Toelichting Vaststellen Bestemmingsplan Nieuwendijk 95
Tekst van het document
Gezondheid
Veehouderijen stoten (fijn)stof uit naar de omgeving. Pluimveehouderijen stoten meer (fijn) stof uit dan varkenshouderijen. Varkenshouderijen stoten weer meer uit dan andere veehouderijtakken. Endotoxine is een van de stoffen die wordt verspreid in de omgeving van veehouderijen. Het Endotoxinerapport en het gezondheidsonderzoek van het RIVM (VGO) tonen aan dat gezondheidsrisico’s kleven aan de verspreiding van stoffen uit stallen. Op grond van het onderzoek Intensieve-veehouderij en Gezondheid (IVG: de voorloper van het VGOonderzoek) ziet de Gezondheidsraad endotoxine als een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op luchtwegen. Dit inzicht was voor de Gezondheidsraad aanleiding om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van maximaal 30 EU/m³ (Endotoxin Units) vast te stellen. De Gezondheidsraad is het adviesorgaan voor het Rijk aangaande complexe gezondheidsvraagstukken. Volgens de Gezondheidsraad is endotoxine een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden van veehouderijen aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine is nog niet afgerond.
Zolang dit niet beschikbaar is, kan bij de vaststelling van het bestemmingsplan de gezondheid van omwonenden onvoldoende bescherming worden geboden. Het bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) heeft de Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0 opgesteld (25 november 2016). Deze notitie bevat, als hulpmiddel voor bevoegde gezagen, een systematiek om de endotoxineblootstelling van omwonenden van veehouderijen te beoordelen en helpt bevoegde gezagen om plannen te toetsen. De volgende uitgangspunten worden in de notitie gehanteerd: ▪
29
Uit voorzorg voorkomen dat door nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde wordt overschreden en daar waar deze al overschreden wordt voorkomen dat de overschrijding toeneemt;
▪
▪
▪
▪
▪
Bedrijfsontwikkeling op alle varkens- en pluimveehouderijen die leiden tot een hogere (fijnstof)emissie kunnen gevolg hebben dat nieuwe overschrijdingen ontstaan of bestaande overschrijdingen worden vergroot; Bedrijfsontwikkeling in een veedicht gebied kunnen als gevolg van cumulatie van de endotoxine uitstoot tot gevolg hebben dat nieuwe overschrijdingen ontstaan of bestaande overschrijdingen worden vergroot; Andere veehouderijsectoren emitteren relatief weinig fijn stof en de bijdrage aan een mogelijke overschrijding van de adviesgrenswaarde door cumulatie is beperkt; Een grote mate van overschrijding van de endotoxine advieswaarde, individueel danwel door cumulatie in een gebied, kan reden zijn om na te denken over een vermindering van fijnstof-endotoxine emissie van de veehouderij; Voorzorg in het belang van de gezondheid van omwonenden is de drijfveer voor deze notitie.
Op basis van wetenschappelijke inzichten is per locatie en voor iedere individuele varkens- of pluimveehouderij in Nederland te bepalen of de endotoxineblootstelling naar de omgeving te hoog zal zijn of niet. Te hoog betekent in deze dat de blootstelling hoger is dan de advieswaarde van 30 EU/ m3 van de Gezondheidsraad. Op basis van metingen en modelberekeningen zijn afstandsgrafieken opgesteld voor vleeskuikens, leghennen en vleesvarkens, waarbij de fijnstofemissie in kg/jaar is gerelateerd aan een minimale afstand in meters. Gezien de uitgangspunten van de notitie dienen de emissies van pluimvee en varkens betrokken te worden in de bepaling van de risicocontouren en cumulatieve effecten. Op basis van de contourenkaart opgesteld door de gemeente Someren (navolgend een uitsnede) kan worden vastgesteld dat Nieuwendijk 95 niet binnen de endotoxinen-contouren van omliggende veehouderijen, of de eigen veehouderij ligt. Op circa 600 meter afstand is een geitenhouderij gevestigd. De gezondsheidscontour van een geitenhouderij is 2 kilometer. Dit wil zeggen dat het plangebied in de zoönosecontour van het genoemde bedrijf ligt. Tussen dit bedrijf en het plangebied liggen al meerdere woningen, dus waarschijnlijk zal het geen belemmering vormen voor de ontwikkeling.
