Was-wordt lijst
Tekst van het document
Artikel 7.3 Vergoeding deelnemers 1. Het algemeen bestuur kan, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden, nadere regels vaststellen met betrekking tot de door de deelnemers te betalen voorschotnota’s en financiële bijdragen. 2. De te betalen vergoeding voor de taken als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2 wordt aan de hand van inzet, prestaties of afgenomen producten per deelnemer vastgesteld op basis van de door het algemeen bestuur vastgestelde prijzen en tarieven. 3. Bij de toerekening van de te betalen vergoeding worden naast de directe uitvoeringskosten tevens de overheadkosten verdisconteerd. 4. Op basis van de begroting kan iedere deelnemer aan de hand van de daarin vastgelegde tarieven of productprijzen berekenen welke bijdrage verschuldigd is voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft.
28
Artikel 38 Verplichtingen deelnemers 1. De deelnemers zullen er steeds voor zorgdragen, dat de Omgevingsdienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen; 2. Indien aan het Algemeen Bestuur van de Omgevingsdienst blijkt, dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het Algemeen Bestuur onverwijld aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet respectievelijk 198 en 199 Provinciewet. Artikel 39 Financiële voorschriften 1. Het Algemeen Bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten vast voor het financieel beleid alsmede het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. De artikelen 216 en 217 van de Provinciewet zijn van overeenkomstige toepassing.
5. Voor elke deelnemer wordt een werkprogramma gemaakt waarin de begrote vergoeding voor de afname van taken zijn berekend. 6. Op basis hiervan worden voorschotnota’s opgesteld ter vergoeding van de door de omgevingsdienst uitgevoerde taken. 7. De verrekening van de gerealiseerde vergoeding is op basis van geleverde prestaties of inzet per deelnemer. Artikel 7.4 Verplichtingen deelnemers 1. De deelnemers zullen er steeds voor zorg dragen, dat de omgevingsdienst te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. 2. Indien aan het algemeen bestuur van de omgevingsdienst blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet respectievelijk 198 en 199 van de Provinciewet.
Artikel 7.5 Financiële voorschriften 1. Het algemeen bestuur stelt overeenkomstig de artikelen 216, 217 en 217a van de Provinciewet een verordening op met betrekking tot: a. de uitgangspunten voor: 1°. het financieel beleid; en 2°. het financieel beheer; 3°. de inrichting van de financiële organisatie; b. de controle op: 29
De artikelen 216, 217 en 217a van de Provinciewet regelen wat de verordeningen ten minste dienen te bevatten.
2. Deze verordening als bedoeld in het eerste lid bevat in elk geval regels over: a. waardering en afschrijving van activa; b. algemene doelstellingen en te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie, alsmede de administratieve organisatie van de financieringsfunctie, daaronder begrepen taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening. 3. Het Algemeen Bestuur stelt bij verordening regels vast voor de controle op het financieel beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van het financieel beheer en de inrichting van de financiële organisatie wordt getoetst. 4. Het Algemeen Bestuur wijst de accountant aan die belast wordt met de controle op de in artikel 36 genoemde jaarrekening. 5. De accountant zendt de accountantsverklaring en een verslag van bevindingen aan het Algemeen Bestuur. 6. De verordeningen als bedoeld in het eerste en derde lid van dit artikel worden na vaststelling gezonden aan Gedeputeerde Staten en aan de colleges. 7. De Omgevingsdienst verzekert zich tenminste tegen: a. wettelijke aansprakelijkheid voor schade aan personen en zaken; b. aansprakelijkheid voor vermogensschade. Artikel 40 Archiefbescheiden
1°. het financiële beheer; en 2°. de inrichting van de financiële organisatie; c. periodiek onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het door hen gevoerde bestuur. 2. De omgevingsdienst verzekert zich tenminste tegen: a. wettelijke aansprakelijkheid voor schade aan personen en zaken; b. aansprakelijkheid voor vermogensschade.
