CConstaterende datStede Broec
Koppel je AI →
Document · PDF

06A Bovenregionaal plan Een Thuis voor Noordje Def24122021 (1)

Gemeenteraad 3 maart 2022, gemeente Stede BroecBij agendapunt: Samenleving19.438 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

10 alinea's met “jeugdregio”: 107 124 180 181 184 194 199 329 355 364

2

Voorwoord Graag stel ik Noordje aan jullie voor. Noordje is een kind, tiener, een jongere, jeugdige of jongvolwassene die opgroeit in Noord-Holland. Noordje is bovenal een mens, iemand die bijzonder is, normaal gevonden wil worden, gek wil kunnen doen, een complexe hulpvraag heeft. Zo noemt Noordje dat zelf niet, Noordje wil vooral gezien, gehoord en geliefd worden, zichzelf kunnen zijn. Omdat het niet zo makkelijk gaat wil Noordje heel graag wonen op een plek die als thuis voelt, zo kort als mogelijk, zo lang als nodig, een plek waar Noordje gewoon mag zijn. Waar Noordje net als andere kinderen naar school gaat, ook als dat betekent dat school naar Noordje toe komt. Waar hulpverlening aandacht voor Noordje heeft, zonder te hoge verwachtingen, want die geven druk. Zonder te lage verwachtingen ook, want het gedrag van Noordje komt wel ergens vandaan. Noordje wil iemand die er is, vertrouwen op de deskundigheid van de hulpverlening, en als die het ook even niet weten, ze hun stinkende best doen om het zo goed mogelijk te doen. Ze werken daarvoor heel goed samen. Noordje staat er niet alleen voor. Met elkaar werken we aan een thuis voor Noordje. Vol trots mag ik na een intensieve periode vol workshops en bestuurlijke afstemming het bovenregionale plan een ‘Thuis voor Noordje’ delen.

Een plan waarin we onze ambitie om jeugdigen in Noord-Holland met complexe hulpvragen die een intensieve behandel- en een verblijfsbehoefte hebben verder concretiseren. Aan de totstandkoming van dit plan hebben zeer veel betrokken professionals bijgedragen. Er is gewerkt vanuit de netwerksamenwerking tussen de jeugdhulpregio’s van Noord-Holland, jeugdhulpaanbieders iHub, GGZ Noord-Holland-Noord, Kenter, Levvel, Parlan en ’s Heerlenloo, de samenwerkingsverbanden voortgezet onderwijs die ook weer andere onderwijsdeskundigen hebben betrokken, medewerkers van de gecertificeerde instellingen en overige deskundigen die op basis van hun expertise hebben mee gedaan. Dankbaar ben ik ook voor alle inzichten die ervaringsdeskundige jeugdigen en ouders ons hebben gegeven in de vaak emotionele gesprekken tijdens meerdere spiegelbijeenkomsten. Daarnaast is er tijdens de ontwikkeling van dit plan nauw samengewerkt met het Bovenregionaal Expertise Netwerk Noord-Holland, met Keet; de ketenaanpak eetstoornissen, met het Ondersteuningsteam Zorg voor Jeugd en is de verbinding gezocht met de regionale kenniswerkplaatsen in Noord-Holland. Over de voortgang is gesproken met medewerkers van de ministeries van VWS, JenV en OCW, de inspectie en de jeugdautoriteit, en er zijn bestuurlijk afspraken gemaakt in het kader van het interbestuurlijk toezicht.

We volgen de landelijke ontwikkelingen, zoals de hervormingsagenda en de herbezinning op residentieel onderwijs nauwgezet. De inhoud staat altijd voorop bij een Thuis voor Noordje, iedereen heeft de wil om het onderwijs en de jeugdhulp voor deze jeugdigen te verbeteren. Alle betrokkenen onderschrijven het belang van deze transformatieopgave, een transformatie die al gaande is, waar we in de praktijk al veel goede voorbeelden van zien, maar waar ook nog ontzettend veel in te doen en te ontwikkelen is. We gaan deze uitdagingen niet uit de weg en we leren van de ervaringen die worden opgedaan. Er wordt op dit moment ook hard gewerkt aan het borgen van bovenregionale samenwerkingsafspraken, waar Common Eye een voorstel voor uitwerkt. Daarmee geven de Noord-Hollandse jeugdhulpregio’s ook verder vorm aan dit deel van de norm van opdrachtgeverschap. Graag bedank ik iedereen die aan de totstandkoming van dit bovenregionale plan heeft bijgedragen en betrokken blijft bij de verdere uitwerking en implementatie. Deze ambitie kunnen we alleen samen bereiken. Zonder ook maar iemand tekort te willen doen, of te vergeten, wil ik hierbij de leden van het ambtelijk kernteam, het programmateam en de projectleiders van de thema’s verklarende analyse en triage, het alternatief voor gesloten jeugdhulp, onvoorwaardelijk wonen en 16-27-jarigen extra in het zonnetje zetten.

Veel dank ook voor de financiële bijdrage vanuit het Bovenregionaal Expertise Netwerk Noord-Holland, waardoor de financiering van het programma dit jaar mogelijk is gemaakt.

Chantal van Liefland, Regio ambassadeur Noord-Holland, Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd Programmamanager een ‘Thuis voor Noordje’. Haarlem, 19 november 2021

3

4

Inhoudsopgave

Voorwoord

3

Inleiding

7

Hoofdstuk 1: Netwerkgesprek

10

Hoofdstuk 2: Triage en instroom in kleinschalige woonvormen

15

Hoofdstuk 3: Ambulante intensieve begeleiding

18

Hoofdstuk 4: Kleinschalige woonvoorzieningen: Onvoorwaardelijk wonen

21

Hoofdstuk 5: Conclusie, data, tijdspad en vervolg

27

Bijlage 1: Toelichting: Verklarende Analyse

30

Bijlage 2: Toelichting: Kleinschalig Wonen

32

Bijlage 3: Toelichting: Huidig aanbod JeugdzorgPlus

36

Bijlage 4: Uitwerking Thuis voor Noordje voor SWV’s en scholen

40

Bijlage 5: Toelichting: Uitstroom 16-27 naar andere verblijfs- (en behandel) voorzieningen

44

Bijlage 6: Regionale Expertteams en het Bovenregionaal Expertise Netwerk

48

Bijlage 7: Overzicht besluiten en conclusies

50

5

6

Inleiding Eind 2019 zijn in Noord-Holland de gemeenten/jeugdhulpregio’s, samenwerkingsverbanden Voortgezet Onderwijs (SWVVO) en jeugdhulpaanbieders gezamenlijk gestart met de vormgeving van het bovenregionale plan een “Thuis voor Noordje”. Inmiddels zijn ook de gecertificeerde instellingen aangesloten, vanuit de notie dat voor jeugdigen met een complexe hulpvraag die momenteel een verblijfs- en intensieve behandelbehoefte1 hebben bovenregionale samenwerking essentieel is. Het doel van dit plan is het mogelijk te maken dat alle jeugdigen in Noord-Holland zo thuis mogelijk kunnen opgroeien. In principe groeien kinderen op bij de eigen ouders, waar ze zich veilig kunnen ontwikkelen. Wanneer dit thuis, ondanks de inzet van ambulante hulp, niet lukt dan zo thuis mogelijk, in een pleeggezin of gezinshuis. Voor een beperkte doelgroep is dit echter niet passend, en op die doelgroep richt dit plan zich. De beweging van een Thuis voor Noordje vraagt een grote verandering in houding en gedrag van alle betrokken professionals en ook een verandering in houding en gedrag van gemeenten en bestuurders. Het vraagt ook andere keuzes in het systeem van jeugdhulp en onderwijs. In 2020 hebben we vastgesteld vanuit welke waarden we willen werken en welke gedragsprincipes en oplossingsrichtingen nodig zijn om te kunnen werken aan een “Thuis voor Noordje” voor alle jeugdigen in Noord-Holland:

Figuur 1 – waarden onderliggend aan de transformatie ”Thuis voor Noordje”

1

Doelgroep een “Thuis voor Noordje”omschreven in bestuursopdracht dd 18-02-2020

7

De gewenste gedragspatronen zijn omschreven als tien leidende principes: 1. 2. 3.