30
Afbeelding 7. Uitsnede contourenkaart endotoxine, gemeente Someren
Het plan ziet niet toe op een verslechtering van de milieusituatie. De woning is niet gelegen binnen endotoxine-contouren van andere veehouderijen en vanwege autonome ontwikkelingen door de Brabantse wet- en regelgeving wordt vanaf 2024 de emissie van veehouderijen verder gereduceerd. De milieusituatie zal in de toekomst zeker niet verder verslechteren, maar juist verbeteren. Alles samengenomen kan geconcludeerd worden dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd is. 4.1.7.
Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh). Voor de Nieuwendijk geldt een maximale toegestane snelheid van 60 km/h. Feitelijk moet bepaald moet worden of er aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A) op het randbouwblok voldaan kan worden. Er is vanwege de afstand en de aanwezigheid van andere woningen geen sprake van het feit dat de omzetting kan leiden tot een belemmering voor nabijgelegen (agrarische) bedrijven. 31
Verkeerswegen hebben geluidszones. Volgens de Wgh betreft het wegen waar de maximum snelheid groter is dan 30 km/uur. De planlocatie ligt aan een weg waar de maximumsnelheid groter is dan 30 km/uur. Op basis van artikel 76 lid 3 van de Wet geluidhinder hoeft de geluidsbelasting van de aanwezige weg op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt ook het gebruik van een bestaande bedrijfswoning als plattelandswoning. Er kan uitgegaan worden van het feit dat ten aanzien van de huidige situatie (zoals geregeld in het bestemmingsplan) niet verandert, toetsing aan de Wet geluidhinder is niet aan de orde. Omliggende bedrijven Nieuwe geluidgevoelige objecten kunnen bestaande bedrijven beperken in hun bedrijfsvoering. Omdat binnen het plan geen nieuwe gevoelige bestemmingen worden gerealiseerd, worden omliggende bedrijven niet beperkt in de bestaande milieurechten door de realisatie van het plan. Spoor- en vaarweglawaai Een spoorweg is op dusdanige afstand van de planlocatie gelegen dat geen sprake kan zijn van een bovenmatige geluidsbelasting. Vaarwegen komen tevens niet voor in de nabijheid van het plangebied. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
4.2.
Ruimtelijke aspecten
4.2.1.
Externe veiligheid
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires: • • • • • • •
32
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi); Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb); Structuurvisie buisleidingen; Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).
De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en (ondergrondse) buisleidingen. Bedrijven Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Er zijn geen risico-objecten gelegen in de omgeving. Vervoer van gevaarlijke stoffen Op het grondgebied van de gemeente Someren bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. Qua vervoer over weg moet het transport van gevaarlijke stoffen primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande weg in de omgeving van het plangebied waarover dergelijke transporten kunnen plaatsvinden is de N266. Het plangebied ligt op een afstand van ruim 1 kilometer en ligt daarmee op een zodanige afstand van deze route dat beïnvloeding normaliter niet plaats zal vinden. Het plangebied is gelegen op een afstand van meer dan 1 kilometer van de Zuid-Willemsvaart. Als er al een significant transport over de ZuidWillemskanaal plaatsvindt, is deze zo gering dat de risico’s aan de oever verwaarloosbaar zijn. Daarbij is het plangebied buiten het invloedsgebied van het kanaal gelegen.
Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het oogpunt van externe veiligheid vanwege transport van gevaarlijke stoffen geen belemmeringen bestaan voor een goed woon- en leefmilieu ter plaatse van het plangebied. 4.2.2. Cultuurhistorie en archeologie 4.2.2.1. Cultuurhistorie Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een bestemmingsplan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die samenhangen met de archeologisch, historisch- landschappelijk, historisch-, geografisch en/of historischbouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bij voorbeeld bolle akkers) verkaveling, slotenpatroon en bebouwing. Cultuurhistorische waarden dienen te worden beschermd. Zoals op de navolgende uitsnede inzichtelijk is gemaakt, wordt de Nieuwendijk en de dichtbijgelegen Ravelweg aangeduid als gebied met een redelijk hoge waarde omtrent historische geografie. Daarnaast wordt de dichtbijgelegen Beliënberkdijk aangeduid als gebied met een hoge waarde omtrent historische geografie. De omzetting van een agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning heeft geen invloed op deze waarde.
33
Afbeelding 8. Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant
Er is alleen sprake is van het omzetten van een bedrijfswoning naar plattelandswoning. Er vinden geen ingrepen plaats die invloed heeft op de cultuurhistorische waarde ter plaatse. 4.2.2.2. Archeologie De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houdt de gemeente rekening met archeologische waarden. Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven. De gemeente Someren heeft een Nota Archeologiebeleid vastgesteld. Op de bijbehorende kaart (zie navolgende uitsnede) is te zien dat ter plaatse van het plangebied is aangewezen als een categorie 6. Dit wil zeggen dat dit een gebied is met een lage archeologische verwachting en dat er geen onderzoeksplicht omtrent archeologie geldt. Daarnaast vinden er geen werkzaamheden in de grond plaats. Vanwege een aanpassing van de functie zullen de archeologische waarden niet in gevaar komen.
34
Afbeelding 9. Uitsnede Nota Archeologiebeleid gemeente Someren
Er is alleen sprake is van het omzetten van een bedrijfswoning naar plattelandswoning. Er vinden geen ingrepen in de bodem plaats en het onderhavige plan biedt geen grotere mogelijkheden voor bebouwing dan het vigerende bestemmingsplan. Archeologische waarden kunnen hierdoor niet aangetast worden. Hierdoor is er geen verdere aanleiding voor nader onderzoek. 4.2.3.
Mobiliteit en parkeren
Met het voorliggende bestemmingsplan krijgt de bedrijfswoning Nieuwendijk 95 de mogelijkheid om als plattelandswoning gebruikt te worden. De activiteiten binnen het plangebied wijzigen niet ten opzichte van de huidige situatie. De woning behoudt een woonfunctie en het agrarisch bedrijf wijzigt zijn bedrijfsvoering niet. De verkeersintensiteit en parkeersituatie wijzigt dan ook niet ten opzichte van de huidige situatie. Bij de woning is voldoende parkeerruimte aanwezig voor het parkeren van de bewoner. De verkeerssituatie voor de woning en het bedrijf blijft tevens onveranderd.
35
4.3.
Flora en Fauna
4.3.1.
Gebiedsbescherming
Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van beschermde gebieden (Natura2000 gebieden en beschermde natuurmonumenten) van belang. Beoordeeld moet worden of de wijziging significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd moeten worden. Binnen een straal van 10 kilometer bevinden zich enkele Natura 2000-gebieden. Echter kan doordat slechts de functie wijzigt en het feitelijk gebruik hetzelfde blijft gesteld worden dat het initiatief geen significante negatieve invloed heeft op de beschermde natuurwaarden van deze gebieden. 4.3.2.
Soortenbescherming
De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Wet Natuurbescherming. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in: •
•
•
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De Wet natuurbescherming maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten.
Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een wijzigingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Doordat slechts de functie wijzigt, het feitelijk gebruik hetzelfde blijft en geen nieuwe bouwmogelijkheden worden toegevoegd, kan gesteld worden dat het initiatief geen significante negatieve invloed heeft op de beschermde soorten. Door het jarenlange gebruik van de betrokken locatie als bedrijfswoning is tevens de kans op de aanwezigheid van bijzondere planten- en dierensoorten op de 36
locatie zeer beperkt. De plantensoorten op de locatie worden grotendeels door mensen gereguleerd. Voor diersoorten geldt dat er gedurende een lange reeks van jaren een dusdanige verstoring plaatsvond, verkeer en menselijke activiteit, dat de betreffende locatie niet geschikt is als leefgebied. Deze locatie is geen geschikt vestigings- en/of permanent leefgebied voor soorten uit de eerste en tweede categorie. Hooguit zullen een of meer van de algemeen voorkomende beschermde soorten hier bij tijd en wijle verblijven. Gezien de aard van de ontwikkelingen zal de externe invloed op de omliggende natuur niet significant zijn.
4.4.
Landschappelijke inpassing
De locatie Nieuwendijk 95 is reeds volledig ingepast. Dit is gevisualiseerd in de navolgende afbeeldingen (overzichtstekening en foto’s). In het voorliggende initiatief is sprake van enkel een verandering van gebruik. Een agrarische bedrijfswoning wordt omgezet naar een plattelandswoning. Er worden hiermee bijvoorbeeld geen extra bouwmogelijkheden mogelijk gemaakt. Een tegenprestatie is dan ook niet aan de orde.
Afbeelding 10. Overzichtstekening
37
Afbeelding 11. Foto voorzijde
38
Afbeelding 12. Foto achterzijde
39
Afbeelding 13. Foto rechterzijde
40
Afbeelding 14. Foto beukenhaag
Afbeelding 15. Foto voorzijde en linkerkant
4.5.
Kabels en leidingen
Binnen het plangebied bevinden zich ondergrondse kabels en/of leidingen. Het gebruik hiervan is middels erfdienstbaarheid vastgelegd en daarmee niet relevant voor dit bestemmingsplan.
41
4.6.
Waterparagraaf
4.6.1.
Waterrelevant beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Structuurvisie RO 2014 en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV). In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: • • •
Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; Een betere waterveiligheid door preventie; Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.
De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten heeft op 18 december 2015 het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2015-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: • • • •
Voldoende water voor mens, plant en dier; Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; Verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening
Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie hen geeft. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Het beleid van het PMWP is vertaald in de IOV. Het waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes: ▪
42
gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater;
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-bufferingafvoer’; hydrologisch neutraal bouwen; water als kans; meervoudig ruimtegebruik; voorkomen van vervuiling; wateroverlastvrij bestemmen; - waterschapsbelangen. 4.6.2.
Inleiding watertoets
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen worden bij alle waterhuishoudkundige relevante plannen en besluiten. De watertoets is in het leven geroepen omdat met name het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie heeft gekregen: van reageren en anticiperen. Water heeft een aantal specifieke kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen waar de ruimtelijke ordening rekening mee moeten houden. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief op het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden ongedaan gemaakt of beperkt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemers en waterbeheerder. 4.6.3.
Hemelwaterinfiltratie
Voor het afvoeren van hemelwater geldt het uitgangspunt ‘hydrologisch neutraal bouwen’. Dit betekent dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt niet versneld mag worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen waarbij de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 is. Dit initiatief heeft betrekking op bestaande bebouwing. Er vindt een functiewijziging plaats die geen toename van het verhard oppervlak tot gevolg heeft. Het initiatief is daardoor uit waterhuishoudkundig oogpunt niet relevant. 4.6.4.
Afvalwater
Het afvalwater afkomstig van het plangebied zal, net als in de huidige situatie, worden afgevoerd via het gemeentelijk rioleringsstelsel. Er is voldoende capaciteit voor het afvoeren van afvalwater.
