CConstaterende datSon en Breugel
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Advies commissie Dannenberg (2015)

Gemeenteraad 29 maart 2022, gemeente Son en BreugelBij agendapunt: Regiovisie Doordecentralisatie Beschermd Wonen 2022 – 202616.224 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.4 Een breed arsenaal van woonvarianten Wonen in de wijk vraagt, met de ambulantisering van de Opvang en beschermd wonen, om een breed arsenaal van woonvarianten om daarmee maximaal tegemoet te komen aan de verscheidenheid aan woonwensen van kwetsbare mensen. Belangrijk hierbij is het volgende: [[ Sluit als gemeente zoveel mogelijk aan bij consumenten- en burgerinitiatieven en nieuwe woonvarianten en ondersteun de (door)ontwikkeling daarvan. Laat zien dat de (tijdige) betrokkenheid van de lokale gemeenschap preventief werkt. [[ Integreer de beschermde woonplekken in de keten van de maatschappelijke opvang en zorg voor een goede aansluiting op het wonen in de Jeugdhulp. Met de ambulantisering van beschermd wonen is ook een ambulantisering van de maatschappelijke opvang aan de orde. [[ Neem uiteindelijk afstand van de zogenaamde woonladder. Wonen in de wijk – inclusief wonen - is vertrek- en eindpunt. Dit betekent dat Housing First uitgangspunt is voor iedereen, niet alleen - zoals nu vaak het geval

26]

is - voor mensen die zonder veel soelaas alle routes door het zorgsysteem hebben afgelegd. [[ Investeer in normalisering van het wonen door ontkoppeling van wonen en zorg en verminder voor wonen de afhankelijkheid van zorgaanbieders (huurcontracten op naam van persoon, niet op die van instelling). Cruciaal is wat woningcorporaties nodig hebben om deze woonfunctie voor kwetsbare mensen toekomstbestendig in te vullen. [[ Volg de innovaties voor specifieke doelgroepen op hun werkzaamheid, zoals het initiatief voor woonbegeleiding en behandeling dichtbij huis voor mensen met ernstige psychische aandoeningen (Taskforce EPA Utrecht, 2015) en het programma ‘Meer Veerkracht, Langer Thuis’ van het Fonds NutsOhra. [[ Breng systeembelemmeringen voor inclusief wonen, die haaks staan op de principes van zelf- en samenredzaamheid, in kaart. De noodzaak van wetswijzigingen kan zich voordoen, zoals bij de zogenaamde kostendelersnorm voor dakloze mensen en de 18-/18+ grens waardoor jongeren uit de jeugdhulp te snel op zichzelf zijn aangewezen. Vooral LVB jongeren hebben in verschillende opzichten hier een risico.

4.5 Beschikbare en betaalbare wooneenheden In veel gemeenten stagneert het wonen in de wijk, ook voor bewoners van beschermd wonen die nu al zelfstandig kunnen wonen maar vanwege het ontbreken van betaalbare wooneenheden (huur tot 450 euro) in de gemeente in de voorziening blijven. Er zijn weinig goedkope kleine woningen beschikbaar en er zijn ook andere groepen die daarop een beroep doen zoals ouderen die langer zelfstandig blijven wonen, vluchtelingen met een verblijfsstatus en andere groepen waaraan de woningcorporatie en de gemeenten prioriteit willen geven. Zonder een verruiming van woon-

eenheden en woonvarianten maakt beschermd thuis weinig kans. Hier is het de opgave voor gemeenten om woningcorporaties en wellicht particuliere initiatiefnemers (bijvoorbeeld ouders en ouderen) te stimuleren tot nieuwbouw of herontwikkeling. Dit kan bijvoorbeeld door het bekostigen van de onrendabele top bij bouwprojecten voor zelfstandig (begeleid) wonen voor degenen die uitstromen uit beschermd wonen. Die onrendabele top betreft de extra kosten voor eventuele gezamenlijke ruimtes en ruimtes voor (extra) toezicht en begeleiding. Van de gemeente vereist dit een kostenafweging over de beleidsterreinen Wmo en huisvesting heen, waarbij ingezet moet worden op nieuwe oplossingen waarin de meerkosten vanwege de onrendabele top wegvallen tegen de besparingen op het (dure) beschermde wonen.

4.6 Laagdrempelige toegang tot zorgfuncties De kanteling van de zorg betekent een omslag van een aanbodgerichte naar een functiegerichte benadering. Voorzien moet worden in aantal voor cliënten en naasten gemakkelijk toegankelijke zorgfuncties (verg. Wolf, 2015), namelijk: [[ Signalering- en vroeginterventie over de breedte van het ondersteuningscontinuüm, outreachend werken en actief ingrijpen zodra er signalen zijn van (ernstig) verlies van zelfregulatie bij burgers. Deze Erop af functie kan bijdragen aan inclusie en onderlinge steun. [[ Integrale toegang met een adequate screening van de situatie van kwetsbare mensen en eenduidige criteria voor op- en afschalen.25 [[ Herstelondersteuning, gericht op het ondersteunen van personen in hun eigen herstelproces in de richting van een leven dat zij de moeite waard vinden.

[[ Transitieondersteuning voor mensen die tijdelijk extra ondersteuning nodig hebben tijdens een transitie in hun leven, zoals bij een vertrek uit een beschermde woonvorm naar (begeleid)zelfstandig wonen of bij huiselijk geweld.26 [[ Behandeling en specialistische zorg voor cliënten die dat (vanuit de (geestelijke) gezondheidszorg, gehandicaptenzorg of ouderenzorg) nodig hebben.27 Hiervoor kunnen FACT teams worden ingezet, maar ook de eerste lijn (huisarts en praktijkondersteuners op diverse gebieden) en de generalistische Basis GGz kunnen een deel van de behandeling bieden. (Flexibele) Assertive Community Treatment (Flexibele) ACT biedt specialistische tweedelijnszorg aan mensen met een ernstige psychiatrische aandoening en vormt voor deze groep het psychiatrische vangnet (Delespaul, 2015). De behandeling en ondersteuning kan in principe flexibel worden op- en afgeschaald. De teams bieden integrale, gecoördineerde zorg, zijn multidisciplinair van samenstelling , werken met een gedeelde caseload en een duidelijk zorgmodel. Inmiddels is FACT beschikbaar voor diverse bijzondere doelgroepen, waaronder mensen met licht verstandelijke beperkingen, ouderen en verslaafden. (Flexibele) ACT krijgt ook in het buitenland steeds meer erkenning (Van Veldhuizen e.a., 2015).

25 Een (verwijs)model voor op- en afschalen dat hierin voorziet is beschreven in het referentiekader maatschappelijke zorg ‘Niemand tussen wal en schip’ (Wolf, 2015). Dit model wordt bij Impuls met partners in de academische werkplaats OGGZ momenteel uitgewerkt en in wijkteams getoetst. 26 Een dergelijke transitie geeft een verhoogd risico op uitval en vraagt een goede voorbereiding en meer inspanningen van de cliënt en direct betrokkenen in zijn omgeving en ook vaak (tijdelijk) extra inzet van professionals. 27 Er is een spanning tussen de autonomie van mensen en borging van goede zorg. Aanbieden van praktische hulp op diverse levensdomeinen vanuit een behandeleenheid kan de autonomie van mensen onbedoeld te zeer inperken (Muusse & Van Rooijen, 2015). Omgekeerd moet worden gewaakt voor onderbehandeling van specifieke problemen (lichamelijk, psychisch, verslaving, etc.). Een belangrijke uitdaging de komende jaren is de schakeling van gespecialiseerde zorg en behandeling op de hulp in het sociale domein.

