11C Regio+Noord+Holland+en+Amsterdam+Kwetsbare+kinderen+onvoldoende+beschermd+vervolgtoezicht
Tekst van het document
Jeugdbeschermingsregio’s Noord-Holland en Amsterdam (Amsterdam-Amstelland, Gooi- en Vechtstreek, Haarlemmermeer, IJmond (Midden-Kennemerland), NoordKennemerland, Kop van Noord-Holland, Westfriesland, Zaanstreek-Waterland, Zuid-Kennemerland)
Regiorapport vervolgtoezicht kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd
Utrecht, juli 2021
De accounthoudende wethouders aan het woord namens de jeugdbeschermingsregio’s Noord-Holland en Amsterdam:
Op deze punten uit het rapport zijn we trots:
Met deze punten uit het rapport gaan we aan de slag:
Wat gaan jeugdigen en ouders hiervan merken?
Jeugdbeschermingsregio Noord-Holland: Regionale en bovenregionale samenwerking tussen de regio’s in Noord-Holland (4 regio’s hebben GI gezamenlijk ingekocht) Invoering beschikbaarheidsapplicatie voor zorgaanbieders & GI welke inzicht geeft in het beschikbaar aanbod jeugdhulp
Jeugdbeschermingsregio Noord-Holland: Doorontwikkeling / uitwisseling expertise Regionaal Expertteam (lerend vermogen tussen regio’s versterken) Versterking samenwerking GI en lokale teams Partnerschap GIgemeenten versterken
Jeugdbeschermingsregio Noord-Holland: Sneller passende hulp (waar mogelijk regionaal)
Jeugdbeschermingsregio Amsterdam: Lagere caseload voor GI profs structureel gerealiseerd Kinderen met maatregel: geen budgetplafond Succesvolle doorbraakaanpak m.b.v. professionals Versterking samenwerking GI en lokale teams Goed werkende escalatieroute
Jeugdbeschermingsregio Amsterdam: Direct oppakken casussen zonder passende hulp Verbetering samenwerking verwijzersaanbieders Optimale inzet extra Rijksmiddelen Vermindering bureaucratische belemmeringen Kinderen zo thuis mogelijk laten opgroeien
De accounthoudende wethouders hebben namens de jeugdbeschermingsregio’s uitgebreider gereageerd. Deze reactie is opgenomen als bijlage in dit rapport.
Jeugdbeschermingsregio Amsterdam: Door samenwerking van partijen meer overzicht voor de cliënten Sneller passende hulp Wijkteams laagdrempelig; specialistische hulp nabij de leefomgeving Alternatieven voor residentiële gesloten jeugdhulp
Samenvatting Dit rapport maakt deel uit van het toezichttraject Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: inspecties). In de voortgangsrapportage van oktober 2020 hebben de inspecties gevraagd om een doorbraakaanpak voor alle kinderen met een jeugdbeschermings- en/of reclasseringsmaatregel. Deze aanpak moet ertoe leiden dat elk kind met een dergelijke maatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer, tijdig een gedragen koers en tijdig passende hulp krijgt. Dit rapport van de inspecties geeft antwoord op de vraag of de regio’s Noord-Holland en Amsterdam hierin zijn geslaagd. Bevindingen en conclusies Tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers De regio’s Noord-Holland en Amsterdam zijn er niet in geslaagd om tijdig een vaste jeugdbeschermer toe te wijzen aan elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel en tijdig een gedragen koers uit te zetten voor deze kinderen. De inspecties zien daarbij in deze regio’s verschillen tussen de Gecertificeerde Instellingen die de maatregelen uitvoeren. De William Schrikker Stichting, het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering en het inmiddels failliet verklaarde Briedis hebben dit in deze regio’s op een enkele uitzondering na op orde. JBRA heeft dit grotendeels op orde.
Bij DJGB is op korte termijn verbetering nodig. Tijdig passende hulp De regio’s Amsterdam en Noord-Holland zijn er niet in geslaagd om tijdig passende hulp in te zetten voor elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel. De doorbraakaanpak in de regio’s heeft onvoldoende tot het gewenste resultaat geleid. Het ontbreekt aan effectieve (bovenregionale) samenwerking die nodig is voor een kwantitatief en kwalitatief toereikend passend specialistisch hulpaanbod. Het residentiële aanbod wordt afgebouwd zonder dat voldoende passende alternatieven beschikbaar zijn. Het ontbreekt daarnaast aan mogelijkheden om tijdig verschillende vormen van specialistische jeugdhulp in te zetten als gevolg van wachtlijsten bij jeugdhulpaanbieders en door een aantal gemeenten ingestelde budgetplafonds. De uitgangspunten van Een thuis voor Noordje geven richting voor de lange termijn, maar bieden geen antwoord op bestaande knelpunten voor kinderen die nu hulp nodig hebben. Verder heeft (een aantal gemeenten in) de regio het proces om te komen tot passende hulp voor kinderen met een maatregel zodanig gecompliceerd dat dit de tijdige inzet van passende hulp vertraagt.
Vervolg Tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers De inspecties voeren over de tijdige inzet van jeugdbeschermers en het tijdig uitzetten van een gedragen koers een bestuurlijk gesprek met DJGB en bepalen op basis daarvan het vervolg. De inspecties sluiten het toezichttraject voor wat betreft JBRA af. Over de landelijk werkende instellingen (Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering en William Schrikker Stichting) rapporteren de inspecties wat betreft deze normen op geaggregeerd niveau in het landelijke rapport. Tijdig passende hulp De inspecties kunnen er onvoldoende van uitgaan dat de betrokken partijen, onder regie van de accounthoudende regio, er op korte termijn in slagen om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp te bieden. De inspecties verwachten dat de gemeenten, de gecertificeerde instellingen, hun opdrachtgevers, lokale teams en zorgaanbieders alsnog aan deze norm voldoen en belemmeringen om aan de norm te voldoen wegnemen. De inspecties zullen hiertoe in de regio’s Noord-Holland en Amsterdam verscherpt toezicht uitvoeren
3 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
voor een periode van een half jaar en hierover indringende gesprekken voeren met de regio’s en gemeenten. De inspecties zien tot slot dat er landelijk belemmeringen zijn in het tijdig bieden van passende hulp. De inspecties spreken de stelselverantwoordelijke ministers hierop aan in het landelijke rapport.
4 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Inhoudsopgave 1 Inleiding.........................................................................................................................6 1.1 1.2 1.3
Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd............................................................... 6 Doorbraak nodig voor kinderen met een maatregel ...................................................... 6 Opzet van het onderzoek .......................................................................................... 7
2 Beschrijving van de jeugdbeschermingsregio’s ..................................................................... 8 2.1 2.2
Beschrijving jeugdbeschermingsregio’s (Noord-Holland en Amsterdam) ........................... 8 Beschrijving betrokken GI’s ...................................................................................... 9
3 Indruk na de monitoringsfase .......................................................................................... 10 3.1 3.2
Beschrijving doorbraakaanpak ................................................................................. 10 Beeld op basis van monitoring ................................................................................. 11
4 Resultaten van de verdiepende praktijktoets...................................................................... 13 Bevindingen.................................................................................................................. 13 5 Conclusie ..................................................................................................................... 26 5.1 5.2 5.3
Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers ............................................................................................... 26 Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp ............................. 26 Vervolg passende hulp: Verscherpt toezicht .............................................................. 27
Bijlage 1 bevindingen per jeugdhulpregio ............................................................................. 29 Bijlage 2 reactie van de verantwoordelijke wethouders .......................................................... 40
5 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
1 Inleiding Dit rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: inspecties) geeft antwoord op de vraag of elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel1 in de jeugdbeschermingsregio’s2 Noord-Holland en Amsterdam tijdig een vaste jeugdbeschermer, tijdig een gedragen koers en tijdig passende hulp krijgt. De inspecties hebben gekozen om voor de jeugdbeschermingsregio’s Noord-Holland en Amsterdam één regiorapportage op te stellen, omdat deze regio’s van de gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering (hierna: GI) De Jeugd en Gezinsbeschermers (hierna: DJGB) en Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA) overlappen. Daarnaast werken de jeugdhulpregio’s binnen deze jeugdbeschermingsregio’s (met uitzondering van Gooi- en Vechtstreek) samen op basis van de uitgangspunten voor Een Thuis voor Noordje. Dit rapport maakt deel uit van een landelijk onderzoek naar tijdige en passende hulp aan kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel. In totaal verschijnen elf jeugdbeschermingsregio-rapporten, tegelijk met een landelijk rapport. Het landelijke rapport bevat een overstijgend beeld van de mogelijkheden die regio’s en instellingen hebben om de hulp aan kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregelen te verbeteren (best practices).
