20200924 t NL.IMRO.0532.BPhoofdstraat195-ON01
Tekst van het document
Fragment risicokaart externe veiligheid (plangebied is zwart omcirkeld)
Uit de risicokaart blijkt dat ten noordoosten het plangebied een risicovolle inrichting gevestigd is, namelijk C.N.B. Koel- en preparatiebedrijf. Bij dit bedrijf wordt gebruik gemaakt van een koelinstallatie met ammoniak. Deze inrichting heeft geen plaatsgebonden risicocontour. Mede gezien de omvang van het plan kan gesteld worden dat de afstand van het plangebied tot de inrichting voldoende is. Ten zuiden van het plangebied is op 300 m afstand tevens nog een aardgastransportleiding gelegen. Deze leiding heeft een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 0 m. Het invloedsgebied van groepsrisico bedraagt 140 m. Het plangebied ligt daarmee buiten het invloedsgebied van het groepsrisico. Verder neemt personendichtheid in het plangebied als gevolg van het plan zeer beperkt toe. Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.7 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 5.7.1 Generiek beleid Op Rijksniveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
25
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 5.7.2 Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Waterprogramma 2016-2021 Op 16 december 2015 is het Waterprogramma 2016-2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. In het Waterprogramma 2016 – 2021 wordt antwoord gegeven op de vragen:
• • •
Hoe wordt in de toekomst gezorgd voor veilige dijken, droge voeten en voldoende schoon en gezond water in Hollands Noorderkwartier? Welke benadering wordt daarvoor gekozen? Welke kosten en inzet gaan daarmee gepaard?
Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) presenteert in het Waterprogramma het beleid, de maatregelen, de programma's en de projecten die ze in de periode 2016 – 2021 gaan uitvoeren. Het Hoogheemraadschap bouwt voort op de regionale Deltavisie en verankert de landelijke Deltabeslissingen. Met het Waterprogramma wordt richting gegeven aan het waterbeheer tussen 2016 en 2021. Dat is nodig, want de klimaatverandering en de veranderende maatschappij dwingen tot aanscherping en heroverweging van onze keuzes. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Veranderende patronen in communicatie en participatie in de maatschappij vragen grotere betrokkenheid en intensievere dialoog met de partners en belanghebbenden. Bovendien zijn er steeds meer partijen betrokken bij het waterbeheer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Op 21 september 2016 is de 'Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2016' vastgesteld door het hoogheemraadschap. De regels in de keur zijn onder te verdelen in twee categorieën: gebodsbepalingen en verbodsbepalingen. Met de geboden worden derden verplicht het aan hen toegewezen onderhoud aan waterstaatswerken uit te voeren.
De verboden zijn er om te voorkomen dat wijzigingen worden aangebracht in waterstaatswerken, waardoor ze niet (goed) meer functioneren. Zo is het bijvoorbeeld verboden om
26
zonder toestemming van het hoogheemraadschap een steiger in het water aan te leggen of een sloot te dempen. De regels uit de keur zijn vastgelegd in het keurdocument. De legger uit dit keurdocument bepaalt waar de geboden en verboden uit de keur van toepassing zijn. 5.7.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Deze waterparagraaf zal ten tijde van de terinzagelegging van voorliggend bestemmingsplan aan het hoogheemraadschap voorgelegd worden. Planspecifiek Watercompensatie Een ruimtelijke ontwikkeling moet voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: het 'standstill beginsel'. Dit beginsel houdt in dat, als gevolg van een ontwikkeling, geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan.
Op grond van de Algemene regels bij de Keur geldt dat het aanbrengen van nieuw verhard oppervlak zonder vergunning is toegestaan indien de verhardingstoename minder dan 800 m² bedraagt, de aanleg van nieuw verhard oppervlak minder dan 10 % van het oppervlak van het desbetreffende peilvak beslaat en het desbetreffende watersysteem de toename van de piekafvoer kan verwerken. Het plangebied heeft een oppervlak van circa 950 m². In de huidige situatie is circa 250 m² bebouwing en circa 50 m² erfverharding aanwezig. De verhardingstoename zal daarmee nimmer meer dan 800 m² bedragen, waarmee watercompensatie als gevolg van een verhardingstoename niet aan de orde is. Omdat de parkeervakken met grastegels worden aangelegd, worden deze niet volledig als verharding gerekend. In het noordoosten van het plangebied wordt 5,3 m² water gedempt. Deze demping is vergunningplichtig. In overleg met het hoogheemraadschap zal bepaald worden welke vorm van compensatie benodigd is voor het dempen van de watergang Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het hoogheemraadschap over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn:
• • •
de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert; schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.
