Toelichting
Tekst van het document
Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief geen negatieve effecten zal hebben op de flora- en fauna. Uiteraard geldt in alle gevallen de algemene zorgplicht, indien tijdens werkzaamheden toch soorten worden aangetroffen. Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfsplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden. In het kader van de vogelrichtlijn wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het om de periode 15 maart tot 15 juli. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
4.5.3
Houtopstanden
Er worden geen houtopstanden gekapt. Toetsing aan de drie beschermingsregimes voor houtopstanden is daarmee niet aan de orde.
4.6 De Milieuaspecten In dit hoofdstuk worden alle relevante milieuaspecten en overige sectorale aspecten benoemd. De beoogde ontwikkeling wordt aan deze aspecten getoetst.
4.6.1
Bedrijven en milieuzonering
Goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). Voor ruimtelijke plannen is de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (hierna brochure) van toepassing bij de beoordeling van de afstanden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. De afstanden die hierin opgenomen zijn betreffen richtafstanden. Wanneer voldaan wordt aan de opgenomen afstanden uit deze brochure, mag gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbaar en gewaarborgd woon- en leefklimaat. De VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking
41 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden direct naast de hoofdinfrastructuur gelegen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Het plangebied is gelegen in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving vindt verder geringe functiemenging plaats. Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk. Paardenhouderij In de directe omgeving van het plangebied is het gevoelige object aan de Dooleggersbaan 20, een bedrijfswoning, gelegen op een afstand van 33 meter van het plangebied.
Conform de VNG brochure is voor een paardenhouderij gelegen in rustig buitengebied de richtafstand die moet worden aangehouden 50 meter voor het aspect geur, 30 meter voor stof en 30 meter voor geluid. Aan deze richtafstanden wordt ten opzichte van alle locaties met gevoelige objecten in de omgeving ruimschoots voldaan. De bedrijfswoning aan de Dooleggersbaan 20 ligt in de directe omgeving van het plangebied op 33 meter afstand. Voor deze bedrijfswoning kan aan de richtafstanden voor stof en geluid worden voldaan. Ten aanzien van het aspect geur wordt een nadere toelichting gegeven in paragraaf 4.6.2 ‘Geur’. Naast de paardenhouderij worden enkele nevenactiviteiten beoogd. Deze worden hierna getoetst. Recreatieverblijven Middels het initiatief worden 4 recreatieverblijven toegevoegd aan het plangebied. Deze worden in het bestemmingsplan met een functieaanduiding mogelijk gemaakt. Daar het gebruik is gericht op menselijk verblijf dient hierover ook een afweging te worden gemaakt in het kader van bedrijven en milieuzonering. Enerzijds over het effect op gevoelige objecten in de omgeving en anderzijds of dit mogelijk een belemmering vormt voor (agrarische) bedrijven in de omgeving. Hiervoor hoeft niet getoetst te worden aan het bedrijf waar de eenheden onderdeel van uit maken, enkel aan bedrijfsfuncties van derden.
Conform de VNG brochure is voor ‘Hotels en pensions’ gelegen in rustig buitengebied de grootste richtafstand die moet worden aangehouden 10 meter voor het aspect geluid. Aan deze richtafstanden wordt ten opzichte van alle locaties met gevoelige objecten in de omgeving ruimschoots voldaan. De recreatieverblijven zijn dus op gepaste afstand van gevoelige objecten in de omgeving gelegen. De volgende dichtstbijzijnde bedrijfsfuncties van derden zijn in de omgeving van het plangebied gesitueerd (de afstanden zijn gemeten tussen de beoogde bestemmingsgrens van Dooleggersbaan 21 en de inrichtingsgrens van de bedrijfsfuncties van derden): ▪ ▪
Dooleggersbaan 20 – rund- en pluimveehouderij, gelegen op een afstand van 24 meter van het plangebied; Nederweertseweg 23 – melkrundveebedrijf, gelegen op een afstand van ongeveer 188 meter van het plangebied.
