07A bijlage raadsbrief minimanota
Tekst van het document
Minimabeleid Gemeente Stede Broec 2021 en verder
0
Inhoud Inleiding .......................................................................................................................................... 2 Inleiding ......................................................................................................................... 2 Visie en Missie ............................................................................................................... 2 Achtergrond .................................................................................................................................... 3 Wat verstaat de gemeente Stede Broec onder armoede?.............................................. 3 Armoede in Nederland ................................................................................................... 3 Armoede in Stede Broec ................................................................................................ 5 De gevolgen van Armoede ............................................................................................ 7 Huidige situatie in gemeente Stede Broec....................................................................................... 8 Welke maatschappelijke partners spelen een rol? ......................................................... 8 Welke lokale regelingen hebben we nu?........................................................................
8 Welke lokale preventieve maatregelen hebben we nu? ............................................... 11 Hoe verhoudt de uitvoering van de minimaregelingen zich tussen Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland en andere regiogemeenten? ............................................ 11 Is er overlap in het huidige minima-aanbod in Stede Broec? ....................................... 12 Zijn er hiaten in het huidige minima-aanbod in Stede Broec? ...................................... 12 Kinderen in Stede Broec .............................................................................................. 13 Wat gaan we doen ........................................................................................................................ 15 Waar willen we heen? .................................................................................................. 15 Aanpassingen aan regelingen...................................................................................... 15 Preventiemaatregelen .................................................................................................. 16 Monitoren lokaal minimabeleid..................................................................................... 17 Covid-19 ......................................................................................................................
17 Integraal beleid ............................................................................................................ 18 Financiële paragraaf ..................................................................................................................... 20 Begroting en kosten ..................................................................................................... 20 Stichting Leergeld ........................................................................................................ 20 Ombuigingen ............................................................................................................... 20 Planning en kosten minimabeleid 2021-2024............................................................... 21
1
Inleiding Inleiding Voor u ligt het beleidsplan ‘Minimabeleid Gemeente Stede Broec 2021 en verder’. Hierin is omschreven hoe we de komende jaren het minimabeleid in gemeente Stede Broec zullen vormgeven. Het vervangt het beleidsplan ‘Minimabeleid Gemeente Stede Broec 2015 en verder’. De gemeente vindt het belangrijk dat alle inwoners kunnen meedoen in de samenleving, ook wanneer zij (of hun ouders) minder te besteden hebben. Mede daarom biedt de gemeente Stede Broec een breed vangnet aan, waar het minimabeleid onderdeel van uit maakt. Naast het minimabeleid bieden ook de Wet maatschappelijke ondersteuning, de schuldhulpverlening en de jeugdzorg ondersteuning waar nodig. Dit beleidsplan is opgesteld in afstemming met de WMO-adviesraad, schuldhulpverlening, consulenten en kwaliteitsmedewerkers bijzondere bijstand en minimabeleid en met de beleidsmedewerkers sociaal domein en samenleving. Aanbevelingen die naar voren kwamen tijdens de bijeenkomst van onze maatschappelijke partners op 3 februari 2020 zijn ook meegenomen. Het beleidsplan sluit aan op de meerjaren visie van het sociaal domein ‘Thuis in Stede Broec’ die in 2019 is vastgesteld. Hierin staat onder andere dat beleidsplannen voortaan aandacht moeten besteden aan preventie, de faciliterende rol van de gemeente en dat de gemeente haar taken en ambities meer integraal en in samenhang zal uitvoeren.
Visie en Missie In het raadsprogramma van gemeente Stede Broec 2018-2022 is het volgende opgenomen over het meedoen in de samenleving en de zorg voor kwetsbare inwoners: “We streven er naar dat iedereen meedoet in Stede Broec. Op de werkvloer, in het culturele leven of gewoon in de buurt ongeacht leeftijd of beperking”. “Voor mensen op of rond bijstandsniveau betekent ‘meedoen’ dat er wellicht (financiële) ondersteuning nodig is. Toegankelijke bijzondere bijstand en ondersteuning c.q. preventiebeleid bij (problematische) schulden zijn hierbij belangrijke instrumenten”. “Kunnen meedoen is van belang voor iedereen. Hierbij is het noodzakelijk om de behoeften per doelgroep te inventariseren, te bepalen welke voorzieningen er al zijn en welke aanvullingen nodig zijn”. Net als voorgaande jaren wil Stede Broec bewerkstelligen dat zoveel mogelijk mensen zelfstandig kunnen meedoen in de samenleving. Zij zorgen zelf voor inkomen, kunnen hun kinderen mee laten doen en kunnen als oudere zelfstandig blijven wonen. De gemeente biedt een vangnet aan inwoners die dit niet op eigen kracht kunnen organiseren. Daarbij wordt er gewerkt aan een meer integrale, klantgerichte benadering. Uitgangspunten binnen het Stede Broecse minimabeleid zijn:
Meedoen in de samenleving Eigen verantwoordelijkheid Vangnetvoorziening Gewoon waar mogelijk, bijzonder waar nodig Werken blijft lonen Speciale aandacht voor (gezinnen met) kinderen
Het minimabeleid richt zich op de sociale minima in Stede Broec; inwoners met een laag inkomen en weinig vermogen voor wie het soms moeilijk is om rond te komen.
2
Achtergrond Wat verstaat de gemeente Stede Broec onder armoede? De gemeente Stede Broec definieert armoede als volgt: “Het hebben van onvoldoende geld (inkomen), met als gevolg dat inwoners in een situatie verkeren waarin zij niet mee kunnen doen”. Over het algemeen denkt men bij armoede aan een tekort van financiële middelen. Armoede is echter een complex verschijnsel waarin zaken als maatschappelijke participatie, opleidingsniveau, gezondheid, zelfredzaamheid en leefomgeving samen komen. Armoede kan in de brede zin ook wel worden gezien als sociale uitsluiting. Er is veel discussie over de definitie van armoede. Zo spreekt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) liever niet van armoede in Nederland maar van inkomensarmoede. Iedere burger heeft namelijk in beginsel een dak boven zijn hoofd, hoeft geen honger te lijden, kan zich deugdelijk kleden en heeft toegang tot medische zorg. Omdat er geen sprake is van fysiek overleven, definieert het CBS armoede daarom als “het hebben van onvoldoende geld (inkomen) om een bepaald consumptieniveau te realiseren dat in Nederland als minimaal noodzakelijk wordt geacht”. Over wat men onder armoede verstaat zijn de meningen dus verdeeld. Een ding is echter duidelijk; er zijn er wel degelijk sociaaleconomische verschillen tussen inwoners, en daarmee in de levensstandaard van inwoners in Nederland en in Stede Broec.
Niet iedereen heeft genoeg te besteden om mee te kunnen doen in de maatschappij. Dit heeft een negatief effect op jong, oud en de samenleving als geheel. Met het minimabeleid proberen we dit te verminderen en -waar mogelijk- te voorkomen.