Wij nemen (gezamenlijk) de verantwoordelijkheid voor een jeugdige Wij luisteren en sluiten aan bij behoefte van de vraagsteller, oplossingen ontwikkelen we samen Wij kijken vanuit verschillende leefdomeinen (een integraal plan voor meerdere leefdomeinen zorg/onderwijs/vrije tijd) 4. Wij werken aan een ononderbroken (continue) leer- en ontwikkellijn voor iedere jeugdige 5. Wij zorgen ervoor dat ouders en jeugdige goed worden ondersteund zodat hij/zij thuis kan blijven 6. Wij plaatsen een jeugdige in een keer in een nieuw thuis waar hij/zij mag blijven wonen, als het thuis wonen niet langer mogelijk is 7. Bij crisis zijn we er in de thuissituatie en brengen we de zorg naar het gezin i.p.v. jeugdige naar de zorg 8. Wij separeren niet, dus 0% separaties en eveneens 0% dwang en drang 9. Wij werken (zorg & onderwijs) ontwikkelingsgericht 10. Wij handelen vanuit kostenbewustzijn en kiezen consequent voor de meest effectieve passende oplossing Een Thuis voor Noordje Tot nu toe werden jeugdigen met meervoudige complexe problemen geplaatst op open of gesloten behandelgroepen. De gedachte hierbij was dat binnen een afgebakende periode ‘de behandelgroep’ een middel was om de jeugdige ‘beter te laten worden’. Vaak waren dergelijke behandelgroepen bij elkaar geplaatst, zodat zij een grote voorziening vormden.

Hier was veelal een school aan gekoppeld zodat de jeugdigen ook hier naar school konden. De afgelopen jaren ontdekten professionals dat de jeugdigen die geplaatst werden op dergelijke behandelgroepen heterogene problemen hadden. De aanpak of behandeling die bij de een passend was, was niet passend voor een groepsgenoot. Door de groepsgrootte was behandeling op maat echter moeilijk vorm te geven. Daarnaast werden dergelijke behandelgroepen en behandelvoorzieningen ‘kleine dorpjes’ op zichzelf, waardoor er geen sprake was van inclusie in de maatschappij. Tot slot bleek een substantieel deel van de populatie na de afgebakende periode in de behandelgroep niet terug naar huis te kunnen. Feitelijk waren zij niet ‘beter geworden’, maar hadden nog steeds substantiële problemen. Vanwege hun ingewikkelde gedrag werden ze daarom doorgeplaatst naar een volgende behandelgroep. Voor velen betekende dit een reeks aan behandelgroepen, met onrust door de vele verhuizingen en vervreemding van de maatschappij tot gevolg. De effecten hiervan werken door tot na hun 18de levensjaar. Het aantal isolaties en suïcide pogingen in de gesloten jeugdzorg vormde een belangrijke aanleiding voor het plan ‘de best passende zorg voor kwestbare kinderen’ (2019).

Deze jeugdigen voelen zich vaak niet gehoord, soms weggestopt en sommigen hadden geen idee waarom ze in een instelling van JeugdzorgPlus waren geplaatst. (Verweij Jonker 2020) De afgelopen jaren zijn er diverse vormen van kleinschalig verblijf ontwikkeld, voor verschillende doelgroepen en met verschillende doelen. In grote lijnen bieden zij een alternatief voor residentiële leefgroepen, JeugdzorgPlus en justitiële jeugdinrichtingen.2 Ervaringsdeskundige jeugdigen3 reiken ons inmiddels ook een andere oplossing aan. Zij geven aan dat hun basisbehoefte ligt in het hebben van een huis, een vaste woonplek; het liefst bij hun ouders. Ze hebben gerichte ondersteuning nodig om zich te kunnen ontwikkelen, om te leren, om een goede stap naar volwassenheid te maken en hebben zicht nodig op een toekomst. Als dat niet mogelijk is bij hun ouders thuis, in een pleeggezin, of in een gezinshuis dan in een andere kleinschalig gezinsgerichte woonvorm. Een kleinschalige woonvorm waar zij zo normaal mogelijk op kunnen groeien, en dus geïncludeerd worden door de maatschappij. Een woonvorm waar zij mogen blijven wonen, als ze niet 2

Bron: NJi.nl/residentiele-jeugdhulp/vormen-van-kleinschalig-verblijf We hebben in de totstandkoming van een “Thuis voor Noordje” op meerdere momenten gesproken met ervaringsdeskundige jeugdigen en ervaringsdeskundige ouders.

3

8

terug naar huis kunnen, hoe ingewikkeld hun gedrag en problemen soms ook zijn. Ook na de leeftijd van 18 jaar en dan bij voorkeur tot maximaal 27 jaar, tot ze eraan toe zijn om ‘uit huis te gaan’. Voor hun ingewikkelde gedrag is soms behandeling nodig. Die willen zij (op maat) ontvangen. Hetzelfde geldt voor onderwijs: zij willen onderwijs (op maat) ontvangen, niet weggestuurd worden, hoe ingewikkeld hun gedrag ook is. Ook vanuit het onderwijs worden daarom steeds meer mogelijkheden ontwikkeld gericht op het behoud van de onderwijscontinuïteit door de school van herkomst of door voorzieningen die vanuit de samenwerkingsverbanden passend onderwijs worden geboden. Het volgen van onderwijs c.q het werken aan persoonlijke ontwikkeling naar vermogen is een belangrijk onderdeel van het normale leven, biedt structuur en houvast, contact met anderen en ondersteunt het perspectief op maatschappelijke deelname.

Feitelijk vragen deze jeugdigen ons een omwenteling te maken, van grootschalige voorzieningen naar kleinschalige vormen, van grote behandelgroepen naar kleinschalige woonvormen, van behandeling gekoppeld aan een behandelgroep naar een scheiding van wonen en behandelen, van scholen gekoppeld aan behandelgroepen naar onderwijs ontvangen vanuit de onderwijsvoorzieningen in de regio, van een machtiging gesloten gekoppeld aan een plaats in de groep naar een machtiging gesloten gekoppeld aan een jeugdige, van veiligheid bieden door geslotenheid naar veiligheid bieden door het bieden van een relatie en nabijheid, van exclusie uit de samenleving op een afgebakend terrein naar inclusie in de samenleving. In dit plan schetsen wij hoe deze bovenstaande omwenteling gestalte kan krijgen en die omwenteling begint in de thuissituatie van elke jeugdige. Het uitgangspunt van het plan wordt gevormd doordat er te allen tijde gewerkt wordt vanuit het principe best passende zorg (Matched Care) en dat iedere jeugdige zo thuis mogelijk kan opgroeien met het daarbij behorende onderwijs (zie figuur 2).

Dit plan beschrijft de opbrengst van alle workshops die zijn gehouden van september t/m november 2021, en vervolgens is besproken binnen de betrokken pijlers jeugdhulpregio’s, jeugdhulpaanbieders, samenwerkingsverbanden VO en de gecertificeerde instellingen en ten slotte gezamenlijk in een brede bestuurlijke netwerkbijeenkomst. Het plan volgt op hoofdlijnen het proces van deze jeugdigen. Van netwerkgesprek en verklarende analyse, naar instroom en triage, ambulante intensieve begeleiding, en kleinschalige woonvoorzieningen. Ten slotte wordt ingegaan op de conclusie, data, het tijdpad en de verdere implementatie.

Figuur 2: Principe van Matched Care binnen een “Thuis voor Noordje”

9

Hoofdstuk 1: Netwerkgesprek: samen werken aan de inzet van passende hulp Bij jeugdigen die worden opgenomen in residentiële voorzieningen waaronder ook jeugdzorgPlus is sprake van meervoudige en complexe hulpvragen en een stagnerende ontwikkeling of een onvoldoende werkend jeugdzorgsysteem. Niet altijd is een van de problematieken bovenliggend, maar het is veelal een combinatie van meerdere kernproblemen. Tegelijkertijd ontbreekt een aantal beschermende factoren, zoals een veilige omgeving en veilige relaties die bijdragen aan veilige gehechtheid. De combinatie van factoren zorgt voor ernstige ontregeling, inclusief veiligheidsrisico’s bij de jongeren zelf en in de omgeving. In de terugblik 2020 tot en met half januari 2021 van BEN NH4 wordt een aantal belangrijke punten genoemd: • Urgentie rondom verblijfsplek, waarbij de kritische vraag gesteld kan worden of de onderliggende vraaganalyse voldoende breed is verdiept, en of er voldoende kritisch is gekeken met jeugdige en ouders en netwerk of verdere uithuisplaatsing echt nodig is. • Visie verschillen tussen cliënt en professional dan wel professionals onderling. • Soms bestaat er verschil van inzicht of discussie of er in een casus nu wel of niet een goede, brede en verdiepende probleemanalyse ligt of niet.

