CConstaterende datSon en Breugel
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1, 2 en 2a bij informatiebijeenkomst Omgevingswet

Overige evenementen 16 december 2021, gemeente Son en BreugelBij agendapunt: Bijlagen3.297 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage 1. Instrumenten onder de Omgevingswet Onder de Omgevingswet krijgt de gemeente een aantal belangrijke instrumenten, te weten de omgevingsvisie, het omgevingsplan, het programma en de omgevingsvergunning. Hieronder wordt ingegaan op de inhoud van de verscheidene instrumenten.

De omgevingsvisie De omgevingsvisie is het overkoepelende strategische plan voor de leefomgeving en moet zijn vastgesteld voor 31 december 2024. In de omgevingsvisie legt de gemeente haar ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn vast. De gemeente stelt één omgevingsvisie voor het hele grondgebied vast. Een omgevingsvisie gaat in op de samenhang tussen ruimte, wonen, water, milieu, natuur, landschap, mobiliteit, gezondheid, duurzaamheid, energietransitie en cultureel erfgoed. De omgevingsvisie is vormvrij: de gemeenteraad bepaalt het detailniveau, de gebieden, de sectoren en de thema's. Ook kan de gemeente met de visie de mate van sturing bepalen, meer regulering of meer deregulering. Zoals u weet ligt op dit moment de ontwerp-omgevingsvisie Son en Breugel “OOg op een zonnige toekomst!” ter inzage tot en met 15 december 2021. Vaststelling is voorzien op 10 maart 2022.

Het omgevingsplan Onder de omgevingsvisie hangt het omgevingsplan. In het omgevingsplan staan de gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving. Iedere gemeente heeft één omgevingsplan. Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan samen leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij het stellen van regels houdt de gemeente rekening met alle betrokken belangen. De gemeente kan de regels specificeren voor verschillende delen van het grondgebied. Ook kan de gemeente functies of kenmerken van locaties of gebieden aanwijzen. Aan deze aanwijzing kan de gemeente regels koppelen voor het gebruik van die locatie of dat gebied. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet ontstaat door het overgangsrecht een tijdelijk deel van het omgevingsplan, het omgevingsplan van rechtswege. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: 1. De bestaande ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen en verordeningen. 2. Drie gemeentelijke verordeningen: de Erfgoedverordening met betrekking tot de archeologische monumentenzorg, de Hemelwaterverordening en de Geurverordening; 3. De bruidsschat (rijksregels die worden gedecentraliseerd naar gemeenten). Alle regels moeten op 31 december 2029 zijn opgenomen in het definitieve omgevingsplan.

In de overgangsfase moet de gemeente dus alle regels vanuit het tijdelijk omgevingsplan ‘overbrengen’ naar het definitieve omgevingsplan. Ook moet de gemeente de regels uit de gemeentelijke verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving (en waarvan zij dat nodig vinden) op dat moment hebben toegevoegd. De VNG adviseert dat de raad voor inwerkingtreding keuzes heeft gemaakt over de uitgangspunten, structuur en insteek van het gemeentebrede omgevingsplan.. Eén en ander in lijn met de kaders vanuit rijks- en provinciale regelgeving. De gemeente heeft tot 31-12-2029 de tijd om het tijdelijke omgevingsplan om te vormen tot een omgevingsplan dat voldoet aan de bedoeling van de Omgevingswet. Dit is een proces van jaren. Daarom is het verstandig om nu snel verder te gaan met verdere stappen. Relevant hierbij is dat hoe

langer het duurt om te komen tot het nieuwe omgevingsplan ,hoe langer het oude regime (tijdelijk omgevingsplan) en nieuwe regime (nieuw omgevingsplan) naast elkaar bestaan, hetgeen de organisatie extra belast. In Son en Breugel zijn de voorbereidingen op het gemeentebrede omgevingsplan al gestart. We komen nu toe aan het maken van essentiële keuzes door uw raad.