Armoede in Nederland Het CBS brengt armoede in Nederland in kaart aan de hand van de lage-inkomensgrens. Deze grens vertegenwoordigt een vast koopkrachtniveau door de tijd heen. In 2018 bedroeg de lageinkomensgrens voor een alleenstaande € 12.750 per jaar. Per maand komt dit neer op € 1.060 euro. Dit is ongeveer gelijk aan het bijstandsniveau. Voor meerpersoonshuishoudens wordt de lage-inkomensgrens aangepast naar de omvang en samenstelling van het huishouden (zie tabel 1). Tabel 1. Hoogte van de lage-inkomensgrens van enkele huishoudenstypen
In 2018 had 7,9% van de huishoudens in Nederland een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Dit percentage is al drie jaar stabiel. In Stede Broec is dit percentage 4,5%, in Drechterland 4,0% en in Enkhuizen 6,4%. Van alle huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens, is meer dan de helft afhankelijk van een bijstandsuitkering. 3
Om een beeld te kunnen schetsen van armoede in Nederland halen we een aantal bevindingen aan uit de meest recente rapportage van het CBS; ‘Armoede en sociale uitsluiting 2019’. Daaruit blijkt dat het algemene risico op armoede in 2018 gelijk is gebleven ten opzichte van 2017 en 2016. Desalniettemin lopen bepaalde groepen een hoger risico op armoede dan anderen. Zo ligt het hoogste risico op armoede bij huishoudens van niet-westerse migratieachtergrond. Onder westerse huishoudens hebben degenen met een Oost-Europese achtergrond het hoogste risico op armoede. Anderen met een hoger risico op armoede zijn laagopgeleiden, eenoudergezinnen, ZZP’ers en 55-65 jarigen, mede door een verhoogde kans op arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. Sinds 2014 neemt het armoederisico voor autochtone kinderen en kinderen met een westerse achtergrond gestaag af, terwijl het voor kinderen met een niet-westerse achtergrond toeneemt. Het gemiddelde armoederisico onder minderjarige kinderen is daardoor al een aantal jaar ‘stabiel’ op 8,1%. Twee derde van de risicokinderen komt uit een gezin waarbij een (bijstands-)uitkering de belangrijkste inkomstenbron is. Naast de lage-inkomens grens is ook de intensiteit van armoede een belangrijke graadmeter. De intensiteit is het inkomenstekort ten opzichte van de lage-inkomensgrens. Hoe hoger het inkomenstekort, hoe hoger de intensiteit van de armoede.
Het gemiddelde inkomenstekort in 2018 was 9,8%, ten opzichte van 9,6% in 2017. In 2019 gaf 45% van de huishoudens onder de lageinkomensgrens aan dat zij (zeer) moeilijk rond kunnen komen elke maand. Gemiddeld zijn zij 60% van het inkomen kwijt aan vaste lasten. Maar liefst 83% van hen gaf aan dat zij regelmatig geld te kort komen voor dingen als het kopen van nieuwe kleding, het vervangen van versleten meubilair, een weekje vakantie en onverwachte noodzakelijke uitgaven. Ter vergelijking: van de huishoudens met een inkomen boven de lage-inkomensgrens gaf 9% aan dat zij (zeer) moeilijk rond kunnen komen en 31% dat zij weleens geld te kort kwamen voor bovengenoemde zaken. Een andere indicator voor armoede is het wel of niet hebben van vermogen. Wanneer men kan terugvallen op een vermogensbuffer hoeft een teruggang in inkomen niet per se een probleem te zijn, zolang de situatie van tijdelijke aard is. Ruim twee derde van de lage inkomens in Nederland heeft echter geen of nauwelijks vermogen. Zij lopen hierdoor een hoger risico op armoede wanneer het inkomen terugvalt. Van de mensen die inkomen uit arbeid ontvangen heeft 7% moeite om rond te komen elke maand. Voor de mensen die een werkeloosheidsuitkering, arbeidsongeschiktheidsuitkering of AOW ontvangen geldt een percentage van 15%, en voor mensen die een bijstandsuitkering ontvangen maar liefst 51%.
In tabel 2 is een overzicht te zien van verschillende typen uitkeringen en het aantal personen die deze ontvangt (in Nederland en in SED). De percentages zijn gebaseerd op de situatie per de peildatum en komen niet precies overeen met de percentages van het aantal inwoners per 2020. Tabel 2. Personen met een uitkering; soort, gemeente, percentage populatie Werkeloosheid Bijstand
Arbeidsongeschiktheid AOW
Nederland
204.790 (1%)
416.190 (3%) 728.970 (5%)
3.092.260 (21%)
Stede Broec
260 (1%)
280 (2%)
1.110 (6%)
4.390 (24%)
Enkhuizen
230 (2%)
340 (2%)
1.100 (7%)
3.730 (24%)
Drechterland 180 (1%)
180 (1%)
810 (5%)
3.870 (23%)
Bron: CBS Statline 2019
Van alle huishoudtypen lopen eenoudergezinnen met minderjarige kinderen het hoogste risico op armoede. Dit risico neemt wel af, met name door een belangrijke wijziging in de kindregelingen. Sinds 2015 krijgen alleenstaande ouders een extra hoog kindgebonden budget waardoor met name werkende alleenstaande ouders vaker dan voorheen boven de kritische grens uitkomen. 4
Omdat deze groep verhoudingsgewijs klein is, is hun bijdrage aan de algehele armoedeproblematiek in Nederland relatief beperkt. Het aantal alleenstaanden onder de AOWleeftijd (voornamelijk leeftijdscategorie 55-65 jaar) is aanzienlijk groter en zij lopen eveneens een hoog risico op armoede; 1 op de 5 heeft een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Zie tabel 3. Tabel 3. Armoederisico per huishoudtype, 2018
CBS Rapportage ‘Armoede en sociale uitsluiting 2019’.
Armoede in Stede Broec Het Centraal Bureau van de Statistiek hanteert de lage-inkomensgrens als meetinstrument om armoede in Nederland in kaart te brengen. Deze lage-inkomensgrens is niet hetzelfde als de beleidsmatige inkomensgrens, een grens die de (lokale) overheid gebruikt bij het opstellen en uitvoeren van beleid. De beleidsmatige inkomensgrens is gebaseerd op het wettelijk bestaansminimum die politiek-bestuurlijk is vastgesteld. Tot aan de pensioengerechtigde leeftijd is het sociaal minimum gelijk aan de hoogte van de bijstandsuitkering en vanaf de pensioengerechtigde leeftijd wordt het gebaseerd op de AOW. Voor huishoudens met kinderen zijn de kinderbijslag en het kind gebonden budget aan het normbedrag toegevoegd. Deze uitkeringen en toeslagen worden jaarlijks bijgesteld. De beleidsmatige inkomensgrens sluit daar ook beter aan bij het werkelijke inkomen. Bij de uitvoering van minimabeleid gaan de meeste gemeenten daarom uit van een percentage van het sociale minimum of de bijstandsnorm, zo ook in Stede Broec (dit percentage kan per minimaregeling verschillen). Zie tabel 4 en tabel 6. Toeslagen Bij het vaststellen van het inkomen worden toeslagen als zorgtoeslag, huurtoeslag, kinderbijslag en het kind gebonden budget niet meegerekend. -Zorgtoeslag bedraagt ongeveer € 100 per maand voor mensen met een inkomen rond bijstandsniveau.
-Huurtoeslag is afhankelijk van inkomen en huurprijs. -Kinderbijslag bedraagt tussen de € 221 en € 316 per kwartaal per kind. Het bedrag is afhankelijk van de leeftijd van het kind. Het NIBUD stelt dat de minimale kosten voor voeding tussen de 4-8 jaar € 309 per kwartaal bedraagt en toeneemt bij een hogere leeftijd. -Kind gebonden budget is afhankelijk van het inkomen van ouders. Voor ouders rond bijstandsniveau bedraagt het ongeveer € 100 per maand. Voor alleenstaande ouders rond bijstandsniveau wordt een aanvullend bedrag beschikbaar gesteld. Voor een alleenstaande ouder met twee kinderen <12 jaar is het kind gebonden budget € 468 per maand. Vanaf 12 en 16 jaar ontvangen ouders meer als tegemoetkoming in de schoolkosten.
5
Waar moet je aan denken bij een percentage van de ‘bijstandsnorm’? 100% bijstandsnorm: Het inkomen is gelijk aan de hoogte van de bijstandsuitkering (netto ± € 1060,- p.m.) 110% bijstandsnorm: Het inkomen is ongeveer gelijk aan de hoogte van de AOW uitkering (netto ± € 1160,- p.m.) 120% bijstandsnorm: Het inkomen is ongeveer gelijk aan de hoogte van het loon van mensen die werken bij een sociale werkplaats (netto ± € 1200,- p.m.)
