CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Vaststellen bestemmingsplan Gezandebaan 22 en 24

Commissie Ruimte 5 april 2023, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Gezandebaan 22 en 2414.413 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bij de werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden. Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden.” 4.5.2.3

Houtopstanden

Binnen het plangebied worden geen houtopstanden gerooid. De beoogde ontwikkeling is geen bezwaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan ‘Gezandebaan 22 en 24 Someren’ - Toelichting

De overheid wil het natuurinclusief realiseren van nieuwe gebouwen stimuleren. Natuurinclusief bouwen betekent dat in een nieuw gebouw bijvoorbeeld verblijfplaatsen voor gierzwaluwen, huismussen en vleermuizen worden geïntegreerd. Dit kan in de vorm van neststenen/nestkasten en vleermuisverblijven die zodanig in het ontwerp zijn verwerkt, dat deze vrijwel niet zichtbaar zijn. Daarnaast draagt het bij aan de duurzame instandhouding van verblijfsruimte voor gebouw bewonende beschermde soorten (www.checklistgroenbouwen.nl).

4.6

Geluid

4.6.1 Beleidskader 4.6.1.1

Wegverkeerslawaai

De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de wet is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen het plangebied zijn reeds twee woningen toegestaan. Beide wooneenheden krijgen een eigen separate woonbestemming. Ten behoeve van deze procedure is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Navolgend wordt de conclusie van dit onderzoek weergegeven. 4.6.1.2

Conclusie Onderzoek

“Toetsing van de berekende geluidbelastingen aan de voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde dient per geluidbron (weg) afzonderlijk te geschieden op de gevels van de geluidgevoelige bestemming. De voorkeursgrenswaarde bedraagt bij nieuwe bestemmingen met een woonfunctie 48 dB. Verder is bij aanwezige wegen en nog niet geprojecteerde geluidgevoelige woonfunctie onder bepaalde voorwaarden een ontheffing tot maximaal 53 (wegen buiten bebouwde kom) en 63 dB (wegen binnen de bebouwde kom) mogelijk. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (inclusief aftrek, Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012) op de voor- en zijgevels wordt overschreden ten gevolge van het verkeer op de Gezandebaan. Ook de maximale grenswaarde van 53 dB wordt overschreden op deze gevels. De woningen kunnen alleen gerealiseerd worden als de voor- en zijgevels als dove gevel worden uitgevoerd. De te toetsen geluidsbelasting bedraagt dan 53 dB op de begane grond van de linker zijgevel van woning 1 en 50 dB op de linker zijgevel van woning 2. De betreffende woningen beschikken, gezien de geluidsbelastingen, over een geluidluwe gevel en buitenruimte. Daarnaast dient de geluidgevoelige bebouwing te voldoen aan de binnenwaarde conform het Bouwbesluit. In onderhavige situatie hoeft de gevelwering maximaal 29 dB te bedragen.

Geconcludeerd wordt daarom dat de realisatie van de nieuwe woningen niet wordt belemmerd uit akoestisch oogpunt, mits de voor- en zijgevels (met uitzondering van de linker zijgevel van woning 1 op de begane grond en de linker zijgevel van woning 2) als dove gevels worden uitgevoerd. Voor beide woningen is een aanvraag hoger waarden noodzakelijk. Voor woning 1 bedraagt de hogere waarde 53 dB op de begane grond van de linker zijgevel en voor woning 2 bedraagt de hogere waarde 50 dB op de linker zijgevel. CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘Gezandebaan 22 en 24 Someren’ - Toelichting

Door een creatief ontwerp van de architect zijn er voldoende mogelijkheden voor de woningen om te voldoen aan de regelgeving conform het Bouwbesluit 2012. Dit geldt zowel voor geluid, brandveiligheid en gezondheid (o.a. ventilatie). De voorgevels en delen van de zijgevels van de nieuwe woningen dienen derhalve te worden uitgevoerd als dove gevel. Daarnaast zal een procedure hogere worden doorlopen gelijktijdig met deze bestemmingsplanherziening.