Het programma Om de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving te bereiken kunnen overheden aanvullend op bovenstaande een programma opstellen met maatregelen. Overheden kunnen kiezen hoe ze programma’s inzetten. Ze kunnen de omgevingsvisie globaal houden en het beleid verder uit werken in programma’s. Of ze kunnen ervoor kiezen om de omgevingsvisie veel specifieker te maken en zo minder met programma’s werken. Het programma bevat de drie volgende soorten maatregelen: a) maatregelen voor de uitwerking van het beleid voor ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming en behoud van de fysieke leefomgeving; b) maatregelen om aan omgevingswaarden te voldoen (met een omgevingswaarde legt de gemeente de kwaliteit vast die ze voor de fysieke leefomgeving wil bereiken); c) maatregelen om 1 of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. In de ontwerp-omgevingsvisie is de keuze gemaakt tot een meer globale omgevingsvisie waarbij bepaalde deelgebieden en deelthema’s via programma’s verder worden uitgewerkt.

De omgevingsvergunning Tot slot kan de gemeente via de omgevingsvergunning invloed uitoefenen op de leefomgeving. Burgers, bedrijven en overheden kunnen toestemming vragen om activiteiten in de fysieke leefomgeving te mogen uitvoeren door het aanvragen van een omgevingsvergunning.

Bijlage 2. Toelichting op de strategische keuzes in relatie tot het omgevingsplan De Omgevingswet biedt een aantal keuzes die nauw verwant zijn aan het omgevingsplan. Het is onze bedoeling in de informerende bijeenkomst van 16 december a.s. met de raad bij deze keuzes stil te staan. De beeldvormende, oordeelsvormende en besluitvormende documenten over deze keuzes, worden u naar verwachting voorjaar 2022 aangeboden. De keuzes betreffen de volgende onderwerpen: 1. 2. 3. 4.

De delegatie van bevoegdheden De participatieverplichting Het adviesrecht De uitgebreide procedure

In deze bijlage wordt een toelichting gegeven op bovengenoemde onderwerpen. In bijlage 2a worden aanvullend een aantal algemene voorbeelden van delegatie van bevoegdheden gegeven.

1. De delegatie van bevoegdheden In de Omgevingswet is de mogelijkheid opgenomen dat de raad (besluitvorming over) delen van het omgevingsplan of het voorbereidingsbesluit delegeert aan het college van B&W. Als de raad hierover niets regelt, dan blijven alle bevoegdheden bij de raad. Dit zou betekenen dat elke wijziging van het omgevingsplan, hoe minimaal ook, door de raad moet worden vastgesteld. Om onnodige bestuurlijke drukte te voorkomen en om de procesduur te verkorten gaan wij uit van het maken van werkbare afspraken over de delegatie van bevoegdheden die recht doen aan de verhouding tussen raad en college, waarvoor wij later een aantal voorzetten voor besluitvorming doen. Het delegatiebesluit vormt een afzonderlijk besluit dat geen deel uitmaakt van het omgevingsplan. Het delegatiebesluit geeft de reikwijdte van de bevoegdheid aan en bepaalt binnen welke grenzen en onder welke voorwaarden de bevoegdheid wordt uitgeoefend.

Bevoegd gezag Delegatie mogelijk heden

WAS Vatstellen van het bestemmingsplan raad

WORDT Vaststellen van het omgevingsplan

De uitwerkings- en wijzigingsbevoegdheid (in de huidige situatie gedelegeerd aan het college).

De bevoegdheid tot: • het wijzigen van het omgevingsplan n.a.v. verleende vergunningen; • het vertalen van beleidsregels (fysieke leefomgeving) van raad en college naar regels in het omgevingsplan; • het wijzigen van het omgevingsplan bij nieuwe ontwikkelingen; • het nemen van een voorbereidingsbesluit.

raad

Hierna wordt nader ingegaan op de keuzes die door u te maken zijn. U kan ervoor kiezen om vooraf te besluiten welke van onderstaande opties u wilt delegeren. In bijlage 2a worden van de opties voor delegatie ter toelichting algemene voorbeelden gegeven.