In Stede Broec voldoet 6,4% van de huishoudens aan de beleidsmatige definitie van een laag inkomen (100% bijstandsnorm). Zij vormen daarmee de doelgroep van het minimabeleid. Landelijk schommelt dit percentage al een aantal jaar rond de 10% (zie tabel 5). Het gemiddelde armoederisico voor minderjarige kinderen in Nederland is al een aantal jaar 8,1%. In 2018 was dit percentage voor Stede Broec 6,1%, voor Drechterland 4,7% en voor Enkhuizen 7,5%. Stede Broec ligt daarmee onder het landelijk gemiddelde. Tabel 4. Koopkracht van huishoudens op beleidsmatig minimum (100% bijstandsnorm)
Tabel 5. Percentage huishoudens met een laag inkomen (110% bijstandsnorm) 2017
2018
2019
Nederland
10,4%
10,1%
10,0%
Stede Broec
7,0%
6,6%
6,4%
Enkhuizen
9,7%
9,9%
9,6%
Drechterland
6,2%
6,3%
6,2%
Bron: CBS Statline 2019
6
De gevolgen van Armoede Wanneer je denkt aan de gevolgen van armoede, denk je al snel aan het moeilijk kunnen betalen van eten, kleding en andere zaken. Armoede heeft echter meer impact dan je in eerste instantie zou denken. Armoede zorgt bijvoorbeeld voor veel stress. Chronische stress vergroot het risico op overgewicht, hart- en vaatziekten, verminderde weerstand, slapeloosheid en depressie1. Mensen met chronische stress gaan in een soort ‘overlevingsstand’. Men raakt het overzicht kwijt en neemt beslissingen die op de korte termijn misschien werken, maar op de langer termijn niet handig zijn. Men heeft moeite met leefstijlveranderingen, impulscontrole, planning, prioriteiten stellen en het verwerken van informatie2. Uit onderzoek blijkt dat chronische stress die door armoede ontstaat zelfs kan leiden tot een afname van het IQ met gemiddeld 13 punten 3. Al met al kan de stress die ontstaat door armoede leiden tot gezondheidsproblemen en het maken van minder goede keuzes. Mensen kunnen daardoor in een vicieuze cirkel terecht komen. Een voorbeeld daarvan is het mijden van de huisarts, tandarts of medisch specialist om zo het betalen van het verplichte eigen risico of de eigen bijdrage te voorkomen. Hierdoor blijft men te lang rondlopen met gezondheidsklachten.
Dit is niet alleen potentieel gevaarlijk, maar kan er uiteindelijk toe leiden dat men juist hogere zorgkosten krijgt omdat inmiddels een duurdere behandeling noodzakelijk is. Er zijn duidelijke verschillen in zorgkosten en gezondheid. Mensen met een lagere sociaaleconomische status leven gemiddeld minder lang, hebben vaker overgewicht, drinken vaker alcohol en roken twee keer zoveel dan mensen met een hogere sociaaleconomische status. Andere gevolgen van armoede zijn eenzaamheid en sociale uitsluiting / isolement. Meedoen brengt namelijk kosten met zich mee. Denk bijvoorbeeld aan het lidmaatschap van een vereniging, de entreekosten voor het museum en het vervoer er naartoe. Maar ook de kosten van telefonie, internet en computers. Hierdoor wordt het steeds moeilijker om deel te nemen aan activiteiten of om in contact te blijven met anderen. Ook gevoelens van schaamte spelen een rol. Doordat men niet aan de sociale verwachtingen kan voldoen (een cadeautje meenemen, een rondje geven, mensen thuis uitnodigen), gaat men deze situaties soms liever uit de weg. Schaamte kan er ook toe leiden dat mensen minder snel om hulp vragen. In sommige gevallen kan het leiden tot ‘compensatieconsumptie’ waarbij men juist dure spullen (op krediet) aanschaft om zo de schijn op te houden. De schulden nemen daardoor juist toe waardoor men in een vicieuze cirkel terecht komt.
Schaamte kan mensen in hun armoede vasthouden4. Armoede heeft ook gevolgen voor kinderen. Zij kunnen minder goed meedoen met hun leeftijdsgenootjes. Zo zijn zij gemiddeld minder vaak lid van een sport- of cultuurvereniging, gaan zij minder vaak een dagje uit en vieren zij minder vaak hun verjaardag. Andere dingen die voor de meeste kinderen normaal zijn zoals op vakantie gaan, op schoolreis gaan en thuis vrienden uitnodigen, zijn voor kinderen die in armoede opgroeien niet vanzelfsprekend. Uit onderzoek blijkt dat kinderen soms ook last hebben van ‘stress by proxy’5. Dit houdt in dat kinderen de armoedegerelateerde stress van hun ouders kunnen overnemen, evenals de bijkomende gezondheidsklachten. Verder hebben deze kinderen een kleinere kans op het starten en/of voltooien van een vervolgopleiding. Ouders en kinderen besluiten vaker om de studiekosten en – schuld te mijden en in plaats daarvan direct te gaan werken.
1
Pharos Infosheet Chronische/toxische stress en Gezondheid, oktober 2019. Pharos Infosheet Chronische/toxische stress en Gezondheid, oktober 2019. 3 Mullainathan, S. & Shafir, E. (2013). Schaarste. 4 Plantinga, A. (1989). Poor psychology, poverty, shame and decisionmaking. 5 Nederland Jeugd Instituut. (2018). Opgroeien en opvoeden in armoede. 2
7
Huidige situatie in gemeente Stede Broec Welke maatschappelijke partners spelen een rol? Samen is sterker dan alleen. Dat geldt ook voor de gemeente Stede Broec. Om het minimabeleid te kunnen uitvoeren werken we dan ook samen met o.a. de volgende maatschappelijke partners:
Werksaam Westfriesland Stichting Welzijn Stede Broec Stichting Bibliotheken Westfriesland Stichting Leergeld Westfriesland Stichting Vluchtelingenwerk Leger des Heils Korps Bovenkarspel Voedselbank West-Friesland Kringloopwinkel Noppes Kinderkledingbank Stede Broec Stichting Babyspullen
Humanitas West-Friesland De Woonschakel Bewindvoerders Vrijwilligerspunt Het consultatiebureau Scholen Kerkgenootschappen Kinderopvang Inventas Jongerenwerk GGD Hollands Noorden (Meldpunt Vangnet & Advies)
Een aantal van deze maatschappelijke partners voeren werkzaamheden uit binnen het minimabeleid voor gemeente Stede Broec. Zo kan men bij Werksaam Westfriesland de bijstandsuitkering aanvragen en helpen zij mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt op weg naar werk. Andere organisaties hebben voornamelijk een preventieve en/of ondersteunende werking, bijvoorbeeld Stichting Leergeld Westfriesland en Voedselbank West-Friesland. Tot slot zijn er nog instellingen als het vrijwilligerspunt en kerkgenootschappen. Zij komen vaak in contact met minima en kunnen hen naar de juiste ondersteuning helpen en verwijzen.
Welke lokale regelingen hebben we nu? Landelijk hebben we diverse ‘werknemersverzekeringen’ die een terugval in inkomen uit arbeid opvangen. Voorbeelden daarvan zijn de werkeloosheidsuitkering en de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Daarnaast hebben we landelijke ‘volksverzekeringen’ zoals de AOW. Wanneer men een langdurige terugval in inkomen heeft en niet in aanmerking komt voor andere uitkeringen, is er nog de bijstand als een laatste vangnet. We noemen dit ook wel de sociale zekerheid. Daarnaast zijn er nog landelijke toeslagen die minima ondersteunen in het betalen van bepaalde vaste lasten. Voorbeelden daarvan zijn de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kind gebonden budget. De landelijke regelingen zijn zo gemaakt dat ze voor iedereen kunnen gelden. Doordat ze zo algemeen zijn, sluiten ze vaak niet aan bij de individuele situaties van mensen en de lokale (sociale) infrastructuren. Daar is maatwerk voor nodig. Gemeenten hebben beter zicht op de behoeften van de eigen inwoners en kunnen gericht sturen en investeren op de sociale infrastructuur. Mede daarom heeft het rijk de toetsing en uitvoering van een aantal wetten en regelingen bij de gemeenten belegd. Eén daarvan is de bijzondere bijstand. Dit is een vorm van bijstand voor noodzakelijke kosten in bijzondere situaties, die niet op een andere manier kunnen worden vergoed.