27]

Naast genoemde functies is de oude asielfunctie van belang, omdat daarmee mensen, waar zij ook wonen, geborgenheid, veiligheid en bescherming kan worden geboden. Een gemoderniseerde asielfunctie is feitelijk geïntegreerd in alle hiervoor geschetste condities. Bij de uitvoering van de zorgfuncties is het nog zoeken naar een passende ordening van generalistische en meer specifiek of specialistisch aanbod. Gemeenten verwachten wat betreft de generalistische ondersteuning veel van sociale wijkteams en mogelijk is van deze teams op termijn een belangrijke bijdrage te verwachten. Vooralsnog lijken de teams, zo laten geraadpleegde experts weten, de kennis en ervaring te missen om goed aan te sluiten bij de kenmerken van bijzondere doelgroepen, waaronder mensen met verstandelijke beperkingen. Belangrijk hierbij zijn de keuzen die gemeenten hierin maken. Deze zijn: specifieke of specialistische expertise wordt geïntegreerd in de (bestaande?) teams, of wordt ondergebracht in een apart team of in een team met uiteenlopende expertises. Voor welke variant ook gekozen wordt, duidelijk is dat er in de begeleiding van kwetsbare burgers diverse niveaus van bekwaamheid nodig zijn om maximaal te kunnen aansluiten en passende zorg te bieden en die uiteenlopende expertises moeten worden geborgd en doorontwikkeld (Wolf, 2015).

In dit proces speelt de vraag mee of de zeer heterogene groep kwetsbare mensen in de wijk in principe van dezelfde toegankelijke algemene voorzieningen en generalistische ondersteuning gebruik kunnen maken met behoud van kwaliteit van zorg. Of, anders gezegd, dat het loslaten van het onderscheid in doelgroepen als basis van het gemeentelijke beleid, geen negatieve effecten heeft op de dagelijkse kwaliteit van leven van (bepaalde groepen) kwetsbare burgers. Ervaringen opgetekend in enkele gemeenten - de zorgvragen zouden te zeer uiteenlopen en de groepen zouden niet gemakkelijk mengen - benadrukken het belang dit proces goed te blijven monitoren (Koops & Kwekkeboom, 2005).

4.7 Duurzaam samenwerken tussen gemeenten en zorgverzekeraars Het is een opgave voor gemeenten en zorgverzekeraars om gezamenlijk voor mensen met een grote kwetsbaarheid een integrale omgeving te creëren waarin toezicht, begeleiding en behandeling gecombineerd op herstel worden gericht.

28]

Inclusie van zeer kwetsbare mensen is alleen mogelijk met een (vaak) doorlopende behandeling vanuit zorgsectoren, waaronder de GGz, en soms persoonlijke verzorging. Deze zorgvormen vallen onder de zorgverzekeringswet en worden derhalve bekostigd door de zorgverzekeraars. Veelal wordt behandeling vanuit een FACT-team ingezet en vindt persoonlijke verzorging door (gespecialiseerde) wijkverpleging plaats. Deze zorgvormen zijn vaak een voorwaarde voor wonen in de wijk. Dit vereist een hechte en geoefende samenwerking tussen gemeenten en zorgverzekeraars, zowel casusgericht op lokaal niveau als in structurele afspraken over samenwerking tussen de aanbieders van zorg en de begeleiders vanuit de Wmo. De samenwerking tussen gemeenten en zorgverzekeraars is op veel plekken op gang gekomen maar blijft vaak nog beperkt tot pilots en ontbeert daardoor nog de breedte en schaalomvang voor het creëren van een integrale omgeving. Verdere stappen hierin zijn nodig.

4.8 Borgen van kwaliteit en vraaggerichtheid van ondersteuning De decentralisatie van delen van de AWBZ betekent dat gemeenten verantwoordelijk zijn geworden voor kwetsbare groepen die voorheen buiten hun blikveld bleven. Nu de taak van maatschappelijke ondersteuning bij alle gemeenten is gelegd, is er een risico dat er in de te verwachten veelvormigheid situaties ontstaan waarin de kwaliteit en de vraaggerichtheid van de ondersteuning niet is geborgd. Zoals geadviseerd in diverse kaders (Couwenbergh & van Weeghel, 2014; Schipper e.a., 2014; Wolf, 2015) pleit dit voor een landelijke kwaliteitsstandaard voor maatschappelijke ondersteuning, waaronder beschermde woonplekken. De kwaliteitsstandaard beantwoordt aan de meest actuele inzichten uit praktijk en wetenschap en wordt samen met cliënten en naasten opgesteld om hun perspectief op de begeleiding te verzekeren. Beide actoren worden ook betrokken bij het lokaal en regionaal toepassen en evalueren van

deze kwaliteitsstandaard. Evaluaties van de standaard geven ruimte aan de inbreng van cliënten en naasten, naast de wettelijke eisen van doelmatigheid en doeltreffendheid. Ook de kwaliteit van hulpverlening via PGB’s kan hiermee worden beoordeeld. De hier genoemde condities voor sociale inclusie zijn complex en vragen gedragsverandering, tijd en geduld. De invoering van een verdeelmodel zal hiermee rekening moeten houden.

29]

5 Gewenste verdeling van financiële middelen

30]

De visie op sociale inclusie in de vorige hoofdstukken leidt tot een verdeelmodel gericht op alle gemeenten gebaseerd op objectieve kenmerken. Ten opzichte van de huidige situatie is dit een grote verandering. Om negatieve effecten van de herverdeling voor kwetsbare burgers te voorkomen is daarom een passende, lange overgangsperiode nodig. Hieronder wordt eerst het gewenste verdeelmodel beschreven en vervolgens de overgangsperiode waarin dit wordt gerealiseerd.

5.1 Van verdeling over centrumgemeenten naar verdeling over alle gemeenten De overdracht van beschermd wonen van de AWBZ naar de Wmo betekent dat de beschermde woonplekken met flexibele ondersteuning onderdeel worden van het totale ondersteuningscontinuüm in de Wmo. Het is aan de gemeente om samen met lokale en regionale partners dit continuüm van woonvarianten en flexibele ondersteuning te ontwikkelen in aansluiting op de ondersteuningsfuncties. Een verdeelmodel moet het voor een gemeente aantrekkelijk maken om in te zetten op preventie, om meer samenhang in de ondersteuning te bieden en verkokering te doorbreken. Dat betekent dat de keus voor de per burger of gezin in te zetten ondersteuning niet door oneigenlijke financiële afwegingen moet worden beïnvloed. Om dat te bereiken moeten de gemeenten de kosten dragen voor alle Wmo-ondersteuning, ook voor beschermde woonplekken. Daarmee wordt afwenteling op anders bekostigde ondersteuning ontmoedigd. Dit pleit voor een verdeelmodel dat alle gemeenten bedient. Dit doet het verdeelmodel Wmo en daarom zal ‘beschermd wonen’ oude stijl hier in opgaan. Daarbij is het echter nodig dit verdeelmodel Wmo te herijken vanwege de specifieke kenmerken van de populatie gebruikers van beschermd wonen. Momenteel wordt het bedrag uit het gemeentefonds voor beschermd wonen verdeeld over centrumgemeenten.

De verdeling zal zodanig wijzigen dat het geld voor beschermd wonen zal worden uitgekeerd aan alle gemeenten, samen met de overige middelen uit de Wmo.