Delegatie van het inpassen van verleende omgevingsvergunningen in afwijking van het omgevingsplan Het ligt in de lijn der verwachting dat ontwikkelingen in de toekomst steeds vaker met een omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt. De Omgevingswet bepaalt dat vergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (afhankelijk van de activiteit) binnen vijf jaar moeten worden

verwerkt in het omgevingsplan. Dit is een administratieve handeling en leent dit zich daarom goed voor delegatie. Binnenplanse omgevingsplanactiviteit Een activiteit die voldoet aan de regels in het omgevingsplan, maar toch een vergunningplicht heeft in het omgevingsplan. Buitenplanse omgevingsplanactiviteit Een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en niet vergunningvrij voor bouwen is. Er zijn 2 varianten: 1. Een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is, maar het volgens de beoordelingsregels niet mogelijk is de vergunning te verlenen; 2. Een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.

Delegatie van het inpassen van beleidsregels van raad en college in het omgevingsplan Wanneer de raad of het college van B&W beleidsregels heeft vastgesteld die moeten worden opgenomen in het omgevingsplan, kan dit door het college van B&W worden gedaan. Het gaat immers om het inpassen van beleid waar al sprake is geweest van een inhoudelijke afweging door de raad of het college van B&W. Een dergelijke aanpassing van delen van het omgevingsplan is aan te merken als uitvoering en daarmee ligt delegatie aan het college van B&W voor de hand.

Delegatie van het aanpassen van het omgevingsplan bij nieuwe ontwikkelingen die afwijken van de regels (buitenplanse omgevingplanactiviteiten) Ontwikkelingen die niet passen binnen een omgevingsplan kunnen straks mogelijk gemaakt worden met een omgevingsvergunning in afwijking van het omgevingsplan, of het omgevingsplan kan worden gewijzigd. De bevoegdheid om het bestemmingsplan aan te passen ligt nu bij de raad. In de huidige Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan het college een bestemmingsplan wijzigen- of uitwerken om een nieuwe ontwikkeling mogelijk te maken als er een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht met daarbij behorende regels in het bestemmingsplan staan. De Omgevingswet kent deze wijzigingsbevoegdheid en uitwerkingsplicht niet. Het college van B&W kan na inwerkingtreding van de Omgevingswet dus geen wijzigingsplan of uitwerkingsplan meer vaststellen, tenzij de raad deze bevoegdheid delegeert. Indien er geen sprake is van delegatie aan het college van B&W is de raad bevoegd om het omgevingsplan voor die onderdelen te wijzigen.

Delegatie bij voorbereidingsbesluit Het voorbereidingsbesluit is een besluit dat tijdelijk ontwikkelingen inperkt die op grond van de geldende regels in een omgevingsplan (dat de raad moet vaststellen) mogelijk zijn, maar bijvoorbeeld op grond van (nieuwe) inzichten niet wenselijk zijn of niet passen in een omgevingsplan dat in voorbereiding is. De raad kan dan een voorbereidingsbesluit nemen, waardoor regels tijdelijk niet gelden. De bevoegdheid tot het nemen van een voorbereidingsbesluit kan worden gedelegeerd aan het college van B&W. Deze mogelijkheid bestaat onder de Wet ruimtelijke ordening niet. In de Omgevingswet is dit opgenomen omdat het college van B&W een omgevingsplan voorbereidt en daarmee in staat is om op een effectieve wijze een voorbereidingsbesluit te nemen.

2. De participatieverplichting De Omgevingswet stimuleert vroegtijdige participatie om tijdig belangen, meningen en creativiteit op tafel te krijgen. Bij de implementatie van de Omgevingswet moet de raad voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit bepalen of en zo ja voor welke activiteiten participatie verplicht is. Dit dient

de raad te doen voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt ingediend. Participatieverplichting bevoegd gezag:

Participatieverplichting initiatiefnemer:

WAS Bij wettelijke instrumenten, zoals de structuurvisie, is de participatieplicht vastgelegd in de Wro.