Een van de manieren waarop de gemeente maatwerk levert is door naar de individuele situatie van personen te kijken en –waar nodig en mogelijk– een lokale invulling te geven aan de bijzondere bijstand. Deze manier van ‘maatwerken’ wordt ook toegepast bij de uitvoering van bijvoorbeeld de Wmo. De bijzondere bijstand kan op veel manieren worden ingezet. Het kan als een gift of als een lening worden vergeven. Het kan onder andere worden aangevraagd voor de kosten die men maakt in verband met de geboorte van een kind, incidentele woon-inrichtingskosten, bijzondere reiskosten, medische kosten die buiten de zorgverzekering en het eigen risico vallen, begrafeniskosten voor familieleden, bewindvoeringskosten en rechtsbijstandskosten. Gemeenten hebben beleidsvrijheid in het toepassen van de bijzondere bijstand. Toch leidt dit niet tot grote landelijke verschillen tussen de gemeenten. 8
De meeste aanvragen voor bijzondere bijstand zijn namelijk bedoeld voor kosten en levensgebeurtenissen die veel voorkomen. Er is sprake van enige voorspelbaarheid en jurisprudentie. Daardoor is een meer gestandaardiseerde uitvoering met soortgelijke norminkomens en –bedragen mogelijk. De beleidsvrijheid wordt waar gewenst of noodzakelijk wel toegepast. De gemeenteraad en het college kunnen zo beter afstemmen op actualiteiten, lokale behoeften en politieke besluitvorming. Denk aan het verbreden of versmallen van regelingen of het aanpassen van normbedragen zodat deze beter aansluiten bij de dagelijkse realiteit. De keuzes die hierin worden gemaakt, worden verwerkt in beleidsregels. Deze dienen met enige regelmaat te worden aangepast zodat ze up-todate blijven en aansluiten bij wetswijzigingen. Zie ook hoofdstuk vier. Wat betreft minimabeleid heeft gemeente Stede Broec aan de volgende regelingen een lokale invulling gegeven:
Meedoen regeling Kind pakket Computer regeling Witgoed regeling Individuele inkomenstoeslag Individuele studietoeslag Collectieve zorgverzekering Kwijtschelding gemeentelijke belastingen
Op pagina 10 vindt u een overzicht van deze regelingen, waar ze toe dienen en hoe vaak er gebruik van is gemaakt in 2018 en 2019.
9
Tabel 6. Overzicht lokale regelingen minimabeleid Stede Broec (anno 2020) Regeling
Toelichting
Cliënten* 2018
Cliënten* 2019
Meedoen regeling
Een financiële tegemoetkoming om mee te kunnen doen aan sociaal culturele activiteiten, te weten deelname aan een sport- of culturele vereniging, abonnement bibliotheek en een NS-kortingskaart. Maximale declaratie per alleenstaande is € 140 per jaar en per echtpaar € 285. Inkomen niet hoger dan 110% bijstandsnorm, geen vermogen hoger dan de norm Participatiewet, tussen de 18 jaar en de AOW gerechtigde leeftijd. Onderdeel van de Stede Broecse beleidsregels bijzondere bijstand.
80
77
Kind Pakketten
Een financiële tegemoetkoming om kinderen mee te laten doen aan de samenleving en te voorzien in noodzakelijke behoeften. De mogelijkheid om de volgende kosten te declareren: schoolkosten, schoolactiviteiten, contributie voor sport/cultuur vereniging en sportattributen/kleding. Tot maximaal € 300 per jaar voor kinderen basisonderwijs en € 400 per jaar voor kinderen voortgezet onderwijs. Thuiswonende kinderen leeftijd 4 tot en met 17 jaar. Inkomen niet hoger dan 110% bijstandsnorm en geen vermogen hoger dan de norm participatiewet. Onderdeel van de Stede Broecse beleidsregels bijzondere bijstand.
84
75
Individuele inkomenstoeslag
Een aanvulling op het inkomen wanneer men langdurig laag inkomen, geen vermogen heeft en geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. Alleenstaande: € 423, Alleenstaande ouder: € 538, Echtpaar: € 602. Meer dan 3 jaar een inkomen niet hoger dan 110% bijstandsnorm en geen vermogen hoger dan de norm Participatiewet. Verordening Individuele inkomenstoeslag, uitgewerkt in de Stede Broecse beleidsregels bijzondere bijstand.
104
94
Individuele studietoeslag
Een aanvulling op het inkomen voor jonggehandicapten (18+ en naast studiefinanciering) die studeren of scholing volgen en blijvend (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zijn. Bedraagt € 646 per half jaar. Inkomen niet hoger dan 110% bijstandsnorm. Verordening Individuele studietoeslag.
1
1
Collectieve zorgverzekering
Univé biedt een collectieve zorgverzekering aan, het ‘compact’-pakket en het ‘compleet’-pakket met lage maandelijkse premies (zo’n 3% lager dan gemiddeld). Met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm ontvangt men nog eens € 10 korting op de maandelijkse premie bij het pakket ‘compleet’. De Gemeente Stede Broec betaalt dit bedrag direct aan Univé waardoor de premie lager wordt. Er wordt geen vermogensgrens gehanteerd. Onderdeel van de Stede Broecse beleidsregels bijzondere bijstand.
118
144
Witgoed regeling
Een financiële tegemoetkoming bij de aanschaf van witgoed. Ook wel ‘duurzame gebruiksgoederen’ genoemd. Te weten wasmachine (€ 500), stofzuiger (€ 35), kookplaat (€ 80), koelkast (€ 275) of televisie (€ 375). Eens per 8 jaar wanneer noodzaak is aangetoond. Meer dan 3 jaar een inkomen niet hoger dan 110% bijstandsnorm en geen vermogen hoger dan de norm Participatiewet. Onderdeel van de Stede Broecse beleidsregels bijzondere bijstand.
22
13
Computer regeling
Een financiële tegemoetkoming bij de aanschaf van een computer (maximaal € 400) zodat thuiswonende kinderen (leeftijd 10 jaar tot en met voortgezet onderwijs) mee kunnen komen op school. Per gezin 1 computer, eens in de 8 jaar w anneer noodzaak is aangetoond. Meer dan 3 jaar een inkomen niet hoger dan 110% bijstand en geen vermogen hoger dan de norm Participatiewet. Onderdeel van de Stede Broecse beleidsregels bijzondere bijstand.
21
8
Kwijtschelding gemeentelijke belasting
Kwijtschelding gemeentelijke belastingen, te weten de aanslag afvalstoffenheffing, de aanslag rioolheffing en het eigenaarsdeel van de aanslag onroerende zaakbelasting. Inkomen maximaal 100% bijstandsnorm, voor 65+ AOW-norm. Onderdeel van de Invorderingswet 1990, Verordening Kwijtschelding Stede Broec 2015.
350**
350
*Bij de meedoenregeling, kindpakketten, witgoedregeling en computerregeling gaat het om huishoudens in plaats van unieke cliënten. **Vanaf 2019 wordt gewerkt in een ander registratiesysteem dan in 2018. We houden het aantal van 2019 aan.
10
Welke lokale preventieve maatregelen hebben we nu? Voorkomen is beter dan genezen. Dit gaat niet alleen op voor gezondheidskwesties, maar ook voor zaken als schulden en armoede. Wie (vroeg) leert om goed met geld om te gaan en op tijd om hulp te vragen, komt minder snel in de schulden en armoede terecht. Inzet op preventie is daarom belangrijk. Het draagt bij aan het welzijn van de inwoners van Stede Broec én vermindert het aantal mensen dat gebruik moet maken van Stede Broecse minimaregelingen. De lokale schuldhulpverlening heeft een preventiemedewerker die les geeft aan scholieren over budgetbeheer en het voorkomen van schulden. Ook hebben wij budgetcoaches die mensen op weg helpen en monitoren bij budgetbeheer. Dit zijn hele directe vormen van preventie. Gemeente Stede Broec faciliteert ook minder directe vormen van preventie, voornamelijk middels subsidieverlening. Een voorbeeld daarvan is Stichting Welzijn Stede Broec. Bij deze organisatie kan men o.a. conservatiecursussen volgen en laagdrempelig belastingadvies vragen. Conversatiecursussen zijn gericht op het beheersen van de Nederlandse taal, hetgeen de kans op het verkrijgen / behouden van een baan vergroot. Dat draagt weer bij aan het voorkomen van armoede. Een ander voorbeeld is het subsidiëren van de bibliotheek waardoor ook minima altijd toegang hebben tot informatie en lesmateriaal.