Regelmatig lijkt er eerder sprake van een probleeminventarisatie (wat speelt er allemaal, wat ligt er allemaal, welke hulp is al ingezet etc.). Voordat we dus actief handelen en jeugdigen uit de thuissituatie halen (uithuisplaatsing al dan niet met een machtiging voor geslotenheid), pleiten we voor een pas op de plaats voor definitieve besluitvorming over de noodzakelijke hulp door jeugdhulpaanbieders, gemeenten en GI’s. Het is belangrijk om te vertragen en verdragen, om in rust en niet vanuit paniek te kunnen handelen. In die tijd moeten we ons in de voorliggende situatie de bovenstaande indirecte vragen stellen en die van een eerlijk antwoord voorzien. Om dit antwoord te verwoorden gebruiken we in Noord-Holland vanaf 2022 het middel van de verklarende analyse (zie bijlage 1: Achtergrond verklarende analyse). In deze pas op de plaats, deze time-out periode wordt indien nodig ambulante (crisis)hulp ingezet om de veiligheid van de jeugdige en zijn/haar omgeving te waarborgen. Bij het werken volgens dit principe past het aanvragen van een spoedmachtiging voor geslotenheid niet. Dat geldt ook voor het afdwingen van een plek via een spoedmachtiging voor geslotenheid wanneer dat niet passend en rustig overwogen is. 1.

Afspraken: wanneer een verklarende analyse Het plan een “Thuis voor Noordje” stelt voor om in Noord-Holland de volgende afspraken te maken over wanneer een verklarende analyse gemaakt moet worden: • Inzetten op het tijdig maken van een verklarende analyse. Bij complexe meervoudige problematiek waarbij een directe stap van probleem naar protocol of methodiek niet succesvol is geweest of zal zijn wordt een verklarende analyse gemaakt. Dit gebeurt in ieder geval ook in onderstaande situaties: o Bij een herhaalde vraag om hulp (rond dezelfde problematiek) o Bij vastlopen op school, dreigend thuiszitten: zowel thuis, pleeggezin, gezinshuis, kleinschalige woonvorm.

4

Bovenregionaal Expertisenetwerk (co-morbide) jeugdhulp (casuïstiek) Noord Holland (BEN NH). Terugblik 2020 tot en met half januari 2021; Intro, Rode draden en Bouwstenen. Februari 2021.

10

Wanneer er drie maanden hulp is ingezet en geen vooruitgang wordt geboekt in het bereiken van de doelen (onder andere op basis van inschatting ouders en jeugdigen). Dit vraagt van lokale teams capaciteit en kennis van verklarende analyse (en/of de mogelijkheid ondersteund te worden). Daarnaast vraagt het van de scholen dat ze vroegtijdiger signaleren dat ondersteuning nodig is rond jeugdigen. Wanneer een uithuisplaatsing wordt overwogen is altijd recent een verklarende analyse gemaakt die als basis dient voor de vervolgstappen. Dit betekent structureel integreren van het maken van een verklarende analyse (of benutten/actualiseren van een reeds gemaakte) in de werkwijze van de Gecertificeerde Instellingen. Bij een verzoek voor een gesloten plaatsing wordt altijd een verklarende analyse gemaakt. De onafhankelijke GZ-psycholoog die dit verzoek beoordeelt vraagt altijd naar de verklarende analyse en baseert hier de afweging op. o

•

•

•

Het uitvoeren van de verklarende analyse wordt hiermee dus een basishandeling en een extra waarborg naast de principes die we in een “Thuis voor Noordje” hebben afgesproken. 2. Het maken van de verklarende analyse: rollen en verantwoordelijkheden Het is eveneens belangrijk dat wordt afgesproken wie op welke wijze betrokken is bij de uitvoering van de verklarende analyse. Het maken van een verklarende analyse vraagt in een bepaald denk- en werkniveau (WO) en een helikopter blik. De verklarende analyse wordt daarom altijd gemaakt door een Gedragswetenschapper/gedragsdeskundige, tenzij er een goede reden is dat dit door een andere betrokkene op WO-niveau wordt gedaan. Welke gedragswetenschapper de verklarende analyse kan maken wordt mede bepaald door: • Problematiek en leeftijd kind beïnvloedt wie het meest geschikt is • Degene die de verklarende analyse maakt moet hierin geschoold zijn of door een geschoold iemand ondersteund worden. • Indien er sprake van een uithuisplaatsing is, is de gedragsdeskundige van de GI er verantwoordelijk voor DAT er een verklarende analyse aan de basis van dit besluit ligt. Het maken van de verklarende analyse kan ook gedaan worden door een gedragswetenschapper van een betrokken jeugdhulp aanbieder al dan niet ondersteund met extra expertise (zie boven).

We hebben de volgende uitgangspunten benoemd voor het maken van een verklarende analyse: • Het perspectief van de jeugdige en zijn/haar ouders/verzorgers staat centraal. Aan de basis van de verklarende analyse ligt hun inbreng en aanknopingspunten voor verbetering worden samen met hen gezocht zodat het resultaat een gedragen verklarende analyse is. • Een gedragswetenschapper en medewerkers van het lokale team, GI en betrokken jeugdhulpaanbieder zijn al betrokken bij de analyse van de hulpvraag, problemen en krachten van een jeugdige. Ouders/opvoeders blijven samen met hen verantwoordelijk ook als zij extra ondersteuning krijgen bij het maken van een verklarende analyse (zie punten hieronder). • Bij het maken van een verklarende analyse wordt altijd ook het onderwijs betrokken. Wanneer voor jeugdhulpaanbieders de school van herkomst niet in beeld is, wordt er contact opgenoemen met het samenwerkingsverband VO die verantwoordeijk is voor passend onderwijs aan alle jeugdigen. • De gedragswetenschappers kunnen extra ondersteuning krijgen voor het maken van een verklarende analyse.

11

• •

• •

De coördinatie op de extra ondersteuning voor de verklarende analyse ligt bij het Regionaal Expert Team (RET). De uitvoering vindt plaats door een van de eerdergenoemde gedragswetenschappers. De extra expertise/deskundigheid voor het maken van een Verklarende Analyse kan in het landsdeel NH (tijdelijk) beschikbaar worden gemaakt door financiering uit de middelen van BEN NH. Het gaat dan om een groep professionals die de kennis en ervaring heeft om een goede verklarende analyse te maken, dit leuk vindt en kennis kan overdragen, anderen kan enthousiasmeren, een brede blik heeft. Dit maakt het mogelijk om het werken met een verklarende analyse al lerend verder te ontwikkelen en scherper te krijgen wie wanneer welke verantwoordelijkheid heeft. De extra expertise op het gebied van het maken van een verklarende analyse dient ter ondersteuning van degene die al betrokken zijn (zij nemen niet over, maar voegen iets toe). De verklarende analyse wordt gemaakt binnen 6 weken na start van de vraag.

We benadrukken dat het van belang is om de gedragswetenschappers die de verklarende analyses vormgeven te scholen d.m.v. een training of masterclass en (in de eerste fase) ondersteuning te bieden door het mogelijk te maken hands on expertise in te zetten die ondersteunen bij het maken van de verklarende analyses. 3. Randvoorwaarden De volgende randvoorwaarden voor het maken van (en werken met) een goede verklarende analyse daar waar nodig is zijn genoemd: • •

•

• •

•

De verklarende analyse is altijd, net als het dossier, van de betreffende jeugdige zelf. Een goede basis oftewel een goede, met jeugdige, en met ouders/opvoeders samen opgestelde, analyse van de vraag en van de problemen en krachten; opgesteld in de woorden van de betrokkenen. Aandacht voor het overwinnen van wantrouwen bij sommige ouders/verzorgers en jeugdigen (ontschuldigen). Er is altijd duidelijk wie ervoor zorgt dat de verklarende analyse gemaakt wordt en wie de verantwoordelijkheid neemt dat de verklarende analyse wordt bijgesteld wanneer nodig, bij belangrijke mijlpalen/gebeurtenissen en transitiemomenten. Dit vraagt om tijd voor de betrokken professionals voor het opbouwen van contact en het verzamelen van informatie en tijd voor reflectie van medewerkers met hun team. Beschikbaarheid van diverse professionals die kunnen bijdragen aan de analyse, zoals vanuit onderwijs. De samenwerkingsverbanden stellen elk een onderwijsconsulent (orthopedagoog / gedragswetenschapper) beschikbaar. Het Regionaal Expertise Team (RET)5 moet functioneel zijn en haar taak aankunnen.