4.7

Geur

4.7.1 Beleidskader 4.7.1.1

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 ouE/m³ binnen de bebouwde kom en een norm van 14 ouE/m³ buiten de bebouwde kom. Het is middels een verordening mogelijk maatwerk per gebied, waarmee oplossingen worden gezocht voor de spanning tussen het voortbestaan/de ontwikkeling van veehouderijen en de ontwikkeling van dorpskernen of recreatie. De gemeente kan zo een balans vinden tussen de gewenste ruimte voor de veehouderijen enerzijds en de bescherming van gevoelige objecten anderzijds. 4.7.1.2

Veehouderijbedrijven in de omgeving

In de omgeving van het plangebied liggen een behoorlijk veel veehouderijbedrijven maar slechts enkele bedrijven liggen binnen een afstand van 500 meter. Op navolgende figuur zijn de omliggende veehouderijbedrijven inzichtelijk gemaakt.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan ‘Gezandebaan 22 en 24 Someren’ - Toelichting

Gezandebaan 32-34 Gezandebaan 30a Gezandebaan 21 Ospelerweg 2 Plangebied Peelweg 11 Peelweg 9 Figuur 20: Uitsnede veehouderijbedrijvenkaart

Op deze locaties zijn navolgende dieraantallen vergund:

Figuur 21: Vergunde situatie Gezandebaan 21 (Bron: BVB-Brabant)

Figuur 22: Vergunde situatie Gezandebaan 30A (Bron: BVB-Brabant)

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan ‘Gezandebaan 22 en 24 Someren’ - Toelichting

Figuur 23: Vergunde situatie Gezandebaan 32-34 (Bron: BVB-Brabant)

Figuur 24: Vergunde situatie Ospelerweg 2 (Bron: BVB-Brabant)

Figuur 25: Vergunde situatie Peelweg 9 (Bron: BVB-Brabant)

Figuur 26: Vergunde situatie Peelweg 11 (Bron: BVB-Brabant) CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan ‘Gezandebaan 22 en 24 Someren’ - Toelichting

4.7.1.3

Voormalige agrarische bedrijfswoning

Wgv is opgenomen dat een geurgevoelig object, dat na 19 maart 2000 is gebouwd op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij én is gebouwd in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij de artikelen 3 tot en met 6 van de Wgv niet van toepassing zijn op deze woningen. Op grond van deze regels geldt voor de te verplaatsen woningen een minimumafstand van 50 meter. 4.7.1.4

Voorgrondbelasting

Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtst bij het geurgevoelige object is gelegen. 4.7.1.5

Achtergrondbelasting

Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. De achtergrondbelasting is een maat voor het leefklimaat. Er dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te zijn.

4.7.2 Toets 4.7.2.1

Voorgrondbelasting

Binnen het plangebied wordt de veehouderij gesaneerd. Voor dergelijke situaties is artikel 3 lid 2 uit de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing met betrekking tot de omliggende veehouderijen. Dit artikel luidt: “In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij: a) ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b) ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.” Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waardoor ten opzichte van omliggende veehouderijen een aan te houden afstand van 50 meter geldt. Ten opzichte van alle omliggende veehouderijen voldaan aan deze afstand. Op het adres Gezandebaan 21 is een woonbestemming bestemd waarbij een vergunning aanwezig is voor het houden van 18 paarden. Beide te herbouwen woningen worden gerealiseerd op een afstand die groter is dan de afstand van de bestaande bedrijfswoningen. Gelet op het geringe aantal dieren kan er vanuit worden gegaan dat er sprake zal zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het meest bepalende agrarische bedrijf in het kader van de voorgrondbelasting betreft Peelweg 11.

Gelet op de achtergrondbelasting van maximaal 9,8 oue/m³ kan worden gesteld dat de voorgrondbelasting minder bedraagt dan 14 oue/m³. De voorgrondbelasting is daarmee voldoende om te spreken over een gezond en acceptabel woon- en leefklimaat. De achtergrondbelasting is in navolgende paragraaf toegelicht.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan ‘Gezandebaan 22 en 24 Someren’ - Toelichting

4.7.2.2

Achtergrondbelasting

De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting en wordt berekend met het programma V-Stacks Gebied. Hiertoe zijn alle bedrijven binnen de gemeente Someren en Gemeente Asten ingevoerd. De invoergegevens van deze bedrijven zijn afkomstig uit de database van het Bestand Veehouderijbedrijven van de provincie Noord-Brabant. De XY-coördinaten van de geurgevoelige locatie betreffen hierbij de hoekpunten van het plangebied. Navolgend zijn de invoergegevens en is de berekening weergegeven. Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor

Geurbelasting [OU/m3]