Voor een bedrijf gericht op het houden van rund- en pluimvee geldt op grond van de VNG-brochure een richtafstand van maximaal 200 meter vanwege het aspect geur. Aan deze richtafstand voor geur kan dus niet worden voldaan ten aanzien van het agrarisch bedrijf aan de Dooleggersbaan 20. Dit wordt verder toegelicht in paragraaf 4.6.2 ‘Geur’. Het bedrijf aan de Nederweertseweg 23 valt het beste te categoriseren als een bedrijf gericht op ’Fokken en houden van rundvee’. Hiervoor is in de VNG-brochure een richtafstand van maximaal 100 meter opgenomen
42 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
vanwege het aspect geur. Ten aanzien van het melkrundveebedrijf aan de Nederweertseweg 23 wordt derhalve aan de richtafstanden voldaan. Het is voor bezoekers van de recreatieverblijven derhalve acceptabel om ter plaatse te verblijven en omgekeerd vormen de recreatieverblijven geen onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van (agrarische) bedrijven in de omgeving. Kenniscentrum voor educatiedoeleinden Het betreft een kleinschalige activiteit, waarbij kleine groepen mensen een cursus, les of workshop volgen. Op persoonlijk niveau wordt uitgelegd hoe de deelnemers hun eigen hobbypaard moeten verzorgen en met welke hulpmiddelen. Dit vindt plaats in de kantine. Conform de VNG brochure is daarom aangesloten bij het type ‘Kantine’ gelegen in rustig buitengebied en is de grootste richtafstand die moet worden aangehouden 10 meter voor het aspect geur, geluid en gevaar. Aan deze richtafstanden wordt ten opzichte van alle locaties met gevoelige objecten in de omgeving ruimschoots voldaan. Het kenniscentrum voor educatiedoeleinden is dus op gepaste afstand van gevoelige objecten in de omgeving gelegen. Winkel in het kenniscentrum De winkelfunctie is gevestigd in het bedrijfsgedeelte bij de bedrijfswoning, de bestaande woonboerderij (A op Afbeelding 5).
Conform de VNG brochure is voor ‘Detailhandel voor zover niet elders genoemd’ gelegen in rustig buitengebied de grootste richtafstand die moet worden aangehouden 10 meter voor het aspect geluid. Aan deze richtafstanden wordt ten opzichte van alle locaties met gevoelige objecten in de omgeving ruimschoots voldaan. De winkel is dus op gepaste afstand van gevoelige objecten in de omgeving gelegen. Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ legt derhalve geen beperkingen op aan het planvoornemen.
4.6.2
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Deze wet schrijft afstanden voor tussen een bedrijf waar landbouwhuisdieren worden gehouden en geurgevoelige objecten, die moeten worden gehanteerd bij de verlening van een omgevingsvergunning milieu aan een agrarisch bedrijf waar vee wordt gehouden. Voor een bedrijf waar kleinere aantallen landbouwhuisdieren worden gehouden is deze wetgeving vervat in het Activiteitenbesluit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij de ontwikkeling van een paardenhouderij te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van bestaande geurgevoelige objecten acceptabel blijft. Bovendien dient ten behoeve van de recreatieverblijven, een nieuw geurgevoelig object, het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied inzichtelijk te worden gemaakt. Omgekeerd dient te worden aangetoond dat de ontwikkeling niet beperkend is voor omliggende (agrarische) bedrijven. Paardenhouderij Het dichtstbijzijnde geurgevoelig object betreft de bedrijfswoning aan de Dooleggersbaan 20, gelegen op een afstand van circa 33 meter tot de inrichtingsgrens.
Conform het Activiteitenbesluit geldt voor paardenhouderijen die zijn gelegen buiten de bebouwde kom een vaste afstand van 50 meter voor geur (emissiepunt). Tevens dient de buitenzijde van een dierenverblijf op minimaal 25 meter van een geurgevoelig object te worden geplaatst. Alle objecten liggen op grotere afstand van de inrichting dan het gestelde maximum van 50 meter, behalve het object aan de Dooleggersbaan 20. De afstand tussen de dierenverblijven binnen de inrichting en dit object bedraagt 92 meter. Er wordt in de bestaande situatie dus voldaan aan de gestelde vaste afstand van 50 meter. Op grond van de geurwetgeving mogen dierenverblijven in de toekomst nooit binnen 50 meter van bestaande geurgevoelige objecten worden opgericht. Dit was in de bestaande situatie als melkveehouderij al het geval en dit blijft zo met de ontwikkeling tot gebruiksgerichte paardenhouderij. Er zal dus te allen tijde aan die vaste afstand kunnen blijven worden voldaan.
43 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
Hieruit kan worden geconcludeerd dat met de herontwikkeling tot gebruiksgerichte paardenhouderij een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van geurgevoelige objecten gewaarborgd blijft. Omgekeerde werking Binnen het plangebied is al sprake van een bestaand geurgevoelig object in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij, te weten de aanwezige bedrijfswoning. In de beoogde situatie wordt de locatie herbestemd tot gebruiksgerichte paardenhouderij. Het geurgevoelige object blijft dus onderdeel van een bedrijf waar landbouwhuisdieren worden gehouden. Met de gewenste ontwikkeling wordt de afstand van dit geurgevoelige object tot de dichtstbijzijnde veehouderijen niet verkleind. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet leidt tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Recreatieverblijven Met het toevoegen van 4 recreatieverblijven aan het plangebied wordt ten aanzien van het agrarisch bedrijf aan de Dooleggersbaan 20 niet zonder meer aan de richtafstand voldaan op grond van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009). Uit de Wet geurhinder en veehouderij volgt dat geurgevoelige objecten die onderdeel uit maken van een bedrijf waar landbouwhuisdieren gehouden worden op minimaal 50 meter van veehouderijbedrijven van derden gesitueerd moeten worden.