4. Toekomstperspectief voor jeugdigen na 18 jaar (uitstroomperspectief) Daarnaast hebben we in een “Thuis voor Noordje” ons ook gebogen over de afspraken die nodig zijn om alle jeugdigen een toekomstperspectief te geven na hun 18de levensjaar. Alle partijen in NoordHolland constateren dat uitstroom uit de (verlengde) jeugdhulp met verblijf ingewikkeld is. Vanuit de verdiepende workshops is geconstateerd dat een deel van deze problematische uitstroom te wijten is aan onduidelijke en tijdige procesafspraken ruim voor de leeftijd van 18 jaar.

5

Functies van een Regionaal Exterise Team: zie bijlage 6 .

12

Er zijn dilemma’s op het gebied van eigenaarschap (wie is verantwoordelijk, ook na het aflopen van jeugdhulp met verblijf), monitoring (voor welke jeugdigen is dit nodig) en tenslotte zijn er ook dilemma’s op het invullen van de ondersteuningsbehoefte na 18 jaar al dan niet in combinatie met de Jeugdwet, Wmo en de Wet Langdurige Zorg (WLZ). De wenselijke woonvoorziening voor deze specifieke doelgroep wordt verder besproken in hoofdstuk 4 Kleinschalige woonvoorzieningen: Onvoorwaardelijk wonen. Wanneer naast ondersteuning nog behoefte is aan behandeling na het 18de jaar dan is de overgang naar de volwassen GGZ ingewikkeld met het risico op uitval. De jongvolwassene valt na het 18de jaar voor GGZ onder de Zorgverzekeringswet en is dan veelal aangewezen op een andere contractant en hulpverlener. Ook het eigen risico binnen de zorgverzekering kan een reden zijn om te stoppen met de behandeling. Om tot een vloeiende overgang te komen zonder stagnatie en terugval problematiek van de jeugdige na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar zijn de volgende afspraken gewenst. Voor een volledig overzicht van deze problematiek verwijzen we naar bijlage 5 van dit document: Toelichting Uitstroom 16-27 naar andere verblijfs- (en behandel) voorzieningen.

5. Afspraken rondom toekomstperspectief: • Eigenaarschap: het eigenaarschap voor het feit dat een toekomstperspectief gemaakt wordt komt te liggen bij de lokale teams. Zij zijn de regisseur. Dit gaat gepaard met een aantal voorwaarden: het lokale team wordt tijdig betrokken om expertise in te brengen. De jeugdhulpaanbieder/GI haalt het lokale team erbij vanaf de leeftijd van 16 jaar. Het onderwijs wordt altijd aangehaakt en is betrokken bij de multidisciplinaire afweging. Het lokale team is verantwoordelijk voor een multidisciplinaire afweging. Deze is nodig om te bepalen welke richting de cliënt in perspectief wordt gebracht en wie welke rol hierin neemt. • Opstellen toekomstperspectief: De jeugdhulpaanbieder is verantwoordelijk voor het opstellen van het toekomstplan in dialoog met de jeugdige en zijn/haar ondersteuner. De jeugdhulp aanbieder moet ondersteund worden bij het maken van dit plan door het lokale team en het onderwijs. Er is namelijk expertise nodig van het sociaal domein en het onderwijs om te overzien in wat nodig is en opgenomen moet worden in het toekomstplan. • Regie op uitvoering: de regievoering op de uitvoering van dit toekomstplan ligt bij het lokale team en in samenspraak met de GI als er sprake is van een beschermingsmaatregel.

• Woonplaatsbeginsel: de gemeente van herkomst blijft conform het nieuwe woonplaatsbeginsle 2022 verantwoordelijk voor het toekomstperspectief van hun jeugdigen, ook als deze momenteel elders langdurig verblijven. Dit voorkomt dat jeugdigen tussen wal en schip vallen. Zij blijven dus naast eigenaar ook financieel verantwoordelijk na de leeftijd van 18 jaar. Voor het onderwijs is het samenwerkingsverband van herkomst financieel verantwoordelijk. • Clientperspectief toevoegen: elke jeugdige in de leeftijd > 16 jaar verdient een onafhankelijke cliëntondersteuner, jongerenregisseur, inzet van een resourcegroep of JIM (Jouw Ingebrachte Mentor) om de jeugdige verder te helpen in de herstel- en toekomstdoelen. De inzet of de beschikbaarheid hiervan is een voorwaarde om de jongvolwassenen deel te laten nemen aan de maatschappij. • Monitoring: De gemeente doet ieder halfjaar vanuit de zorgdata een check bij de leeftijd van 16 jaar en ouder op de aanwezigheid van een toekomstplan, waarbij de overgang continuïteit naar 18+ is opgenomen en een ander financieringsstelsel vroegtijdig is ingezet om tot een soepele overgang te komen. Vanuit deze monitoring kan tegelijk een beeld ontstaan voor de inkoopbehoefte zorgkantoor, maatschappelijke opvang en de (beschermd) woonvoorzieningen.

• Brugfunctie creëren in financiering en samenwerking: Door middelen los te maken aan de kant van jeugd (Jeugdwet) als aan de kant van de volwassenen (Wmo, Wlz, Zvw) kan een soepele 13

overgang ook financieel haalbaar worden gemaakt, of drempels zoals die van het eigen risico worden weggenomen. Ook de gelden voor ondersteuning in werk en inkomen of de gelden ter ondersteuning van het onderwijs van de jeugdige zelf moeten worden betrokken.

6. Conclusies Om het gehele proces van toeleiding en de inzet van zorg en onderwijs te verbeteren, heeft het plan een “Thuis voor Noordje” commitment nodig van de bestuurders. Er is een akkoord gevraagd op het “wat” en een verdere vertaling van het “hoe” moet in de verschillende regio’s worden gemaakt. We vragen commitment op het invullen en vormgeven van deze (of onderstaande) concrete randvoorwaarden: Pas op de plaats •

We vertragen en verdragen, werken in principe niet met een spoedmachtiging voor gesloten jeugdhulp.

Verklarende analyse • •

In te stemmen om voor een brede en verdiepende probleemanalyse bij complexe casuïstiek altijd een ‘verklarende analyse’ te maken. In te stemmen dat de verklarende analyse, met mogelijk risicovolle maar passende oplossingen, een bindend advies is. Dit regelen in de inkoopcontracten (of afwegingskaders voor toegang tot jeugdhulp)

Toekomstperspectief • • •

In te stemmen met de regierol van het lokale team bij het opstellen van een toekomstperspectief vanaf 16 jaar. Het benutten van het nieuwe woonplaatsbeginsel om te komen tot eenduidig eigenaarschap van jeugdigen > 16 jaar, die momenteel in residentiële en gesloten voorzieningen verblijven. Het faciliteren en het ondersteunen van het komen tot goede clientondersteuning en de ruimte bieden aan deze ondersteuning in de opzet en uitvoering van het toekomstperspectief.

14

Hoofdstuk 2: Triage en instroom in kleinschalige woonvormen 1. Achtergrond en kader De ambitie blijft dat we voor iedere jeugdige werken aan een passend ambulant aanbod en als dat nu nog niet lukt of kan, we blijven ontwikkelen aan dat aanbod. Gevolg van het ontbreken van ambulante oplossingen is dat een kleine groep jeugdigen niet thuis of in een pleeggezin of gezinshuis kan opgroeien. Zij hebben een andere passende plek nodig waar zij onvoorwaardelijk kunnen wonen. Een plek waar zij, ook wanneer hun hulpvraag verandert, kunnen blijven. Dit geeft rust en perspectief wat hun ontwikkeling ten goede komt. Voor (een deel van) deze groep jeugdigen worden kleinschalige woonvoorzieningen opgezet. We willen deze jeugdigen in één keer de goede woonplek aanbieden met passende hulp en doorplaatsingen voorkomen. De intensiteit van de begeleiding verschilt per jeugdige, het is van belang dat bij de triage passende plaatsing hier rekening mee gehouden wordt. 2. Uitgangspunten bij triage en plaatsing Voorafgaand aan iedere triage en plaatsing worden de volgende aspecten langsgelopen. • Zorgaanbieders, gemeenten, de GI en onderwijs zijn gezamenlijk verantwoordelijk om uithuisplaatsingen te voorkomen. • Er is hulp toegevoegd aan waar de jeugdige oorspronkelijk woonde, ook toen het risico op uitplaatsing toenam, om te proberen de jeugdige daar te kunnen laten blijven wonen.