1001 180736 373656

9,639

1002 180864 373703

7,366

1003 180892 373636

7,498

1004 180764 373589

9,849

Tabel 2: Geurbelasting ter plaatse van het plangebied

De achtergrondbelasting ter plaatse bedraagt 7,4 oue/m³ tot 9,6 oue/m³. Daarmee is binnen het plangebied sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. 4.7.2.3

Beperking ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijen

Herbestemming van het plangebied mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven niet belemmeren. De bedrijfswoningen op deze locatie maakten in het verleden deel uit van de veehouderij op deze locatie. Op deze woning is dan ook artikel 3 lid 2 van de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing. De bescherming van deze woning ten opzichte van agrarische bedrijvigheid door derden wijzigt derhalve niet door de herbestemming van de woning van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. De herbestemming van het plangebied zal eventuele toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven dan ook niet meer belemmeren dan nu het geval is.

4.8

Gezondheid

4.8.1 Beleidskader 4.8.1.1

Endotoxinen

Inleiding De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM 10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan ‘Gezandebaan 22 en 24 Someren’ - Toelichting

van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Gemeentelijk beleidskader endotoxinen De gemeente Someren heeft een eigen beleidskaart opgesteld ten aanzien van aanwezige endotoxine contouren. Op deze kaart zijn endotoxinen contouren binnen de gemeente aangeduid.

Plangebied

Figuur 27: Uitsnede endotoxinekaart Someren

Omdat het plangebied op de gemeentegrens met Asten is gelegen zijn ook de endotoxinecontouren van veehouderijen op Astens grondgebied inzichtelijk gemaakt.

Plangebied

Figuur 28: Uitsnede endotoxinekaart Asten

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan ‘Gezandebaan 22 en 24 Someren’ - Toelichting

Het plangebied is niet binnen de contouren van omliggende bedrijven. Qua ligging, grootte en aard betreft de veehouderij aan Peelweg 11 de meest bepalende veehouderij ten aanzien van het aspect endotoxinen. Dit bedrijf heeft een fijnstof emissie van 1.765 kg. Dit betekent dat een afstand van 256 meter moet worden aangehouden vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt tot de woningen. De afstand vanaf het bouwblok van de pluimveehouderij tot het bouwvlak van de westelijk gelegen woning bedraagt circa 357 meter. Er wordt derhalve ruimschoots aan de aan te houden afstand voldaan. Daarnaast komt wel de endotoxinecontour van het eigen bedrijf te vervallen. 4.8.1.2

Geitenhouderijen

Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot 2 kilometer is er sprake van een vergroot risico. Binnen de gemeente Someren en Asten zijn een aantal geitenhouderijen gelegen. Deze inrichtingen zijn allen buiten een afstand van 2 kilometer tot het plangebied gelegen. 4.8.1.3

Pluimveehouderijen

Het plangebied is gelegen binnen een binnen afstand van 1 km tot enkele pluimveehouderijen. Uit het VGO3 onderzoek is gebleken dat het risico op longontsteking verhoogd is in een straal van 1 kilometer rondom pluimveehouderijen. Middels de beoogde herbestemming wordt geen nieuw gevoelig object opgericht, enkel de bestaande woningen worden elders herbouwd. De woningen liggen beide buiten de endotoxinecontouren van deze omliggende pluimveehouderijen. 4.8.1.4

Gewasbeschermingsmiddelen

ln het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

via

drift.

Met

de

term

drift

wordt

de

hoeveelheid

gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging,

waardoor

mens

en

dier

in

contact

kunnen

komen

met

gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. Middels de beoogde herbestemming wordt geen nieuw gevoelig object opgericht. In de nabijheid van het plangebied is geen sprake van teelt van gewassen waarop gewasbeschermingsmiddelen (kunnen) worden toegepast. Derhalve is de beoogde ontwikkeling in het kader van het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden’ geen bezwaar.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan ‘Gezandebaan 22 en 24 Someren’ - Toelichting

4.9

Bedrijven en milieuzonering

4.9.1 Beleidskader Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking Bedrijven en Milieuzonering. Deze lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In deze lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het plangebied kan getypeerd worden als gelegen binnen een gemengd gebied. Het kan in een gemengd gebied gaan om bestaande gebieden met functiemenging of gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt onder een gemengd gebied verstaan.

De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in gemengd gebied, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden.