Tegelijkertijd zien de inspecties overal in het land in meer of mindere mate dezelfde (structurele) belemmeringen. Daarvoor is ook aandacht in het landelijke rapport.
1.1 Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd In het najaar van 2019 hebben de inspecties in het rapport en signalement met de titel Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd respectievelijk Jeugdbeschermingsketen in gevaar geoordeeld dat de wijze waarop jeugdbescherming en jeugdreclassering op dat moment werd uitgevoerd niet acceptabel was. De inspecties oordeelden dat de overheid onvoldoende haar verantwoordelijkheid nam om kinderen te beschermen die ernstig in hun ontwikkeling werden bedreigd. Daarnaast constateerden zij structurele problemen die ertoe leidden dat de jeugdbeschermingsketen maximaal onder druk stond. De inspecties vonden dat er direct stappen moesten worden gezet die ertoe leidden dat kwetsbare kinderen zonder vertraging hulp krijgen. Hierop hebben de inspecties een intensief toezicht traject ingezet.
1.2 Doorbraak nodig voor kinderen met een maatregel
De bescherming van kwetsbare kinderen: een overheidstaak Ieder kind heeft recht op bescherming tegen mishandeling. Hieronder vallen alle vormen van lichamelijke en geestelijke mishandeling, verwaarlozing en (seksueel) misbruik. Zowel in het gezin als daarbuiten. De overheid is verplicht maatregelen te nemen om kindermishandeling te voorkomen. Ook moet de overheid zorgen voor opvang en behandeling van kinderen die hiervan slachtoffer zijn (artikel 19 IVRK).
In 2020 en 2021 volgden de inspecties de activiteiten die moeten leiden tot een directe verbetering op de korte termijn en structurele verbetering op de langere termijn. In de voortgangsrapportage van oktober 2020 deden de inspecties verslag van de eerste bevindingen. De inspecties zagen dat er voor de langere termijn een positieve beweging in gang is gezet, maar stelden tegelijkertijd vast dat de jeugdbescherming en jeugdreclassering nog niet op orde waren. Om die reden hebben de inspecties gevraagd om een doorbraak te forceren voor alle kinderen met een jeugdbescherming of -reclassering maatregel door middel van een onorthodoxe actiegerichte aanpak. 1 2
Hiermee worden zowel de jeugdbeschermings- als ook de jeugdreclasseringsketen bedoeld. De inspecties zijn bij het toezicht in de regio’s uitgegaan van de gebieden waarbinnen een regionale gecertificeerde instelling werkzaam is en benoemen deze gebieden in het rapport als ‘jeugdbeschermingsregio’. Voor de meeste jeugdbeschermingsregio’s komen deze grenzen overeen met de provinciegrenzen van één of twee provincies. In Noord- en Zuid-Holland zijn twee regionale gecertificeerde instellingen werkzaam.
6 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
De doorbraakaanpak moest ertoe leiden dat voor elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer wordt toegewezen, tijdig een gedragen koers is uitgezet en dat tijdig passende hulp wordt ingezet die leidt tot het opheffen van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het verminderen van het recidive risico. En dat daarmee de uitspraak van de rechter tijdig wordt uitgevoerd.
1.3 Opzet van het onderzoek Monitoring Van oktober 2020 tot februari 2021 hebben de inspecties de doorbraakaanpak van elke jeugdbeschermingsregio gemonitord, door frequente gesprekken met accounthoudende3 wethouders of afgevaardigde ambtenaren te voeren. In deze gesprekken werd telkens de stand van zaken omtrent bovengenoemde normen en de doorbraakaanpak besproken. Verdiepende praktijktoets In februari en maart 2021 hebben de inspecties tijdens de verdiepende praktijktoets getoetst of kinderen met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel tijdig een jeugdbeschermer, gedragen koers en passende hulp hebben. Dit hebben zij gedaan door middel van dossiertoetsen en gesprekken met kinderen, ouders en jeugdbeschermers/jeugdreclasseerders. Aanvullend hierop zijn de inspecties in april met vertegenwoordigers van jeugdhulpregio’s (gemeenten) in gesprek gegaan. In april vond tevens een gesprek plaats met de verantwoordelijk wethouders van de jeugdhulpregio’s Gooi- en Vechtstreek, Kop van Noord-Holland, MiddenKennemerland, Noord-Kennemerland, Zaanstreek-Waterland, Zuid-Kennemerland over de voorlopige bevindingen van de inspecties uit de monitoring en de praktijktoets in de jeugdbeschermingsregio voor DJGB. In Noord-Holland hebben in mei 2021 aanvullend gesprekken met zorgaanbieders plaatsgevonden (Kenter, Levvel en Parlan).
In dit rapport staan de resultaten en conclusies van de monitoring en de verdiepende praktijktoets.
3
Voor elke gecertificeerde instelling is binnen de jeugdbeschermingsregio een accounthoudende jeugdhulpregio aangewezen die naar andere jeugdhulpregio’s acteert bij risico’s van discontinuïteit.
7 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
2 Beschrijving van de jeugdbeschermingsregio’s 2.1 Beschrijving jeugdbeschermingsregio’s (Noord-Holland en Amsterdam) Noord-Holland heeft negen jeugdhulpregio’s (Amsterdam-Amstelland, Gooi- en Vechtstreek, Haarlemmermeer, IJmond, Noord-Kennemerland (Alkmaar e.o), Kop van Noord-Holland, Westfriesland, Zaanstreek-Waterland, Zuid-Kennemerland). Inkoop jeugdbescherming en jeugdreclassering Wat betreft de inkoop van jeugdbescherming en jeugdreclassering werkt een aantal regio’s samen. De regio’s Kop van Noord-Holland, IJmond, Noord-Kennemerland en Zuid-Kennemerland hebben jeugdbescherming en jeugdreclassering gezamenlijk ingekocht (trajectbekostiging). In de onderzoeksperiode van de inspecties wilden deze vier regio’s komen tot functiegerichte financiering (p x q) op basis van daadwerkelijk geleverde uren. Hiervoor dienden deze uren te worden geregistreerd. Omdat hiertegen weerstand was bij de in de regio’s werkzame GI’s, is in mei 2021 door de regio’s besloten niet tot functiegerichte bekostiging over te gaan, waarmee ook tijdregistratie van de baan is. Amsterdam-Amstelland en Zaanstreek-Waterland hebben een gezamenlijk inkooptraject voor de gecertificeerde instellingen en hanteren voor JBRA eenzelfde tarief. De overige jeugdhulpregio’s hebben jeugdbescherming en jeugdreclassering per regio ingekocht.