Deze extra hulp heeft er echter niet toe geleid dat de jeugdige er kan blijven wonen. • De school is betrokken; is de jeugdige daar welkom of is de school handelingsverlegen? Wil de leerling zelf nog deze school bezoeken? • Het samenwerkingsverband VO; wat zijn de beschikbare scholen en/of onderwijsondersteuning in de nieuwe woonomgeving? • Aan de basis van triage en plaatsing ligt altijd een verklarende analyse. • De jeugdige kan in grote groepen onvoldoende functioneren. • De jeugdige heeft op alle gebieden problemen: op school, wonen (thuis of elders), vrije tijd, netwerk. • De jeugdige is zeer ernstig belemmerd in het functioneren op deze leefgebieden, waardoor de jeugdige (het risico loopt om) steeds (te) worden over- en uitgeplaatst. Als thuis wonen echt niet gaat, wordt de volgende afweging gemaakt op basis van de volgende uitgangspunten: • Als het thuis (even) niet kan, dan zijn netwerkzorg, pleegzorg en gezinshuiszorg indien passend altijd voorliggend. • Het perspectief van de jeugdige staat centraal. Oplossingen worden altijd samen met jeugdige en het gezin gezocht, er wordt geluisterd en aangesloten bij hun behoeften. Jeugdigen hebben inspraak in en (waar mogelijk) keus in de plek waar zij langdurig gaan wonen. • Jeugdigen gaan wonen in de buurt van ouders/verzorgers/netwerk.

• Voorafgaand aan de plaatsing is er helderheid over de invulling van het leren en ontwikkelen en vrije tijd (een integraal plan voor meerdere leefdomeinen zorg/onderwijs/vrije tijd). In principe is er

15

•

•

een ononderbroken (continue) leer- en ontwikkellijn voor iedere jeugdige. Bij in het invullen van deze behoefte wordt het samenwerkingsverband betrokken (zie bijlage 4). Een jeugdige wordt in één keer in een nieuw thuis geplaatst waar hij/zij mag blijven wonen. Wanneer andere steun/hulp nodig is wordt deze erbij gehaald in plaats van de jeugdige doorgeplaatst. Bij uitzondering kan een tijdelijke plaatsing in een extra ondersteunende en/of beschermende woonvorm nodig zijn. De jeugdige kan daarna altijd terugkeren in de kleinschalige woonvoorziening. Ondersteuning van de kleinschalige woonvoorziening hierbij is essentieel. Er wordt gehandeld vanuit kostenbewustzijn en een consequente keuze voor de meest effectieve passende oplossing. Dat betekent dat er een legitimatie is van de kosten.

Nog uitgewerkt worden eenduidige inhoudelijk criteria voor heel landsdeel Noord-Holland om te beoordelen of een kind binnen een kleinschalige woonvoorziening geplaatst kan worden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van reeds door jeugdhulpaanbieders opgestelde afwegingskaders. 3. Procesafspraken: wie doet wat op welk schaalniveau De triage Triage vindt plaats in de Regionaal Expert Teams. Omdat er een groter schaalniveau nodig is (om voldoende expertise en ervaring op te bouwen) dan de huidige jeugdhulpregio’s werken de Regionaal Expert Teams in Noord-Holland hiervoor in drie (sub)regio’s samen rondom de triage en plaatsing. Daarnaast is de verwachting dat het aantal jeugdigen met intensieve zorg voor ieder individueel RET een te kleine omvang heeft voor goede triage en plaatsing. Er kan wellicht worden uitgegaan van de drie WLZ-regio’s in Noord-Holland. We zullen deze indeling later vormgeven. Bij alle kleinschalige woonvoorzieningen is een belangrijk aandachtspunt dat er altijd gekeken wordt of er sprake is van LVB-problematiek, autisme of een disharmonisch intelligentieprofiel. Overzicht op beschikbare plaatsen Op niveau van landsdeel Noord-Holland is zicht nodig op de beschikbare plaatsen in kleinschalige woonvoorzieningen (gefinancierd vanuit de jeugdwet) en voor wie deze geschikt zijn.

De opdracht wordt gegeven om voor landsdeel Noord-Holland uit te werken hoe dit overzicht in één systeem gegeven kan worden. Hierbij wordt afgestemd met de huidige plaatsingscoördinatie in de jeugdhulpPlus en omliggende regio’s. Definitieve besluit plaatsing en onderwijsprogramma Op basis van de verklarende analyse, plan en inhoudelijke uitgangspunten wordt nagegaan welke passende woonvoorzieningen in combinatie met een passend onderwijsprogramma er zijn in NoordHolland. Bij dit proces wordt nadrukkelijk ook gekeken vanuit het onderwijsperspectief van de jeugdige. Vervolgens kan de jeugdige aangeven welke woonplek zijn of haar voorkeur heeft en de woonvoorziening of de jeugdige past in de al aanwezige groep. Er is een plicht om de jeugdige te laten wonen op één van de beschikbare plekken. Wanneer er belemmeringen zijn, zorgen jeugdhulpaanbieders, onderwijs en gemeenten samen dat deze opgelost worden. Wanneer hier overbruggingszorg en/of vernieuwende hulpvormen nodig zijn kan BEN-NH (financiële) steun bieden. Voor het onderwijs (schoolbesturen en samenwerkingsverbanden) ligt hier deels een nieuwe taak dat vraagt om draagvlak bij de schoolbesturen. 16

Matching van woonplekken en heterogene groepen: een categoriale insteek (indeling op basis van geslacht, leeftijd en problematiek) bij de kleinschalige woonvormen blijkt in de praktijk problematisch voor de groepsdynamiek. De jeugdigen bevestigen elkaar al snel in hetzelfde problematische gedrag en trekken elkaar mee in negatieve situaties. Een combinatie van jeugdigen met verschillende problemen maakt dat de jeugdigen een individuele en verschillende benadering makkelijker accepteren, dat er minder sprake is van heftige incidenten en meer ruimte is om van elkaar te leren. Uitzondering hierop zijn jeugdigen die zeer prikkelbaar zijn, daar lijkt een homogene groep passender voor te zijn, zie hoofdstuk 4 voor een nadere toelichting op doelgroepen. 4. Conclusies en besluiten In het kader van een goede toeleiding, triage en plaatsing: • •

•

Worden de Regionale Expert Teams verantwoordelijk voor de triage en plaatsing binnen kleinschalige woonvoorzieningen. Ontwikkelen we verder de mogelijk 3 sub(regionale) samenwerkingen tussen de RET’s om de triage en de plaatsing te begeleiden van jeugdigen die in aanmerking komen voor een plaats in de kleinschalige woonvoorziening. De exacte regio-indeling wordt begin volgend jaar gemaakt mede op basis van ervaringen, inzichten en keuzes in de jeugdhulpregio’s zelf. Opdracht geven tot het inrichten van een systeem voor bovenregionale monitoring van plaatsen in het kader van kleinschalig wonen.

17

Hoofdstuk 3: Ambulant intensieve begeleiding6 Vanuit hoofdstuk 1 is duidelijk geworden dat er zeer actief gewerkt wordt aan het voorkomen van uithuisplaatsingen. Hiervoor is er bij (crisis)situaties allereerst een ambulant aanbod nodig in de thuissituatie. Dit aanbod zal door zorgverleners, onderwijs en jeugdregio’s moeten worden georganiseerd en worden ingezet. Deze inzet wordt momenteel al in verschillende jeugdregio’s van Noord-Holland door aanbieders in samenwerking met gemeenten vormgegeven. Bij ingewikkelde casuïstiek kan/moet gebruik gemaakt worden van de expertise van het expertisenetwerk van Noord-Holland (BEN NH). Naast ambulante intensieve begeleiding in de thuissituatie, in pleeggezinnen en gezinshuizen is er ook ambulante intensieve begeleiding nodig in de kleinschalige woonvoorzieningen (hoofdstuk 4) en de huidige residentiële en gesloten groepen. Dit om te voorkomen dat jeugdigen weer verplaatst moeten worden of dat begeleiders hun “specialistische” opvoedtaak niet kunnen volhouden. Dit ambulante aanbod bestaat uit: 1. Expertise en behandeling toevoegen, bij jeugdigen die als extreem ingewikkeld worden ervaren door personeel van de kleinschalige woonvorm. Expertise en behandeling hebben als focus ‘verandering bij het kind en de ouders/gezin’. 2. Hulp bij schoolwerk. De begeleiders in een woonvoorziening zijn ‘vervangende ouders’.