Artikel 8.1 Archiefbescheiden 30
Na consulteren Provincie Archivaris deze bepaling
1. Het Dagelijks Bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van de Omgevingsdienst. Dit overeenkomstig een door het Algemeen Bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet 1995, vast te stellen regeling, de Archiefverordening. 2. Het Dagelijks Bestuur is tevens belast met de zorg voor de archiefbescheiden die worden gevormd krachtens de aan de Omgevingsdienst eventueel gedelegeerde taken. 3. Voor de door de deelnemers gemandateerde taken berust de zorg voor de desbetreffende archiefbescheiden bij deze deelnemers. 4. Met het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van de gemandateerde taken is belast de archivaris van de deelnemers. 5. Met het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van de Omgevingsdienst is belast de archivaris van de provincie Noord-Brabant. 6. Bij opheffing van de Gemeenschappelijke Regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening getroffen conform artikel 4 lid 1 van de Archiefwet 1995. Artikel 41 Archiefbewaarplaats 1. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de gemandateerde taken is aangewezen de archiefbewaarplaats van de deelnemers. 2.
Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de
1. Het algemeen bestuur stelt een archiefverordening vast met betrekking tot: a. de zorg van het dagelijks bestuur voor de archiefbescheiden van het bestuur van het openbaar lichaam; b. het toezicht door een archivaris op het beheer; 2. De archivaris is, onder de bevelen van het dagelijks bestuur, belast met het toezicht van het beheer. 3. Het dagelijks bestuur stelt een besluit informatiebeheer vast. 4. De kosten verbonden aan de uitoefening van de zorg, bedoeld in het eerste lid, komen ten laste van de omgevingsdienst. 5. Bij opheffing van de Gemeenschappelijke Regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Archiefwet 1995 getroffen.
Artikel 8.2 Archiefbewaarplaats 1. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid, en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de gemandateerde taken is aangewezen de archiefbewaarplaats van de deelnemers. 2. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de 31
gewijzigd om te voldoen aan de wettelijke voorschriften Archiefwet.
Omgevingsdienst is aangewezen de archiefbewaarplaats van de provincie NoordBrabant.
Omgevingsdienst is aangewezen het Brabants Historisch Informatie Centrum. Artikel 8.3 Archivaris 1. Met het toezicht op de bewaring en het beheer van alle archiefbescheiden van alle taken die niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats is aangewezen de archivaris van het Brabants Historisch Informatie Centrum. 2. De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, eindigt van rechtswege met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie van archivaris geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van de betreffende ambtenaar. 3. De archivaris kan op verzoek of op eigen initiatief advies uitbrengen aan het dagelijks bestuur over aangelegenheden betreffende toezicht en beheer. Artikel 8.4 Verantwoording 1. Het dagelijks bestuur informeert het algemeen bestuur jaarlijks over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden van het bestuur van het openbaar lichaam. 2. Zij voegen daarbij in ieder geval: a. het verslag van de archivaris met betrekking tot in ieder geval het beheer, bedoeld in artikel 8.3, eerste lid; b. voor zover van toepassing, de gedurende de betreffende periode door de archivaris aan hen uitgebrachte adviezen; en c. een voorstel voor de in het kader van de zorgplicht voor de archiefbescheiden te treffen maatregelen, zo nodig voorzien van een kostenraming. 32
Na consulteren Provincie Archivaris deze bepaling gewijzigd om te voldoen aan de wettelijke voorschriften Archiefwet.
Na consulteren Provincie Archivaris deze bepaling gewijzigd om te voldoen aan de wettelijke voorschriften Archiefwet.