Hierdoor hebben de regionale GI’s te maken met respectievelijk vijf (DJGB) en drie (JBRA) verschillende financieringswijzen of tarieven. Ook de landelijk werkende GI’s hebben hiermee te maken. De contracten lopen op verschillende momenten af. Inkoop specialistische jeugdhulp De jeugdhulpregio’s hebben voor de specialistische jeugdhulp een eigen manier van inkopen. Er zijn regio’s die resultaatgericht inkopen (Westfriesland, Zaanstreek-Waterland). Bij resultaatgerichte financiering krijgen jeugdhulpaanbieders een voorfinanciering van 70% en na het behalen van het resultaat de resterende 30%. Deze regio’s werken met SPIC’s (Segment Profiel Intensiteit-Combinaties). Gemeenten, lokale teams, verwijzers en jeugdhulpaanbieders gebruiken de SPIC’s om de hulpvraag van het gezin/jeugdige te categoriseren, de duur en intensiteit van de jeugdhulp aan te geven. Deze SPIC’s zijn primair bedoeld om afspraken te maken tussen verwijzers en jeugdhulpaanbieders, waarbij de gemeente administratief registreert en financiert4. Amsterdam werkte tot 2021 met SPIC’s, maar is per 2021 overgegaan naar een lumpsumfinanciering voor tien kernpartners die alle jeugdhulp voor de Amsterdamse kinderen en gezinnen moeten realiseren (eventueel met inzet van een onderaannemer). Er zijn ook regio’s die p x q financieren, een bekostiging op prijs maal hoeveelheid (IJmond en Zuid-Kennemerland).
IJmond en Zuid-Kennemerland werken sinds 2015 samen in de inkoop van alle vormen van specialistische jeugdhulp en specialistische J-GGZ. Dit is inclusief JeugdzorgPlus en de bovenregionale crisisdienst. Hetzelfde geldt voor Noord-Kennemerland, de Kop van Noord-Holland en Westfriesland. De regio’s Amsterdam-Amstelland en Zaanstreek-Waterland hebben gezamenlijk enkelvoudige specialistische jeugdhulp ingekocht. Meervoudige specialistische jeugdhulp heeft Amsterdam anders ingekocht dan de overige gemeenten in Amsterdam-Amstelland en Zaanstreek-Waterland. De jeugdhulp en de jeugd-GGZ (ambulant en met verblijf) is voor het overige per jeugdhulpregio ingekocht. De meeste jeugdhulpregio’s maken daarbij wel gebruik van dezelfde grote specialistische jeugdhulpaanbieders, zoals Kenter, Levvel en Parlan. De regio Gooi- en Vechtstreek vormt hierop een uitzondering. Deze regio is meer gericht op het aanbod in de regio Utrecht.
4
SPIC - Jeugdhulp Regionale Samenwerking (zorgomregioamsterdam.nl)
8 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Verbeterplannen De jeugdhulpregio’s in de jeugdbeschermingsregio voor DJGB hebben in 2020 een verbeteragenda opgesteld in het kader van het onderzoek dat de VNG in 2020 heeft laten uitvoeren.5 Dit is een verbeteragenda van de regio’s Kop van Noord-Holland, Westfriesland, IJmond, Zuid-Kennemerland, Gooi- en Vechtstreek, Haarlemmermeer, Zaanstreek-Waterland, Aalsmeer-Amstelveen en Alkmaar e.o. (Noord-Kennemerland). De jeugdhulpregio’s in de jeugdbeschermingsregio voor JBRA hebben ook een verbeteragenda opgesteld. Dit is een verbeteragenda van de regio’s AmsterdamAmstelland, Haarlemmermeer, Westfriesland en Zaanstreek-Waterland. De regio’s Haarlemmermeer en Westfriesland hebben een addendum opgesteld. Dit hangt ermee samen dat deze regio’s zowel onder de jeugdbeschermingsregio voor DJGB als JBRA vallen. De inspecties hebben in 2020 geconstateerd dat de verbeterplannen die de gecertificeerde instellingen met de jeugdhulpregio’s in de eerste helft van 2020 hebben opgesteld - hoewel dit de intentie was - beperkt voorzien in maatregelen die de jeugdbescherming en jeugdreclassering op de korte termijn verbeteren.6 Een thuis voor Noordje De jeugdhulpregio’s in Noord-Holland hebben (met uitzondering van Gooi- en Vechtstreek) tien leidende principes vastgesteld als de uitgangspunten voor het bovenregionale plan Een thuis voor Noordje .
De doelgroep van Een thuis voor Noordje bestaat uit jeugdigen met een complexe zorgvraag die momenteel een verblijfs- en intensieve behandelbehoefte hebben. Aanleiding voor deze samenwerking was het sluiten van de JeugdzorgPlus van Transferium in de regio. De ambitie van de regio’s is om in plaats van JeugdzorgPlus kleinschalige en ambulante hulp in te zetten voor de doelgroep. De ambitie is intussen verbreed: de regio’s willen een bovenregionale samenwerking tot stand brengen die ertoe leidt dat kinderen niet te veel doorgeplaatst worden (zeker niet naar andere regio’s buiten Noord-Holland). Onderdeel van het plan is de transformatie van residentiële voorzieningen naar kleinschalig aanbod in de regio. Behalve de jeugdhulpregio’s zijn ook de vijf grootste zorgaanbieders betrokken (Levvel, Parlan, IHUB (Horizon en Altra) ’s-Heerlenloo en GGZ Noord-Holland-Noord) en de vier GI’s (DJGB, JBRA, WSS en LJenR).
2.2 Beschrijving betrokken GI’s In Noord-Holland zijn vijf gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering (GI’s) actief, namelijk: De Jeugd- en Gezinsbeschermers (hierna: DJGB), Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), Briedis7, Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: LJ&R) en William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: WSS). DJGB en JBRA zijn de regionaal georganiseerde GI’s die zich richten op een brede doelgroep. Briedis is in deze jeugdbeschermingsregio werkzaam in Gooi- en Vechtstreek en richt zich dezelfde ‘reguliere’ jeugdbescherming en jeugdreclasseringsdoelgroep. LJ&R en de WSS zijn werkzaam in heel Nederland als landelijk werkende GI. Beide GI’s richten zich op een specifieke doelgroep. LJ&R heeft te maken met gezinnen en jongeren die vastlopen in complexe situaties en met meervoudige problematiek. Het gaat hierbij vaak om langdurige problematiek. De WSS biedt ondersteuning en hulp aan kinderen met een (verstandelijke) beperking of chronische ziekte, en/of aan kinderen van ouders met een beperking.
5 https://vng.nl/nieuws/stel-gemeenten-in-staat-jongeren-te-helpen 6 7
Voortgangsrapportage Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd (oktober 2020) Briedis is per 1 juni 2021 failliet verklaard.
9 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
3 Indruk na de monitoringsfase Tijdens de monitoringsfase van oktober 2020 tot en met februari 2021 voerden de inspecties vier gesprekken met twee beleidsmedewerkers die als contactpersonen zijn aangewezen voor de jeugdbeschermingsregio van DJGB. Bij het derde en vierde gesprek was naast de contactpersonen een vertegenwoordiger van DJGB aanwezig. In dezelfde periode hebben de inspecties drie gesprekken gevoerd met een senior adviseur jeugd aangewezen voor de jeugdbeschermingsregio van JBRA. Bij het tweede en derde gesprek was de directeur van JBRA aanwezig. Tijdens deze gesprekken bespraken de inspecties en de regio’s de stand van zaken omtrent de doorbraakaanpak.
3.1 Beschrijving doorbraakaanpak Tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers De GI’s in de regio’s hebben maatregelen genomen om te zorgen dat elk kind met een maatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers heeft. DJGB heeft een overdracht van gezinnen naar LJ&R gedaan, nieuwe jeugdbeschermers geworven, tijdelijk medewerkers ingehuurd en een apart VOTS-team in Gooi- en Vechtstreek ingezet. Deze maatregelen zouden ertoe leiden dat bij de start van een maatregel geen kinderen wachtten op een jeugdbeschermer en dat tijdig een gedragen koers werd ingezet. Wel was op basis van de informatie uit de monitoring duidelijk dat de beperkte (financiële) ruimte bij DJGB ertoe leidt dat een kind met een jeugdbeschermingsmaatregel bij vertrek of ziekte van een jeugdbeschermer een tijdlang zonder jeugdbeschermer zit. Dit zou niet gelden tijdens uitval van de jeugdbeschermer in de eerste zes weken van de maatregel, want dan krijgt het gezin een vervangende vaste jeugdbeschermer. Deze maakt vervolgens met het gezin tijdig een plan van aanpak. JBRA heeft een aanpak ingezet om te zorgen dat elk kind met een maatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer8 en tijdig een gedragen koers krijgt. Uit de monitoring werd duidelijk dat het JBRA in Amsterdam-Amstelland en Zaanstreek-Waterland niet tijdig lukt om een jeugdbeschermer in elk gezin te laten starten.