Aandacht voor het schoolwerk hoort daarbij. Als dat door de begeleiders niet geboden kan worden, moet het op een andere manier georganiseerd worden. 3. Interventie bij crisissituaties in de kleinschalige woonvorm, door personeel uit het ambulante team in te voegen in de kleinschalige woonvorm (toevoegen of tijdelijk personeel vervangen), ter voorkoming van uitplaatsing van een kind. Hier is de focus de onderlinge interacties (jeugdigen onderling, en ook jeugdigen en personeel) in de kleinschalige woonvorm te stabiliseren. 4. Analyse en coaching traject gericht op het team in de kleinschalige woonvorm zodat medewerkers individueel, maar ook als team, sterker gaan functioneren ten behoeve van een jeugdige die als extreem ingewikkeld wordt ervaren. 5. Het vormgeven van intervisie voor het personeel van verschillende kleinschalige woonvoorzieningen om hiermee de draagkracht van het personeel te versterken. 6. Het benutten bij de verdere ontwikkeling van de begeleiding de inzet van ervaringsdeskundigen. 1. Organisatie bovenregionale ambulante hulp Binnen de jeugdhulpregio’s zouden bovenregionaal zulk multi-disciplinair ambulant teams beschikbaar moeten zijn om het bovenstaande geschetste aanbod te leveren. Dit aanbod zou gezien de verwachte vraag kunnen worden verdeeld in drie multi-disciplinaire ambulante subteams voor het landsdeel Noord-Holland.

We volgen hierbij de indeling die we in het vorige hoofdstuk hebben gemaakt m.b.t. de Regionale Expert Teams waar het gaat om triage en plaatsing op de kleinschalige woonvoorzieningen. Deze teams zijn opgebouwd vanuit de expertise van alle oorspronkelijke bloedgroepen: j-ggz, volwassen-ggz (voor de ouders), verslavingszorg, forensische zorg, lvb-zorg, jeugd&opvoedhulp, vg/gb, professionele ervaringsdeskundigheid. In dit team zou ook expertise vanuit het onderwijs 6

Het hier beschreven team heeft nadrukkelijk een taak richting de kleinschalige woonvoorzieningen, dit sluit aan op de scope van het plan Thuis voor Noordje. We zouden het verstandig vinden dat dit team ook mogelijk een rol krijgt bij vastgelopen ambulante hulp in de thuis situatie, in pleeggezinnen en in gezinshuizen.

18

vertegenwoordigd moeten zijn. Dit zijn teams waarin de zorgverleners in Noord-Holland samenwerken zodat ze beschikbaar zijn voor alle kleinschalige voorzieningen die ondersteuning nodig hebben. Dit ambulante team werkt altijd vanuit een vraag van of over een specifieke jeudige waarmee het team in de kleinschalige voorziening vastloopt. Daarnaast zijn deze teams inzetbaar op tijden dat het nodig is. Dit kan betekenen dat er ook in de avond- of weekenduren gewerkt wordt. Deze teams worden in 2022 vormgegeven door de aanbieders van jeugdhulp in Noord-Holland gezamenlijk. De kosten van deze teams worden aangevraagd bij het BEN NH zodat ze in aanvang bekostigd kunnen worden vanuit de middelen van het bovenregionaal expertisenetwerk. Belangrijk dat geleerd kan worden op welke wijze deze teams effectief ingezet kunnen worden en of inzet van de teams ook daadwerkelijk bijdraagt aan minder doorplaatsingen van jeugdigen uit kleinschalige woonvoorzieningen. Bij daadwerkelijk succes wordt de bekostiging in de toekomst op basis van beschikbaarheid en minder op basis van gebruik (of combinatie) gefinancierd door de jeugdhulpregio’s. De teamcoaching zal seperaat ontwikkeld moeten worden, dit vraagt andere expertise en competenties.

2. Randvoorwaarden ambulante multidisciplinaire team ten behoeve van ‘niet doorplaatsen’: Het succesvol inzetten van ambulante hulp gaat ook gepaard met een aantal essentiële randvoorwaarden. -

-

-

-

-

‘Reguliere’ ambulante behandeling (zoals bijv. traumabehandeling) die jeugdigen wonend in een kleinschalige woonvoorziening nodig hebben, worden door gemeenten zelf georganiseerd en gefinancierd. Zorgverleners/aanbieders van kleinschalige voorzieningen in Noord-Holland werken aan begeleidingscultuur/behandelcultuur waarin kwetsbaarheid tonen en mogen falen gemeen goed zijn. Alleen op die manier kan het ambulante multidisciplinaire team op tijd bij complexe situaties ingeschakeld worden. Directe beschikbaarheid/inzetbaarheid van een aantal uur per week van enkele ambulante medewerkers die de dynamiek op groepen begrijpen, en geruisloos in kunnen voegen, wanneer crisissituaties in kleinschalige woonvoorzieningen hierom vragen. Beschikbaarheid van consulenten vanuit de samenwerkingsverbanden voortgezet onderwijs Leiderschap van management/bestuur van kleinschalige woonvoorzieningen: uitdragen dat personeel en het behoud daarvan het allerbelangrijkst is. Wanneer personeel ‘uitgewoond’ wordt kan een kleinschalige woonvoorziening namelijk niet functioneren. Investeren in opleiden tot traumabehandelaar, zodat er meer traumatherapeuten beschikbaar komen die deze doelgroep kunnen behandelen.

3. Conclusie en besluiten We vragen van de bestuurders binnen het bovenregionale plan een “Thuis voor Noordje” het besluit dat zij akkoord zijn met de vormgeving van de ambulante teams. Dit vraagt concreet dat: • • •

Bereidheid tot het leveren van zorgverleners voor het geschetste ambulante team. Beschikbaarheid van consulenten vanuit de samenwerkingsverbanden voortgezet onderwijs De kosten van deze teams worden aangevraagd bij het BEN NH zodat ze in aanvang bekostigd worden vanuit de middelen van het bovenregionaal expertisenetwerk. Zodat geleerd kan 19

•

•

•

worden op welke wijze dit team effectief ingezet kan worden en of inzet van dit team ook daadwerkelijk bijdraagt aan minder doorplaatsingen van jeugdigen uit kleinschalige woonvoorzieningen. Samenwerkingsverbanden zijn bereid bij te dragen aan de kosten. Bij daadwerkelijk gebleken succes (daling van doorplaatsingen) wordt de bekostiging in de toekomst op basis van beschikbaarheid en niet op bais van gebruik gezamenlijk gefinancierd door de 8 jeugdregio’s. In 2022 allereerst te starten met een team die de huidige kleinschalige voorzieningen kan ondersteunen. En bij uitbreiding van deze voorzieningen te werken naar meerdere teams voor de verschillende jeugdregio’s. Bij de ontwikkeling van deze teams is het goed om verbinding te leggen met de crisisteams.

20

Hoofdstuk 4: Kleinschalige Woonvoorzieningen: Onvoorwaardelijk wonen In de inleiding is helder beschreven wat de verandering is op het begrip wonen van jeugdigen in voorzieningen. In plaats van grootschalige groepen en voorzieningen willen we in Noord-Holland de omslag maken naar kleinschalige woonvoorzieningen waarin jeugdigen onvoorwaardelijk kunnen wonen.7 Onvoorwaardelijk wonen betekent doorgaan en vasthouden, juist als het moeilijk wordt. Jeugdigen worden in principe niet meer doorgeplaatst. 1. Kenmerken onvoorwaardelijk wonen • Een specialistische kleinschalige woonvorm met 4 tot maximaal 6 jeugdigen. • De jeugdigen ervaren dat ze ergens kunnen blijven wonen zo lang als zij dat nodig hebben. Een plek die zij thuis kunnen noemen ook na hun 18e jaar. • Een beperkt aantal vaste specialistische opvoeders die veel nabijheid en continuïteit bieden en die de-escalerend kunnen werken en veel kennis en kunde hebben op het gebied van gedragsproblematiek en trauma. • De hulp wordt continu afgestemd op de kenmerken en behoeften van de jeugdige en zijn omgevingsfactoren. • Er wordt gekeken naar mogelijkheden en talenten in plaats van de beperkingen. • Elk jeugdige heeft een programma gericht op leren en ontwikkelen waaronder een goede vrijetijdsinvulling • Ouders en netwerk zijn onderdeel van het leven van een jeugdige en in principe altijd welkom bij de woning.

Huisdieren kunnen wenselijk zijn. Hierbij is door jeugdhulpaanbieders in de workshops expliciet aandacht gevraagd voor de overgang van ggz-zorg wanneer jeugdige 18 jaar wordt, deze zorg lijkt momenteel onvoldoende passend afgestemd op de behoeften van de jeugdige. Er dient duidelijkheid te komen over kosten en betaalbaarheid (er wordt gewerkt met een basistarief per dag en daar bovenop kunnen specifieke modules worden toegevoegd). 2. Doelgroepen voor intensief kleinschalig woonvoorzieningen De doelgroep voor kleinschalige woonvormen zijn jongeren met meervoudige complexe problematiek met een stagnerende ontwikkeling en (dreigende) onveiligheid. De doelgroep kenmerkt zich door zware gedragsproblematiek, meestal in combinatie met een verslaving, psychiatrische problematiek en/of een (licht) verstandelijke beperking. 1. Voor jeugdigen met ernstige en complexe problemen • Jeugdigen die last hebben van autisme of chronisch trauma en als gevolg daarvan extreme angsten en/of extreme woedeaanvallen hebben (jeugdigen die snel overprikkeld zijn). Ze kunnen lastig functioneren in groepsverband. 2. Voor jeugdigen die een risico vormen voor zichzelf of de omgeving • Jeugdigen met loverboyproblematiek, afhankelijkheidsrelaties, prostitutie, chronische suïcidaliteit. 3.