Ook bekostigt gemeente Stede Broec het eerste jaar maatschappelijke begeleiding bij vluchtelingenwerk. Gemeente Stede Broec subsidieert Stichting Leergeld Westfriesland. Deze organisatie richt zich op het voorkomen van sociale uitsluiting van kinderen uit gezinnen met minimale financiële middelen, door deze kinderen weer mee te laten doen aan binnen- en buitenschoolse activiteiten. Ouders kunnen bij de organisatie terecht voor een bijdrage (in natura) aan schoolspullen, fietsen, contributies, en zwemles. Stichting Leergeld maakt hierover afspraken met scholen en lokale ondernemers. Een andere organisatie waarmee gemeente Stede Broec samenwerkt is Humanitas West-Friesland. Deze organisatie biedt onder andere thuisadministratie aan gericht op het voorkomen van schulden.
Hoe verhoudt de uitvoering van de minimaregelingen zich tussen Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland en andere regiogemeenten? Over het algemeen verschillen de gemeenten niet zo veel van elkaar wat betreft de uitvoering van het minimabeleid. De een heeft meer aanvullende regelingen dan de ander of houdt iets andere percentages van de bijstandsnorm aan. Tabel 7 biedt een overzicht van de percentages die de gemeenten in deze regio -over het algemeen- aanhouden bij de uitvoering van het minimabeleid. De meeste gemeenten houden 100% van de bijstandsnorm aan als inkomensgrens voor de algemene kosten van bestaan. Voor zowel de bijzondere bijstand als voor de aanvullende pakketten gericht op participatie houden de meeste gemeenten 120% aan. Daardoor kunnen ook mensen met minimumloon, beschutwerkers en Wa-jongers gebruik maken van deze pakketten. Stede Broec houdt voor de bijzondere bijstand 100%-110% aan. Voor de aanvullende pakketten houden we over het algemeen 110% van de bijstandsnorm aan. Dit betekent dat eigenlijk alleen mensen met een inkomen op bijstandsniveau of AOW-niveau in aanmerking komen voor minimaregelingen in Stede Broec. Dit komt overeen met de uitgangspunten van het Stede Broecse minimabeleid, voornamelijk het faciliteren van een vangnetvoorziening. We doen wat nodig is en eventueel meer waar dat mogelijk is.
Gemeente Enkhuizen valt op omdat het als enige voor de meeste kosten een percentage van 120% van de bijstandsnorm hanteert én een armoedevalconstructie toepast. Op deze manier stelt gemeente Enkhuizen de minimaregelingen open voor een grotere groep inwoners en probeert men de armoedeval kleiner te maken. Enkhuizen stelt namelijk geen harde inkomensgrens, maar een geleidelijke afbouw voor veel van de kosten. Zo wordt een aanvraag niet direct afgewezen wanneer iemand meer dan 120% van de bijstandsnorm verdient. In plaats daarvan moet die persoon 35% van zijn inkomen boven de 120% aanspreken. Wat is een armoedeval? We spreken van een armoedeval wanneer je er financieel op achteruitgaat terwijl je juist (meer) gaat werken. Het inkomen is nog steeds minimaal, maar het loon zorgt ervoor dat men nét boven de inkomensgrens van de minimaregelingen uitkomt. Deze komen hierdoor te vervallen. In sommige gevallen loont werken daardoor niet, omdat men er juist op achteruit zou gaan. Dit heeft een negatief effect op het meedoen in de samenleving. 11
Tabel 7. Aangehouden percentages van de bijstandsnorm per gemeente* Gemeente
Bij de algemene kosten van bestaan
Bij de bijzondere bijstand
Bij aanvullende lokale pakketten of regelingen
Stede Broec
100%
100%-110%
110%
Drechterland
100%
110% - 120%
120%
Enkhuizen
100%
120% + armoedevalconstructie
120% + armoedevalconstructie
Koggenland
100%
110%-120%
120%
Medemblik
100%
110%-120%
120%
Opmeer
100%
100%-120%
120%
Hoorn
100%
110%-120%
120%-125%
*Deze tabel laat zien welke percentages de gemeenten over het algemeen aanhouden (anno 2020).
Is er overlap in het huidige minima-aanbod in Stede Broec? Met deze vraag willen we kritisch stilstaan bij de mogelijkheid dat Stede Broec te veel regelingen heeft, of dat ze efficiënter kunnen worden uitgevoerd. Er is niet zo zeer sprake van overlap in het aanbod van minimaregelingen in Stede Broec. Wel is er sprake van een ‘dubbelop’ in processen en beleidsregels. Stede Broec heeft bijvoorbeeld een lokale invulling van de bijzondere bijstand in de vorm van de witgoedregeling, terwijl de inhoud van deze regeling eigenlijk al gedekt is in de ‘standaard’ bijzondere bijstand (onder duurzame goederen). Het leidt niet tot extra of dubbele aanvragen en uitgaven, maar is ‘op papier’ wel dubbelop te noemen. Een ander voorbeeld van ‘dubbelop’ is het betalen van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand vanuit de bijzondere bijstand. Het is een standaard, niet verplicht onderdeel van de bijzondere bijstand en komt voort uit een tijd waarin de eigen bijdrage voor rechtsbijstand een vast bedrag was. Omdat niet iedereen dit bedrag kon betalen en men ongelijkheid wilde voorkomen, kon men hiervoor een beroep doen op de bijzondere bijstand. Gemeente Stede Broec heeft dit gebruik overgenomen in haar beleidsregels. Tegenwoordig is de eigen bijdrage echter niet meer een vast bedrag, maar één die wordt berekend op basis van het inkomen.
Doordat gemeente Stede Broec de eigen bijdrage nog vanuit de bijzondere bijstand bekostigd, corrigeren we eigenlijk ‘dubbel’ voor het lage inkomen. Dit laat zien waarom het goed is dat we eens in de zoveel tijd stil staan bij ons beleid en kijken wat er beter kan. Alleen op die manier kunnen we blijven aansluiten bij een continue veranderende maatschappij.
Zijn er hiaten in het huidige minima-aanbod in Stede Broec? Stede Broec heeft een redelijk breed pakket aan maatregelen die het inkomen ondersteunen. Deze zijn beschikbaar voor mensen die een inkomen op bijstandsniveau hebben en net erboven (ouderen met enkel AOW). Voor de groep die langdurig van een laag inkomen met rondkomen is in principe weinig beschikbaar. Denk daarbij aan de groep jonggehandicapten, beschutwerkers, 12
jongeren die van de praktijkschool en speciaal onderwijs komen. De kans dat deze jongeren ooit hoger dan het minimumloon zullen verdienen is minimaal. Mensen die langdurig van een laag inkomen moeten rondkomen lopen meer risico dan anderen op armoede doordat buffers snel opraken en zij nagenoeg geen vermogen kunnen opbouwen. Een tegenslag kan daardoor hard aankomen en tot een vicieuze cirkel leiden. Deze groep lijkt een beetje tussen wal en schip te vallen. Onze maatschappelijke partners willen de doelgroep graag helpen en hebben ook creatieve ideeën. Echter, zelfs met korte lijnen tussen sommige partners is het lastig om een overzicht te krijgen van het grotere geheel en deze ideeën af te stemmen met anderen in het veld. Een regierol is gewenst, een regierol die de gemeente nog niet ingebed heeft. Eind 2018 en begin 2020 heeft de gemeente een netwerkbijeenkomst georganiseerd voor alle maatschappelijk partners op het gebied van minimabeleid. Hier was veel animo voor en uit de bijeenkomst bleken er meerdere particuliere initiatieven te zijn. Een structurele inbedding van een regierol zou het preventieve veld kunnen versterken.