WORDT In de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling staan regels over participatie. Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe de belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze instrumenten en welke resultaten dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen moeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld.

Geen verplichting.

Participatie is niet verplicht voor binnenplanse omgevingsplanactiviteiten. Dit zijn activiteiten die binnen de regels van het omgevingsplan vallen. Participatie kan wel verplicht zijn voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Dat zijn activiteiten die niet in het omgevingsplan staan. De raad beslist of participatie verplicht is en kan hiervoor een lijst met categorieën activiteiten vaststellen. De aanvrager moet, in het geval participatie verplicht is, gesteld bij de aanvraag van de vergunning laten zien hoe hij belanghebbenden heeft betrokken. De aanvrager mag zelf invullen op welke manier hij/zij dit doet.

Indien de raad geen actie onderneemt is participatie bij de omgevingsvergunning in geen enkel geval verplicht. Een aanvrager van een omgevingsvergunning kan op het aanvraagformulier aankruisen dat niet aan participatie is gedaan en het bevoegde gezag kan de vergunning niet weigeren op grond van het feit dat niet aan participatie is gedaan. De wet geeft twee mogelijkheden voor de participatieverplichting bij omgevingsplanactiviteiten: 1. de raad kan voor de hele categorie buitenplanse afwijkingen participatie verplicht stellen, met uitzondering van afwijkingen die vallen binnen de huidige “kruimelregeling” van het Rijk onder de Omgevingswet opgenomen in de bruidsschat); 2. de raad kan aansluiting zoeken bij categorieën afwijkingen van het omgevingsplan, waarvan de raad ook kan aangeven hier adviesrecht (volgende paragraaf) over te willen hebben. Deze laatste optie kan beredeneerd worden vanuit de gedachte dat de raad over de “belangrijkste” zaken adviesrecht zal willen hebben en dat ook de zaken zijn waarbij participatie in de besluitvorming van belang wordt geacht. Bij de implementatie van de Omgevingswet moet de raad ook participatiebeleid opstellen waarin vastgelegd wordt hoe participatie wordt vormgegeven en welke eisen daarbij gelden.

3. Het adviesrecht Initiatieven die passen binnen het omgevingsplan kunnen eenvoudig en snel worden behandeld. Eenvoudige zaken worden door het college van B&W afgehandeld, terwijl voor overige, meer ingrijpende afwijkingen de kaders gesteld door de raad bepalend zijn. Onder de Omgevingswet wijst de raad gevallen aan waarin een bindend advies van de raad nodig is om af te wijken van het omgevingsplan. Het advies van de raad is bindend en moet door het college van B&W worden overgenomen.

Bevoegd gezag Rol raad Werkwijze

WAS1 Afwijken van bestemmingsplan College Instemmingsrecht door verklaring van geen bedenkingen (VVGB) Plannen worden gecheckt aan de hand van de categorieën activiteiten waarvoor een VVGB vereist is.

WORDT Afwijken van het omgevingsplan College Adviesrecht, voor die gevallen waar de raad over wil gaan Plannen worden gecheckt aan de hand van de door de raad vooraf vastgestelde lijst van categorieën activiteiten, waarbij de raad adviesrecht wil laten gelden.