Artikel 42 Ter beschikkingstelling archiefbescheiden 1. Indien noodzakelijk voor de taakuitvoering van de Omgevingsdienst, stellen de colleges en Gedeputeerde Staten, onder hen berustende archiefbescheiden ter beschikking. 2. Terbeschikkingstelling geschiedt voor maximaal 5 jaar en kan, met telkens een aaneengesloten periode van maximaal 5 jaar, worden verlengd tot ten hoogste 20 jaar. 3. Van de terbeschikkingstelling wordt een verklaring opgemaakt, die ten minste bevat een specificatie van de terbeschikkinggestelde archiefbescheiden. Een exemplaar van deze verklaring wordt bewaard door de betreffende deelnemer en de Omgevingsdienst. 4. Indien de Omgevingsdienst archiefbescheiden tot zijn beschikking krijgt, brengt deze slechts wijzigingen aan in de staat van ordening en toegankelijkheid van en vernietigt slechts uit de bescheiden na machtiging door de ter beschikking stellende deelnemer. 5. De kosten van het beheer van de terbeschikkinggestelde archiefbescheiden komen ten laste van de deelnemer, die de archiefbescheiden ter beschikking stelt, tenzij partijen anders overeenkomen. De zorgdrager voor de archiefbescheiden van het bestuursorgaan dat de archiefbescheiden ter beschikking heeft gesteld, blijft in alle gevallen de zorgdrager voor de archiefbescheiden. 6.
Indien de ordening van de in het eerste lid bedoelde archiefbescheiden zich verzet tegen terbeschikkingstelling, is de Omgevingsdienst te allen tijde bevoegd inzage te nemen van die
Artikel 8.5 Ter beschikking stellen 1. Indien noodzakelijk voor de taakuitvoering van de omgevingsdienst, stellen de colleges en Gedeputeerde Staten, onder hen berustende archiefbescheiden ter beschikking. 2. Terbeschikkingstelling geschiedt voor maximaal vijf jaar en kan, met telkens een aaneengesloten periode van maximaal vijf jaar, worden verlengd tot ten hoogste 20 jaar. 3. Van de terbeschikkingstelling wordt een verklaring opgemaakt, die ten minste bevat een specificatie van de terbeschikkinggestelde archiefbescheiden. 4. Een exemplaar van de verklaring, bedoeld in het derde lid, wordt bewaard door de betreffende deelnemer en de omgevingsdienst. 5. Indien de omgevingsdienst archiefbescheiden tot zijn beschikking krijgt, brengt deze slechts wijzigingen aan in de staat van ordening en toegankelijkheid van en vernietigt slechts uit de bescheiden na machtiging door de ter beschikking stellende deelnemer. 6. De kosten van het beheer van de terbeschikkinggestelde archiefbescheiden komen ten laste van de deelnemer, die de archiefbescheiden ter beschikking stelt, tenzij de deelnemers anders overeenkomen. 7. De zorgdrager voor de archiefbescheiden van het bestuursorgaan dat de archiefbescheiden ter beschikking heeft gesteld, blijft in alle gevallen de zorgdrager voor de archiefbescheiden. 8.
Indien de ordening van de archiefbescheiden, bedoeld in het eerste lid, zich verzet tegen terbeschikkingstelling, is de omgevingsdienst te allen tijde bevoegd inzage te nemen van die 33
archiefbescheiden dan wel daarvan of daaruit reproducties, afschriften of uittreksels te vorderen. 7. Ten aanzien van de terbeschikkingstelling gelden de volgende nadere voorwaarden: a. De ter beschikking gestelde archiefbescheiden worden door de Omgevingsdienst in goede, geordende en toegankelijke staat bewaard; b. Uitlening van terbeschikkinggestelde archiefbescheiden is slechts toegestaan aan functionarissen binnen de Omgevingsdienst die ambtelijk zijn belast met behandeling van een aangelegenheid waarvoor uitlening noodzakelijk is. 8. De Omgevingsdienst kan het beheer van archiefbescheiden nader regelen in individuele dienstverleningsovereenkomsten.
archiefbescheiden dan wel daarvan of daaruit reproducties, afschriften of uittreksels te vorderen. 9. Ten aanzien van de terbeschikkingstelling gelden de volgende nadere voorwaarden: a. de ter beschikking gestelde archiefbescheiden worden door de Omgevingsdienst in goede, geordende en toegankelijke staat bewaard; b. uitlening van terbeschikkinggestelde archiefbescheiden is slechts toegestaan aan functionarissen binnen de omgevingsdienst die ambtelijk zijn belast met behandeling van een aangelegenheid waarvoor uitlening noodzakelijk is. 10. De omgevingsdienst kan het beheer van archiefbescheiden nader regelen in de algemene leveringsvoorwaarden of in de individuele dienstverleningsovereenkomsten.