Voor jeugdigen die een strafbaar feit (maar geen veroordeling) hebben gepleegd • Jeugdigen met verhardende en vermijdende kenmerken en vaak betrokken bij gewelds- en drugscriminaliteit. 7

Bronnen o.a.: ‘Longitudinale effectmonitor JeugdzorgPlus. Kleine groepen bij grote problemen: kleinschalige voorzieningen als alternatief voor gesloten jeugdhulp. September 2020, mede mogelijk gemaakt door ZonMW en artikel van Annemiek Harde en Erik Knorth ‘Kleine groepen voor grote problemen. Groepsgrootte telt in de residentiële jeugdzorg’ Jeugd en Co Kennis (2007) 1:86–89

21

3. Uitgangspunten Onvoorwaardelijk wonen • Jeugdigen met een (voorwaardelijke) machtiging voor geslotenheid of een machtiging met schorsing mogen wonen in een kleinschalige woonvorm. • Stoppen met doorplaatsen. Jeugdigen kunnen, wanneer terug naar huis na geslotenheid vooralsnog geen optie is, blijven wonen op de kleinschalige woonvorm. Vanuit het belang van hechting en stabiliteit willen we onnodig doorplaatsen voorkomen. Dit kan in de praktijk betekenen dat in sommige kleinschalige woonvoorzieningen jeugdigen met en zonder machtiging bij elkaar in een huis kunnen wonen. • Middelengebruik is geen uitsluitingscritierium voor onvoorwaardelijk wonen. Echter jeugdigen die echt verslaafd zijn en niet gemotiveerd zijn om te stoppen horen niet thuis binnen een extra beveiligde voorziening, dwang helpt immers niet. Conclusie is dat zij ook niet thuishoren in de woonvormen zoals ze nu beschreven zijn. Er moet dus komend jaar nog met aanbieders nader gekeken worden naar mogelijkheden voor wonen voor deze doelgroep, zie eind hoofdstuk 4. • Er wordt gewerkt ‘vanuit de relatie’ met de bewoner8: Er wordt gewerkt vanuit de interactie en de relatie met de bewoner. Het gaat om de sfeer en de behoefte en wens van de bewoner. Dit kan een andere houding van het personeel vragen dan op sommige huidige groepen gehanteerd wordt. Drang en dwang worden niet toegepast.

Er gelden geen vrijheidsbeperkende maatregelen in deze setting. • Voldoende beschikbaarheid van passende ambulante hulp (hoofdstuk 3), gezinsgerichte oplossingen en kleinschalige woonvormen voor het voorkomen van gesloten plaatsingen en onnodig doorplaatsen en om plaatsingen zo kort mogelijk te laten duren. 4. Groepsgrootte en groepssamenstelling9 Jeugdigen ervaren een kleine groep over het algemeen als positief. Jeugdigen hebben beter contact met de begeleiders en hun relaties met de andere jeugdigen op de groep is ook positiever. Het relatief kleine aantal jeugdigen in een kleinschalige woonvorm draagt bij aan het normaliseren waardoor individuele behoeften, kansen, talenten en uitdagingen van de jeugdigen aandacht krijgen en worden benut. Bij voorkeur is de kleinschalige woonvorm met maximaal 4-6 jeugdigen en zijn het heterogene groepen. De uitzondering hierop zijn jeugdigen die snel overprikkeld zijn (sommige jeugdigen met aan autisme verwante contactstoornissen, en ook sommige jeugdigen die ernstig getraumatiseerd zijn). Enkele van hen hebben baat bij homogene groepen, of groepen die nog kleiner zijn dan vier jeugdigen. 5. Onderwijs Een zinvolle dag invulling is zeer belangrijk voor jeugdigen in het kader van normaliseren. In principe bestaat de dag invulling uit het volgen van onderwijs en/of arbeid. De school van inschrijving heeft de zorgplicht over de jeugdige.

Zij zijn verantwoordelijk voor het organiseren van een MDO (multidisciplinair overleg) met de betrokkenen en het samenwerkingsverband waaronder de jeugdige valt. In sommige gevallen is dit al ingevuld bij de triage door het RET. Het (regulier of speciaal) onderwijs wordt zo gewoon als mogelijk vormgegeven. Echter is dit niet voor alle jeugdigen haalbaar. Als dat niet kan dan wordt er op maat een ontwikkelingsgerichte dag invulling gemaakt. Op maat kan er gekeken worden naar dag invulling in combinatie met school, waarbij eigen input en behoeften/ krachten centraal staan. De bekostiging zal dan plaatsvinden in overleg met gemeente en samenwerkingsverband. Onderwijs vindt in principe plaats op de school van herkomst, omdat 8

Dit vraagt nadere onderbouwing vanuit de theorie en de wetenschap, wat wordt hier exact onder verstaan qua houding, gedrag etc. 9 Onderbouwing o.a. via StroomOp, het consortium kleinschaligheid in de jeugdhulp ism de Academische Werkplaats Risicojeugd en het Nji

22

nagestreefd wordt dat de schoolgang niet doorbroken wordt. Bij problemen in de schoolgang is het doel om hulp en ondersteuning toe te voegen zodat de jeugdige niet van onderwijsvoorziening hoeft te wisselen. Als er sprake is van een combinatie van zorg en onderwijs, is er sprake van gedeelde financiering, tussen gemeente en samenwerkingsverband. Hierover worden afspraken gemaakt binnen het MDO met alle betrokkenen, regionaal kunnen hier kader afspraken over gemaakt worden binnen de OOGO’s. De samenwerkingsverbanden VO in Noord-Holland verbinden zich allen aan het daadwerkelijk organiseren van maatwerk als dat nodig is. Met betrekking tot middelengebruik is het beleid van de scholen dat alleen jeugdigen nuchter kunnen deelnemen aan het onderwijs op school en dat bezit verboden is. Dit vraagt voor deze jeugdigen dus ook specifieke aandacht. De scholen en de Kleinschalige woonvoorziening kunnen worden ondersteund in een goede toeleiding en begeleiding op school van de jeugdigen vanuit de kleinschalige woonvoorziening. Dit wordt gezien als een onderdeel van het “specialistisch” opvoeden.

6. Bekostiging Kleinschalige woonvoorziening Eén van de voorwaarden van kleinschalige woonvormen is betaalbaarheid. Het voorstel is om een kostprijsberekening te laten maken voor een minimale dagprijs. Dus een minimale bezetting voor kleinschalig wonen. Afhankelijk van de problematiek van de jeugdige kan expertise, extra ondersteuning voor bij het opstaan, voor naar school en/of individuele behandeling etc. worden toegevoegd per jeugdige. Hieronder zijn de elementen die terug moeten komen in het kostprijsonderzoek: Kostenplaats

Kosten

Capaciteitsplaatsen

4–6

Bezettingsgraad

97%

Verhouding MBO-HBO

50/50

Aantal FTE

Minimale aantal FTE

Uren gedragswetenschapper

8 uur per week (2 uur per jeugdige)

Overhead

31K per FTE

Huisvestingskosten

11K per capaciteitsplaats

Verzorgingskosten

11,29 per dag per capaciteitsplaats

Risicomarge

3% van de totale kosten

Kosten

Xxx EUR per dag

23

7. Jeugdigen met een machtiging gesloten i.r.t. kleinschalig wonen De veranderende visie op het wonen van de jeugdigen heeft gevolgen voor de instroom in jeugdzorg Plus voorzieningen. De jeugdigen met een complexe zorgvraag worden allereerst opgevangen en ondersteund in de kleinschalige woonvoorziening. Binnen het bovenregionale plan een “Thuis voor Noordje” verwachten we voor een tweetal doelgroepen (die momenteel en naar verwachting in de nabije toekomst nog een machtiging tot geslotenheid ontvangen) dat er bovenregionaal aanbod moet worden gevormd en georganiseerd. In bijlage 3 is schematisch uitgewerkt wat voor de huidige doelgroepen binnen de JeugdzorgPlus het aanbod is en/of dit wel of niet helpend is. •

Kleinschalige voorzieningen voor enkele homogene groepen, namelijk voor jeugdigen met loverboyproblematiek. Voor deze subgroep is een specifieke aanpak/behandeling helpend gebleken. Daarom helpt het om hen bij elkaar te plaatsen. Een machtiging gesloten is nodig om deze jeugdigen te kunnen behandelen. De toestroom tot deze homogene kleinschalige voorzieningen is minder stabiel, waardoor capaciteitsfinanciering logisch is.