4.9.2 Toets 4.9.2.1

Bedrijven in de omgeving van het plangebied

Het plangebied is gelegen binnen een agrarisch concentratiegebied. In de directe omgeving van het plangebied zijn enkel agrarische bedrijven gelegen. Er bevinden zich geen niet-agrarische bedrijven in de omgeving (1km). Deze bedrijven zijn alleen gelegen op een afstand van meer dan 300 meter. Aan de richtafstand voor geur, gevaar, stof en geluid wordt ruimschoots voldaan. Binnen het plangebied is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig in het kader van bedrijven- en milieuzonering. Dit blijft in de beoogde situatie ongewijzigd. 4.9.2.2

Bedrijf binnen het plangebied

Binnen het plangebied is in de huidige situatie een gemengde veehouderij aanwezig. Deze veehouderij wordt gesaneerd. Dit levert een positieve bijdrage op het woon- en leefklimaat voor de directe omgeving.

4.10

Externe veiligheid

4.10.1 Beleidskader 4.10.1.1 Inleiding Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen, activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In de volgende landelijke wetten, CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan ‘Gezandebaan 22 en 24 Someren’ - Toelichting

besluiten en regelingen zijn normen opgenomen waaraan een nieuwe planologische ontwikkeling moet worden getoetst: 

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi);

Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations;

Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations;

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb);

Structuurvisie buisleidingen;

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet;

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).

De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen). 4.10.1.2 Risico-contouren Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1.

Plaatsgebonden Risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk wordt getroffen door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10 -6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten;

2.

Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken.

4.10.1.3 Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Dit is opgenomen in navolgende tabel.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan ‘Gezandebaan 22 en 24 Someren’ - Toelichting

Bron

Wanneer groepsrisicoverantwoording?

Inrichtingen (Bevi) Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Buisleidingen

Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan

(Bevb)

met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

Weg, spoorweg off Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan binnenwater (Bevt) met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Tabel 3: Tabel met verantwoordingsplicht groepsrisico's

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. 4.10.1.4 Overige wet- en regelgeving Ook wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘(art. 3.1 Wro) onder andere getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’.

4.10.2 Toets 4.10.2.1 Bedrijven Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een inrichting met betrekking tot de externe veiligheid. In de omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen van derden gelegen waarvoor een risico-contour geldt in het kader van de externe veiligheid. Binnen het plangebied is een bovengrondse propaantank van 3 m³ gesitueerd waarvoor een risicoafstand geldt van 10 meter. Deze tank wordt verwijderd. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de risicokaart externe veiligheid voor de omgeving van het plangebied, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan ‘Gezandebaan 22 en 24 Someren’ - Toelichting

Figuur 29: Uitsnede van de risicokaart externe veiligheid voor de omgeving van het plangebied (aangeduid met een rode marker)

4.10.2.2 Transport van gevaarlijke stoffen over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. Het plangebied is niet gelegen binnen een invloedsgebied van een weg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. 4.10.2.3 Transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen De binnen het grondgebied van Someren aanwezige ondergrondse buisleidingen zijn parallel aan de westelijke en oostelijke gemeentegrens gelegen. De oostelijk gesitueerde buisleiding (Gasunie Z-54001) is gesitueerd op meer dan 900 meter tot het plangebied. De afstand van deze buisleidingen tot het plangebied is zodanig groot dat er geen sprake is van een veiligheidsrisico. 4.10.2.4 Vervoer van gevaarlijke stoffen via andere kanalen Op het grondgebied van de gemeente Someren bevindt zich geen spoortracé. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 930 meter van het Zuid-Willemskanaal. Als er al een significant transport over de Zuid-Willemskanaal plaatsvindt, is deze zo gering dat de risico’s aan de oever verwaarloosbaar zijn. Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. Op een afstand van circa 220 meter ten westen bevindt zich een hoogspanningslijn. Deze hoogspanningslijn bevindt zich op een dermate grote afstand dat er geen veiligheidsrisico aanwezig is.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan ‘Gezandebaan 22 en 24 Someren’ - Toelichting

4.11

Luchtkwaliteit

4.11.1 Beleidskader 4.11.1.1 Inleiding Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. 4.11.1.2 Uitstoot van schadelijke stoffen De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de

luchtkwaliteit

via

het

Nationaal

Samenwerkingsprogramma.

Binnen

het

Nationaal

Samenwerkingsprogramma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. 4.11.1.3 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijnstof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde.

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.

De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.