In Haarlemmermeer en Westfriesland lukt dit wel. De inspecties hadden op basis van de monitoring vragen of de methodiek die JBRA toepast, leidt tot tijdig een gedragen koers voor de jeugdige.
Tijdig passende hulp De jeugdbeschermingsregio voor DJGB inventariseerde welke kinderen met een maatregel langer dan drie maanden op hulp wachtten. Deze inventarisatie was in december 2020 gereed: dit waren 61 kinderen. De afzonderlijke jeugdhulpregio’s hebben zelf een structuur ingericht om te komen tot passende hulp voor de kinderen die hier op wachtten. De regio heeft niet in beeld gebracht welke kinderen (korter dan drie maanden) op hulp wachtten, maar waarvan de jeugdbeschermer en betrokkenen eerdere/directe inzet van hulp noodzakelijk achtten. Daarnaast zijn geen kinderen en gezinnen in beeld gebracht die wel hulp kregen, maar niet de passende hulp. Hiermee is de inventarisatie niet volledig geweest. In de jeugdbeschermingsregio voor JBRA kregen de inspecties gedurende de monitoring lang geen zekerheid over de cijfers. In januari 2021 was bijvoorbeeld nog niet duidelijk hoeveel kinderen van de WSS in de regio te lang wachtten op passende hulp. De regio heeft uiteindelijk in totaal 28 casussen van de vier GI’s ontvangen tot en met medio januari; voor 22 ervan was op dat moment passende hulp ingezet, de anderen waren toen nog in behandeling bij het doorbraakteam. In de monitoring werd als belangrijk aandachtspunt benoemd dat jeugdhulpaanbieders voor de start van de hulp de intakedatum rekenden, terwijl de hulp aan de jeugdige of het gezin dan nog niet kan 8
JBRA spreekt van gezinsmanagers en niet van jeugdbeschermers. Omwille van de eenduidigheid in de rapporten spreken de inspecties voor alle GI’s van jeugdbeschermers.
10 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
starten. Voor de kinderen waarvoor de hulp werd gezocht in de doorbraakaanpak zou dit geen rol spelen. Ook voor de jeugdbeschermingsregio voor JBRA is gekozen voor een doorbraakaanpak per jeugdhulpregio. In Amsterdam zijn ‘pitbulls’ aangesteld bij alle jeugdhulpaanbieders en GI’s: dit zijn 30 tot 40 mensen die transformatie aanjagen in alle organisaties zoals GI’s en hulpaanbieders. In Amsterdam was een medewerker aangetrokken, speciaal voor de doorbraakaanpak. Dat was één van de coördinatoren van de invoering van de pitbull werkwijze. Met pitbull professionals met werd op onorthodoxe wijze naar out-of-the oplossingen gezocht. In Haarlemmermeer is geen doorbraakaanpak gevolgd omdat volgens deze jeugdhulpregio alle kinderen tijdig een jeugdbeschermer, gedragen koers en passende hulp krijgen.
3.2 Beeld op basis van monitoring Tijdig vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers Over de jeugdbeschermingsregio’s voor JBRA en DJGB concludeerden de inspecties aan het eind van de monitoringsfase dat niet volledig aan de normen ‘tijdig een vaste jeugdbeschermer’ en ‘tijdig een gedragen koers’ werd voldaan. In de jeugdbeschermingsregio voor JBRA werd niet aan alle kinderen direct een jeugdbeschermer gekoppeld en na zes weken was de eerste aanzet tot een gezinsplan gemaakt. Wel was er binnen zes weken een veiligheidsplan. In de jeugdbeschermingsregio voor DJGB werden zaken direct na de uitspraak van een maatregel opgepakt. Wel kwamen kinderen/gezinnen bij wachtlijstbeheer als de jeugdbeschermer later in het traject uitviel. Door verschillen in werkwijzen, methoden en definities tussen de regio’s en de GI’s was het echter denkbaar dat in een regio waar niet direct een vaste jeugdbeschermer was gekoppeld in de eerste zes weken, even veel voortgang was bereikt met het gezin als in een andere regio waar wel direct een jeugdbeschermer was gekoppeld. De verdiepende praktijktoets, waarover in dit rapport wordt gerapporteerd, moest dit uitwijzen.
Tijdig passende hulp Het beeld dat de inspecties op basis van de monitoring hadden, was dat in de jeugdhulpregio’s Amsterdam, Westfriesland, Haarlemmermeer en Zaanstreek-Waterland een beperkte, specifieke groep kinderen nog wachtte op passende hulp. In januari 2021 was een duidelijke afname zichtbaar van de kinderen die wachtten op passende hulp (van 22 naar 6 kinderen). De verwachting op basis van de monitoring was dat Amsterdam er volledig in zou slagen om elk kind met een maatregel passende hulp te bieden. Een succesfactor in Amsterdam was de zogenaamde ‘pitbullaanpak’ (zie hierboven). Voor Westfriesland en Zaanstreek Waterland was dit niet zeker. In Zaanstreek-Waterland was de daling lager (van 10 naar 9 kinderen). Ook voor Westfriesland was de daling in januari minder (van 14 naar 12). Dit kwam ook doordat er nieuwe kinderen bij kwamen die wachtten op passende hulp. Een zorgpunt was daarnaast dat kinderen na een intake bij een zorgaanbieder van de wachtlijst afgingen, maar nog niet feitelijk hulp kregen.. De inspecties hadden geen goed beeld van het aantal kinderen dat nog wachtte op passende hulp in de overige jeugdhulpregio’s in Noord-Holland, als gevolg van de beperkte inventarisatie die in de jeugdbeschermingsregio voor DJGB was gedaan.
Het aantal jeugdigen dat langer dan drie maanden wachtte op hulp, was volgens opgave van de regio in januari 2021 wel afgenomen naar 26.
11 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
12 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
4 Resultaten van de verdiepende praktijktoets In dit hoofdstuk geven de inspecties hun conclusies uit de verdiepende praktijktoets weer per norm. De inspecties hebben in totaal 49 dossiers onderzocht, 21 gesprekken met jeugdbeschermers gevoerd en 16 gesprekken met ouders en kinderen. Aanvullend hierop zijn de inspecties in april met vertegenwoordigers van jeugdhulpregio’s (gemeenten) in gesprek gegaan. In april 2021 vond tevens een gesprek plaats met de verantwoordelijk wethouders van de jeugdhulpregio’s Gooi- en Vechtstreek, Kop van NoordHolland, Midden-Kennemerland, Noord-Kennemerland, Zaanstreek-Waterland, Zuid-Kennemerland over de voorlopige bevindingen van de inspecties uit de monitoring en de praktijktoets in de jeugdbeschermingsregio voor DJGB. Ook hebben in mei 2021 aanvullend gesprekken met DJGB, JBRA, een aantal zorgaanbieders plaatsgevonden (Kenter, Levvel en Parlan).
Bevindingen Norm 1
Tijdig een vaste jeugdbeschermer voor elke jeugdige met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel Vast: De jeugdbeschermer blijft gedurende de uitvoering van de OTS verbonden aan het gezin, of de wisseling van jeugdbeschermer vindt voorspelbaar/op vaste momenten plaats (bijv. na de afronding van het plan van aanpak). Er is hooguit één wisseling wegens verloop of ziekte. Bij wisseling komt het gezin niet bij bureaudienst/wachtlijstbeheer terecht. Tijdig: Binnen vijf werkdagen nadat de GI in kennis is gesteld is een jeugdbeschermer aan het kind / gezin gekoppeld.
