CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Vaststellen Regionale Mobiliteitsvisie Metropool Regio Eindhoven 2040

Gemeenteraad 4 juli 2024, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen Regionale Mobiliteitsvisie Metropoolregio Eindhoven 20401.732 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Raadsvoorstel Onderwerp:

Vaststellen Regionale Mobiliteitsvisie MRE 2040

Portefeuillehouder:

K.W.H.M. Kusters

Documentnummer:

200614726

Zaaknummer:

200613788

Datum:

12 juni 2024

1. Samenvatting voor de burger Er is de afgelopen periode gewerkt aan het opstellen van een Regionale Mobiliteitsvisie. Deze visie geeft het gezamenlijke beeld weer van de mobiliteit in 2040. Dankzij dit beeld kan gezamenlijk worden bepaald waarop de regio in moet zetten om de regio leefbaar en bereikbaar te houden. Op basis van een eerdere consultatieversie hebben de regiogemeenten een zienswijze kunnen indienen. De ingediende zienswijzen zijn in een Nota van zienswijzen beantwoord en waar het van toepassing is verwerkt in de huidige voorliggende aangepaste versie. Het voorstel is om deze Regionale Mobiliteitsvisie MRE 2040 vast te stellen en hiermee rekening te houden in het lokale mobiliteitsbeleid.

2. Inleiding De commissie Ruimte is de vergadering van 20 maart met een begeleidende raadsnotitie over de mobiliteitsvisie (consultatieversie) geïnformeerd en in de vergadering op 4 april heeft u kennis genomen van de brief, die we als zienswijze hebben ingediend. Alle zienswijzen zijn inmiddels beantwoord in een Nota van zienswijzen en waar het van toepassing is, verwerkt in een aangepaste versie van de Regionale Mobiliteitsvisie. Deze treft u met de Nota van zienswijzen als bijlagen bij dit voorstel aan. Het MRE heeft ervoor gekozen om dit eindconcept zo veel mogelijk aan te laten sluiten bij de consultatieversie vanwege de herkenbaarheid van het document. De structuur van dit document is, ondanks de opmerkingen hierover, intact gelaten. Wel zijn er zaken die op meerdere plaatsen in het oorspronkelijke document terugkomen samengevoegd of verwijderd. Dit voorstel richt zich op de door ons ingediende zienswijze en de beantwoording hiervan in de Nota van zienswijzen. Op basis van dit voorstel kunt u de mobiliteitsvisie vaststellen. Het raadsbesluit zal vervolgens aan het Portefeuillehoudersoverleg Mobiliteit kenbaar worden gemaakt.

3. Advies De Regionale Mobiliteitsvisie MRE 2040 vast te stellen en hiermee rekening te houden in het lokale mobiliteitsbeleid.

4. Beoogd effect De Metropoolregio Eindhoven plaatst Brede Welvaart centraal als leidend perspectief om de uitdagende economische en ruimtelijke vraagstukken op een doeltreffende wijze aan te pakken, met het oog op het welzijn van de hele regio. Dit omvat het streven naar een evenwichtige groei die ten goede komt aan alle inwoners en belanghebbenden. Daarom werken we in de regio samen aan de realisatie van een mobiliteitssysteem: -

Dat heel de regio onderling én met de omgeving verbindt;

-

Dat zorgt voor mobiliteit voor iedereen én bijdraagt aan een betere leefomgeving, gezondheid, veiligheid en klimaatdoelstellingen;

-

Dat de economische ontwikkeling van de Brainportregio mogelijk maakt;

-

Dat de woningbouw- en verstedelijkingsambities mogelijk maakt;

-

Dat mobiliteitsoplossingen in de regio als één systeem functioneren;

-

Met een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de verschillende organisaties;

-

Dat een grote impuls geeft aan de verkeersveiligheid voor de gehele regio.

