tussenuitspraak Raad van State
Tekst van het document
Gezien dat karakter van de omgeving heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling de omgeving terecht als gemengd gebied aangemerkt. 26.3. Uit de VNG-brochure blijkt dat voor een rietdekkersbedrijf (SBI-code: 4397), dat beschouwd kan worden als een aannemersbedrijf met een werkplaats van minder dan 1.000 m2, een richtafstand van 10 m tot aan een gevoelig object in een gemengd gebied geldt. De richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die een milieubelastende functie toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is.
26.4. De Afdeling stelt vast dat weliswaar het bestaande bedrijfsgebouw van het rietdekkersbedrijf op een afstand van ca. 45 m van de nieuw bestemde woning op [locatie 5] staat, maar dat de grens van de bestemming "Bedrijf", die voor het rietdekkersbedrijf geldt, op minder dan 10 m ligt van die woning. 26.5. De omstandigheid dat niet aan de richtafstand wordt voldaan, brengt echter niet zonder meer met zich dat daarmee ook vaststaat dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft in dit verband verwezen naar het geluidrapport van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd. Uit dit rapport blijkt dat de voor het rietdekkersbedrijf geldende geluidgrenswaarden niet zullen worden overschreden bij de nieuwe woning. Op de gevel van de woning [locatie 5] is de langtijdgemiddelde geluidsbelasting maximaal 43 dB(A) etmaalwaarde, terwijl de grenswaarde in dit geval 55 dB(A) bedraagt. Ook aan de grenswaarden voor maximale niveaus wordt voldaan. Uit het geluidonderzoek blijkt dat de geluidbelasting bij in elk geval de bestaande woning [locatie 7] hoger is dan de geluidbelasting bij de nieuw bestemde woning [locatie 5]. Ook bij de woning [locatie 6], die is voorzien van een reguliere woonbestemming, en dus ook als geluidgevoelig gebouw moet worden aangemerkt, is de geluidbelasting hoger. 26.6.
De Afdeling stelt echter vast dat het geluidrapport is gebaseerd op de geluidproductie van bronnen, zoals die in de huidige situatie aanwezig zijn. Appellanten hebben er terecht op gewezen dat geen rekening is gehouden met geluidbronnen op het zuidoostelijke deel van het bedrijfsperceel, terwijl de bestemmingsregeling voor het rietdekkersbedrijf zich er niet tegen verzet dat ook daar geluidproducerende werkzaamheden worden verricht. De Afdeling komt dan ook tot het oordeel dat het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt. 27.
[appellante sub 5] en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het
verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. Appellanten hebben in het beroepschrift of op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het betoog slaagt niet. De beroepen van [appellant sub 6], [appellante sub 7] en anderen, [appellante sub 8], [appellante sub 9] en Ploegdonk. 28. De beroepen van deze appellanten richten zich tegen de planregeling voor hun bedrijfspercelen. [appellant sub 6] heeft een tuinbouw- en tuinbouwloonbedrijf aan de [locatie 8], [appellante sub 7] en anderen hebben een glastuinbouwbedrijf aan de [locatie 9], [appellante sub 8] heeft een glastuinbouwbedrijf aan de [locatie 10], [appellante sub 9] heeft een glastuinbouwbedrijf aan de [locatie 11] en Ploegdonk B.V. heeft een glastuinbouwbedrijf aan de Ploegstraat 37. Hun percelen zijn voorzien van de bestemming "Agrarisch-Glastuinbouw". Zij menen dat in het bestemmingsplan ten onrechte is gekozen voor een systematiek van grotere vlakken met eenzelfde bestemming voor meerdere bedrijven en percelen. Naar hun mening doet dit geen recht aan de feitelijke situatie, en wordt daardoor hun bedrijfsvoering onnodig beperkt, doordat bouwmogelijkheden afhankelijk kunnen zijn van bouwinitiatieven van buurbedrijven.