Bevindingen De regio’s Noord-Holland en Amsterdam zijn er niet in geslaagd om tijdig een vaste jeugdbeschermer toe te wijzen aan elke jeugdige met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel. Op basis van de monitoringsgesprekken verwachtten de inspecties dat niet elke jeugdige met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel in Noord-Holland tijdig een vaste jeugdbeschermer had. Deze verwachting is tijdens de praktijktoets bevestigd. De inspecties hebben in totaal 61 casussen beoordeeld op een vaste jeugdbeschermer. Dit was in totaal in acht gevallen niet op orde. De inspecties hebben in totaal 32 casussen die na half november 2021 zijn gestart, beoordeeld op de tijdige beschikbaarheid van een jeugdbeschermer. Dit was in acht gevallen niet op orde. De inspecties zien verschillen tussen de GI’s die werkzaam zijn in de regio. De bevindingen zijn hieronder per GI uitgewerkt. DJGB Bij DJGB hebben de inspecties dertien casussen die tussen half november 2020 en 1 januari 2021 zijn gestart in zijn geheel beoordeeld op zowel de normen tijdig een jeugdbeschermer als een vaste jeugdbeschermer. Voor vijf jeugdigen / gezinnen was dit niet op orde.9
9 De inspecties hebben bij DJGB dertien casussen beoordeeld die tussen half november 2020 en 1 januari 2021
zijn gestart op het tijdig toewijzen van een jeugdbeschermer. In vijf gevallen was er niet tijdig een jeugdbeschermer aan het gezin gekoppeld. De inspecties hebben 23 casussen beoordeeld op de beschikbaarheid van een vaste jeugdbeschermer. Dit was in vier gevallen niet op orde.
13 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
DJGB heeft in de onderzoeksperiode in veel zaken wachtlijstbeheer ingezet. De inspecties hebben eerder gesteld wachtlijstbeheer niet wenselijk te vinden en niet passend bij de urgentie van de jeugdbeschermingsmaatregel10. In dossiers is terug te zien dat ouders een brief ontvangen van DJGB dat hun kind onder toezicht is gesteld, dat er nu nog geen jeugdbeschermer is toegewezen en dat als zij dringend iemand willen spreken ze contact kunnen opnemen met de bureaudienst met een algemeen nummer. De inspecties beoordelen het werken met wachtlijstbeheer als niet wenselijk, maar wel als voldoende, als de jeugdbeschermer daadwerkelijk met het gezin aan de slag gaat, in contact is met het gezin en samen met hen werkt aan een gedragen koers. Als een vaste jeugdbeschermer niet tijdig met een gezin aan de slag gaat om uitvoering te geven aan de maatregel, ontstaan risico’s. Wachttijden leiden ertoe dat gezinnen en kinderen onvoldoende verandering in hun situatie ervaren. Het vertrouwen van cliënten in de jeugdbescherming neemt af, door personeelswisselingen en doordat de voorspelbaarheid van de hulpverlening ontbreekt. Daarnaast is er sprake van een bestaande bedreiging van de gezonde en veilige ontwikkeling van een kind.
Als een zaak niet actief wordt opgepakt, ontbreekt het zicht op de veiligheid van het kind en gebeurt er onvoldoende om de (acute) onveiligheid af te wenden (zie voorbeeld).
Voorbeeldcasus Over de pasgeboren baby wordt ruim twee weken na de geboorte een ondertoezichtstelling uitgesproken, nadat de huisarts tijdens de zwangerschap een zorgmelding had gedaan wegens GGZ-problematiek moeder. Na anderhalve maand is het eerste inhoudelijke gesprek tussen de jeugdbeschermer en het gezin. Kort daarna vinden twee incidenten plaats met huiselijk geweld en gaat het psychisch slecht met moeder. Er worden bodemeisen gesteld en ambulante spoed hulp (ASH) ingezet. ASH legt de opdracht terug bij de jeugdbeschermer en geeft aan dat verantwoordelijkheid voor de baby genomen moet worden: ‘Het gaat zo niet, het kind lag maar te huilen. Dit kan niet’. In de eindevaluatie benoemt ASH dat er onvoldoende zicht is op de veiligheid van de baby: ‘De zorgen omtrent veiligheid zijn hetzelfde als bij de aanmelding’.
In een deel van de onderzochte casussen van DJGB is het wachtlijstbeheer onvoldoende actief opgepakt. Het duurde soms twee maanden of langer voordat een jeugdbeschermer daadwerkelijk met het gezin aan de slag ging. De inspecties hebben zaken als onvoldoende beoordeeld indien alleen administratief een jeugdbeschermer aan een gezin was gekoppeld, maar deze jeugdbeschermer niet met het gezin aan de slag is gegaan om te komen tot een gedragen koers en de inzet van noodzakelijke hulp. De belangrijkste oorzaak dat niet elk kind met een maatregel via DJGB tijdig een vaste jeugdbeschermer krijgt, is het personeelsverloop en –verzuim. Jeugdbeschermers vertrekken onder andere doordat zij op een andere plek onder betere omstandigheden aan het werk kunnen. Daarnaast ervaren jeugdbeschermers werkdruk. Dit hoort deels bij het werk, doordat op onverwachte momenten crisissituaties ontstaan en een beroep op hen wordt gedaan. Andere oorzaken van de werkdruk zijn:
Het zoeken naar een passende plek of passende hulp voor een kind of gezin; Bureaucratie / administratieve afhandeling (tijdschrijven11 en verwijzingen); Hoge caseload; Personeelsverloop en ziekteverzuim, wat de werkdruk voor het zittende personeel verhoogt.
10
Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd (november 2019) p12. In de regio’s Kennemerland en Kop van Noord-Holland is in de onderzoeksperiode een pilot geweest met tijdschrijven. DJGB heeft op 12 mei 2021 laten weten dat zij bericht hebben gekregen van de gemeenten dat zij hier definitief van af zien.
11
14 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Nieuwe medewerkers krijgen een inwerkprogramma, maar benoemen toch het gevoel in het diepe gegooid te worden. Ook werken de coronamaatregelen belemmerend, er is minder contact en er zijn minder natuurlijke feedbackmomenten tussen jeugdbeschermers onderling.
“De jeugdbeschermer luistert heel goed naar ons kind en naar ons. Wij vinden het belangrijk dat naar ons kind geluisterd wordt. De jeugdbeschermer zit er bovenop. Ook om de hulp op tijd te laten aansluiten. De jeugdbeschermer wil graag dat de psycholoog die nu met ons kind werkt blijft. Ook na zijn verblijf in de JeugdzorgPlus.” ouder
Ouders zijn positief over hun jeugdbeschermer als deze actief met hen aan de slag gaat (zie voorbeeld). In de zaken met een lager veiligheidsrisico, maken jeugdbeschermers gedurende de coronacrisis de afweging om vaker het contact via beeldbellen te zoeken. Ouders ervaren dat zij hierdoor minder een relatie met de jeugdbeschermer opbouwen. JBRA Bij JBRA hebben de inspecties tien casussen die tussen half november 2020 en 1 januari 2021 zijn gestart in zijn geheel beoordeeld op zowel de normen tijdig een jeugdbeschermer en een vaste jeugdbeschermer. Voor drie jeugdigen / gezinnen was dit niet op orde12. De inspecties hebben geconstateerd dat bij JBRA niet altijd tijdig een vaste jeugdbeschermer wordt toegewezen als een gezin wordt ondergebracht bij het basisteam/instroomteam. De GI zet een instroomteam in als personele krapte in een team dit noodzakelijk maakt. Het moment waarop een vaste jeugdbeschermer een gezin overneemt van de instroommedewerker is afhankelijk van de beschikbaarheid en prioriteit die aan een zaak wordt gegeven. De regio Zaanstreek-Waterland valt hierin in negatieve zin op. Zoals eerder benoemd, geldt dat de inspecties het werken met een instroomteam onwenselijk vinden, maar dat zij zaken in dit toezicht als voldoende hebben beoordeeld indien een zaak actief is opgepakt.