Dit onderwerp is een juridische eis vanuit de Omgevingswet. Het college van B&W mag zelfstandig besluiten over medewerking aan een afwijking (dualisme), behalve in die gevallen waarvan de raad heeft aangegeven betrokken te moeten worden (adviesrecht). Voor de niet-aangewezen gevallen vervalt het adviesrecht van de raad. Het is daarom van belang dat de raad hier voor inwerkingtreding van de Omgevingswet over besluit. De wet geeft de volgende mogelijkheden ten aanzien van de gebruikmaking van het adviesrecht: 1. Aanhouden verklaring van geen bedenkingen: 2de raad krijgt adviesrecht voor dezelfde activiteiten waarvoor (nu) een aparte verklaring van geen bedenkingen moet worden aangevraagd. 2. Beleidsarm: de raad krijgt adviesrecht over alle buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, met uitzondering van: a. de gevallen zoals onder de huidige wetgeving (komt te vervallen) benoemd in de “kruimelregeling” (bijlage 2 BOR) en b. de vooraf aangegeven categorieën waarvoor geen aparte verklaring van geen bedenkingen hoeft te worden gevraagd, te weten activiteiten die passen binnen uitvoeringsprogramma's en projectkaders waarover voorafgaande aan de aanvraag omgevingsvergunning door de raad een besluit is genomen, waarin tevens een beslispunt is opgenomen om het uitvoeringsprogramma of projectkader aan deze categorie toe te voegen. 3.

Geen adviesrecht: de raad ziet af van adviesrecht met betrekking tot buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. 4. Criteria (dynamisch afwegingskader): de raad krijgt adviesrecht over buitenplanse omgevingsplanactiviteiten die vallen binnen door de raad bepaalde criteria. 5. Criteria (dynamisch afwegingskader) aangevuld met specifieke te benoemen gevallen: de raad krijgt aanvullend op de door de raad bepaalde criteria, adviesrecht over buitenplanse omgevingsplanactiviteiten bij door de raad te bepalen specifieke gevallen.

4. De uitgebreide procedure De reguliere procedure is het uitgangspunt in de Omgevingswet. De beslistermijn voor de reguliere procedure is 8 weken. Daarna is er nog bezwaar en beroep mogelijk. Het bevoegd gezag kan de beslistermijn eenmalig verlengen met 6 weken. Uitzonderingen op het toepassen van de reguliere procedure staan op diverse plaatsen in de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit. In die gevallen wordt de uitgebreide procedure toegepast. Het bevoegd gezag beslist dan binnen 6 maanden na een aanvraag. Tijdens de uitgebreide procedure maakt het bestuursorgaan een ontwerpbesluit waarover zienswijzen kunnen worden ingediend. Nadat het besluit is genomen is er nog beroep bij de rechtbank mogelijk. 1

Dit is overigens niet de werkwijze binnen de gemeente Son en Breugel, hier is geen besluit genomen over verklaring van geen bedenkingen waardoor hier niet het College maar de Raad bevoegd gezag is m.b.t. afwijken van het bestemmingsplan 2 Deze mogelijkheid gaat daarmee niet op binnen de gemeente Son en Breugel

Reguliere procedure

Uitgebreide procedure

WAS Afwijken van bestemmingsplan Bij een binnenplanse afwijking beslist de gemeente binnen 8 weken na ontvangst van uw aanvraag. Deze termijn kan eenmalig met 6 weken worden verlengd. Bij een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan, geldt een beslistermijn van 26 weken.

WORDT Afwijken van het omgevingsplan

Bovengenoemde termijn (26 weken) kan de gemeente eenmalig met 6 weken verlengen.

Wanneer de aanvrager heeft verzocht om - of heeft ingestemd met het toepassen van de uitgebreide procedure én in bepaalde aangewezen gevallen bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan de uitgebreide procedure (26 weken) van toepassing worden verklaard.

De reguliere procedure (8 weken, daarna mogelijkheid tot bezwaar en beroep, eenmalige verlenging van 6 weken) is uitgangspunt.

Bijlage 2a. Waar moet je aan denken bij de delegatiebevoegdheden voor het Omgevingsplan In deze bijlage zijn algemene voorbeelden opgenomen ter toelichting van de diverse bevoegdheden.