Kinderen in Stede Broec Stede Broec vindt het belangrijk om bij het maken van beleid de behoeften per doelgroep te inventariseren, om zo te kunnen bepalen welke interventies eventueel nodig zijn (Raadsprogramma 2018-2022). In hoofdstuk 1.1. hebben we kunnen lezen dat minderjarige kinderen risico lopen op armoede, voornamelijk wanneer zij uit eenoudergezinnen komen. Hoewel dit risico wel is afgenomen sinds de landelijke verhoging van het kind gebonden budget, blijft bijzondere aandacht voor (gezinnen met) kinderen een belangrijk speerpunt van de gemeente. Alliantie Kinderarmoede Zo heeft de gemeenteraad in 2018 een bespreeknotitie behandeld over de Alliantie Kinderarmoede. De Alliantie Kinderarmoede is ontstaan vanuit een samenwerking tussen Missing Chapter Foundation, Alles is Gezondheid en het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ). De Alliantie Kinderarmoede brengt organisaties uit alle hoeken van de samenleving bij elkaar om samen nieuwe, creatieve en slimme oplossingen te bedenken voor de aanpak van kinderarmoede. Deze partners proberen samen met publieke én private partners armoede onder kinderen te uitbannen. Zo heeft Zwitsal gratis producten voor gezinnen onder de armoedegrens gegeven via consultatiebureaus en jeugdzorg. Ook geeft de alliantie aanbevelingen mee aan de Rijksoverheid en gemeenten om op te kunnen nemen in beleid. Een ander initiatief is Sam&.
Leergeld Nederland, Jeugdfonds Sport & Cultuur, Nationaal Fonds Kinderhulp en Stichting Jarige Job hebben de handen ineengeslagen om ervoor te zorgen dat ook kinderen uit gezinnen met weinig geld mee kunnen doen aan leuke activiteiten en gewoon hun verjaardag kunnen vieren. Wat kunnen wij leren van deze initiatieven? Wat deze organisaties allemaal gemeen hebben is dat zij pleiten voor de ontwikkeling van integraal beleid rond kinderen en armoede, de toegang tot voorzieningen te vereenvoudigen en vooral te luisteren naar de kinderen en hun gezinnen. De Alliantie Kinderarmoede maakt dit heel concreet met de volgende doelstellingen:
Signaleren van armoede, dit bespreekbaar maken en weten welke andere organisaties betrokken kunnen worden bij de oplossing ervan; Doen wat in de mogelijkheid ligt om de (gezondheids-)gevolgen van armoede binnen (aanstaande) gezinnen op te lossen; Actief samenwerken en laten zien wat werkt.
De alliantie definieert niet wat ze onder armoede verstaan. Uit de conferenties die zij houden wordt wel duidelijk dat zij vooral aan beleidsmakers en de politiek willen meegeven dat armoede meer is dan materieel tekort. Uitsluiting als gevolg van armoede is het echte probleem. Het leidt tot psychische en lichamelijke gezondheidsproblemen (zie ook ‘de gevolgen van armoede’, pagina 7). Een tijdelijke terugval in inkomen, bijvoorbeeld door werkloosheid of scheiding, hoeft niet gelijk te leiden tot uitsluiting. Langdurige uitsluiting kan echter wel leiden tot overerving van armoede bij 13
kinderen. De Alliantie Kinderarmoede vindt het dan ook belangrijk dat kinderen zich als ieder ander kunnen ontwikkelen, zodat zij niet hun leven lang in armoede blijven. De gemeente Stede Broec heeft de doelstellingen van de Alliantie Kinderarmoede meegenomen in de aanbevelingen zoals genoemd in het hoofdstuk ‘Wat gaan we doen?’ op pagina 15. Voornamelijk de focus op het verbeteren van signalering, overzicht en samenwerking komen hierin terug. Luisteren naar & leren van kinderen Het is belangrijk dat professionals, vrijwilligers en de gemeente met elkaar in contact komen en van elkaar kunnen leren. Net zo belangrijk -zo niet belangrijker- is het leren van de kinderen en de ouders zelf. De gemeente Stede Broec heeft daarom in 2019 diverse sessies gehouden met kinderen en ouders/verzorgers om te horen wat zij nodig hebben om mee te kunnen doen. Dit sluit aan bij de bevindingen van de Alliantie Kinderarmoede. Uit deze gesprekken kwam onder andere naar voren dat men vindt dat de toegang tot het kindpakket eenvoudiger zou moeten zijn. Ook gaf men aan dat er behoefte is aan meer inzicht in de ondersteuningsmogelijkheden en maatschappelijk partners. Tot slot zou men graag zien dat het taboe op geldproblemen, met name op scholen, doorbroken wordt. De aanwezige ouders hebben aangegeven open te staan voor een vervolg.
14
Wat gaan we doen Waar willen we heen? Met de uitvoering van het minimabeleid werken wij aan het realiseren van de volgende zaken:
Iedere inwoner van Stede Broec, jong en oud, heeft de kans om mee te doen aan het sociaal-culturele leven in Stede Broec. Ieder kind in Stede Broec heeft de mogelijkheid om zich te ontwikkelen tot een volwaardige, evenwichtige volwassene. Het beleid van de gemeente Stede Broec sluit aan (en blijft aansluiten) bij de huidige maatschappij, normen, waarden en maatstaven van participatie. De uitvoering van het minimabeleid sluit aan bij wetgeving, jurisprudentie én werkt voor zowel de doelgroep als de betrokken uitvoerende partijen. Het preventieve aanbod van het actieve maatschappelijke middenveld wordt optimaal benut.
De gemeente Stede Broec werkt doorlopend aan de realisatie van bovenstaande punten. Elke nieuwe nota voor minimabeleid bevat weer nieuwe kennis en aanbevelingen voor hoe we daarin beter kunnen slagen. De rest van dit hoofdstuk laat zien waar we de komende jaren op willen focussen.
Aanpassingen aan regelingen 1. Actualiseren beleidsregels bijzondere bijstand Uit de analyse van de huidige situatie in gemeente Stede Broec is gebleken dat de beleidsregels voor de bijzondere bijstand op korte termijn aangepast moeten worden. De huidige beleidsregels dateren van 2015 en sluiten niet meer goed aan bij wetswijzigingen, jurisprudentie, gebruikservaringen en de huidige tijdsgeest. Het college zal daarom in 2021 nieuwe beleidsregels vaststellen. Het college zal voortaan elke twee jaar bekijken of wijzigingen aan de beleidsregels bijzondere bijstand noodzakelijk zijn, zodat deze up-to-date blijven. 2. Harmoniseren werkprocessen Bij het actualiseren van de beleidsregels kijken wij ook naar de harmonisering van de uitvoering. In de praktijk blijkt dat kleine verschillen tussen de gemeenten Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland veel extra werk opleveren voor de uitvoerende medewerkers. Een voorbeeld is de indieningstermijn van bewindvoeringskosten. In Stede Broec kan dit met terugwerkende kracht worden ingediend, in Enkhuizen heeft men een maand de tijd en in Drechterland is dit onbepaald. Zo zijn er nog tal van voorbeelden waar de uitvoering tegenaan loopt. Bij het vaststellen van de nieuwe beleidsregels zal het college aandacht hebben voor de harmonisatie van de werkprocessen. 3.
Actualiseren lokale minimaregelingen Verder willen we de uitvoeringstijd en -kosten van de minimaregelingen beperken. Uit de analyse van de huidige situatie in Stede Broec blijkt namelijk dat de uitvoeringskosten in sommige situaties niet opwegen tegen de kosten van voorzieningen. Om voor de minimaregelingen in aanmerking te komen zijn uitvoerige controles nodig van o.a. het inkomen en het vermogen. Sinds de invoering van de AVG kunnen de gewoonlijke controlesystemen niet worden ingezet voor deze nietwettelijke taak, waardoor de toetsing langer duurt. Om de uitvoeringskosten niet op te laten lopen kan worden ingezet op het vereenvoudigen van de toegang tot lokale minimaregelingen. Op die manier zijn de consulenten namelijk minder tijd kwijt aan de toetsing, wat weer uitvoeringstijd en – kosten bespaard. Het vereenvoudigen van de toegang zorgt er ook voor dat meer inwoners in aanmerking kunnen komen voor de lokale minimaregelingen en minder gebruik hoeven te maken van de bijzondere bijstand. De bijzondere bijstand kan dan weer dienen waar het echt voor bedoeld is: een vangnet voor noodzakelijke bestaanskosten in bijzondere situaties. 15
Dit kan onder andere bereikt worden door de gehanteerde inkomensnorm voor de meeste lokale minimaregelingen te verhogen naar 120% van het sociale minimum, en gelijktijdig de inkomensnorm voor bijzondere bijstand terug te brengen naar 100% van het sociale minimum. Door de bijzondere bijstand iets te versmallen en de lokale minimaregelingen als voorliggende voorzieningen iets te verbreden ontstaat er een betere balans. Men maakt dan eerst gebruik van de voorliggende voorzieningen en pas als het nodig is van de vangnetfunctie, zoals het bedoeld is. Deze aanpassing maakt de toegang simpeler en logischer voor zowel de inwoner als voor de uitvoering.