In de casussen die de inspecties als onvoldoende hebben beoordeeld, heeft het basisteam/instroomteam enkel bodemeisen voor veiligheid geformuleerd en is niet gewerkt aan een gedragen koers of de inzet van hulp.
“Voor mij zijn er twee andere jeugdbeschermers betrokken geweest. Eén collega is uitgevallen en daarvoor, in team Noord, ook. De werkdruk is hoog, eigenlijk altijd. Ik zit er wel lekker in, dat is een jaar geleden wel anders geweest. (…) De aanleiding hiervan was het uitvallen van een teammanager en 50% personeelsverloop. Door het uitvallen van de teammanager was het lastig om problemen n.a.v. van verloop op te lossen.” jeugdbeschermer
Een belangrijke oorzaak voor het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer voor elk kind is ook bij JBRA het hoge personeelsverloop. In 2020 was het verloop mede als gevolg van de coronacrisis verminderd, maar nu stijgt het weer. Soms ontstaat er na een wisseling een periode waarin een gezin geen jeugdbeschermer heeft. In de interviews die tijdens de praktijktoets hebben plaatsgevonden, geven de meeste jeugdbeschermers aan dat zij werkdruk ervaren. Deze werkdruk is afhankelijk van de caseload en de complexiteit ervan. De werkdruk zorgt ervoor dat jeugdbeschermers telkens prioriteiten moeten stellen. Een te hoge werkdruk vormt een risico voor verloop.
12 De inspecties hebben bij JBRA 10 casussen beoordeeld die tussen half november 2020 en 1 januari 2021 zijn
gestart op het tijdig toewijzen van een jeugdbeschermer. In twee gevallen was er niet tijdig een jeugdbeschermer aan het gezin gekoppeld. De inspecties hebben 21 casussen beoordeeld op de beschikbaarheid van een vaste jeugdbeschermer. Dit was in vier gevallen niet op orde.
15 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
In Amsterdam wordt verder concreet benoemd dat jeugdbeschermers uitstromen naar Veilig Thuis, waar medewerkers hetzelfde zijn ingeschaald als jeugdbeschermers maar waar zij extra periodieken krijgen. Landelijk werkende instellingen: Briedis, LJ&R en WSS Bij LJenR hebben de inspecties vijf Noord-Hollandse/Amsterdamse casussen beoordeeld op tijdig een vaste jeugdbeschermer. Alle jeugdigen hadden een vaste jeugdbeschermer, in één geval was deze niet tijdig aan het gezin gekoppeld. LJ&R heeft de keuze bewust gemaakt voor aparte teams van medewerkers die juist de start van een jeugdbeschermingsmaatregel actief oppakken. Deze werkwijze is in Noord-Holland nog niet overal doorgevoerd. Dit is de oorzaak van de niet tijdige start in genoemde casus. Bij LJ&R hebben de inspecties waargenomen dat het gebruik van een instroomteam zonder een vaste contactpersoon voor ouders onpersoonlijk is. Ook blijkt het voor ouders vaak onduidelijk hoe lang het gaat duren voordat er een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is. Voor ouders in de eerste fase van de OTS is dit heel naar. Ze geven in gesprek aan dat ze vooral in die beginfase graag meer ondersteund hadden willen worden. Zeker als het gaat om een uithuisplaatsing. Ze ervaren veel onzekerheid. Vanaf het moment dat er een jeugdbeschermer betrokken is, zijn ouders vaak positief.
Bij de WSS hebben de inspecties 11 casussen beoordeeld op een vaste jeugdbeschermer en 3 op de tijdige inzet van een jeugdbeschermer. Dit was in alle gevallen op orde. De WSS werkt in Noord-Holland-Noord met een instroomteam. De dossiers die de inspecties hebben ingezien bij de WSS, zijn over het algemeen overzichtelijk, gestructureerd en de handelingen en verrichtingen van de jeugdbeschermer zijn goed en navolgbaar bijgehouden. In geval van overdracht van een casus is goede dossiervorming bevorderend. Bij Briedis is één casus op deze norm beoordeeld. Deze was op orde.
16 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Norm 2
Voor elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel tijdig een gedragen koers Tijdig: De koers is tijdig wanneer deze binnen zes weken is bepaald, of zoveel eerder als de jeugdbeschermer en betrokkenen noodzakelijk achten gezien de onveiligheid/ontwikkelingsbedreiging/recidive risico van het kind. De inspecties hanteren wat betreft de termijn hierbij het principe ‘comply or explain’. Gedragen: De koers is gedragen als deze is uitgezet in samenspraak met het gezin, netwerk en met betrokken professionals. Wensen, behoeften, mogelijkheden van jeugdigen, ouders en netwerk zijn bekend bij hulpverleners. De jeugdige en ouders bepalen, binnen hun mogelijkheden, in samenspraak met de hulpverlener de hulpvraag en de doelen van de geboden hulp. Koers: Er is sprake van een koers bij een jeugdbeschermingsmaatregel als de doelen en de noodzakelijke hulp zijn bepaald, die leiden tot het afwenden van de ontwikkelingsbedreiging/het recidiverisico. De inspecties spreken van een koers en niet van een ‘plan’. In de praktijk wordt de koers vastgelegd in een plan, maar het plan is het middel, niet het doel. Het moet voor hulpverleners, jeugdigen en hun ouders duidelijk zijn wat de doelen van de hulp zijn en hoe hieraan gewerkt wordt. De doelen en afspraken zijn haalbaar, concreet en ontwikkelingsgericht.
Bevindingen De regio’s Noord-Holland en Amsterdam zijn er niet in geslaagd om tijdig een gedragen koers uit te zetten voor elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel. Op basis van de monitoringsgesprekken verwachtten de inspecties dat niet elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel in Noord-Holland tijdig een gedragen koers had. Deze verwachting is tijdens de praktijktoets bevestigd. De inspecties hebben in totaal 33 casussen die na half november zijn gestart beoordeeld op de aanwezigheid van een koers. In 27 zaken was er een koers. De inspecties hebben in totaal 28 casussen beoordeeld op de tijdigheid13 van de koers. Dit was in 16 gevallen op orde. De inspecties hebben 36 zaken beoordeeld op de gedragenheid van de koers. In 30 zaken was dit op orde. De inspecties zien verschillen tussen de GI’s die werkzaam zijn in de regio. De bevindingen zijn hieronder per GI uitgewerkt. DJGB Bij DJGB hebben de inspecties dertien casussen die tussen half november 2020 en 1 januari 2021 zijn gestart in zijn geheel beoordeeld op de normen aanwezigheid van een koers, tijdigheid van de koers en gedragenheid van de koers. Voor negen van de dertien gezinnen was niet tijdig een gedragen koers gerealiseerd14.
De inspecties hebben bij DJGB ook casussen onderzocht van vóór half november 2020, waar op het moment van het toezicht nog geen koers voor was uitgezet (na vier maanden respectievelijk na zeven maanden nog geen koers).
Niet alle zaken konden op tijdigheid worden beoordeeld, omdat dit in de interviews met de jeugdbeschermers niet overal expliciet aan de orde is geweest. 14 De inspecties hebben bij DJGB dertien casussen beoordeeld die tussen half november 2020 en 1 januari 2021 zijn gestart op de aanwezigheid van en koers. In tien gevallen was er een koers. In 5 gevallen was de koers tijdig. In tien gevallen was de koers gedragen. 13
17 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
“Soms als ik bel of app, dan stuurt ze een appje of belt ze me terug. Maar omdat het nieuw is, moet ik eerst een vertrouwensband hebben. Dan moet ik vaker contact hebben. Veel contact met de jeugdbeschermer gaat via mijn hulpverleners” Ouder
De inspecties zien een contrast tussen tijdig opgepakte zaken en zaken waarin te lang niets is gebeurd. Als gevolg van het onvoldoende actief oppakken van het wachtlijstbeheer zien de inspecties dat ook de koers niet tijdig tot stand komt.