Artikel 43 Evaluatie 1. Het Algemene bestuur zal periodiek het functioneren van de Omgevingsdienst en de dienstverlening aan de deelnemers evalueren. Dat gebeurt in het kader van de reguliere planning en controlcyclus. 2. Het Algemeen Bestuur rapporteert periodiek aan Gedeputeerde Staten en de colleges het resultaat van de uitgevoerde evaluaties onder vermelding van de daaruit getrokken conclusies.
Artikel 11.1 Evaluatie 1. Het dagelijks bestuur zendt in 2028 en vervolgens telkens na vier jaar een verslag aan het algemeen bestuur: a. over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk; b. over het functioneren van de omgevingsdienst en de dienstverlening aan de deelnemers. 2. Het verslag, bedoeld in het eerste lid, onder b, bevat een samenvatting van de in de afgelopen vier jaar uitgevoerde evaluaties en rapporten over het functioneren van de omgevingsdienst en de dienstverlening aan de deelnemers. 34
Artikel 44 Toetreding 1. Toetreding tot de Gemeenschappelijke Regeling van een ander bestuursorgaan dan van de deelnemers vindt plaats op voorwaarde dat de colleges en Gedeputeerde Staten daarmee instemmen en de raden en Provinciale Staten hun toestemming daarvoor geven. 2. Het Algemeen Bestuur regelt de gevolgen van de toetreding en kan hier nadere voorwaarden aan verbinden. 3. Toetreding vindt plaats met ingang van 1 januari van het jaar volgende op dat waarin de voor toetreding noodzakelijke wijziging van de regeling in werking is getreden, nadat het bestuursorgaan van de toetredende gemeente, na verkregen toestemming als bedoeld in het eerste lid, daartoe heeft besloten en voldoet aan de eventueel door het Algemeen Bestuur aan de toetreding verbonden voorwaarden. Artikel 45 Uittreding 1. Gedeputeerde Staten of een college kunnen, na verkregen toestemming van Provinciale Staten respectievelijk de raad, uit de regeling treden tenzij landelijke wetgeving de mogelijkheid tot uittreding beperkt. 2. Nadat het Algemeen Bestuur het voornemen heeft ontvangen van de deelnemer om uit de regeling te treden, stelt zij de voorwaarden vast waaronder de uittreding plaats kan vinden. De voorwaarden hebben in ieder geval betrekking
3. Het algemeen bestuur overlegt het verslag van de evaluatie en de daaruit getrokken conclusies, bedoeld in het eerste lid, aan de deelnemers. Artikel 9.1 Toetreding 1. Indien de deelnemers daarmee instemmen kan een bestuursorgaan van een gemeente, provincie, waterschap of het Rijk toetreden krachtens daartoe strekkende besluiten van haar daartoe bevoegde bestuursorganen. 2. De toetreding gaat in met ingang van een door de deelnemers nader te bepalen datum. 3. Het algemeen bestuur brengt een voorstel tot toetreding aan deze gemeenschappelijke regeling, inclusief de gevolgen van de toetreding en de nadere voorwaarden voor toetreding, in procedure bij de deelnemers.