5.2 Van historische naar objectieve verdeling van middelen Momenteel wordt het bedrag dat centrumgemeenten ontvangen voor beschermd wonen bepaald door de kosten die in het verleden voor beschermd wonen werden gemaakt. De hier voorgestelde onderbrenging van beschermde woonplekken in het verdeelmodel Wmo betekent dat de middelen van beschermd wonen niet meer worden verdeeld op basis van deze historische kosten maar nu op basis van objectieve kenmerken. Deze objectieve verdeling houdt rekening met de feitelijke omstandigheden van gemeenten, zoals het aantal inwoners, gemiddeld inkomen, medicijngebruik en het aantal kernen. Dergelijke objectieve kenmerken vormen een indicatie voor de diverse kosten die gemeenten moeten maken voor beschermde woonplekken vanwege deze lokale omstandigheden. De kenmerken van de groep mensen die gebruik maken van beschermde woonplekken zullen blijvend verschillen van de kenmerken van de populatie die nu gebruik maakt van de Wmo. Daarom zal het huidige objectieve verdeelmodel Wmo herijkt moeten worden. Voor deze herijking van het Wmo verdeelmodel is nodig dat er jaarlijks systematisch gegevens worden verzameld over de populatie die gebruik maakt van beschermde woonplekken. Hiermee kan bepaald worden op welke kenmerken het verdeelmodel Wmo moet worden aangepast om de middelen voor beschermde woonplekken adequaat te verdelen.

Tot die gegevens beschikbaar zijn kan geen deugdelijk nieuw objectief verdeelmodel voor Wmo inclusief beschermde woonplekken worden vastgesteld. De komende jaren zullen daarom delen van het budget voor beschermde woonplekken historisch verdeeld blijven. Die nu gehanteerde historische verdeling is gebaseerd op een (geconstrueerde) historische verdeling van kosten die niet aansluit op de werkelijke kosten. Daarom is het wenselijk om ook de huidige historische verdeling beter aan te laten sluiten bij de daadwerkelijke actuele kosten.

31]

De herijking van het verdeelmodel Wmo moet dus rekening houden met de kenmerken van de gebruikers van beschermde woonplekken, maar ook met specifieke omstandigheden vanwege een karakteristiek lokaal of regionaal gebruik en capaciteit van beschermde woonplekken: [[ Gemeenten met een penitentiaire inrichting en/of een verblijfslocatie van een psychiatrische instelling zullen vanwege de uitstroom uit de kliniek vermoedelijk meer mensen beschermd wonen (moeten) aanbieden dan andere gemeenten. In de herijking van het Wmo-verdeelmodel moet voldoende rekening worden gehouden met deze specifieke instroom. [[ Gespecialiseerde vormen van beschermde woonplekken (bijvoorbeeld voor de forensische groep of voor jeugdigen) zijn alleen op een hoger schaalniveau te handhaven. Hiervoor zijn in het verleden specifieke locaties in het leven geroepen met een regionale functie. In de herijking van het Wmo-verdeelmodel moet specifieke aandacht zijn voor deze regionale functies en locaties. Deze specifieke omstandigheden kunnen in de loop van de tijd wijzigen. Dit kan worden opgevangen in de verdeling door de herijking van het verdeelmodel periodiek te herhalen.

5.3 Landelijke toegankelijkheid maakt kostenregeling tussen gemeenten nodig Voor mensen die gebruik maken van beschermde woonplekken geldt, net zoals voor alle burgers, vrijheid van vestiging. Voor iemand die in een andere gemeente beschermd wil gaan wonen geldt daarom een landelijke toegankelijkheid die wettelijk is vastgelegd.28 De ontvangende gemeente is verantwoordelijk voor deze cliënt. Als iemand verhuist van de ene naar de andere gemeente is het wenselijk dat de gemeente van herkomst voor 50% bijdraagt aan de kosten. Dit vermindert het financiële voordeel dat gemeenten hebben van het onderbrengen van beschermde woonplekken-gebruikers in een andere gemeente. Het stimuleert deze gemeenten om te investeren in preventie en in de kwaliteit van de ambulante ondersteuning en ook om periodiek te bezien of de omvang van beschermde woonplekken moet worden bijgesteld. Dit kan als volgt gestalte krijgen: [[ De (financiële) medeverantwoordelijkheid voor 50% van de gemeente van herkomst is van beperkte duur (bijvoorbeeld maximaal drie jaar) en in ieder geval alleen voor de duur van de gemeentelijke beschikking.

32]

[[ Deze medeverantwoordelijkheid geldt alleen voor nieuwe cliënten en dus niet voor overgangscliënten die op 1 januari 2016 al recht hebben op beschermd wonen op basis van een eerdere AWBZ-indicatie of een gemeentelijke beschikking. Een gelijke redenering kan op maatschappelijke opvang worden toegepast omdat het vereiste van regiobinding onbedoeld kan leiden tot exclusie: mensen die door correct toegepaste regels nergens meer thuishoren.

5.4 Herverdeling middelen vereist een lange overgangsperiode Hierboven is geschetst hoe op lange termijn de middelen voor beschermde woonplekken kunnen worden verdeeld via een nieuw en herijkt verdeelmodel Wmo. Deze situatie is echter niet op afzienbare termijn te realiseren. Er zijn meerdere factoren die een spoedige invoering van het nieuwe verdeelmodel bemoeilijken: [[ er ontbreken op dit moment de vereiste gegevens om een nieuw objectief verdeelmodel Wmo te kunnen vaststellen, zoals hierboven geschetst [[ het zal veel inspanningen en geruime tijd vergen voordat de condities voor inclusie en ambulantisering, zoals geschetst in het vorige hoofdstuk, zijn gerealiseerd [[ de huidige populatie bewoners van beschermd wonen is zeer heterogeen en voor een deel langdurig afhankelijk (geworden) van beschermd wonen als voorziening.

28 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 artikel 1.2.1 lid b en artikel lid 2.3.5 lid b.

Wanneer gemeenten actief inzetten op herstel en maatschappelijke participatie is te verwachten dat na verloop van tijd veranderingen optreden in de populatie van beschermde woonplekken. Op grond van uitspraken van diverse deskundigen en andere primair betrokkenen bij beschermd wonen kan een onderverdeling worden gemaakt in de huidige populatie van beschermde woonplekken: a

Een deel van de huidige populatie is nu al (op korte termijn) relatief goed ambulant te ondersteunen vanwege zijn zelfregulerend vermogen. Dit betreft onder meer degenen die de indicatie beschermd wonen onder de AWBZ alleen ambulant hebben ingezet. Daarnaast is er een groep die voldoende zelfregulatie heeft opgebouwd of deze snel kan versterken, maar afhankelijk is van praktische condities voor inclusie (bijvoorbeeld aanwezigheid van voldoende ambulante begeleiding en/of huisvesting) die op dit moment niet zijn vervuld. Hierdoor blijven ze op dit moment in een voorziening van beschermd wonen functioneren ondanks hun potentie tot herstel en zelfstandigheid.

b Een ander deel kan na enkele jaren geheel of gedeeltelijk zelfredzaam worden indien deze daarin voldoende ambulant worden toegeleid en ondersteund. Ook hier gelden de condities zoals hierboven genoemd, alleen duurt het bij deze groep langer voordat het zelfregulerende vermogen is toegenomen. Een directe beschikbaarheid van intensieve ambulante begeleiding en behandeling is essentieel om deze groep bij terugval of crisis onmiddellijk te kunnen steunen. Dit deel van de populatie zal na enkele jaren geheel of gedeeltelijk in staat zijn tot zelfregulatie en meer zelfredzaam kunnen worden. c

Voor het overige deel geldt dat alleen op langere termijn (enig) herstel mogelijk is en dus een beschermde woonfunctie nog lang (en wellicht altijd) vereist blijft. Hierbij gaat het om bewoners die ernstig zijn beschadigd in hun zelfregulerend vermogen en waarbij het vele (vaak kleine) stappen vraagt om vooruitgang te bereiken. Dit deel van de populatie zal alleen op langere termijn (enig) herstel doormaken en zal dus nog lang (en wellicht altijd) behoefte hebben aan een (intramurale) beschermde woonfunctie.