43
5. Uitvoerbaarheid en procedure 5.1.
Economische haalbaarheid
Bij de voorbereiding van een plan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening is daarbij de verplichting ontstaan om, indien er sprake is van een ontwikkeling waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, deze kosten op de initiatiefnemer te verhalen. Voorbeelden hiervan zijn de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de plankosten. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. In deze procedure wordt uitsluitend het gebruik van een bestaande bedrijfswoning als plattelandswoning mogelijk gemaakt. Voor het overige worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De uitvoering van het plan is in particuliere handen. Het project heeft dan ook geen gevolgen voor de gemeentelijke financiën. In de onderhavige situatie is daarom niet te verwachten dat derden schade leiden door de gevraagde bestemmingsplanwijziging.
Er zal tussen de gemeente Someren en de initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst worden gesloten. Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.
5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De uitgangspunten voor het beleid, zoals opgenomen in onderhavig bestemmingsplan, zijn terug te vinden in de vigerende bestemmingsplannen Over het beleid is reeds consensus bereikt. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de voorgenomen ontwikkelingen. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. 5.2.1. Omgevingsdialoog De omgevingsdialoog is er op gericht om in een vroegtijdig stadium (nog voordat het concrete plan vastligt) kennis te nemen van eventuele bezwaren, wensen en belangen van omwonenden zodat deze reacties bij de uitwerking kunnen worden betrokken. De omgeving is daarbij geen vastomlijnd begrip, maar is sterk afhankelijk van de gewenste ontwikkeling en de effecten die daarmee gepaard gaan op de omgeving. De omgevingsdialoog is bijgevoegd als bijlage 3. 44
5.3.
Procedure
Dit bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht juncto art. 3.9a Wro. Deze procedure houdt in dat het ontwerp-wijzigingsplan na behandeling door het college van burgemeester en wethouders wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage wordt gelegd. Het ontwerpwijzigingsplan zal ook digitaal raadpleegbaar zijn op de site van de gemeente en op www.ruimtelijkeplannen.nl. Belanghebbenden kunnen in die zes weken hun zienswijzen kenbaar maken bij de gemeente. Binnen acht weken na afloop van de termijn dat het ontwerpwijzigingsplan ter inzage heeft gelegen wordt het wijzigingsplan vastgesteld. Daarbij worden eventueel ingediende zienswijzen betrokken. Tegen de vaststelling van een wijzigingsplan staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Het ontwerp bestemmingsplan heeft ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend op dit plan.
5.4.
Vooroverleg en inzage
Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een wijzigingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.
45
6. Juridische planopzet 6.1.
Inleiding
Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, een verbeelding en regels. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het plan. Dit dient te allen tijde in onderlinge samenhang bezien en toegepast te worden. De toelichting op de regels en de verbeelding is niet juridisch bindend, dit biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van het wijzigingsplan heeft geleid. Daarnaast draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
6.2.
Toelichting op de verbeelding
Op de verbeelding is de bestemming van de gronden gelegen binnen het plangebied aangegeven. Binnen deze bestemming zijn nadere aanduidingen weergegeven. De juridische betekenis van deze aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een aantal gegevens hebben juridisch gezien geen betekenis en is alleen op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (zoals topografische en kadastrale gegevens).
6.3.
Toelichting op de regels
Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en conform de systematiek van het bestemmingsplan buitengebied 2009. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten Hoofdstuk 2: Wijzigingsregels.; Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti dubbeltelbepaling, algemene bouwregels en algemene afwijkings-, wijzigings- en procedureregels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.
46
Arvalis Roermond Steegstraat 5 6041 EA Roermond +31 (0)475 355 700 info@arvalis.nl
Arvalis Venlo Villafloraweg 1 5928 SZ Venlo +31 (0)478 578 257 info@arvalis.nl
Arvalis Nuth Mauritsstraat 11 6361 AV Nuth +31 (0)43 450 5100 info@arvalis.nl
Roba Advies Deurne Heuvelstraat 12 5751 HN Deurne +31 (0)493 242 133 info@arvalis.nl
47