Preventiemaatregelen 4. Versterk de maatschappelijke keten met een gezamenlijke ontwikkelagenda Hoewel we goede minimaregelingen en een goed vangnet beschikbaar hebben, is het natuurlijk beter om te voorkomen dat men er überhaupt gebruik van moet maken. Goede preventie is dan ook belangrijk. In Stede Broec hebben we gelukkig veel betrokken maatschappelijke partners. Zij hebben een preventieve werking en doen al veel voor onze minima. Door hen beter te faciliteren kunnen zij niet alleen hun werkzaamheden beter uitvoeren, maar ook de verbinding maken met elkaar. Zo vroeg een van de maatschappelijk partners tijdens de bijeenkomst van 3 februari 2020 of er een organisatie was die cadeautjes regelde voor ouders met kleine kinderen rondom sinterklaas en kerst. Toen bleek dat er een aantal organisaties waren die dit al een tijdje deden en konden helpen. Dit laat zien dat de bijeenkomsten bijdragen aan kennis over het lokale preventieve aanbod én het verbinden van maatschappelijk partners. De verbinding en samenwerking tussen maatschappelijk partners leidt uiteindelijk tot een betere ‘dekking’ van preventie in Stede Broec. De gemeente gaat daarin een sterkere regierol nemen. De gemeente zal daarom voortaan minimaal een keer per jaar een netwerkbijeenkomst organiseren voor de maatschappelijk partners op het gebied van minimabeleid.
Met de maatschappelijk partners wordt een ontwikkelagenda vastgesteld waarin de diverse onderwerpen uit deze nota aan bod komen. Er wordt ook gewerkt aan het beschikbaar stellen van een sociale kaart (overzicht) van maatschappelijk partners. 5. Uitvoering geven aan gezamenlijke ontwikkelagenda Uit de bijeenkomsten met maatschappelijk partners zullen naar verwachting sterkere verbindingen en nieuwe initiatieven ontstaan. De gemeente zou deze kunnen faciliteren middels (kleine) subsidies. Dit zou niet alleen het preventieve aanbod in Stede Broec kunnen verbeteren, maar biedt de gemeente ook de mogelijkheid tot het maken van prestatieafspraken met maatschappelijke partners. Dit komt ten goede aan de regierol van de gemeente in het preventieve veld van het minimabeleid. Doelgroepen In het raadsprogramma 2018-2022 van gemeente Stede Broec is opgenomen dat het belangrijk is om de behoeften per doelgroep te inventariseren en te bekijken welke interventies nodig zijn. Uit de analyse van de armoederisico’s gedurende de levensloop blijkt dat er drie doelgroepen zijn die -naast de algemene maatregelen- extra aandacht behoeven: 6. Meer aandacht voor ZZP’ers en 55-65 jarigen Een opvallende doelgroep is de groep werkenden: ZZP’ers en alleenstaande 55-65 jarigen die een verhoogd risico lopen op arbeidsongeschiktheid en werkloosheid.
Om deze groep beter te bereiken gaan we voorlichting geven aan Werksaam Westfriesland zodat zij de minimaregelingen onder de aandacht kunnen brengen, naast het eventueel verstrekken van een uitkering. Daarnaast gaan we begin 2021 het netwerk van maatschappelijk partners uitbreiden voor deze verborgen groep, te denken aan UWV en werkgevers. Met deze partijen zullen we onderzoeken wat wij als netwerk kunnen betekenen voor deze groep.
16
7. Preventie gericht op de overgang naar volwassenheid Een andere doelgroep die specifieke aandacht behoeft zijn jongeren die 18 jaar worden. Zij lopen op dat moment namelijk het meeste risico op het opbouwen van schulden. Opeens worden zij zelf verantwoordelijk voor een scala aan financiële zaken. Denk daarbij aan het afsluiten van verzekeringen, abonnementen en het aanvragen van toeslagen. Jongeren die hierbij geen voorlichting of begeleiding krijgen lopen een verhoogd risico op schulden en daarmee op armoede. Er zijn veel preventiemogelijkheden op dit gebied. We gaan kijken hoe andere gemeenten dit succesvol aanpakken. Voorbeelden zijn voorlichting geven op school, de geldkrant van het Nibud of het op een aansprekende manier aanschrijven van jongeren die binnenkort 18 worden. Hierin zal integraal worden opgetrokken met de afdeling schuldhulpverlening. 8. Preventie gericht op minderjarige kinderen Ook minderjarige kinderen lopen risico op armoede, voornamelijk wanneer zij uit een eenoudergezin komen. Hoewel dit risico wel is afgenomen sinds de verhoging van het kind gebonden budget, blijft bijzondere aandacht voor (gezinnen met) kinderen een belangrijk speerpunt van de gemeente. De eerder genoemde maatregelen dragen bij aan het beter bereiken en ondersteunen van deze doelgroep.
Daarnaast worden een aantal aanpassingen aan het kindpakket en de computerregeling beoogd (zie tabel 8). Hierdoor kunnen kinderen die met armoede te maken hebben niet alleen beter mee doen op school, maar ook in het sociale leven. Het biedt daarnaast meer mogelijkheden op het gebied van kunst- en cultuurdeelname, bijvoorbeeld door het kindpakket ook in te zetten voor muziekles. Door mogelijk te maken dat kinderen gewoon mee kunnen doen en zich kunnen ontwikkelen als ieder ander, kunnen we voorkomen dat kinderen in een achterstandssituatie terecht komen en/of blijven. Hiermee dringen we het overerven van armoede terug. In het verbeteren van de preventie gericht op minderjarige kinderen willen we in gesprek blijven met de doelgroep.
Monitoren lokaal minimabeleid 9. Breng effecten van lokaal minimabeleid in kaart Het CBS en het Nibud stellen gegevens beschikbaar over armoede in Nederland en in Stede Broec. Deze gegevens houden echter geen rekening met lokale voorzieningen zoals het kindpakket, de Meedoenregeling en kwijtschelding gemeentelijke belastingen. Ook worden de toeslagen van de belastingdienst meestal niet meegenomen in deze analyses. Onze lokale regelingen bieden wel degelijk financiële ondersteuning aan inwoners en kunnen het verschil maken onder de streep. Om beter te weten waar we willen bijsturen met ons minimabeleid is het belangrijk om inzicht te hebben in de effecten van de regelingen. Een inkomenseffectenrapportage geeft inzicht in de netto-effecten van allerlei regelingen voor verschillende huishoudtypen.