Artikel 9.2 Uittreding 1. Een deelnemer kan uittreden door toezending aan het algemeen bestuur van een daartoe strekkend besluit van haar bestuursorgaan. 2. De opzegging geschiedt met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste twee jaar. 3. De uittreding vindt plaats op 1 januari na het verstrijken van de opzegtermijn. 4. De uittredende deelnemer en het algemeen bestuur houden de kosten die verband houden met de uittreding zo laag mogelijk. 35
Het algemeen bestuur kan niet instemmen met toetreding. De regels omtrent toetreding zijn conform artikel 51, vijfde lid, van de wet hetzelfde als voor het treffen van de regeling. De deelnemers zijn bevoegd gezag. Het algemeen bestuur brengt het voorstel tot toetreding in procedure bij de deelnemers.
De uittredingsregeling is uitgebreid. Gelet op de verplichte wettelijke grondslag van de regeling is het voor veel partijen vrijwel onmogelijk om uit de omgevingsdienst te treden. Desalniettemin is een voorstel voor een uittredingsprocedure opgesteld. Het algemeen bestuur heeft geen bevoegdheid tot het vaststellen
op de financiële verplichtingen die voor de deelnemer voortvloeien uit de uitreding. 3. Het Dagelijks Bestuur pleegt overleg met de deelnemer die wenst uit te treden alvorens een voorstel over de voorwaarden waaronder de uittreding kan plaatsvinden aan het Algemeen Bestuur voor te leggen. 4. Uittreden kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 januari van het jaar, volgende op dat waarin: a. de voor uittreding noodzakelijke wijziging van de regeling in werking is getreden; b. de deelnemer daartoe na verkregen toestemming van de raad onderscheidenlijk provinciale staten, heeft besloten; c. het Algemeen Bestuur heeft geconstateerd dat de deelnemer aan de door haar aan de uittreding verbonden voorwaarden heeft voldaan. 5. Zolang niet voldaan is aan het bepaalde in het vierde lid, blijven op de deelnemer de verplichtingen rusten, die hij is aangegaan uit hoofde van de regeling. Artikel 46 Wijziging 1.Een voorstel tot wijziging van deze Gemeenschappelijke Regeling aan de deelnemers wordt bij de deelnemers in procedure gebracht door tussenkomst van het Algemeen Bestuur. De Gemeenschappelijke Regeling wordt gewijzigd indien de colleges en Gedeputeerde Staten daartoe, met toestemming van de raden respectievelijk Provinciale Staten eensluidend besluiten.
5. De uittredende deelnemer betaalt in jaar één van uittreding 66% en in jaar twee 33% van de bijdrage aan de begroting die de deelnemer voldeed in het jaar voorafgaand aan de uittreding. 6. Tot aan de datum van de uittreding behoudt de uittredende deelnemer alle rechten en verplichtingen die verbonden zijn aan de gemeenschappelijke regeling. 7. De deelnemers kunnen afwijken van het eerste tot en met het vijfde lid, voor zover van toepassing, gelet op het belang dat dit artikel beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 8. Het algemeen bestuur brengt indien sprake is van een afwijking als bedoeld in het zevende lid, een voorstel met daarin de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van de uittreding in procedure bij de deelnemers.
van de financiële verplichtingen. Het is aan de deelnemers om af te wijken van hetgeen bepaalt is in de regeling indien de omstandigheden van het geval daarvoor aanleiding geven.
Artikel 9.3 wijziging Het algemeen bestuur brengt een voorstel tot wijziging van deze gemeenschappelijke regeling in procedure bij de deelnemers.
Toestemming raden respectievelijk Provinciale Staten reeds wettelijk geregeld.
36
Komen partijen niet tot afwijkende afspraken dan is de bepaling leidend voor het afwikkelen van de financiële gevolgen van de uittreding.