4.11.1.4 Besluit gevoelige bestemmingen Sinds 2009 beperkt het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) de vestiging van ‘gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en Rijkswegen. Het besluit richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2). Dit zijn vooral kinderen, ouderen en zieken. Daarom stelt het besluit onderzoekszones in. Binnen die onderzoekszones is luchtkwaliteitsonderzoek nodig. Deze zone betreft een breedte van 300 meter breed bij Rijkswegen en 50 meter bij provinciale wegen, aan weerszijde van deze wegen. Het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming' mag niet toenemen als de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

47

Bestemmingsplan ‘Gezandebaan 22 en 24 Someren’ - Toelichting

4.11.2 Toets 4.11.2.1 Uitstoot schadelijke stoffen Met dit plan wordt een intensieve veehouderij gesaneerd. Hiermee is sprake van een forse vermindering van de uitstoot van gevaarlijke stoffen. De twee bedrijfswoningen worden herbestemd naar reguliere woningen. Dit plan leidt niet tot een toename van de uitstoot van gevaarlijke stoffen. 4.11.2.2 Uitstoot van gevaarlijke stoffen Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM 10 en PM2,5 voor het plangebied (indicatief aangeduid met een stip) en directe omgeving weer.

Figuur 30: Fijnstof 2018 PM10 (bron: Atlas leefomgeving) voor het plangebied

Figuur 31: Fijnstof 2018 PM2,5 (bron: Atlas leefomgeving) voor het plangebied

Voor het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM 10 van 22-23 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 12-13 µg/m³.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

48

Bestemmingsplan ‘Gezandebaan 22 en 24 Someren’ - Toelichting

Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 voor het plangebied en directe omgeving weer.

Figuur 32: Stikstofdioxide 2018 (bron: Atlas leefomgeving) voor het plangebied

Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO 2 van 16-18 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dat er in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig is. 4.11.2.3 Besluit gevoelige bestemmingen Binnen het plangebied worden geen gevoelige bestemmingen in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen toegevoegd.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

49

Bestemmingsplan ‘Gezandebaan 22 en 24 Someren’ - Toelichting

4.12

Mer-beoordeling

Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEGrichtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de Dlijst en die een omvang heeft die beneden de drempelwaarden ligt een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.

De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Dit bestemmingsplan ziet toe op herbestemming van de bedrijfswoning en resterende bedrijfsbebouwing van een voormalig agrarische bedrijf. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft (ABRS 12 juni 2019, no. 201807060/1/R1) overwogen dat het antwoord op de vraag of sprake is van een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij is in deze uitspraak de navolgende rechtsoverweging opgenomen: “hetgeen in het plan is voorzien, gelet op de aard en de omvang, niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar verandert het gebruik van het perceel door onder andere de realisatie van twee eengezinswoningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage.

Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel.” De Afdeling heeft uiteindelijk geoordeeld wanneer dat de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft te worden uitgevoerd. De beoogde herbestemming van het plangebied valt wegens aard en omvang van het project niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling waarop de drempelwaarden genoemd in de D-lijst. Omdat de

beoogde

ontwikkeling

geen

stedelijke

ontwikkeling

is,

als

bedoeld

in

het

Besluit

milieueffectrapportage, is het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

50

Bestemmingsplan ‘Gezandebaan 22 en 24 Someren’ - Toelichting

5.

PLANOPZET

5.1

Plansystematiek

5.1.1 Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het plan. De verbeelding en regels dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.

5.1.2 Verbeelding Op de verbeelding, die bestaat uit één kaartblad, zijn de bestemmingen en aanduidingen van de gronden in het plangebied aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen is terug te vinden in de regels. Een aantal gegevens heeft juridisch gezien geen betekenis en is alleen op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van die kaart (bijvoorbeeld kadastrale en topografische gegevens en huisnummers).

5.1.3 Regels 5.1.3.1

Inleiding

In de regels staan regels voor het gebruik van gronden binnen de bestemming in het plangebied en voor het oprichten en gebruiken van bebouwing op die gronden. De regels zijn ingedeeld in vier hoofdstukken. 5.1.3.2

Hoofdstuk 1: Inleidende regels

Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen. In de artikelen 1 en 2 zijn begripsbepalingen en meetvoorschriften opgenomen die van belang zijn voor de toepassing en interpretatie van de voorschriften in de overige hoofdstukken. 5.1.3.3

Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels

Dit hoofdstuk bestaat uit de artikelen die corresponderen met de bestemmingen op de verbeelding. De regels in een bestemming zijn als volgt opgebouwd en benoemd: 1.

bestemmingsomschrijving;

2.

bouwregels;

3

afwijken van de bouwregels;

4

specifieke gebruiksregels;

5

afwijken van de gebruiksregels ;

6

omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;

7

omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;

8

wijzigingsbevoegdheid.