Covid-19 Deze nota is geschreven in 2020. Begin 2020 kreeg de wereld te maken met de Covid-19 pandemie, ook wel de coronacrisis genoemd. Om de verspreiding van dit zeer besmettelijke longvirus te kunnen indammen heeft de rijksoverheid moeten besluiten tot een aantal verregaande maatregelen. Zo moesten veel bedrijfstakken gedwongen sluiten voor langere tijd, anderen konden slechts gedeeltelijk functioneren door de verplichte 1,5 meter (afstands-)regel. Op het moment van schrijven zitten we nog steeds midden in de pandemie. Het is daardoor lastig om te zeggen hoe deze crisis zich zal ontwikkelen en wat de gevolgen ervan zullen zijn (en voor hoe lang). De gemeente Stede Broec verwacht wel dat de coronacrisis zal leiden tot enige toename in het aantal inwoners dat met armoede te maken krijgt en in het aantal aanvragen voor onze minimaregelingen. Waarschijnlijk betreft het ook een nieuwe groep inwoners die nog niet eerder op deze wijze met armoede in aanraking is gekomen. Het is belangrijk dat ook zij weten dat ondersteuning mogelijk is en waar zij dan terecht kunnen. De minimaregelingen zijn er niet alleen voor de inwoners in de bijstand. Daarom worden alle maatschappelijke partners gestimuleerd om extra alert te zijn op deze verborgen doelgroep en hen tijdig naar de gemeente door te verwijzen voor ondersteuning. 17
Integraal beleid Schuldhulpverlening en minimabeleid Wanneer mensen met financiële problemen een keuze moeten maken tussen het betalen van verschillende vaste lasten, zullen zij vaak proberen in ieder geval de huur te betalen. De zorgverzekering, gas, water en licht zijn vaak tweede keus. Wanneer er wel sprake is van een huurachterstand is de kans dan ook groot dat er andere betaalachterstanden zijn. Als er te lang wordt gewacht met ondersteuning is de kans groot op het opbouwen van problematische schulden. De kans dat de Kredietbank moet worden ingezet voor een schuldsaneringstraject wordt hiermee ook groter, met alle gevolgen en kosten van dien. Daarom heeft de gemeente Stede Broec een vroegsignaleringstraject opgezet die in 2020 van start is gegaan. Hierin wordt samengewerkt met onder andere woningbouwverenigingen, nutsbedrijven en zorgverzekeringen. Deze partijen geven na één maand betalingsachterstand een signaal aan de gemeente. Indien er sprake is van meerdere signalen op één adres of een zeer hoge achterstand gaat de preventiemedewerker op huisbezoek. Tijdens dit gesprek inventariseert de preventiemedewerker wat er speelt aan problematiek en gaat samen met de huurder aan de slag om de zaken op de rit te krijgen, of mensen de weg te wijzen voor aanvullende ondersteuning.
Door het inzetten van deze methodiek probeert de gemeente Stede Broec ervoor te zorgen dat inwoners met een lichte vorm van ondersteuning weer zelfstandig verder kunnen. Over de uitwisseling van gegevens zijn goede afspraken gemaakt conform de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Een goede samenwerking tussen de medewerkers van schuldhulpverlening en minimabeleid is noodzakelijk. De schuldhulpverleners en budgetcoach helpen inwoners met het aanvragen van bijzondere bijstand en minimaregelingen. Daar waar maatwerk nodig is in het schuldhulpverleningstraject wordt in overleg getreden met de medewerker bijzondere bijstand. Gezondheidsbeleid en minimabeleid De gezondheid van mensen die in armoede leven wijkt in veel opzichten af van mensen die welvarender zijn. Deze verschillen zijn uitgebreid besproken in het hoofdstuk ‘Achtergrond’ (pagina 3). We weten hierdoor dat vele factoren op elkaar van invloed zijn, waaronder financiële middelen, psychosociale mechanismen, gedragsfactoren, onderwijs, werk en gezondheid. Door de verbanden over en weer ligt het risico op een negatieve spiraal op de loer. Door zowel op beleidsals op uitvoeringsniveau een verband te leggen tussen gezondheid en armoede, wordt geprobeerd deze negatieve spiraal te doorbreken. Een mooi voorbeeld van het verband tussen gezondheidsbeleid en minimabeleid is sport en bewegen.
De huidige minimaregelingen geven namelijk de ruimte om huishoudens financieel te ondersteunen bij deelname aan sport en bewegen wanneer zij dit zelf niet kunnen bekostigen. Vanuit het minimabeleid is dit een effectieve beleidsstrategie voor het bevorderen van participatie voor zowel volwassenen als kinderen. Zij kunnen hierdoor net als ieder ander meedoen aan het verenigingsleven, sociale contacten onderhouden en talenten ontwikkelen. Voor het gezondheidsbeleid is dit een effectieve beleidsstrategie omdat het een groot positief effect heeft op de gezondheid en een preventieve werking heeft op de ontwikkeling van chronische ziekten als obesitas, hart- en vaatziekten en COPD. Lichaamsbeweging heeft bovendien niet alleen invloed op iemands fysieke gezondheid, maar ook op het emotionele welzijn. Dit geldt met name voor het zelfvertrouwen en gevoel van eigenwaarde bij kinderen en jongeren. Ook heeft lichaamsbeweging een positieve invloed op emotionele- en stemmingsstoornissen. In het begin van dit hoofdstuk is besproken dat we vanaf 2021 het netwerk van maatschappelijk partners verder willen versterken. Voor zowel gezondheids- als minimabeleid zijn de aanbieders van sport en bewegen belangrijke partners. Zij zullen dan ook worden meegenomen in de eerder voorgestelde bijeenkomsten. Daarnaast zal het thema sport en bewegen worden toegevoegd aan de ontwikkelagenda.
18
Tabel 8. Overzicht aanbevelingen voor huidige lokale regelingen (anno 2020) Regeling
Aanbevelingen v.a. 2021
Meedoen regeling
De regeling ook openstellen voor inwoners vanaf de AOW leeftijd.
(Gericht op het stimuleren en faciliteren van sociaal culturele participatie van volwassenen. Voor uitgebreide toelichting zie tabel 6).
De regeling uit de beleidsregels bijzondere bijstand halen en tot een eigen regeling maken. Zo blijven wettelijke taken (beleidsregels bijzondere bijstand) en bovenwettelijke taken (eigen regelingen) gescheiden en inzichtelijk.
Kind Pakketten
Meer aandacht in de regeling voor culturele activiteiten zoals muziekles.
(Gericht op het stimuleren en faciliteren van sociaal culturele participatie van kinderen. Voor uitgebreide toelichting zie tabel 6).
De regeling uit de beleidsregels bijzondere bijstand halen en tot een eigen regeling maken. Zo blijven wettelijke taken (beleidsregels bijzondere bijstand) en bovenwettelijke taken (eigen regelingen) gescheiden en inzichtelijk.
Individuele inkomenstoeslag
De individuele inkomenstoeslag voorliggend maken op de individuele beoordeling van duurzame gebruiksgoederen uit de bijzondere bijstand. Op basis van jurisprudentie is dit wenselijk gebleken.
Uitwerking opnemen in de beleidsregels bijzondere bijstand.
Individuele studietoeslag
(Een aanvulling op het inkomen voor studerende jonggehandicapten die blijvend arbeidsongeschikt zijn. Voor uitgebreide toelichting zie tabel 6).
Per 1 januari 2021 wordt van rijkswege de regeling aangepast. De studietoeslag gaat van € 300 per jaar naar € 300 per maand. De aangepaste verordening zal eind 2020 aan de raad worden aangeboden. De regeling heeft betrekking op gemiddeld 1 inwoner per jaar in Stede Broec.
Uitwerking opnemen in de beleidsregels bijzondere bijstand.
Collectieve zorgverzekering
Een premiebijdrage beschikbaar stellen aan inwoners voor beide collectieve aanvullende ziektekostenverzekeringen. Hiermee kunnen we preventieve gezondheidsprojecten uitvoeren in samenwerking met de zorgverzekeraar.
Uitwerking opnemen in de beleidsregels bijzondere bijstand.
De regeling af te schaffen. Het aanschaffen dan wel vervangen van witgoed / duurzame gebruiksgoederen is voldoende gedekt in de bijzondere bijstand. Voor duurzame gebruiksgoederen als witgoed dient men te reserveren. Wanneer dit door bijzondere omstandigheden niet mogelijk is kan men altijd een beroep doen op de bijzondere bijstand. Een aparte regeling is daarom overbodig.
Niet elke acht jaar, maar wanneer noodzakelijk en wanneer alle voorliggende voorzieningen zijn benut kan er beroep worden gedaan op de computerregeling. Niet maximaal één computer per gezin, maar één per kind. Dit sluit beter aan bij de huidige tijdsgeest, maatstaven en benodigdheden voor onderwijs.