Zij stellen dat had moeten worden gekozen voor een (maat)bestemming per individueel bedrijf, waarbij zij erop wijzen dat dit elders in het plangebied ook is gebeurd. 28.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de systematiek om glastuinbouwbedrijven in grote bestemmingsvlakken gezamenlijk te bestemmen is overgenomen uit het hier voorheen geldende bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Vlasakkers" uit 2007 en het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2011. Dat is gedaan om veranderingen ten opzichte van de huidige situatie wat betreft eigendomsverhoudingen en verkaveling mogelijk te maken. De raad betwist dat de bestaande bedrijfsvoeringen daarmee worden beperkt en benadrukt dat de planregels de bestaande bebouwing en gebruiksmogelijkheden niet belemmeren. 28.2. De Afdeling constateert dat een bestemmingsregeling waarbij een bestemmingsvlak meerdere kadastrale percelen omvat, als daar eenzelfde gebruik is voorzien, geenszins ongebruikelijk is, ook niet als die percelen verschillende eigenaren kennen. In dit geval, waar het gaat om nagenoeg aaneengebouwde kassen, ligt zon groot bestemmingsvlak ook voor de hand. De door [appellant sub 6], [appellante sub 7] en anderen, [appellante sub 8], [appellante sub 9] en Ploegdonk genoemde beperkingen in artikel 5.1, aanhef en onder j, van de planregels met betrekking tot bewerking en/of verwerking van door het
agrarisch bedrijf zelf voortgebrachte agrarische producten gelden per bedrijf, en ook is daarin bepaald dat als het bestaande gebruik al een grotere omvang heeft, dit als maximum geldt. In zoverre worden appellanten dus ook niet geschaad door de wijze van bestemming. Dat elders in het plangebied soms wel is gekozen voor een afzonderlijke planregeling voor een perceel, maakt niet dat die keuze ook in dit geval zou moeten worden gemaakt. Appellanten hebben er evenwel terecht op gewezen dat op grond van de planregels de bebouwingsmogelijkheden voor bedrijfsgebouwen, anders dan kassen, afhankelijk kunnen zijn van de omvang van kassen bij naburige bedrijven in hetzelfde bestemmingsvlak. In artikel 5.2.2, aanhef en onder a, van de planregels is bepaald dat deze bedrijfsgebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd binnen de vlakken met de bouwaanduiding specifieke bouwaanduiding - andere bebouwing met dien verstande dat per hectare glas maximaal 1.000 m² bedrijfsgebouwen (anders dan kassen) gebouwd mag worden. Desgevraagd heeft de raad niet kunnen uiteenzetten waarom het voor de regeling voor bedrijfsgebouwen anders dan kassen in artikel 5.2.2, aanhef en onder a nodig is die bebouwingsmogelijkheden te relateren aan het totaal aantal hectaren glas in het plandeel en er niet voor is gekozen om dat te relateren aan het aantal hectaren glas per bedrijf.
In zoverre berust het plan dus niet op een draagkrachtige motivering. Het betoog slaagt. Het beroep van [appellante sub 11] 29. [appellante sub 11] exploiteert een glastuinbouwbedrijf aan de [locatie 12] (op de hoek met de Vlasstraat) in het noordoostelijk deel van het plangebied nabij de kern Someren-Eind. Zij vindt het bezwaarlijk dat een strook grond van 8 bij 30 m aan de zuidwestzijde van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Glastuinbouw" (perceel kadastraal bekend Someren sectie T, nummer 2546) niet is opgenomen in het bestemmingsvlak "Agrarisch - Glastuinbouw" dat voor haar bedrijf geldt, maar in een bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf". 29.1. De raad heeft erkend dat bedoelde strook grond onderdeel is van het bedrijf van [appellante sub 11] en had moeten worden voorzien van de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" met dezelfde dubbelbestemming en gebiedsaanduidingen als de rest van het bedrijf. 29.2. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Dat is in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt. 30.