Het hemelwater wordt ontkoppeld en afgevoerd door het te laten infiltreren in de bodem. De afvoer van afvalwater vindt plaats via het gemeentelijk rioolstelsel. Digitale watertoets Voor het plan is advies aangevraagd in het kader van de digitale watertoets. Met de gegevens die zijn opgegeven is bepaald dat het plan een beperkte invloed heeft op de waterhuishouding. Hierdoor kan de korte procedure worden gevolgd voor de watertoets. Dit betekent dat de beperkte invloed van het plan op de waterhuishouding kan worden ondervangen met standaardmaatregelen.
27
5.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Er zijn een quickscan flora & fauna en een vervolgonderzoek (Vonk Groenservice, 19-289, 28 november 2019, zie bijlagen bij toelichting) uitgevoerd. In aanvulling hierop is voor de spreeuw en de gierzwaluw een rapportage (Vonk Groenservice, 19-289, 9 juli 2020, zie bijlagen bij toelichting) opgesteld. Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 1,4 km afstand. Dit betreft het Markermeer & IJmeer. Met AERIUS Calculator is berekend welk effect het beoogde plan in de aanleg- en bouwfase op het Natura 2000-gebied heeft. Uit de berekening blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Er vindt geen depositie plaats in één of meerdere Natura 2000-gebieden. De afstand tot het Streekbos, dat behoort tot het Natuurnetwerk Nederland, bedraagt circa 1 km. Er liggen geen weidevogelleefgebieden in de omgeving. Soortenbescherming Er is potentieel leefgebied voor de huismus en vleermuizen aanwezig in het te slopen pand. Om hierover zekerheid te krijgen is aanvullend onderzoek uitgevoerd. Uit het aanvullend onderzoek volgt dat er geen vaste verblijfsplaatsen van de huismuis zijn aangetroffen. Er is ook geen functioneel leefgebied voor de huismus aanwezig. In het pand zijn geen voortplantingsplaatsen, vaste rust- en verblijfsplaatsen en functioneel leefgebied van de vleermuis aangetroffen.
In de omgeving zijn voldoende alternatieve nestlocaties voor spreeuwen aanwezig. In het pand zijn geen voortplantingsplaatsen, vaste rust- en verblijfsplaatsen en functioneel leefgebied van de gierzwaluw aangetroffen. Het aanvragen van een ontheffing of vergunning Wet natuurbescherming is niet nodig. Met betrekking tot overige beschermde soorten zijn broedvogels van belang. Alle broedende vogels alsmede hun nesten zijn tijdens de broedperiode beschermd. Hiermee dient rekening gehouden te worden tijdens de sloop- en bouwfase.
5.9 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het
28
verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Archeologie West-Friesland heeft een archeologische quickscan (Archeologie West-Friesland, 19094, 23 mei 2019, zie bijlagen bij toelichting) uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de vrijstellingsgrens van 100 m² uit de concept-Beleidskaart archeologie wordt overschreden. Op basis van de bodemkaart geldt een hoge archeologische waarde voor de Middeleeuwen en de Bronstijd. De aanwezige ophogingspakketten vormen een goede bescherming voor de aanwezige archeologische waarden. Op basis van historisch kaartmateriaal geldt een hoge archeologische waarde voor vindplaatsen uit de Nieuwe Tijd. Aan de straatzijde van het perceel heeft in ieder geval vanaf halverwege de 17e eeuw bebouwing gestaan. Gezien de hoge archeologische waarde adviseert Archeologie West-Friesland om voor het plangebied de vrijstellingsgrens uit de concept-beleidskaart archeologie over te nemen en een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' op te nemen. Dit advies is ingewilligd. Daarnaast is het advies met betrekking tot de geplande ingrepen tweeledig: 1. Parkeerplaatsen.