Artikel 47 Opheffing 1. De regeling kan op voorstel van het Algemeen Bestuur worden opgeheven door een daartoe strekkend besluit van alle deelnemers nadat zij daartoe toestemming hebben verkregen van hun raden respectievelijk Provinciale Staten. Bij het voorstel over opheffing voegt het Algemeen Bestuur een concept-liquidatieplan. Het Algemeen Bestuur stelt de raden respectievelijk Provinciale Staten daarbij in de gelegenheid hun zienswijze over het concept naar voren te brengen. Bij de besluitvorming over vaststelling van het liquidatieplan betrekt het Algemeen Bestuur de ontvangen zienswijzen van de raden en Provinciale Staten. 2. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing en in de verplichting alle rechten en verplichtingen van de Omgevingsdienst over de deelnemers te verdelen op een in het plan te bepalen wijze. 3. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de beëindiging heeft voor het personeel. 4. Het Dagelijks Bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie. 5. De Omgevingsdienst blijft na zijn ontbinding voortbestaan voorzover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. Dit betekent dat de organen van de Omgevingsdienst na het tijdstip van opheffing in functie blijven, totdat de liquidatie volledig is voltooid. Artikel 48 Geschillen 1.
Voordat een geschil wordt neergelegd bij de Minister van Binnenlandse Zaken en
Artikel 9.4 Opheffing 1. Deze gemeenschappelijke regeling kan op voorstel van het algemeen bestuur worden opgeheven door een daartoe strekkend besluit van de betrokken bestuursorganen van de deelnemers. 2. Het voorstel, bedoeld in het eerste lid, bevat: a. een liquidatieplan waarover alle deelnemers zijn geraadpleegd. b. de verplichting voor de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen in de opheffing; en c. de gevolgen die de opheffing heeft voor de medewerkers van de omgevingsdienst, waarbij de toewijzing.
Voortbestaan omgevingsdienst bij opheffing dwingend geregeld in artikel 9, derde lid, van de wet.
Artikel 10.1 Informele aanpak interne geschillen of interne bezwaarschriften 1. Indien sprake is van een geschil of een bezwaarschrift met betrekking tot een besluit op
Minister van Binnenlandse Zaken is geen bevoegd gezag ingeval van bezwaarschriften. Indien een intern geschil ontstaat wordt de
37
Koninkrijksrelaties, wordt geprobeerd tot overeenstemming te komen. 2. Wanneer niet tot overeenstemming kan worden gekomen, ook niet door de Minister, zal het geschil worden voorgelegd aan de bevoegde rechter.
Artikel 49 Klachten 1. Voor de behandeling van klachten als bedoeld in titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt door het Algemeen Bestuur een voorziening getroffen. 2. Voor de behandeling van klachten in tweede aanleg als bedoeld in titel 9.2. van de Algemene wet bestuursrecht, kan het Algemeen Bestuur een voorziening treffen. Die voorziening kan inhouden dat een ombudsman of ombudscommissie van een van de deelnemers bevoegd is tot behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 3. Bij gebreke van een voorziening als bedoeld in het tweede lid, is de Nationale ombudsman bevoegd. Artikel 51 Aanhaling Deze regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant”.
grond van een bepaling in deze regeling, wordt dit geschil eerst informeel door partijen besproken in aanwezigheid van een door partijen gezamenlijk gekozen onafhankelijke bemiddelaar. 2. Partijen dragen samen de kosten voor de onafhankelijke bemiddelaar. 3. Indien het informele gesprek niet leidt tot een oplossing van het bezwaar neemt het bestuur van het openbaar lichaam een beslissing op het bezwaar. Artikel 10.2 Interne klachten 1. Het bestuur van het openbaar lichaam draagt ingevolge artikel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht zorg voor een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over zijn gedragingen. 2. Het bestuur kan de afhandeling van klachten mandateren aan de directeur.
reguliere bezwaarprocedure gevolgd. Daarna zal pas een rechtsgang kunnen worden gestart.
Artikel 11.5 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant 2024.
Nieuwe citeertitel omdat de oude regeling ingetrokken en derhalve niet dezelfde citeertitel mag worden gehanteerd.
38
Regeling dient bepalingen omtrent klachten te hebben. Standaardbepaling.
Van de voorzieningsmogelijkheid van het oude tweede lid wordt geen gebruik gemaakt. Derhalve wordt in de praktijk teruggevallen op de wettelijke regeling. Met deze wijziging wordt dit in de regeling verwerkt.