Een bestemmingsregel hoeft niet alle elementen te bevatten. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. Indien er sprake is van andere aan de grond toekende functies, worden

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

51

Bestemmingsplan ‘Gezandebaan 22 en 24 Someren’ - Toelichting

deze daarna omschreven. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in woningen, bijgebouwen, bedrijfsgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor een toetsing van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen overzichtelijk is. 5.1.3.4

Hoofdstuk 3: Algemene regels

Dit hoofdstuk bevat artikelen, waarin regels zijn opgenomen die gelden voor het gehele plangebied, te weten de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. 5.1.3.5

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels

Dit hoofdstuk bevat 2 regels, waarin bepalingen zijn opgenomen die gelden voor het hele plangebied, namelijk het overgangsrecht en de slotregel.

5.2

Bestemmingen

5.2.1 Agrarisch De gronden die niet worden bestemd in een woonbestemming krijgen overeenkomstig de omliggende gronden een agrarische bestemming zonder bouwmogelijkheden. Op een gedeelte van deze gronden is de landschappelijk inpassing voor gesitueerd en verankerd.

5.2.2 Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woondoeleinden, een aan-huis-verbonden beroep als ondergeschikte functie bij deze woondoeleinden, parkeren, tuin en erf bij deze woning en voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Ter plaatse wordt per bestemmingsvlak één woning toegestaan met een inhoud van maximaal 750 m³.

5.2.3 Waarde – Archeologie 5 De voor ‘Waarde - Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

52

Bestemmingsplan ‘Gezandebaan 22 en 24 Someren’ - Toelichting

6.

UITVOERBAARHEID

6.1

Economische uitvoerbaarheid en Grexwet

De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch wordt gemaakt in ruimtelijk plan. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1. van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd en geen locatie-eisen (aan openbare weg of woningcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. Voor de herbestemming van het plangebied sluit de gemeente met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst. Hiermee is kostenverhaal zeker gesteld.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Dit bestemmingsplan wordt conform de wettelijke vereisten kenbaar gemaakt, waarna het plan of onderdelen van dit plan kunnen worden heroverwogen.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

53

Bestemmingsplan ‘Gezandebaan 22 en 24 Someren’ - Toelichting

7.

PROCEDURE

7.1

Procedure

De bestemmingsplanprocedure conform de Wro wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wro zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: -

het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage;

-

gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad;

-

binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast;

-

de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen;

-

Gedeputeerde Staten hebben een zienswijzen ingediend en deze zienswijzen is niet of niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan;

-

De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten - wijzigingen aangebracht.

Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan pas bekend zijn gemaakt nadat zes weken zijn verstreken.

7.2

Inspraakprocedure

In de Gemeentewet is bepaald dat de gemeenteraad een inspraakverordening dient vast te stellen waarin geregeld wordt op welke wijze ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding van een bestemmingsplan worden betrokken. In de inspraakverordening is aangegeven dat inspraak wordt verleend wanneer dit wettelijk verplicht is. Daarnaast kan elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluiten of inspraak wordt verleend. Gezien de aard van het project is besloten om dit bestemmingsplan niet voor inspraak ter inzage te leggen.

7.3

Overleg ex artikel 3.1.1. Bro

Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Conform artikel 3.1.1 Bro zijn provincie Noord-Brabant en Waterschap Aa en Maas in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg. Door zowel provincie Noord-Brabant en Waterschap Aa en Maas is een vooroverlegreactie kenbaar gemaakt. In het vooroverlegverslag zijn deze vooroverlegreacties van een gemeentelijke beantwoording voorzien.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

54

Bestemmingsplan ‘Gezandebaan 22 en 24 Someren’ - Toelichting

7.4

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 18 november 2022 tot en met 29 december 2022 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is één zienswijze ingediend. In de nota van zienswijzen, welke als bijlage bij deze toelichting is gevoegd, is de ingekomen zienswijze van een gemeentelijke beantwoording voorzien.

CONCEPT-VASTGESTELD

Crijns Rentmeesters bv

55

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12543478/1