[appellante sub 11] voert verder aan dat zij in haar zienswijze ook heeft gevraagd om een uitbreiding van het bouwvlak voor de bedrijfswoning van haar glastuinbouwbedrijf. Zij ziet niet in waarom aan één zijde de grens van het bouwvlak op 18 m van het hart van de weg is gelegd en aan de andere zijden op een afstand van 15 m. In alle gevallen had 15 m aangehouden kunnen worden. Verder wijst zij erop dat ten onrechte bepaalde delen van de bestaande bedrijfswoning buiten het bouwvlak zijn gelaten. 30.1. De raad stelt dat de ligging van het betreffende bouwvlak is overgenomen uit het voorheen geldende bestemmingsplan. Het bouwvlak voor de bedrijfswoning kent twee verschillende afstanden tot de as van de weg, gezien het feit dat het bijgebouw verder terug ligt. Er is door de raad geen reden gezien om dit aan te passen, ook omdat naar zijn mening de bestaande bedrijfswoning het bouwvlak niet overschrijdt. 30.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in de stellingen van [appellante sub 11] geen aanleiding hoeven te vinden voor een andere ligging van het bouwvlak dan in het uit 2011 daterende bestemmingsplan "Buitengebied" en het uit 2016 daterende bestemmingsplan "Buitengebied Someren, 2e partiële herziening, bedrijfswoningen Vlasakkers".
De door [appellante sub 11] overgelegde luchtfotos waaruit zou moeten blijken dat het bouwvlak niet volledig de feitelijk gebouwde bedrijfswoning omvat, leiden de Afdeling evenmin tot het oordeel dat er op dit punt een gebrek in het plan is aan te wijzen. Een luchtfoto op ruimtelijkeplannen.nl geeft weliswaar een indicatie van de kadastrale grenzen in combinatie met bebouwing, maar kan geen volledig adequate weergave zijn van de ligging van bebouwing ten opzichte van die grenzen. Het betoog slaagt niet.
31. Ten slotte stelt [appellante sub 11] dat het bestemmingsvlak met de bestemming "Water" ter plaatse van het aanwezige waterbassin een veel groter oppervlak beslaat dan dat het bassin nu inneemt. Zij zou de gronden met de bestemming "Water" die niet in gebruik zijn voor het waterbassin willen gebruiken voor een uitbreiding van haar glasopstand. Naar haar mening heeft de raad onvoldoende gemotiveerd waarom een uitbreiding van de waterberging noodzakelijk zou zijn en waarom geen medewerking kan worden verleend aan de uitbreiding van de kassen op dit perceelsgedeelte. 31.1. De raad wijst erop dat het bestemmingsvlak met de bestemming "Water" al is verkleind ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied 2013". Een verdere verkleining acht de raad niet gewenst om de gronden beschikbaar te houden voor verwerking van regenwater en als tijdelijke overloop in geval van hevige regenval. Als appellante haar kassen of bedrijfsbebouwing wenst uit te breiden op de gronden met de bestemming "Water" dan dient zij hiervoor een plan in te dienen waarbij aangetoond moet worden dat er sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling, aldus de raad. 31.2. Het perceel met de bestemming "Water" is voorzien van de functieaanduiding "specifieke vorm van water - gietwatervoorziening en/of piekberging".
Op grond van artikel 17.1, aanhef, en onder f, van de planregels, zijn die gronden aangewezen voor gietwatervoorziening en/of piekberging. 31.3. Uit het deskundigenverslag van de STAB blijkt dat het plandeel met de bestemming "Water" een oppervlakte heeft van ca. 5.250 m2. Het thans aanwezige bassin met een oppervlakte van ongeveer 3.500 m2 en een omdijking van ca. 3 m is volgens dat deskundigenverslag meer dan voldoende om in de noodzakelijke hemelwateropvang te voorzien, ook na eventuele uitbreiding van het glasareaal. De raad heeft desgevraagd niet kunnen uiteenzetten waarom niettemin behoefte zou kunnen bestaan aan een groter bassin. Aan de stelling van de raad dat het perceel ook zou kunnen worden ingezet voor infiltratie komt in dit verband geen gewicht toe omdat dit perceel, anders dan percelen elders in het plangebied, niet is voorzien van de daarvoor bedoelde functieaanduiding "specifieke vorm van water - piekberging en/of infiltratievoorziening". Het plan is dus in zoverre niet voorzien van een draagkrachtige motivering. Het betoog slaagt. Conclusie 32.