Voor de achterzijde van het perceel, waar de parkeerplaatsen gepland staan, is behoud in situ mogelijk indien aan een aantal eisen wordt voldaan. Vanuit het gemeentelijk beleid wordt geadviseerd om archeologievriendelijk te bouwen, dat wil zeggen de bodem niet te verstoren. Een archeologievriendelijk bouwplan kan worden getoetst door Archeologie West-Friesland en dient te worden goedgekeurd door de gemeente. Een niet archeologievriendelijk bouwplan houdt in dat de huidige situatie van de bodem zal worden verstoord tijdens het bouwproces. Onder bodemverstoring wordt verstaan:
•
het verwijderen van muurwerk uit de bodem, hieronder vallen ook funderingen en palen van de bestaande bebouwing vanaf de vrijstellingsdiepte gemeten vanaf het bestaande maaiveld van de archeologische vindplaats;
• • • •
vorstranden dieper dan 30 cm;
• • • •
kruipruimtes;
het aanbrengen van funderingspalen, damwanden, grondverbeteringen, groutankers, etc.; bodemsaneringen, tijdelijke uitplaatsing van vervuilde grond; kelders, ondergrondse reservoirs, overmatige boringen voor diverse onderzoeken en bijvoorbeeld wkk installaties; vijvers/watercompensaties; sloten en andere ingravingen; kabels en leidingtracés vanaf maaiveld.
Ligt het in de planning om één of meerdere van bovenstaande bodemverstorende werkzaamheden tijdens het project uit te voeren, dan wordt het bouwproject als niet archeologievriendelijk geclassificeerd en dient nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. 2. Nieuwbouw. Voor de te realiseren nieuwbouw vooraan het perceel kan momenteel geen definitief advies worden afgegeven. Gezien de hoge archeologische waarde dienen een aantal zaken verder te worden getoetst. Archeologie West-Friesland verzoekt om historische bouwplannen aan te leveren en een milieuonderzoek toe te sturen zodra deze beschikbaar is. Door historische bouwplannen te onderzoeken kan achterhaald worden hoe het huidige pand is gefundeerd. Daarnaast kan een milieuonderzoek informatie geven over de opbouw en verontreiniging van de bodem. Op basis van deze gegevens kan vervolgens een definitief advies worden afgegeven.
29
Indien het bodemarchief aan de voorzijde van het perceel nog grotendeels intact blijkt te zijn, geldt dat indien de geplande ingrepen benodigd voor de nieuwbouw een oppervlakte groter dan 100 m² bestrijken en niet archeologievriendelijk worden uitgevoerd (zie hierboven), op basis van de geplande nieuwbouw en de hoge archeologische waarde een archeologisch onderzoek in het kader van de AMZ-cyclus vereist is. Dit archeologisch onderzoek dient dan te bestaan uit een vlakdekkende archeologische opgraving voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden. Als leidraad voor de opgraving dient een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen te worden opgesteld. Na het opgraven van de archeologische waarden kan de voorgenomen ingreep worden vrijgegeven met betrekking tot het aspect archeologie.
5.10 Cultuurhistorie Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in de diverse ruimtelijke plannen. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat 'een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden' in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Planspecifiek In het plangebied of in de directe omgeving zijn geen monumenten of cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig. Ook ligt het plangebied niet in een cultuurhistorisch waardevol gebied. Daarmee is uitgesloten dat de ontwikkeling eventuele monumentale en cultuurhistorische waarden aantast.
5.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogde nieuwe ontwikkeling op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Voor het maken van een inschatting van het benodigde aantal parkeerplaatsen en de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn parkeerkencijfers en kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen en kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende parkeerplaatsen en wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Verkeer In het plangebied wordt in het voorgenomen plan huurappartementen gerealiseerd. Aan de hand van de omgevingsadressendichtheid is de gemeente Stede Broec te classificeren als 'matig stedelijk'. De omgeving van het plangebied behoort tot 'rest bebouwde kom'.
