 2000 of meer woningen omvat, of

49

Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Met de bouw van maximaal 6 woningen wordt hier ruimschoots onder gebleven. Het plan is daarmee niet planMER-plichtig, maar er dient een vormvrije m.e.r. -beoordelingsbesluit genomen te worden. Voor het bestemmingsplan is een aanmeldnotitie opgesteld (Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling, Vollmer & Partners, 24-01-2023, Bijlage 8), met daarin de informatie op basis waarvan het bevoegde gezag het m.e.r.-beoordelingsbesluit kan nemen. Uit de aanmeldingsnotitie en in de voorgaande paragrafen is het milieubelang van deze ontwikkeling in voldoende mate afgewogen. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van onderhavig plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Het plan is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen nadelige effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat wordt voldaan aan de geldende wet- en regelgeving. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er geen noodzaak is voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure en het opstellen van een milieueffectrapport (MER) voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10.3 Conclusie De omvang van het project ligt ver onder de drempelwaarde. De kenmerken van de activiteiten (herinrichting van het gebied en bouw van de woningen) en de mogelijke gevolgen voor het milieu als gevolg van deze activiteiten geven geen aanleiding voor een milieueffectrapportage.

50

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische vormgeving

Plansystematiek

Het bestemmingsplan is opgezet volgens de landelijke Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012). Het vaststellen van een digitale versie is per 1 januari 2010 verplicht. De digitale versie is de juridisch bindende versie. Er blijft een analoge (papieren) versie van het bestemmingsplan naast het digitale plan bestaan.s Bestemmingsplan '' bestaat uit een verbeelding, de regels (inclusief bijlagen) en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden opgenomen en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de analoge verbeelding heeft geen juridische betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/GBKN ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. Bij eventuele verschillen tussen de digitale en analoge verbeelding is de digitale verbeelding juridisch bindend.

De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan '' zijn opgebouwd conform de door het SVBP 2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en ten slotte de overgangs- en slotregels.

5.2

Opzet en toelichting van de planregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels In de inleidende regels zijn alle gehanteerde begrippen nader omschreven (artikel 1). Ook is omschreven hoe er gemeten dient te worden (artikel 2). Door het geven van begripsomschrijvingen en aanwijzingen voor het meten, wordt de interpretatievrijheid verkleind en daardoor de duidelijkheid en rechtszekerheid vergroot.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In de artikelen 3 t/m 7 is, per artikel, een bestemmingsomschrijving gegeven en zijn de bouwregels opgenomen. De bestemming 'Groen' (artikel 3) omvat de groene openbare ruimte van het plangebied. De bestemming 'Verkeer-Verblijfsgebied' (artikel 4) heeft betrekking op de nieuwe ontsluitingsweg ten behoeve van de bereikbaarheid van de nieuwe woningen door het plangebied. Het gaat hier in de hoofdzaak om bestemmingsverkeer. Daarnaast wordt ook de aansluiting op de Waterhoen voor langszaamverkeer binnen deze bestemming opgenomen. Binnen deze bestemming is de mogelijkheid opgenomen voor de aanleg van voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en water. De waterloop in het plangebied is opgenomen binnen de bestemming 'Water' (artikel 5). Hierbinnen worden de doorvaarbare bruggen en/of duikers met een aanduiding aangegeven.

51

Met de bestemming 'Wonen' (artikel 6) worden de woningen mogelijk gemaakt. Dit artikel regelt de nieuwe woningen met de daarbij behorende erven en daarnaast groenvoorzieningen, water, parkeervoorzieningen en paden. De hoofdgebouwen moeten binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak liggen. Op de verbeelding is de toegestane goot- en bouwhoogte voor de woningen aangegeven. De bestaande bedrijfswoning wordt ook binnen deze bestemming opgenomen, met de bestaande goot- en bouwhoogte. In de woonbestemming is de mogelijkheid, als recht, opgenomen om een beroepsmatige activiteit aan huis uit te oefenen, onder bepaalde voorwaarden. De woonbestemming dient hierbij uitgangspunt te blijven. Het aantal vierkante meters dat wordt gebruikt om het beroep uit te oefenen is daarom gemaximeerd. De mogelijke archeologische waarden zijn beschermd door het opnemen van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2' . De gronden zijn, naast het bepaalde in de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden.

Hoofdstuk 3 Algemene regels De algemene regels omvatten een anti-dubbeltelregel (artikel 8), algemene bouwregels (artikel 9), algemene gebruiksregels (artikel 10), algemene afwijkingsregels (artikel 11), algemene wijzigingsregels (artikel 12) en overige regels (artikel 13). In de algemene bouwregels is er ten aanzien van het bouwen een regeling opgenomen voor het overschrijden van bouw- en/of bestemmingsgrenzen tot maximaal 1 m. In de algemene gebruiksregels wordt aangegeven wat er onder strijdig gebruik wordt verstaan. De algemene afwijkingsregels geven aan welke algemene afwijkingen ten opzichte van het bestemmingsplan zijn toegestaan. De algemene wijzigingsregels maken het mogelijk wijzigingen in wettelijke regelingen op te vangen. In de overige regels zijn de regelingen met betrekking tot de parkeernorm opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15238003/1