5. Argumenten 1.1 Meer aandacht voor doorstroming hoofdwegennet Over de doorstroming op het hoofwegennet hebben we in de zienswijze de volgende opmerking gemaakt: “We vinden het belangrijk dat er aandacht is voor het behoud van een goede doorstroming op het hoofdwegennet in verband met de bereikbaarheid. Dat is voor ons een zorgpunt in de huidige versie van de Regionale Mobiliteitsvisie. Er wordt hier wel enige aandacht gegeven, maar dit is ons inziens niet toereikend en ook met een te lage prioriteit, waardoor het risico ontstaat dat infrastructurele knelpunten (zoals A67, N612, N279, N270) niet adequaat zullen worden opgepakt.” In de Nota van zienswijzen is hierover een algemene hoofdreactie opgenomen: “In de visie is op diverse plaatsen opgenomen dat de auto een belangrijke modaliteit blijft in het mobiliteitssysteem. Voor het mobiliteitssysteem in de regio is het essentieel dat het hoofdwegennet (de ‘robuuste randen’) goed functioneert. Zonder dat ontstaat sluipverkeer, is de bereikbaarheid van de regio onvoldoende en zijn de hubs niet goed bereikbaar. In de visie benadrukken we dat sterker. De aanleg van nieuwe auto-infrastructuur komt conform het STOMP-principe pas op de agenda als de huidige infrastructuur niet functioneert en andere oplossingen niet voldoen.” Op blz.

22 is nu als een centraal element bij de inhoudelijke vertaalslag naar de leidende mobiliteitsprincipes het volgende punt opgenomen: “Hoofdwegennet op orde hebben van de basis (robuuste randen, bundelroutes) om in de leefomgeving de prioritaire mobiliteitstransitie mogelijk te maken, rekening houdend met de functie op landelijke schaal (ook voor logistiek).” 1.2 Nut en noodzaak komen bij locatiebepaling mobiliteitshub aan de orde Met betrekking tot de ontwikkeling van mobiliteitshubs hebben we de volgende opmerking gemaakt: “Een ander aandachtspunt is de ontwikkeling van mobiliteitshubs. Dit vormt het achtste leidende mobiliteitsprincipe. De behoefte aan realisatie van een multimodaal overstappunt (hub), zonder dat er een daadwerkelijke vervoersbehoefte op een specifieke locatie bestaat, waarbij het overstappen naar een ander vervoersmiddel/vervoersdienst uitkomst biedt, wordt niet gevoeld.

2/5

Er moet duidelijk nut en noodzaak worden aangetoond, voordat we gaan investeren in infrastructurele aanpassingen in verband met de realisatie van een hub.” Deze opmerking is in de Nota van zienswijzen voorzien van het volgende antwoord: “De mobiliteitshubs vormen een essentieel onderdeel van de mobiliteitstransitie. In delen van de regio, met name in het stedelijk gebied en de economische toplocaties, is er minder ruimte voor de auto, terwijl de auto nu voor velen als het enige vervoermiddel wordt beschouwd om die locaties te bereiken. Een voor hen acceptabel alternatief voor het eerste deel van de reis is niet beschikbaar, waardoor een overstap van auto op fiets, OV of andere vormen van gedeelde mobiliteit nodig is om de locatie te bereiken. We onderzoeken nog waar de overstap het beste kan plaatsvinden. Nut en noodzaak komen daarbij aan de orde.” Het is goed dat in de reactie wordt aangegeven dat nog wordt onderzocht waar de overstap het beste kan plaatsvinden en dat nut en noodzaak daarbij aan de orde komen. Een dergelijk onderzoek zorgt ervoor dat er duidelijkheid komt over de locatie met nut en noodzaak, voordat er op basis van een wensplaatje ergens een mobiliteitshub wordt gerealiseerd. Daar was het met de ingebrachte zienswijze om te doen.

6. Kanttekeningen 1.1 Geen lijndienst met reguliere bussen voor kleine kernen voorzien. Over het openbaar vervoer hebben we de volgende opmerking gemaakt: ‘Voor onze gemeente is het van belang dat naast Someren ook de inwoners van de andere kleine kernen, zoals Someren-Eind en Someren-Heide, gebruik kunnen maken van een lijndienst met reguliere bussen (in plaats van een buurtbus) naar relevante bestemmingen met een station in de omgeving, zoals Maarheeze, Weert, Helmond en Eindhoven. De Regionale Mobiliteitsvisie zou die ruimte voor een verdere ontwikkeling van het OV met bussen in kleine kernen op het platteland moeten bieden.’ Hierop is in de Nota van zienswijzen een algemene hoofdreactie gekomen met een aanvulling: ‘De regio is ambitieus als het gaat om gedeelde mobiliteit. We gaan echter uit van functionaliteit en niet van vorm. Het openbaar vervoer (bus en trein) is alleen geschikt bij een specifieke mobiliteitsvraag van de reiziger. Aanvullend op of in plaats van busvervoer kan vaak op een andere manier beter aan de mobiliteitsvraag worden voldaan. Het verzamelbegrip hiervoor is gedeelde mobiliteit. De bereikbaarheid van het landelijk gebied is hierbij een belangrijk doel. In de tekst zullen we beter uitleggen wat we met gedeelde mobiliteit bedoelen. U wordt betrokken bij het ontwikkelen van een nieuwe concessie van het openbaar vervoer.