Het inpassen van verleende omgevingsvergunningen in afwijking van het omgevingsplan Voorbeeld 1: Het plaatsen van een dakkapel op het achterdakvlak (niet passend in de regels van het bestemmingsplan c.q. omgevingsplan en niet passend in de vergunningsvrije regeling) De dakkapel kan alleen worden toegestaan als er een vergunning wordt verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De verleende vergunning dient binnen vijf jaar te worden opgenomen in het omgevingsplan. Voorbeeld 2: Het vestigen van een kapsalon aan huis In veel bestemmingsplannen is in de planregels bepaald dat een aan-huis-gebonden-beroep onder voorwaarden is toegestaan. Een kapsalon valt niet onder een aan-huis-gebonden-beroep, bedrijf (in de zin van het bestemmingsplan) of een kantoor. Een kapsalon valt onder consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten. Dit is in beginsel niet toegestaan. Medewerking kan alleen worden verleend indien een vergunning wordt verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De verleende vergunning dient binnen vijf jaar te worden opgenomen in het omgevingsplan. Voorbeeld 3: Het realiseren van een woning Het bouwen van een woning buiten het bouwvlak, binnen de bestemming ‘tuin’, is in veel gevallen in strijd met het bestemmingsplan en de daarin opgenomen regeling.

In het bestemmingsplan is expliciet aangegeven dat een woning binnen het daarvoor aangegeven bouwvlak met de daarbij behorende regeling mag worden gebouwd. Er zijn situaties denkbaar waarin de woning net buiten het bouwvlak wordt geprojecteerd omdat dit technisch beter uitkomt en/of een andere maatvoering, zoals een bouwhoogte, gewenst is dan het bestemmingsplan toelaat. De verleende vergunning dient binnen vijf jaar te worden opgenomen in het omgevingsplan.

Het inpassen van beleidsregels van raad en college in het omgevingsplan Voorbeeld 1: Beleidsregel parkeren Indien u beleid, met de daarbij behorende beleidsregels, vaststelt voor bijvoorbeeld regels rondom parkeren is het wenselijk en/of noodzakelijk dat deze beleidsregels worden opgenomen in het omgevingsplan. Onder de huidige wetgeving ligt de bevoegdheid om hiervoor een (paraplu-) bestemmingsplan vast te stellen bij de raad. Onder de omgevingswet is het mogelijk om het inpassen van beleidsregels in het omgevingsplan te delegeren aan het college van B&W.

Het aanpassen van het omgevingsplan bij nieuwe ontwikkelingen Voorbeeld 1: Wijzigingsbevoegdheid archeologie In sommige bestemmingsplannen is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die bij het college van B&W ligt. Deze bevoegdheid kan betrekking hebben op situaties waarin de verbeelding wordt gewijzigd door één of meerdere bestemmingsvlakken of gedeeltes daarvan te verwijderen, indien uit nader onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. Als er geen sprake is van delegatie aan het college van B&W is een dergelijke aanpassing van het omgevingsplan voorbehouden aan u.

Voorbeeld 2: Wijzigingsgebieden Sommige bestemmingsplannen kennen ook een aantal wijzingsgebieden. Voor op de plankaart aangeduide wijzingsgebieden, bieden sommige bestemmingsplannen de bevoegdheid aan het college van B&W om ter plaatse van die aanduiding de aldaar voorkomende bestemming te wijzigen. In de planregels is dan bijvoorbeeld vastgelegd dat het college van B&W bevoegd is het bestemmingsplan te wijzigen ten behoeve van het vergroten van het bouwvlak van de woning onder de daarna genoemde voorwaarden. Indien er geen sprake is van delegatie aan het college van B&W is een dergelijke aanpassing van het omgevingsplan ook voorbehouden aan u. Voorbeeld 3: Wijziging grenzen tussen functies In aansluiting op bovengenoemde voorbeelden kan het ook voorkomen dat het bij nieuwe ontwikkelingen wenselijk is de grenzen te wijzigen tussen functies, voor zover deze van belang zijn voor een technisch betere realisatie van de functies. Indien er geen sprake is van delegatie aan het college van B&W is een dergelijke aanpassing van het omgevingsplan ook voorbehouden aan u.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10898457/1