Het gevolg van het bovenstaande is dat een herverdeling op korte termijn van de middelen van beschermd wonen van centrumgemeenten naar alle gemeenten op basis van objectieve kenmerken zou leiden tot grote overgangsproblemen. Daarom is een overgangsperiode nodig, waarin inhoudelijke veranderingen en een wijziging van de populatie samenlopen met een stapsgewijze invoering van het nieuwe verdeelmodel. Hierbij moeten ingrijpende nadelige herverdelingseffecten vanwege veranderingsdruk worden voorkomen. Realisatie van inclusieve condities in de samenleving én van een ambulantisering van de huidige populatie van beschermd wonen is dus een proces van lange termijn. Een uitgestrekte overgangsperiode is vereist. Met het oog op de complexe verandering van beschermd wonen naar beschermde woonplekken, de geleidelijke realisatie van de condities voor inclusie en op de vereiste bescherming van de meest kwetsbare groep van de huidige bewoners moet die periode worden gesteld op vijftien jaar. Deze tijd is nodig om de overgang te kunnen realiseren in een zorgvuldig en beheerst veranderingsproces. Vanaf het begin moet deze overgangsperiode echter zodanig worden ingericht dat alle gemeenten worden geprikkeld om gezamenlijk toe te werken naar het realiseren van inclusie en ambulantisering zoals beschreven. Vanaf het begin moet worden gewerkt aan de veranderingen.

5.5 Inrichting overgangsperiode gericht op vernieuwing én stabiliteit Het voorgaande leidt tot een stapsgewijze verandering waarin inhoudelijke verandering en herverdeling van middelen samenlopen in de tijd. Vanaf het begin worden alle gemeenten verantwoordelijk voor de uitvoering van de beschermde woonplekken voor nieuwe cliënten maar blijven centrumgemeenten tevens verantwoordelijk voor de bescherming van de huidige populatie. Om strategisch gedrag tussen regio- en centrumgemeenten tegen te gaan wordt de verantwoordelijkheid verdeeld tussen bestaande en nieuwe cliënten. Dit gebeurt via de volgende stappen: [[ Vanaf 1 januari 2017 zijn alle gemeenten verantwoordelijk voor de burgers die op 1 januari 2016 of later voor het eerst een beroep doen op beschermde woonplekken. Hierdoor hebben alle gemeenten de opgave om

33]

beschermde woonplekken vorm te geven in het geheel van de lokale maatschappelijke ondersteuning. [[ Indien burgers vóór 1 januari 2016 gebruik maakten van beschermd wonen blijven zij ook na 2016 onder de verantwoordelijkheid vallen van de centrumgemeenten. Deze ‘zittende’ groep stroomt echter geleidelijk uit, in het tempo dat past bij hun mogelijkheden. De middelen die verdeeld worden over de centrumgemeenten zullen op historische gronden verdeeld blijven. [[ Vanaf 1 januari 2017 wordt in 15 gelijke stappen (‘jaarschijven’) een overdracht gerealiseerd van middelen van beschermd wonen van centrumgemeenten naar alle gemeenten. Voor 2017 ontvangen alle gemeenten eenmalig twee jaarschijven om de nieuwe instroom over 2016 en 2017 te kunnen opvangen en ook snel over middelen te beschikken om eventuele dynamiek in de populatie te kunnen opvangen (bijvoorbeeld pieken in de vraag vanwege plotseling opduikende problematiek). [[ De middelen die verdeeld worden over alle gemeenten zullen de eerste jaren via de huidige objectieve verdeling van de Wmo verdeeld worden. In de komende jaren worden gegevens verzameld over de objectieve kenmerken van gemeenten met betrekking tot beschermde woonplekken, zodat zo spoedig mogelijk en uiterlijk per 1 januari 2022 een objectief verdeelmodel Wmo inclusief beschermde woonplekken met voldoende onderbouwing kan worden toegepast.

[[ Iedere vijf jaar29 vindt een evaluatie plaats die kan leiden tot de constatering dat het overgangsproces in opzet en/of tempo anders moet worden ingericht en/of de herijking van de het nieuwe verdeelmodel Wmo inclusief beschermde woonplekken opnieuw aanpassing behoeft. In de overgangsperiode is het aan de regiogemeenten en centrumgemeenten om af te spreken in welke mate en hoe zij een beroep blijven doen op elkaar. Eventueel kan het een keuze zijn om het al/nog te ontvangen (deel)budget voor beschermde woonplekken vooralsnog over te dragen aan de centrumgemeente of een regionaal samenwerkingsverband. Maar even goed kan het direct worden ingezet voor een eigen lokale aanpak met bijvoorbeeld een accent op directe (intensieve) ambulante begeleiding. Over het geheel zal echter veel samenwerking tussen gemeenten vereist zijn.

5.6 Verdeelmodel ook laten gelden voor maatschappelijke opvang

34]

In de voorgaande hoofdstukken is gesignaleerd dat analyses en keuzes in het toekomstbeeld van beschermde woonplekken vaak ook van toepassing zijn voor de maatschappelijke opvang. In de praktijk is er weinig onderscheid tussen degenen die gebruik maken van het huidige beschermd wonen en maatschappelijke opvang. De populaties lopen in elkaar over, zowel in de tijd als in hun kenmerken. Dit pleit er voor om de nieuwe verdeelwijze ook te laten gelden voor de maatschappelijke opvang. Immers ook hier is sprake van een actuele rol voor de centrumgemeenten en de ook in het veld gevoelde behoefte aan een grotere rol voor de regiogemeenten. Daarom is het gewenst om ook de middelen voor de maatschappelijke opvang via hetzelfde overgangsregiem te herverdelen als hierboven voorgesteld voor beschermd wonen.

5.7 Voorafgaande toets op ontregelende effecten De boven genoemde werkwijze in stappen is bedoeld om vernieuwing op gang te brengen maar tegelijkertijd stabiliteit te waarborgen. Vooraf moet worden nagegaan of – ondanks de beperkte omvang van het jaarlijks herverdeelde budget – er in het begin geen negatieve herverdelingseffecten optreden die te ontregelend kunnen werken op cliënten, hun naasten en de professionals. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als aanbieders hun faciliteiten moeten sluiten vanwege gedeeltelijke leegstand en een negatieve exploitatie. Deze voorafgaande toetsing kan plaatsvinden bij het uitwerken van het definitieve verdeelmodel door het rijk.

29 In de geschetste stappen betekent dit evaluaties in 2020-2021 en 2025-2026, zodat de uitkomsten daarvan kunnen worden verwerkt met ingang van 1 januari 2022 en 1 januari 2027.