Het beroep van [appellante sub 3A] en [appellant sub 3B] is ongegrond.
33. Voor [appellante sub 3A] en [appellant sub 3B] is deze uitspraak een einduitspraak, zodat hun procedure bij de Afdeling ten einde komt. Bestuurlijke lus 34.
Het besluit van 5 maart 2020 is, gelet op hetgeen is overwogen onder 5.3, 8.3, 10.3, 17.10, 17.16,
28.2 en 31.3, in zoverre genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb, gelet op hetgeen is overwogen onder 12.2, 13.2, 17.6, 26.6 en 29.2, in zoverre genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, en gelet op hetgeen is overwogen onder 23.3, in zoverre genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De besluiten van 5 maart 2020 en 28 januari 2021 zijn daarnaast, gelet op hetgeen is overwogen onder 18.4, in zoverre in strijd met artikel 3.1 van de Wro. 35. De Afdeling ziet in het voorgaande, ook in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil, aanleiding om de raad op grond van artikel 8:51d van de Awb de gelegenheid te geven om de gebreken te herstellen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, blijft op een gewijzigd of nieuw besluit het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing. Afdeling 3.4 van de Awb hoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast. De raad kan het in overweging 5.3 geconstateerde gebrek herstellen door, met inachtneming van wat in die overweging is overwogen, de beperkingen ten aanzien van buitenopslag en de opslag van containers op het bedrijfsterrein toereikend te onderbouwen en te motiveren, zo nodig het besluit te wijzigen of een ander besluit te nemen.
De raad kan het in overweging 8.3 geconstateerde gebrek herstellen door, met inachtneming van wat in die overweging is overwogen, de in de tabel bij 11.2.1 van de planregels vastgelegde 220 m2 toereikend te onderbouwen en te motiveren, zo nodig het besluit te wijzigen of een ander besluit te nemen. De raad kan het in overweging 10.3 geconstateerde gebrek herstellen door, met inachtneming van wat in die overweging is overwogen, artikel 11.4.1, aanhef en onder h, van de planregels toereikend te
onderbouwen en te motiveren, zo nodig het besluit te wijzigen of een ander besluit te nemen. De raad kan de in overweging 12.2 geconstateerde gebreken herstellen door de daar bedoelde planregels aan te passen aan de bedoeling van de raad, zoals weergegeven in overweging 12.1. De raad kan het in overweging 13.2 geconstateerde gebrek herstellen door de planregels zodanig aan te passen dat het daar bedoelde hekwerk positief wordt bestemd. De raad kan de in overwegingen 17.6 en 17.10 geconstateerde gebreken herstellen door, met inachtneming van wat in die overwegingen is overwogen, de in het plan neergelegde functieaanduiding aan te passen en de bevriezingsregeling voor overtollige bebouwing te onderbouwen en te motiveren, zo nodig het besluit te wijzigen of een ander besluit te nemen. De raad kan het in overweging 17.16 geconstateerde gebrek herstellen door, met inachtneming van wat in die overweging is overwogen, te onderbouwen en te motiveren waarom het agrarisch gebruik van de daar bedoelde stroken voor de tweede maal onder overgangsrecht is gebracht, zo nodig het besluit te wijzigen of een ander besluit te nemen.