Wat betreft de wijze waarop jeugdbeschermers in samenspraak met ouders komen tot een gedragen koers hebben de inspecties goede voorbeelden gezien en gehoord van jeugdbeschermers die zich – ondanks de ervaren werkdruk – volop inzetten om met het gezin tot een gedragen koers te komen. Jeugdbeschermers geven mooie voorbeelden van de manier waarop zij inzicht verkrijgen in eventuele weerstand bij ouders en kinderen en deze weerstand weten om te vormen tot een positieve, coöperatieve houding. En het gezin zo te motiveren tot het bereiken van een doel, al dan niet met de inzet van hulpverlening. Een punt van aandacht hierbij is het spreken van het kind. De inspecties hebben in acht zaken kunnen vaststellen of het kind wel of niet is gesproken, in vier van deze acht casussen was dit niet gebeurd.
Voorbeeldcasus: Kind is 6 jaar. Ouders hebben beiden een belast verleden, er zijn meerdere problemen in het gezin en de relatie tussen ouders is gewelddadig. Er is een OTS uitgesproken in augustus 2020. Vanaf dat moment is een wachtlijstbeheerder betrokken geweest. De wachtlijstbeheerder heeft weinig vastgelegd. Nu is er een jeugdbeschermer betrokken. De jeugdbeschermer heeft de moeder wel, maar het kind nog niet gezien of gesproken. De huidige jeugdbeschermer zag zich genoodzaakt meer prioriteit aan andere zaken te geven. De jeugdbeschermer heeft nu (maart 2021) hulp geïndiceerd, is bezig met een plan van aanpak en wil dat er zicht op het gezin komt. De zorgen zijn er nog steeds en de ouders voelen zich niet serieus genomen. Die geven zelf aan dat ze een jeugdbeschermer nodig hebben.
JBRA De methodiek van JBRA is erop gericht dat drie maanden na de start van de jeugdbeschermingsmaatregel een gezinsplan gereed is. Deze methodiek wijkt hiermee af van de wettelijke norm dat voor een kind met een maatregel na zes weken een plan van aanpak beschikbaar moet zijn. De inspecties hebben in dit toezicht niet getoetst op de wettelijke norm, maar op de bedoeling achter deze norm, namelijk dat na de start van een jeugdbeschermingsmaatregel met ouders en jeugdige(n) zonder vertraging wordt gewerkt aan het afwenden van de ontwikkelingsbedreiging van het kind. “Beide ouders hebben een beperking en hebben blijvend hulp nodig. Ik had vier maanden nodig Bij JBRA hebben de inspecties elf voor een gedragen koers. Het kost veel tijd om casussen beoordeeld op de aanwezigheid ouders mee te krijgen. Veel uitleggen, dat kost van een koers. Dit was in acht gevallen op tijd. Gezien de zorgen over het kind was het van orde. Dat wil zeggen dat hetzij in het belang om een goed veiligheidsplan te maken dossier ((concept) gezinsplan), hetzij in en in te voeren. Veel afspraken gehad met gesprek met de jeugdbeschermer e/o externen die zicht houden op de veiligheid van ouder duidelijk is aan welke doelen wordt het kind.” jeugdbeschermer gewerkt gedurende de maatregel. Negen casussen zijn beoordeeld op de tijdigheid van een koers. Dit was in zes gevallen op orde.
Veertien casussen zijn beoordeeld op de gedragenheid van de koers. Dit was voor twaalf jeugdigen/gezinnen op orde.
18 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Ouders die de inspecties gesproken hebben, zijn positief over de deskundigheid waarmee de jeugdbeschermer met hen in gesprek is gegaan over wat er aan de hand is en wat er nodig is voor hun kind en hun gezin. Ook bij JBRA is terug te zien dat voor gezinnen waar niet tijdig een jeugdbeschermer actief mee aan de slag gaat, niet tijdig een gedragen koers tot stand komt. Dit is voor JBRA met name een knelpunt in Zaanstreek-Waterland. Hier zijn gezinnen ondergebracht bij het instroomteam of het basisteam, waar geen vaste jeugdbeschermer aan was gekoppeld. Voor deze jeugdigen zijn wel bodemeisen ten aanzien van de veiligheid bepaald en gecommuniceerd, maar is nog geen gedragen koers uitgezet. De inspecties hebben daarnaast geconstateerd dat resultaatgerichte financiering van de jeugdhulpaanbieders in Westfriesland in de praktijk belemmerend werkt voor het tijdig uitzetten van een koers. Aanbieders krijgen een deel van de financiering (namelijk de resterende 30%) als alle vooraf bepaalde doelen behaald worden met een jeugdige en/of zijn gezin. In de praktijk leidt dit tot lange onderhandelingen over de doelen waaraan gewerkt gaat worden. Landelijk werkende instellingen: Briedis, LJ&R en WSS Bij LJenR hebben de inspecties vier Noord-Hollandse/Amsterdamse casussen beoordeeld op het tijdig uitzetten van een gedragen koers.
Voor alle jeugdigen was er een koers, in drie gevallen was deze koers tijdig en gedragen. Bij de WSS hebben de inspecties vijf casussen beoordeeld op deze norm. Dit was in alle gevallen op orde. Bij Briedis is in deze regio geen casus op deze norm beoordeeld.
19 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Norm 3
Tijdige inzet van passende hulp die leidt tot het opheffen van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het verminderen van het recidive risico. Passende hulp: Hulpverleners bieden hulp die aansluit bij de problematiek, ontwikkelingsbehoefte en mogelijkheden van jeugdigen en hun ouders. Daarnaast is de hulp bij een jeugdbeschermingsmaat-regel passend wanneer professional(s) kunnen toelichten en ouders/jeugdige ervaren dat de hulp bijdraagt aan het opheffen van de onveiligheid/ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk verminderen van het recidiverisico. De hulp is passend als deze overeenkomt met het plan, dat een gedragen koers bevat. De hulp is ook passend als blijkt dat professional en gezin het ingezette alternatief passend vinden. Tijdig: De hulp is tijdig wanneer binnen drie maanden na het uitspreken van de maatregel passende hulp is ingezet, of zoveel eerder als de jeugdbeschermer en betrokkenen noodzakelijk achten gezien de onveiligheid/ontwikkelingsbedreiging/recidive risico van het kind. De inspecties hanteren wat betreft de termijn hierbij het principe ‘comply or explain’. De hulp is niet gestart als na de intake het kind/gezin op een wachtlijst terecht komt. Indien het kind / gezin heeft moeten wachten op passende hulp, maar deze is in de doorbraakaanpak tot stand gekomen, dan beoordelen de inspecties dit positief.
Bevindingen De regio’s Amsterdam en Noord-Holland zijn er niet in geslaagd om tijdig passende hulp die leidt tot het afwenden van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het verminderen van het recidive risico, in te zetten voor elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel. Op basis van de monitoringsgesprekken verwachtten de inspecties dat niet elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel in Noord-Holland tijdig passende hulp kreeg. Deze verwachting is tijdens de praktijktoets bevestigd. De inspecties hebben in totaal voor 54 jeugdigen met een maatregel beoordeeld of de passende hulp tijdig is ingezet. Dit was voor 32 jeugdigen het geval. Op het gebied van tijdige inzet van passende hulp voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel zijn verschillen per jeugdhulpregio zichtbaar. Op basis van de aantallen casussen die per jeugdhulpregio zijn getoetst, kunnen de inspecties geen representatief beeld geven van de verschillen. De cijfers geven een voorzichtige indicatie dat de knelpunten in Kennemerland (in 25% van de onderzochte casussen is tijdig passende hulp ingezet), Zaanstreek-Waterland en Gooi- en Vechtstreek (in beide regio’s is 50% procent van de onderzochte casussen tijdig passende hulp ingezet) het grootst zijn.