6 Intergemeentelijke samenwerking

35]

6.1 Organisatie, kwaliteit en contractering vereisen samenwerking gemeenten Bij de transitie van beschermd wonen naar gemeenten is gekozen voor een tijdelijke constructie om het budget te beleggen bij centrumgemeenten. Deze worden uitgenodigd om met regiogemeenten afspraken te maken over de besteding daarvan (zie bijlage 2). Het huidige rijksbeleid voor beschermd wonen gaat uit van een plan per centrumgemeente dat breed gedragen wordt: zowel bestuurlijk vastgesteld met de regiogemeenten als in goed overleg voorbereid en afgestemd met (vertegenwoordigers van) cliënten en hun familie, aanbieders, woningcorporaties, zorgkantoren en zorgverzekeraars. De hiervoor beschreven ontwikkeling van beschermd wonen, de neergelegde visie, de daaruit voortvloeiende condities voor inclusie en het advies voor toekomstige verdeelmodel en de overgangsperiode maken intergemeentelijke samenwerking nog meer noodzakelijk. Organisatie, kwaliteit en contractering van beschermde woonplekken vereisen een duurzame samenwerking tussen gemeenten op regionaal niveau. Dit omvat ook een samenwerking met de hierboven genoemde andere partijen, met daar aan toegevoegd de cliëntondersteuners en ervaringsdeskundigen.

De volgende opgaven maken samenwerking noodzakelijk: A Brede en passende capaciteit van aanbieders vereist een regionaal schaalniveau: [[ Specialistische kennis bij doorgaans regionaal opererende aanbieders van beschermde woonplekken moet inzetbaar zijn in de lokale ondersteuning per gemeente. Dit betreft specialismen in de GGz, maar ook bij aanbieders van beschermde woonplekken (RIBW’s) als het gaat over de bejegening van specifieke groepen bewoners (jeugdigen, forensische uitstroom e.d.). Specialisme aangaande deze deelgroepen bewoners is een schaars goed, dat doorgaans alleen op regioniveau beschikbaar is. [[ Beschermde woonplekken raken steeds meer ingebed in een breed en samenhangend pakket van ondersteuningsvormen, van licht ambulant tot diverse combinaties van lichte en intensieve vormen van wonen en begeleiding, grootschalig en kleinschalig. Ook PGB’s kunnen hiervan een onderdeel vormen. Een variatie van ondersteuningsvormen, nodig voor maatwerk en individuele ‘herstelroutes’, kan doorgaans alleen

36]

op regioniveau volledig in stand worden gehouden. B Beschermde woonplekken moeten worden afgestemd op gerelateerde voorzieningen en partijen: [[ Ambulantisering van gebruikers van beschermd wonen veronderstelt een versterking van de begeleiding en behandeling met specialistische zorgaanbieders (GGz-F-ACT, verslavingszorg e.d.). Deze aanbieders opereren doorgaans op regionaal niveau en zijn in dit verband goed te benaderen en te contracteren. [[ Er is een aansluiting nodig tussen de maatschappelijke ondersteuning en de regionale zorgverzekeraar die verantwoordelijk is voor de inkoop van F-ACT-teams en de meer lokaal opererende zorg (o.m. huisartsPOH, basis-GGz, wijkverpleging). Als gemeenten en zorgverzekeraars samen zorgen voor een combinatie van ambulante begeleiding en (snel beschikbare) behandeling kan dit de overgang van beschermd naar zelfstandig begeleid wonen vergemakkelijken. Zorgverzekeraars opereren op regionaal niveau en gaan doorgaans alleen overeenkomsten aan met regionaal samenwerkende gemeenten. C Er is bundeling van expertise nodig bij gemeenten: [[ Met het oog op het voorgaande moeten gemeenten gezamenlijk de opbouw en omvang bepalen bij de aanbieders van ondersteuning en hulp. Deze capaciteitsbepaling kan plaatsvinden via de zogenoemde

regionale kompassen, geïntegreerd met de huidige laagdrempelige maatschappelijke opvang-voorzieningen en andere vormen van (crisis)opvang. [[ Gemeenten moeten beschikken over specifieke deskundigheid en inkoopkracht ten opzichte van de aanbieders om deze gericht te kunnen contracteren op basis van een afgestemd kwaliteitsbeleid voor maatschappelijke ondersteuning. Gespecialiseerde ambtelijke capaciteit hiervoor is alleen goed op regioniveau te ontwikkelen. [[ Gemeenten kunnen veel winnen door hun beleid ten aanzien van (specifieke) sociale huisvestingen, van participatie/werk en inkomen op elkaar af te stemmen, zeker als het gaat om het vinden van oplossingen voor cliënten die (willen) uitstromen uit beschermd wonen. Veel inspanningen op deze beleidsterreinen liggen nu al op regionaal niveau.

6.2 Geen separate intergemeentelijke samenwerking voor beschermd wonen Gezien de genoemde samenwerkingsthema’s is een passende intergemeentelijke samenwerking noodzakelijk. Een vergelijking met de Jeugdzorgregio’s dringt zich op: ook hier hebben gemeenten een gezamenlijk belang om specialistische hulp en ondersteuning in stand te houden, juist ook ter ondersteuning van hun lokale sociale infrastructuur. Analoog met de Jeugdhulp is het bij beschermd wonen zaak de lokale en regionale doelen en ondersteuningsagenda’s aan elkaar te verbinden. In samenhang met de andere Wmo-voorzieningen moeten duidelijke afspraken worden gemaakt over: [[ Opbouw en capaciteit van de voorzieningen [[ Aansluiting op andere (specialistische) ondersteuning, hulp en behandeling [[ Criteria voor de toegang tot beschermde woonplekken voor burgers [[ Besteding van de gemeentelijke budgetten [[ Contracteren van aanbieders (i.s.m. zorgverzekeraars) [[ Samenspraak met cliënten(organisaties) en cliëntondersteuners [[ Deugdelijke financiële administratie. Daarenboven is het nodig bestaande regionale beschermd wonen-afspraken tussen centrumgemeenten en regiogemeenten (sterk) aan te passen vanwege de hiervoor genoemde overgangsperiode. Diverse samenwerkingsvormen zijn mogelijk, zowel privaat als publiek.

Met het oog op eenvoud, coördinatie en bestuurbaarheid (voorkomen van bestuurlijke drukte) is het ongewenst om specifiek voor beschermd wonen een afzonderlijke samenwerkingsstructuur in het leven te roepen. Vanwege de samenhang met de overige Wmo-voorzieningen verdient het de voorkeur de gemeentelijke samenwerking met betrekking tot beschermde woonplekken zo veel mogelijk te combineren met de activiteiten van de Wmo-regio’s, c.q. daarin te laten opgaan. Gemeenten maken echter eigen keuzes in de regiovorming die kunnen leiden tot andere (specifieke) regio’s, bijvoorbeeld in aansluiting met de jeugdhulpregio’s of de veiligheidsregio’s. Het is aan de gemeenten hierin te optimaliseren.

37]

7 Geraadpleegde literatuur

38]

Al Shamma S., Straaten B. van, Boersma S., Rodenburg G., Laan J. van der, D. van de Mheen, Wolf, J. (2015). Dakloze mensen in de vier grote steden: veranderingen in 2,5 jaar. Eindrapportage Coda-G4. Baart, A. (2001). Een theorie van de presentie. Utrecht: Lemma. Bauduin, D. (2002). Ethische aspecten van integratie in de samenleving. In: Lindt, S. van de, & Rooijen, S. van (red.) (2002). De keerzijde van de vermaatschappelijking. Essays ter gelegenheid van het congres ‘De keerzijde van de vermaatschappelijking’ 10 november 2000. Beleidsplan 2015 Beschermd wonen regio Utrecht (2014). Binkley, M., Erstad, O., Herman, J., Raizen, S., Ripley, M., & Rumble, M. (2010). Draft white paper 1: Defining 21st century skills. Assessment and Teaching of 21st Century Skills Project. Retrieved from: http://www.ericlondaits. com.ar/oei_ibertic/sites/default/files/biblioteca/24_defining-21st-century-skills.pdf. Boevink, W. (2002). Samen werken aan herstel. Van ervaringen delen naar kennis overdragen. Utrecht: Trimbosinstituut. Boevink, W., Plooy, A. & Rooijen, S. van (red.) (2006). Herstel, empowerment en ervaringsdeskundigheid. Amsterdam: SWP. Brief aan de Tweede Kamer, Vaststelling van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2016, Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34 300 B, nr. 5. Burt, M.R. & Spellman, B.E. (2007).