De raad kan het in overwegingen 18.4 geconstateerde gebrek herstellen door, met inachtneming van wat in die overweging is overwogen, de planregeling in de besluiten van 5 maart 2020 en 28 januari 2021 zodanig aan te passen, dat daarin niet langer onderscheid wordt gemaakt tussen personen die vanuit een ander land naar Nederland komen en personen die uit Nederland komen. De raad kan het in overweging 23.3 geconstateerde gebrek herstellen door, met inachtneming van wat in die overweging is overwogen, artikel 4.2.3, onder a, van de planregels zodanig te wijzigen dat dit een rechtszekere formulering bevat, of een ander besluit te nemen. De raad kan het in overweging 26.6 geconstateerde gebrek herstellen door, met inachtneming van wat in die overweging is overwogen, al dan niet op basis van aanvullend onderzoek naar de maximale mogelijkheden die het plan toelaat voor de bedrijfsactiviteiten op [locatie 5]-bij, te onderbouwen waarom de woonbestemming op [locatie 5] niet meer beperkend is voor de bedrijfsactiviteiten dan de beperking die al volgt uit de bestaande woningen, zo nodig het besluit te wijzigen of een ander besluit te nemen.
De raad kan het in overweging 28.2 geconstateerde gebrek herstellen door, met inachtneming van wat in die overweging is overwogen, toereikend te onderbouwen en te motiveren waarom het voor de regeling voor bedrijfsgebouwen anders dan kassen in artikel 5.2.2, aanhef en onder a van de planregels nodig is de bebouwingsmogelijkheden voor bedrijfsgebouwen, anders dan kassen, te relateren aan het totaal aantal hectaren glas in het plandeel, in plaats van het aantal hectaren glas per bedrijf, zo nodig het besluit te wijzigen of een ander besluit te nemen. De raad kan het in overweging 29.2 geconstateerde gebrek herstellen door, met inachtneming van wat in die overweging is overwogen, de daar bedoelde strook alsnog te voorzien van de bestemming "Agrarisch Glastuinbouw" met dezelfde dubbelbestemming en gebiedsaanduidingen zoals die gelden voor de percelen waarop de rest van het bedrijf is gevestigd. De raad kan het in overweging 31.3 geconstateerde gebrek herstellen door, met inachtneming van wat in die overweging is overwogen, de in het plan vastgelegde omvang van het plandeel met de bestemming "Water" toereikend te onderbouwen en te motiveren, zo nodig het besluit te wijzigen of een ander besluit te nemen. De Afdeling zal in de beslissing van deze uitspraak een termijn stellen. 36. De raad moet de Afdeling en [appellante sub 1] en anderen, Zorgboerderij Wouterbergen B.V.
en anderen, [appellante sub 4], [appellante sub 5] en anderen, [appellant sub 6], wonend te Someren, [appellante sub 7] en anderen, [appellante sub 8], [appellante sub 9], Ploegdonk B.V. en [appellante sub 11] en anderen de uitkomst meedelen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen. Proceskosten 37. In de einduitspraak in het geding tussen [appellante sub 1] en anderen, Zorgboerderij Wouterbergen B.V. en anderen, [appellante sub 4], [appellante sub 5] en anderen, [appellant sub 6], wonend te Someren, [appellante sub 7] en anderen, [appellante sub 8], [appellante sub 9], Ploegdonk B.V. en [appellante sub 11] en de raad zal worden beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht van deze appellanten.
De raad hoeft de proceskosten van [appellante sub 3A] en [appellant sub 3B] niet te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.
verklaart het beroep van [appellante sub 3A] en [appellant sub 3B] ongegrond;
II.
draagt de raad van de gemeente Someren op om:
a. binnen 20 weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van wat onder 35 is overwogen, de onder 34 genoemde gebreken in de besluiten van 5 maart 2020 en 28 januari 2021, waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied Someren - Deelgebied 2" en het bestemmingsplan "Parapluplan huisvesting arbeidsmigranten 2021" zijn vastgesteld, te herstellen of in plaats daarvan een nieuw besluit te nemen en b. de uitkomst aan de Afdeling en de andere partijen mee te delen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en toe te sturen. Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. H.J.M. Besselink, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.M.J. Stolk, griffier. w.g. Uylenburg voorzitter w.g. Stolk griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2024 743