Volgens CROW-publicatie 381 bedraagt de gemiddelde verkeersgeneratie van 'huur, appartement, midden/goedkoop' 4,1 voertuigbewegingen per etmaal. Voor zes appartementen bedraagt de verkeersgeneratie 6 x 4,1 = 24,4 voertuigbewegingen per etmaal. De verkeersgeneratie van een vrijstaande koopwoning, die in de huidige planologische situatie is toegestaan, bedraagt 8,1 voertuigbewegingen per etmaal. Naast een bedrijfswoning is in de huidige situatie
30
een bedrijf toegestaan, waarmee de verwachting is dat de verkeersgeneratie als gevolg van het voorgenomen plan niet of nauwelijks toeneemt. De beoogde woningen worden in de toekomstige situatie ontsloten via het parkeerterrein van de Sint Martinuskerk, dat verbonden is met de Hoofdstraat. De Hoofdstraat en de omliggende wegen zijn geschikt om de beperkte toename van de verkeersgeneratie te verwerken. Parkeren Voor het parkeren in het plangebied worden de parkeernormen uit de CROW-publicatie 381 aangehouden. Voor 'huur, appartement, midden/goedkoop' in de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'matig stedelijk' geldt een gemiddelde parkeernorm van 1,4 parkeerplaatsen per woning. Bij zes appartementen bedraagt de parkeerbehoefte 6 x 1,4 = 8,4 parkeerplaatsen, wat afgerond overeen komt met 9 parkeerplaatsen. In het plangebied is voorzien in 19 parkeerplaatsen, waarmee er een overschot aan parkeerplaatsen is en de parkeerbehoefte ruimschoots op eigen terrein opgelost kan worden. Het overschot aan parkeerplaatsen komt ten goede aan de Dirk de Wit Mode, die gevestigd is aan de Hoofdstraat 224.
5.12 Duurzaamheid Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 20 % reductie van de CO 2-uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. In 2020 dient verder de bijdrage van duurzame energie 14 % van het totale energieverbruik te zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 30 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Energieprestatiecoëfficiënt (EPC) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. De energie efficiëntie wordt uitgedrukt in de Energieprestatiecoëfficiënt (EPC).
Vanaf 1 januari 2015 geldt voor woningen een wettelijke EPC van 0,4. In 2020 wordt deze verder aangescherpt en streeft men naar een EPC = 0,0. Bij een EPC van 0 is een gebouw energieneutraal. Milieuprestatie Gebouwen (MPG) De Milieuprestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik. Planspecifiek Er is sprake van een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan. Dat betekent dat er (energiezuinige) nieuwbouw mogelijk wordt gemaakt. Het beoogde appartementengebouw wordt hoogwaardig geïsoleerd en, conform het Bouwbesluit 2012, gasloos gebouwd.
31
6 Juridische planbeschrijving 6.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
6.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
6.3 Planregels Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen. De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
32
6.4 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de bestemming 'Wonen', waar woningen in gestapelde vorm, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep of een aan-huis-verbonden bedrijf, en bijbehorende bouwwerken, zijn toegestaan. Daaraan ondergeschikt zijn tuinen, erven en terreinen, toegangswegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en nutsvoorzieningen toegestaan, met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Binnen het bouwvlak zijn ten hoogste zes gestapelde woningen toegestaan. Met een aanduiding op de verbeelding is de maximum goot- en bouwhoogte aangegeven. De gronden zijn, in afwachting van het advies van Archeologie West-Friesland, voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Daarnaast zijn de in de gemeente Stede Broec gebruikelijke regelingen van kracht. In overige regels is een regeling voor parkeren opgenomen. Hierin wordt verwezen naar de CROW-normen.
33
7 Uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het project, dat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening betreft, wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van de ontwikkeling van de locatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de bestemmingsplanprocedure zullen via de gemeentelijke legesverordening en de anterieure exploitatieovereenkomst op de initiatiefnemer worden verhaald.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd.
De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie De initiatiefnemer heeft zijn plan voorgelegd aan de omwonenden van de Hoofdstraat 193, 199, 208, 210 en 212 en Hulft 6-8 en 10. Vervolgens zijn individueel gesprekken met hen gevoerd. Met de directe omwonenden zijn afspraken gemaakt over de uitwerking van het plan. Hierbij gaat om zaken als erfafscheidingen, de afwatering, de positie van ramen in het beoogde appartementengebouw en de wijze
34
van bouwen. De initiatiefnemer is bereid om maatregelen te treffen waarmee de omwonenden tegemoet worden gekomen. 7.2.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg Het ontwerpbestemmingsplan zal in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro voorgelegd worden aan de overlegpartners. De resultaten van dit overleg zullen te zijner tijd in deze paragraaf of een separate uiteengezet worden. 7.2.3 Verslag zienswijzen Te zijner tijd zullen eventueel ingediende zienswijzen in de voorliggende paragraaf of in een separate bijlage van een gemeentelijke reactie worden voorzien.
35