Changing homeless and mainstream service systems: Essential approaches to ending homelessness. Toward understanding Homelessness: The 2007 National Symposium. Centrumgemeenten Almelo en Enschede, (2015). Beleidskader beschermd wonen Twente 2015. Campen, C. van., & Draak, M.. (2011). Kwetsbaar alleen de toename van het aantal kwetsbare alleenwonende ouderen tot 2030. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Campen, C. van., & Ross, J. (2011). Kwetsbare ouderen. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Couwenbergh, C.C., Weeghel, J., van (2014). Over de brug: Plan van aanpak voor de behandeling, begeleiding en ondersteuning bij ernstige psychische aandoeningen. Utrecht: Kenniscentrum Phrenos. De agenda voor de zorg. Aanbod aan politiek en samenleving van het zorgveld’ (2013) Delespaul, Ph. en de Consensus Groep EPA (2013). Consensus over de definitie van mensen met een ernstige psychische aandoening (EPA) en hun aantal in Nederland. Tijdschrift voor Psychiatrie, 55, 6, 427-437. Delden, P.J. van, (2014). Steunend stelsel, transformatie van het sociaal domein. Amsterdam: Van Gennep.

39]

Dröes, J. & A. Plooy (2010). Herstelondersteunende zorg in Nederland: vergelijking met Engelstalige literatuur. Tijdschrift voor Rehabilitatie en herstel, 2, 6-16. Duncan B.L., Miller, S.D. & Sparks, J. (2004). The heroic client: A revolutionary way to improve effectiveness: A revolutionary way to improve effectiveness through client-directed, outcome-informed therapy. New York: Jossey-Bass. Duncan, B. L., Miller, S. D., Wampold, B. E., & Hubble, M. A. (2010). The heart and soul of change: Delivering what works in therapy (2nd ed.). Washington, DC: American Psychological Association. Gestel-Timmermans, J.A.W.M. van (2011). Recovery is up to you; Evaluation of a peer-run course. Tilburg: Tilburg University. G4 User; Academische werkplaats OGGZ. (2012). Conceptueel kader Openbare Geestelijke Gezondheidszorg. Amsterdam: Academische werkplaats OGGZ G4 User. GGZ Nederland (2009). Naar herstel en gelijkwaardig burgerschap. Visie op (langdurige) zorg aan mensen met ernstige psychische aandoeningen. Amersfoort: GGZ Nederland. Haan, G. de & Oude Bos, J. Veerkrachtig, weerbaar en zelfsturend (2011) Op weg naar Herstelondersteunende verslavingszorg. Kennisnetwerk Het Zwarte Gat, Dalfsen/Groningen. Harding, C.M. (1988). Course types in schizophrenia: an analysis of Euroipean and American studies. Schizophrenia Bulletin, 14, 633-643. Heer de-Wunderink, C. de (2012).

Successful community living: a ‘Utopia’? A survey of people with severe mental illness in Dutch Regional Institutes for Residential Care, Groningens.n., RGOc-reeks, nr. 31, Rijksuniversiteit

40]

Groningen. Heer de-Wunderink, C., Vos, S., & Zee, I. van der (2015). Op weg. Derde rapportage van het MOVE-project. Groningen: Hanzehogeschool. Hoof, F. van, Erp, N. van, Boumans, J., Muusse, C. (2014). Persoonlijk en maatschappelijk herstel van mensen met ernstige psychische aandoeningen, GGZ Nederland, Amersfoort. Hoff, S., & Vrooman, C. (2011). Dimensies van sociale uitsluiting: Naar een verbeterd meetinstrument. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Hoof, F. van, Weeghel, J. van, Kroon, H. & Knispel, A. (2013). De behoefte aan woningen voor geëxtramuraliseerde GGz-cliënten. Een quick scan naar de consequenties van ambulantisering. Utrecht: Trimbos-instituut en Kenniscentrum Phrenos. Huber, M., van Vliet, M., Giezenberg, M., Knottnerus, A. (2013). Towards a conceptual framework relating to ‘Health as the ability to adapt and to self-manage’: operationalisering gezondheidsconcept. Louis Bolk Institute, 2013-Report 001GV.

Initiatiefgroep Herstelondersteuning (2011). Herstelondersteuning. Van kans naar realiteit! Utrecht: Initiatiefgroep Herstelondersteuning. Jehoel-Gijsbers, G. (2004). Sociale uitsluiting in Nederland. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Kerklaan in Trouw (18 februari 2011). Koops, H., & Kwekkeboom, M.H. (2005). Vermaatschappelijking in de zorg. Ervaringen en verwachtingen van aanbieders en gebruikers in vijf gemeenten. Den Haag: Sociaal en CultureelPlanbureau. KPMG/Plexus, Sociale wijkteams in ontwikkeling Inrichting, aansturing en bekostiging, 2013. Landelijk Platform Geestelijke gezondheidszorg (LPGGz) (2014). Bouwstenen Zelfmanagement en passende zorg (www.platformggz.nl). Lindt, S. van de, & Rooijen, S. van (red.) (2002). De keerzijde van de vermaatschappelijking. Essays ter gelegenheid van het congres ‘De keerzijde van de vermaatschappelijking’ 10 november 2000. Lutomski, J. E., Baars, M. A. E., Boter, H., Buurman, B. M., den Elzen, W. P. J., Jansen, A. P. D., Melis, R. J. F. (2014). Kwetsbaarheid, dagelijkse beperkingen en ziektelast. Nederlands tijdschrift voor geneeskunde, 158(0), A7297. Maas, M., Al Shamma, S., Altena, A., Jansen, N., & Wolf, J.R.L.M. (2012). Discus Amsterdam: Housing First: Evaluatie van de werkzaamheid. Nijmegen: Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg, UMC St Radboud, Nijmegen.

Memorie van toelichting van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 841, nr. 3. Meicirculaire, Vergaderjaar 2014-2015, Bijlage bij Kamerstuk 34000-B nr. 26. Muusse, Chr., Rooijen, S. van, (2015). Freedom First. Een onderzoek naar de ervaringen met wijkgerichte GGZ-zorg in Triëst, Italië, en de betekenis hiervan voor Nederland, Trimbos Instituut, Utrecht. NRC; ‘Gemeenten overschatten licht verstandelijk beperkten’ (28 september 2015) Onderwijsraad, 2011 vergeten. Os, J. van, Delespaul, Ph., Boevink, W., Milo, M. & Schalken, F. (2015). Pamfelt ‘De nieuwe GGZ’. Maastricht. RIBW Alliantie, (2014).Brancherapport RIBW Alliantie 2013. Ridgway, P., McDiarmid, D., Davidson, L., Bayes, J., & Ratzlaff, S. (2002). Pathways to recovery: A strengths recovery self-help workbook. Lawrence, KS: University of Kansas, School of Social Welfare, Office of Mental Health Research and Training.