In Amsterdam-Amstelland en Westfriesland is in rond de 60% van de onderzochte casussen tijdig passende hulp ingezet. In de Kop van Noord-Holland en in Haarlemmermeer was in alle onderzochte casussen passende hulp ingezet. De inspecties hebben kwalitatief onderzoek uitgevoerd. Naast het uitdiepen van de casussen hebben zij ook in algemene zin met jeugdbeschermers, zorgaanbieders en jeugdhulpregio’s gesproken over de beschikbaarheid van (specialistische) jeugdhulp. Op basis hiervan kunnen zij een nadere duiding en een richting geven van de bevorderende factoren en van de knelpunten bij de tijdige inzet van passende jeugdhulp aan kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel. De bijlage bevat bevindingen die specifiek zijn voor de verschillende jeugdhulpregio’s.
20 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Voorbeeldcasus De jeugdige heeft in allerlei instellingen gewoond. Begin 2020 was de jeugdige 16 jaar. De ZIKOS (Zeer intensieve kortdurende observatie en stabilisatie) heeft toen duidelijk advies uitgebracht wat nodig is voor de jeugdige. De jeugdbeschermer is sindsdien op zoek naar een plek. De jeugdbeschermer heeft geprobeerd een plek te vinden in het reguliere aanbod, maar daar werd de jeugdige telkens afgewezen. Toen is geprobeerd tot maatwerk te komen met de gemeente, een jeugdhulpaanbieder en een GGZ-aanbieder. De jeugdige kon niet in de JeugdzorgPlus-instelling verblijven omdat die ging sluiten. Toen is de jeugdige weer thuis gaan wonen, conform de wens van ouders en jeugdige, met heel veel ambulante begeleiding. Dat is 10 dagen goed gegaan. Verschillende kortdurende opnamen volgden. Nu verblijft de jeugdige opnieuw op een ZIKOS buiten de regio. De gesloten machtiging loopt tot 23 maart, en er is besloten om geen verlenging meer aan te vragen. De jeugdbeschermer vindt dat de jeugdige niet langer in de gesloten jeugdzorg thuishoort. DJGB probeert de druk te vergroten bij aanbieders. De gemeente is bereid alle kosten te dragen. Helder is wat de jeugdige nodig heeft: een langdurige woonplek, 24-uurs begeleiding ter bescherming van zichzelf. De jeugdbeschermer heeft heel lang gezocht in de regio, dat het voor ouders te bereizen zou zijn. Dat is nu ook losgelaten.
De jeugdbeschermer had de casus aangemeld voor de doorbraakaanpak, maar is niet meegenomen. Onduidelijk voor de jeugdbeschermer is waarom niet.
Belemmerende factoren voor de tijdige inzet van passende hulp Beschikbaarheid van specialistisch (residentieel) jeugdhulpaanbod hulp voor jeugdigen met complexe problematiek
“De kosten voor zeer specialistische hulp voor één kind liggen nog bij één gemeente. Op dit moment krijgt een jongere een Very Intensive Care behandeling die 170.000 euro kost die een kleine gemeente betaalt. Deze dure zorg kan beter (boven)regionaal worden betaald. De meeste energie gaat zitten in de dure zorg, de wethouders willen deze terugdringen. Dit is vreemd vergeleken met somatische zorg.” zorgaanbieder
Voor specifieke groepen jeugdigen is onvoldoende passende hulp beschikbaar in de regio. Het betreft jeugdigen die zelf een combinatie van problemen hebben, zoals agressieproblematiek, GGZproblematiek, trauma, verstandelijke beperking. Het blijkt in de praktijk moeilijk om tot maatwerk te komen voor deze jeugdigen. Het zijn jeugdigen die door hun problematiek tussen het aanbod in vallen. Als gevolg van deze kindeigen problematiek, al dan niet in combinatie met problemen in de thuissituatie, kunnen deze kinderen niet (meer) thuis opgroeien. Uit het toezicht komt naar voren dat jonge kinderen (van rond de 10-13 jaar) met dergelijke problemen lang op crisisplekken verblijven, op wachtlijsten staan, veel te maken hebben met verplaatsingen en geen passende behandeling krijgen.
“Het principe is goed, maar de plekken zijn er niet. Er is een vreselijk tekort aan gezinshuizen die ook wel wat kunnen ‘handelen’.” jeugdbeschermer
De groep oudere jeugdigen met dergelijke combinaties van problemen krijgt vaak te maken met JeugdzorgPlus (gesloten jeugdzorg). De bestaande gesloten voorziening in de regio (Transferium van Parlan) is in 2020 gesloten nadat in 2018 de JeugdzorgPlus in de regio is gegund aan Horizon. Horizon heeft een (kleinere) JeugdzorgPlusvoorziening geopend in Castricum. Daarnaast ontwikkelt Parlan kleinschalige woonvoorzieningen in geslotenheid. Deze ontwikkelingen zijn in lijn met de ambitie van de regio om grootschalige voorzieningen te transformeren naar kleinschalige, meer huiselijke voorzieningen.
21 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Niet voor elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel en een machtiging gesloten plaatsing blijkt het mogelijk om tijdig een passende plek te vinden. In de praktijk hebben de inspecties twee voorbeelden gezien van jeugdigen uit Noord-Holland die in Harreveld verbleven, omdat geen passende gesloten plek was in de regio. Voor oudere jeugdigen met vergelijkbare problematiek blijkt het verder lastig om een passende (open) vervolgplek te vinden. Het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd heeft ook een analyse gemaakt van de casuïstiek die daar is ingebracht (met als doel om voor de betreffende jeugdige passende hulp te realiseren). Deze analyse sluit aan op de bevindingen van de inspecties. De jeugdhulpregio’s in Noord-Holland onderkennen de knelpunten in dit aanbod en hebben voor de aanpak hiervan de uitgangspunten voor Een thuis voor Noordje opgesteld. De inspecties zijn positief over deze uitgangspunten, maar hebben zorgen dat de uitwerking en uitvoering te lang op zich laat wachten voor jeugdigen die nu dringend passende hulp nodig hebben.
“De zorgaanbieder heeft op dit moment een tekort aan 25 tot 35 plekken in gezinshuizen. Om deze op te starten is een stabiele situatie nodig. Het kost tijd om panden en mensen te vinden en met de hulp te starten. Om als alternatief ander kleinschalig aanbod te starten ontbreken de middelen.” zorgaanbieder
“Er zijn te veel residentiële start-ups. Daarvan zien we niet wat het niveau van zorg is. Mijn eigen hypothese: het is heel makkelijk om een kleinschalige woonvoorziening te starten. Dat is makkelijk verdiend. Gaat het niet goed met een kind, wordt het kind er weer uitgezet.” zorgaanbieder
Knelpunten in de samenwerking In paragraaf 2.1 hebben de inspecties op hoofdlijnen beschreven hoe de verschillende regio’s de inkoop van jeugdhulp vormgeven. Dit hangt samen met de keuzes die de verschillende jeugdhulpregio’s hebben gemaakt en is inherent aan de decentralisatie van de jeugdhulp. Het pakt in Noord-Holland echter nadelig uit voor het organiseren van (hoog)specialistisch jeugdhulpaanbod, dat soms juist voor de jeugdigen en hun gezinnen met een jeugdbeschermingsmaatregel moet worden ingezet. Zowel de GI’s als de zorgaanbieders hebben met verschillende vormen van inkoop, contractering, verantwoording en financiering te maken. Dit maakt het complex om in te zetten op innovatie en leidt tot financiële zorgen bij de specialistische jeugdhulpaanbieders. Voor het bestendigen en innoveren van het specialistisch jeugdhulpaanbod is een goede samenwerking nodig tussen de regio’s, de gecertificeerde instellingen en het specialistische jeugdhulpaanbod. Met het opstellen van de leidende principes voor Een thuis voor Noordje is hier de eerste stap in gezet. Het plan is ambitieus en vraagt, zoals in het plan beschreven, naast ‘een maatschappelijke paradigmashift’ ook om bestuurlijk draagvlak en een gezamenlijke en bovenregionale governance (zowel van de gemeenten als van de instellingen) en tijd.