Het openbaar vervoer zal in de komende jaren verder veranderen. Niet alle kernen zullen daarbij automatisch worden ontsloten door een lijndienst met reguliere bussen, maar op manieren die het beste passen bij de mobiliteitsvraag van de reiziger.’ Met een verbetering van het OV wordt al snel gedacht aan een dienstregeling met lijnbussen (in plaats van buurtbussen) of een dienstregeling, waarbij lijnbussen met een hogere frequentie rijden. Dat is iets anders dan een verbetering van het OV in de vorm van ‘gedeelde mobiliteit’ met o.a. een vervoersdienst, waarbij op tijdstippen dat er geen bus rijdt, een taxi kan worden gebeld voor het vervoer tussen twee haltes of tussen een halte en een daaraan gekoppelde overstaphalte (hub). De provincie Noord-Brabant streeft ernaar om dergelijke vervoersdiensten mee te nemen in de aankomende aanbesteding van het OV en het doelgroepenvervoer (taxbus). Deze vervoersdiensten kunnen uitkomst bieden voor kernen, die nu enkel met een lage frequentie door buurtbussen worden bediend, zoals Someren-Eind en Someren-Heide. 3/5

Het voordeel is dat op momenten dat er geen buurtbus rijdt, een alternatief beschikbaar is. Het levert een verbetering op ten opzichte van de bestaande situatie, als bovenop de bestaande (buurt)bussen dit extra vervoer (maatwerk) wordt aangeboden. Bij aanbesteding van het OV (concessie voor Zuidoost-Brabant), dienen we bij de gebruikelijke inspraakmomenten, op te letten dat er voor onze gemeente een goede dienstregeling met lijnbussen en bijbehorende frequentie blijft bestaan. In het hoofdlijnenakkoord, dat de formerende partijen PVV, VVD, NSC en BBB op 16 mei hebben gepresenteerd, staat onder meer dat de bereikbaarheid van het landelijk gebied wordt verbeterd door het busvervoer tussen dorpskernen op het platteland te versterken. Dit kan worden gezien als een steun in de rug.

7. Financiën Dit voorstel en bijbehorende stukken bevatten geen verzoek, waarvoor nu een budget beschikbaar dient te worden gesteld. De Regionale Mobiliteitsvisie wordt vertaald in een meerjarig multimodaal mobiliteitspakket (MMMP). De programma’s en projecten die hierin opgenomen worden, kunnen financiële gevolgen hebben voor de gemeenten. Besluitvorming over de financiële inzet van de gemeenten aan specifieke projecten vindt plaats in de gemeenteraden.

8. Communicatie Over de vaststelling van de Regionale Mobiliteitsvisie vindt geen communicatie plaats.

9. Uitvoering We zullen uw besluit over de vaststelling aan het Portefeuillehoudersoverleg Mobiliteit op 5 juli kenbaar maken. Op 5 juli is hiervoor ook de deadline gesteld. Er is in het MRE voor deze einddatum gekozen, zodat de Regionale Mobiliteitsvisie nog voor het zomerreces door alle regiogemeenten wordt vastgesteld. Dit is nodig omdat de Regionale Mobiliteitsvisie de basis vormt om later dit jaar afspraken te maken met het Rijk in het BO-MIRT en met de provincie tijdens de Omgevingsdag Zuidoost-Brabant. Op 8 juli worden de portefeuillehouders in het Portefeuillehoudersoverleg Mobiliteit in de gelegenheid gesteld om de Regionale Mobiliteitsvisie te bekrachtigen. De 21 regiogemeenten dienen vervolgens in hun gemeentelijk mobiliteitsbeleid rekening te houden met de Regionale Mobiliteitsvisie. Burgemeester en wethouders van Someren, de secretaris,

de burgemeester,

J. Koppers-Van der Krabben

D. Blok

4/5

Bijlage(n)

O

Concept raadsbesluit vaststellen Regionale Mobiliteitsvisie MRE 2040,

X

NO

documentnr. Djuma 200615148 Rapport Regionale Mobiliteitsvisie MRE 2040 (eindconcept), documentnr.

X

Djuma 200614606 Nota van zienswijzen op Regionale Mobiliteitsvisie MRE 2040, documentnr.

X

Djuma 200614607

5/5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14264418/2