41]

Septembercirculaire, Vergaderjaar 2015-2016 Bijlage bij Kamerstuk 34300-B nr. 4 Schipper, M., Vunderink, L., Tazelaar, P., Batterink, M., & Zwanepol, M. (2014). Handreiking Kwaliteitskader Beschermd wonen voor gemeenten in het kader van de Wmo 2015. Den Haag: Transitieburo. Schipper, E. (2015). Plan van Aanpak verwarde personen. Brief aan Tweede Kamer. Kenmerk: 862821-143412-CZ. Slade, M., (2009). Personal Recovery and Mental Illness: A Guide for Mental Health Professionals. Cambridge, Cambridge press. Slade, M. (2013). Uses and abuses of recovery: implementing recovery-oriented practices in mental health systems in World psychiatry, Volume 13, Issue 1. Stel, J. van der (2013). Een visie op verslaving en verslavingszorg: focus op preventie en herstel. Amersfoort: GGZ-Nederland. Stel, J. van der (2013). Zelfregulatie, ontwikkeling en herstel. Amsterdam: SWP. Straaten, B., Van, Van der Laan, J., Rodenburg, G., Boersma, S.N., Wolf, J. & Van de Mheen, D. (2014). Dakloze mensen in de vier grote steden: Veranderingen in leefsituatie, zorggebruik en kwaliteit van leven. Resultaten uit de derde meting van Coda-G4: 1,5 jaar na instroom in de maatschappelijke opvang. Rotterdam: IVO & Nijmegen: Impuls - Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg, Radboudumc , Nijmegen Straus, J.S., Hafez, H., Liberman, P., & Harding, C.M. (1985).

The course of psychiatric disorder, III: longitudinal principles. American Journal of Psychiatry, 142, 289-296.

42]

Tsemberis, S., Gulcur, L., & Nakae, M. (2004). Housing First, consumer choice, and harm reduction for homeless individuals with a dual diagnosis. Journal Information 94.4. Tsemberis, S. (2010). Effect of full-service partnerships on homelessness, use and cotst of mental health services, and quality of life among adults with seriuous mental illness. Archives of General Psychiatry, 67.6: 645-652. Tsemberis, S. (2010). Housing First: The Pathways Model to End Homelessness for People with Mental Illness and Addiction Manual. Center City: Nazelden. Vereniging van Nederlandse Gemeenten (2014). Handreiking landelijke toegang maatschappelijke opvang. Vereniging van Nederlandse Gemeenten (2014). Basisset Kwaliteitseisen Wmo-ondersteuning voor zeer kwetsbare burgers. VNG, Den Haag. Veldhuizen, R. van, Polhuis, D., Bahler, M., Mulder, N., & Krron, H. Handboek (Flexibele) ACT. Utrecht: De Tijdstroom. Vries, S., de (2008). Basismethodiek, psychosociale hulpverlening. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.

Welzijn en Sport (2011). Aan de slag achter de voordeur. Van signaleren naar samenwerken. In kader van Wijkenaanpak (e-book). Wet maatschappelijke ondersteuning, 2015. Wewerinke, D., Al Shamma, S., & Wolf, J. (2014). Housing First; Principes en praktijken. Impuls Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg Radboudumc , Nijmegen. Wilken, J-P., & Dankers, T. (red.) (2012) Supportgericht werken in de Wmo. Utrecht: Movisie. Woittiez, I., Putman, L., Eggink, E., & Ras, M. (2014). Zorg Beter Begrepen. Verklaringen voor de groeiende vraag naar zorg voor mensen met een verstandelijke beperking SCP over verstandelijk gehandicapten. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Wolf, J. Een kwestie van uitburgering. (2002). Oratie. Amsterdam: SWP. Wolf, J. (2012). Herstelwerk: Een krachtgerichte basismethodiek voor kwetsbare mensen. Nijmegen: Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg, UMC St Radboud Nijmegen. Wolf, J. (2014). Een bodem in het bestaan. Visiedocument van de Academische werkplaats Opvang en Herstel. Kennisagenda 2014-2017. Nijmegen: Impuls - Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg van het Radboudumc. Wolf, J. (2015). Niemand tussen wal en schip. Referentiekader maatschappelijke zorg voor mensen in probleemsituaties, Academische werkplaats OGGZ, Impuls Onderzoekscentrum maatschappelijke zorg Radboud UMC, Nijmegen. Woondroomzorg, Jaarverslag 2014.

Wunderink L., Nieboer R.M., Wiersma D., Sytema S., Nienhuis F.J. Recovery in remitted first-episode psychosis at 7 years of follow-up of an early dose reduction/discontinuation or maintenance treatment strategy: long-term follow-up of a 2-year randomized clinical trial. In: JAMA Psychiatry. 2013 Sep;70(9):913-20.

43]

Bijlagen

44]

Bijlage 1: Feiten beschermd wonen Diversiteit vormen beschermd wonen Net als destijds binnen de AWBZ wordt beschermd wonen nu in diverse vormen aangeboden. Een deel van de cliënten kreeg de begeleiding in hun eigen woning via een volledig pakket thuis (VPT) of door omzetting van de ZZPindicatie in de AWBZ in extramurale functies. Ook verzilverde een deel van de cliënten de ZZP-C indicatie op basis van een persoonsgebonden budget (PGB). Dit gebeurde vaak binnen meer kleinschalige (ouder)initiatieven, soms gericht op een specifieke beperking zoals autisme. Groei en verschuivende verhouding licht/zwaar Onderstaande figuur geeft inzicht in het aantal personen in zorg-in-naturavoorzieningen Beschermd wonen. In 2013 en 2014 waren er ongeveer 20.000 mensen die gebruik maakten van deze voorziening. In figuur 1 valt een aantal zaken op:

45] [[ Het gebruik van beschermd wonen neemt toe tot 2013, waarna het aantal mensen dat van deze voorziening gebruik maakt stabiliseert [[ De grootste groep (ruim 40%) bestaat uit mensen met een ZZP 3C [[ Het aantal ZZP’s 1C en 2C neemt af. Dit is in overeenstemming met het rijksbeleid van extramuralisering van lagere ZZP’s [[ Tegelijkertijd neemt zowel het aandeel als de absolute omvang van de zwaardere ZZP’s toe. Inzet van beschermd wonen varieert Uit de cijfers van de Monitor langdurige zorg (CBS, 2015) blijkt dat GGZ-C indicaties verschillend werden ingezet (cijfers 2013): [[ 57% van de personen hebben een indicatie die intramuraal is verzilverd [[ 13% heeft de indicatie extramuraal verzilverd [[ 15% heeft een PGB (kan zowel intramuraal als extramuraal zijn), [[ 15% heeft de indicatie niet verzilverd of is om een andere reden onbekend.

Indien onderscheid wordt gemaakt naar ZZP GGz c1-c2 enerzijds en ZZP GGz c3-c6 anderzijds kan de conclusie worden getrokken dat mensen met een lagere ZZP indicatie de zorg vaker extramuraal ontvangen.