•

Extra Ondersteunende voorziening gericht is op crisissituaties (opvoedcrisis) in de eerder beschreven vormen van kleinschalig wonen. Ook deze voorziening is kleinschalig. Deze voorziening is echter heel duidelijk zeer tijdelijk van aard, en kent een specifieke opdracht: stabilisatie, achterhalen waardoor er in de eerste twee vormen crisis is ontstaan, en terugplaatsing naar een van de eerste twee vormen. Daarnaast kan in sommige gevallen een individuele behandeling worden opgestart. De toestroom tot deze extra ondersteunende voorziening is minder stabiel, waardoor capaciteitsfinanciering nodig is.

Voor jeugdigen met loverboy problematiek is dit kleinschalige aanbod al gevormd in Noord-Holland. Het aanbod voor de jeugdigen die problematische verslavingsproblematiek hebben, moet nog verder worden gevormd. Feit daarbij is dat dwang niet helpt. En dat deze jeugdigen ofwel thuis behandeld moeten worden ofwel in kleinschalige woonvoorziening. Maar als het thuis echt onveilig is, omdat er onderlinge agressie is tussen familieleden of extreme verwaarlozing van een kind, dan moet het toch ergens wonen. Dat is dan toch binnen de kleinschalige woonvoorzieningen. Er zal per definitie expertise op gebied van verslaving toegevoegd moeten worden waar de jeugdige woont of naar school gaat. En er zal voortdurend moeten worden gezocht naar motivatie om af te gaan kicken in een speciale hulpvorm (speciaal behandelprogramma), zoals Mistral (waarbij de woonplek van de jeugdige ondertussen beschikbaar blijft). Dergelijke speciale behandelprogramma’s zijn altijd met gelijkgestemden en altijd voor een beperkte duur (meestal 6 tot 8 weken). Na afkick verder doorgaan met behandelen van de verslaving en van de onderliggende problematiek, in de kleinschalige woonvoorziening. Want lichamelijk afkicken is een ding, maar volhouden en zorgen dat er geen terugval komt is een volgend vraagstuk. 8.

Extra ondersteunende voorziening (tijdelijk) Uiterlijk 1-1-2023 is er behoefte in Noord-Holland aan een tijdelijk kleinschalige voorziening, die kan voorzien in de behoefte naar tijdelijk extra bescherming voor het team of de jeugdige. Deze voorziening moet per definitie functioneren als een plaats waar stabilisatie centraal staat. Zorginhoudelijke visie • Time -out plaats, behandelduur afhankelijk van de subgroep waar een jeugdige toe behoort. • Opname kan alleen vanuit de kleinschalige woonvoorzieningen, bij crisis in de thuissituatie wordt allereerst gekeken dat jeugdige op een andere wijze wordt opgevangen. • Terugkeergarantie van jeugdige naar de kleinschalige woonvoorziening, binnen de vooraf afgesproken time-out periode. 24

• • • • • •

•

Behandeling en therapie kan ingezet/gestart worden op de locatie en worden vervolgd in “thuis” situatie. Ruimte voor jeugdigen voor terugtrekken eigen omgeving, meer dan alleen slaapplek (autonomie). Verbondenheid onderhouden en vormgeven met kleinschalige voorziening/gezin waar jeugdige vandaan komt (mentor, begeleiding, etc.). Kleine groepen max. 4 personen, geen isolatie/separeer. Extra begeleiding aanwezig op de achterhand die jeugdigen kunnen begeleiden bij incidenten, intern maar ook als ze bijvoorbeeld naar een ziekenhuis begeleid moeten worden. Bij verwijzing analyseren waarom een jeugdige tijdelijk geplaatst wordt in extra ondersteunende voorziening. Door te kijken naar wat is er met dit kind/gezin aan de hand (verklarende analyse) en wat is de groepsdynamiek bij het team van herkomst. Elke jeugdige kan in Noord-Holland rekenen op passende jeugdhulp. We willen in de toekomst alleen nog voor hele uitzonderlijke (zeldzame) problematiek gebruik maken van landelijke voorzieningen.

Eisen aan de huisvesting • Bescherming, kan gesloten worden. • Voldoende ruimte voor meerdere kleine groepen (inclusief leefruimte jeugdige). • Bij voorkeur in een omgeving waar er weinig maatschappelijk druk is vanuit de omgeving (dus niet middenin een straat), omdat in en om deze voorziening incidenten zullen plaatsvinden. • Mogelijkheid tot het houden van dieren bij het pand. Organisatorisch • 1 Locatie in Noord-Holland, zodat expertise daar samen kan komen en kan ontwikkelen. • Joint venture van expertise en organisaties (GGZ-NHN, Levvel, Parlan, I-hub, ‘s Heerenloo). • Idealiter rand van stad dichtbij natuur en reuring. • Voldoende personeel (kan elkaar ondersteunen en opvangen), daarnaast is ervaring en stevigheid van belang in het kader van omgaan met de problematiek, aangezien het personeel naar verwachting te maken krijgt met stevige agressie en angsten. • Geschikt voor maximaal 12 jeugdigen, verdeeld over verschillende kleine units. • Uitgangspunt in de kleinschalige woonvoorzieningen is ‘wij plaatsen niemand over’. De kleinschalige woonvoorzieningen vormen daarmee zelf de toegang tot de extra ondersteunende voorziening. • Deze voorziening bestaat voor de duur van maximaal 3 jaar. De deelnemende organisaties leren en monitoren gedurende die drie jaar hoe zij deze voorziening overbodig kunnen maken, in samenwerking met een academische werkplaats.

Financieel • Beschikbaarheidsfinanciering betaald door alle 8 jeugdhulpregio’s naar rato gebaseerd op begroting van de joint venture. • Er is financiële ruimte om te leren en te monitoren. Deze ruimte is er ook voor intervisie en ontwikkeling/scholing van personeel 9. Conclusie en besluiten Wij vragen met betrekking tot de vormgeving zowel commitment als besluitvorming aan de bestuurders en wel op de volgende onderdelen: •

•

Leegstand in de kleinschalige woonvoorzieningen moet kunnen plaatsvinden, zodat er altijd een plek beschikbaar is en de jeugdigen een keuze hebben. Leegstand moet wel gefinancierd worden, dit kan mogelijk door een opslagpercentage op het tarief. Appartementen en studio’s om zelfstandig te leren wonen koppelen aan de kleinschalige woonvoorziening, zodat er een doorgaande lijn is in de hulpverleners en doorstroming in de 25

•

•

•

•

•

•

• •

kleinschalige woonvoorziening. Gemeenten faciliteren bij huisvestingsvraagstuk en alloceren voldoende woningen voor deze doelgroep. Financiële mogelijkheden bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Als een jeugdige 18 jaar wordt kan de financiering wijzigingen naar WLZ of WMO. Dit mag geen reden zijn voor een verplaatsing van de jeugdige. Aanbieders moeten dus de mogelijkheid hebben om de financiering van de jeugdige aan te passen. Hiermee komen we tegemoet aan een groot knelpunt (zie hoofdstuk 1: toekomstperspectief > 18 jaar) in kader van wonen voor complexe jeugdigen na 18 jaar. Hiervoor zijn afspraken met VWS, zorgkantoren van belang. Uitgaan van een bekostigingsmodel voor kleinschalige woonvoorzieningen opgebouwd vanuit een minimale dagprijs per jeugdige, aangevuld met individuele ondersteuningsbehoefte. Dit om de omslag naar WLZ of Wmo financiering haalbaar te maken. Vastgoed is van de woningbouw of projectontwikkelaars/investeerders, zodat aanbieders financieel niet gebonden zijn aan het vastgoed en het mogelijk is om kamers om te klappen naar zelfstandig wonen zonder te hoeven verhuizen. Het is helpend om deze vastgoedopdracht te vertalen in een convenant met woningcorporaties, aanbieders van verhuur, zorgaanbieders en gemeenten. Gemeenten/jeugdregio’s moeten bereid zijn om plaatsingen vanuit andere jeugdregio’s (binnen Noord-Holland) toe te staan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11179983/1