46]

Bijlage 2: Huidig rijksbeleid beschermd wonen30 De centrumgemeenten ontvangen vanaf 1 januari 2015 vanuit het gemeentefonds de financiële middelen voor beschermd wonen, opvang en vrouwenopvang/huiselijk geweld. De middelen behoren tot de algemene middelen van de gemeente, maar de centrumgemeente dient wel haar wettelijke taken uit te voeren. Het Rijk en gemeenten maken in partnerschap op hoofdlijnen afspraken over te bereiken doelen. De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) schrijft daarover in relatie tot beschermd wonen in zijn brief van 24 juli 2014, kenmerk 610266122640-DMO aan de wethouders Wmo/beschermd wonen, dat ‘VWS gemeenten uitnodigt om in partnerschap op hoofdlijnen prestatieafspraken te maken over te bereiken doelen, die regionaal worden ingevuld en waarover op regionaal niveau verantwoording plaatsvindt’. Financiële bijsturing door het rijk kan plaatsvinden in volgende jaren, wanneer te zeer van gezamenlijk geformuleerde doelstellingen wordt afgeweken. De voorwaarden die tot 2015 voor de centrumgemeenten golden op grond van artikel 20 van de Wmo (vastgelegd in de circulaire van 9 juni 2010 van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)) blijven ook gelden onder de Wmo 2015, ook al bevat deze wet geen specifieke bepaling meer omtrent centrumgemeenten.

Het betreft de volgende voorwaarden: 1 het waarborgen van de landelijke toegankelijkheid van de voorzieningen die met de financiële middelen worden gefinancierd; 2 de verplichting voor de centrumgemeente te overleggen over de besteding van de financiële middelen met de omringende gemeenten; 3 de registratie van de werkzaamheden door de instellingen die van de centrumgemeente financiële middelen ontvangen en het beschikbaar stellen van deze gegevens aan een door de minister aangewezen instelling. De staatssecretaris van VWS heeft ten aanzien van beschermd wonen een met de Stedelijke Kompassen vergelijkbare werkwijze voor ogen. Hij ambieert per centrumgemeente een plan dat breed gedragen wordt: zowel bestuurlijk vastgesteld met de regiogemeenten als in goed overleg voorbereid en afgestemd met vertegenwoordigers van cliënten en hun familie, aanbieders, woningcorporaties, zorgkantoor en zorgverzekeraars (zie de hiervoor vermelde brief met kenmerk 610266-122640-DMO).

30 Ontleend aan Beleidskader beschermd wonen Twente d.d. 23 maart 2015.

47]

Bijlage 3: Gesprekken en contacten In de voorbereiding van het advies heeft de Commissie Toekomst beschermd wonen met diverse personen gesprekken gevoerd en is er overleg gevoerd met diverse organisaties en platforms. Ook zijn er gesprekstafels georganiseerd voor cliënten(organisaties) en aanbieders van zorg en ondersteuning (professionals en bestuurders afzonderlijk).

48]

Voornaam Hugo

Achternaam Backx

Organisatie GGD GHOR Nederland

Anne-Forra

Bakkenes

Gemeente Veenendaal

Floris

Barry

Het Zwarte Gat

Rina

Beers

Federatie Opvang

Jan Marianne

Berndsen Betten

Lister Ministerie van BZK

Ger Jan

Bömer

Stichting Voor en Door

Ard

Briemen, van

Ministerie van VWS

Miranda

Broek, van den

Ervaringsdeskundige

Alette

Brunet de Rochebrune

ASR

Kees

Burg, van der

Ministerie van VWS

Hans

Cosijnse

VGN

Chrisje

Couwenbergh

Phrenos

Nico

Dam

HHM

Philippe

Delespaul

Maastricht University

Anke

Dijke, van

Fier Fryslân

Margriet

Dijken, van

Gemeente Alphen aan de Rijn

Femke

Dirks

GGZ Breburg

Jan

Duenk

Abrona

Rob

Fitters

GGZ Breburg

Jaap

Fransman

Federatie Opvang

Chris

Geloven, van

RIBW Brabant

Rogier

Goes

Aedes

Peter

Goossens

Universiteit van Gent

Johan

Gortworst

Federatie Opvang

Egbert

Gritter

RIBW Overijssel

Vincent

Hendriks

Parnassia en Universiteit van Leiden

Willeke

Hoek, van der

Per Saldo/Taskforce vanuit autisme bekeken

Frank

Hoof, van

Trimbos Instituut

Thijs

Honig

Housing firts

Rika

Hop

Herstelcoach bij RIBW Nijmegen & Rivierenland

Jelle

Idenburg

Ministerie van Veiligheid en Justitie

Patrick

Jansen

Bureau HHM

Wilfred

Juurlink

Zorggroep Alliade

Liesbeth

Kepppel

GGz Riwis, Geluk & Co

Anja

Koornstra

GGD GHOR Nederland

Lies

Korevaar

Hanze Hogeschool

Jan-Willem

Labruyère

Gemeente Bergen op Zoom

Voornaam Carla

Achternaam Lasonder

Organisatie RIBW Brabant

Ron

Linden, van der

Gemeente Arnhem

Karin

Linders

RIBW Brabant

Marlies

Loon, van

GGZ Nederland/Lister

Camiel

Margry

Stumass

Arnold

Moerkamp

Zorginstituut Nederland

Yvonne

Moolenaar

GGZ Nederland

Eta

Mulder

RIBW Alliantie

Niels

Mulder

Parnassia/Erasmus Universiteit Rotterdam

Wout

Oldhoff

Vreedenhoff Ouderenzorg

Jim

Os, van

Universiteit Maastricht

Jos

Oude Bos

Coöperatieve Herstelgroep Nederland

Moniek

Pieters

GGD Gelderland Zuid

Harry

Plantinga

RIBW Groep Overwijssel

Bert

Putten, van

Gemeente Harderwijk

Marlene

Regt, de

LPGGZ

André

Rhebergen

Stichting Woondroomzorg

Sonja

Rooijen, van

Trimbos Instituut

Jan

Roos

Vader, Plus wonen, Leusden

Johan

Schaafsma

Zorggroep Alliade

Pieter

Schavemaker

Ministerie van BZK

Charlotte

Schepper, de

Zorgverzekeraars Nederland

Reinier

Schippers

Cliëntenbelang Amsterdam

Gert

Schout

Vrije Universiteit

Christiaan

Sleurink

Leger des Heils Flevoland

Jaap

Stel, van der

Lector GGZ (psychische gezondheidszorg) Hogeschool Leiden

Pepijn Wouter Yvonne Nelleke Remmers Piet Bernadette Nic Ridder Wijnand Jan Toon Aart Jaap Chris Ria Guy Carla Gera Peter

Többen VanderPlasschen Veen, van Vedelaar Veldhuizen, van Verbraak Vermeer Vos de Wael Vries, de Vries, de Walburg Walravens Walstijn, van Weeghel, van Weesenbeek Weger, de Widdershoven Wijngaarden Woude, van der Zuidam, van

Gemeente Beverwijk Universiteit van Gent Eigen Haard Gemeente Zwolle Psychiater, adviseur LPGGZ VGZ LPGGZ RIBW Groep Overijssel Ministerie van BZK Universiteit van Twente Ervaringsdeskundige/Stichting Herstel en Terugkeer RIBW Alliantie/RIBW Groep Overijssel Phrenos Ervaringsdeskundige, Eindhoven Moeder, Plus wonen, Leusden Vrije Universiteit Gemeente Tilburg VGN Zilveren Kruis

49]

Voornaam Jan Willem

Achternaam Zuthem, van

Organisatie Ambtelijk overleg G32/G4 Wethouders G32 VNG Commissie Gezondheid en Welzijn VNG RIBW Brabant Tilburg HVO Querido Amsterdam Stichting Woondroomzorg

50]

Organisatie Kwintes Aard contact Overleg Overleg Overleg Werkbezoek Werkbezoek Interview ouders kinderen met ASS

51]

52]

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11316099/1