Het plangebied ligt op een afstand van 24 meter van de rund- en pluimveehouderij aan de Dooleggersbaan 20. De beoogde recreatieverblijven worden alleen ter plaatse van een specifieke functieaanduiding mogelijk gemaakt.Bij de begrenzing van de functieaanduiding wordt rekening gehouden met de minimumafstand van 50 meter tussen het rund- en pluimveebedrijf en de recreatieverblijven. Deze functieaanduiding wordt op een afstand van minimaal 50 m van het bouwvlak van het agrarisch bedrijf aan de Dooleggersbaan 20 gelegd. Daarmee wordt deze minimumafstand geborgd. De verblijfsruimten worden dus allemaal op een afstand van meer dan 50 meter van de rund- en pluimveehouderij gerealiseerd. Daarmee wordt voldaan aan de afstanden op grond van de Wet geurhinder en veehouderij. Hieruit kan worden geconcludeerd dat met de toevoeging van de recreatieverblijven geen onevenredige belemmering vormt voor de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf aan de Dooleggersbaan 20. Omgekeerd leiden de nieuwe nachtverblijven dus niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Het initiatief heeft dus met zekerheid geen onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen tot gevolg.
4.6.3
Geluid
In paragraaf 4.6.1. ‘Bedrijven en milieuzonering’ zijn de afstanden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies beoordeeld om vast te stellen dat er sprake is van een aanvaardbaar en gewaarborgd woon- en leefklimaat in het kader van een goede ruimtelijke ordening op grond van de Wet ruimtelijke ordening. In deze paragraaf wordt getoetst of wordt voldaan aan Wet geluidhinder (hierna Wgh), die op 1 januari 2007 (gewijzigd) in werking is getreden. Deze wet beschermt geluidgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van geluidsbronnen: wegverkeer, spoorwegen, industrie en luchtvaart. Door middel van zonering worden grenzen aangehouden waarmee geluidgevoelige objecten worden beschermd. De zonering betreft een afstand, uitgaande van een geluidsbron, waarbinnen het normenstelsel uit de Wgh van toepassing is. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de volgende vragen van belang om te toetsen of voldaan wordt aan het aspect geluid: 1. Is er sprake van geluidgevoelige objecten in de zin van de Wgh? Indien het antwoord hierop nee is, dan is verder onderzoek naar geluidoverlast op grond van de Wgh niet van toepassing. 2. Zo ja, is er dan sprake van geluidsoverlast: a. door wegverkeerslawaai? b. van een spoorweg? c. door de luchtvaart? d. van industrie ? 3.
Welk effect heeft het plan op de omgeving? Geluidgevoelige objecten Allereerst dient te worden vastgesteld of er sprake is van geluidgevoelige objecten die op grond van de Wgh beschermd dienen te worden. De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten:
44 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
▪ ▪ ▪
Woningen; andere geluidsgevoelige gebouwen (o.a. onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven); geluidsgevoelige terreinen.
In het plangebied is al sprake van een bestaand geluidgevoelig object, zijnde de bedrijfswoning. Een recreatieverblijf wordt op basis van vaste jurisprudentie namelijk niet beschouwd als een geluidgevoelig object, zie ABRvS 30 mei 2000, nr. 199901166/1 (ECLI: NL.RVS.2004.AO5659). Aangezien er geen geluidgevoelige objecten worden toegevoegd is een onderzoek naar geluidsoverlast in de zin van de Wgh niet van toepassing. Spoorweg In de omgeving van het plangebied is geen spoorweg gelegen. Dit is dus niet relevant voor beoogde ontwikkeling.
Luchtvaart Het plangebied is niet gelegen in een geluidzone met betrekking tot de luchtvaart. De beoogde ontwikkeling zal derhalve geen geluidoverlast ondervinden door de luchtvaart. Industrie In de directe omgeving van het plangebied is geen industrie aanwezig. Derhalve zal er geen geluidsoverlast zijn met betrekking tot de industrie. Effect op de omgeving Aangezien er geen geluidsgevoelig object wordt toegevoegd, is alleen effect van de beoogde ontwikkeling op de omgeving van belang. Het eventuele effect van de beoogde ontwikkeling op de omgeving qua geluid is nader toegelicht in de paragraaf ‘Bedrijven en milieuzonering’. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmering zal vormen voor het planvoornemen.
4.6.4
Luchtkwaliteit
De regelgeving omtrent de luchtkwaliteit is opgenomen in de Wet milieubeheer (Wm). De belangrijkste aspecten t.a.v. de Europese luchtkwaliteitseisen zijn vernoemd in de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderdeel uit van de Wm; hoofdstuk 5, titel 5.2. Rijk, provincies en gemeenten werken samen om de Europese eisen en doelstellingen voor het verbeteren van de luchtkwaliteit te realiseren. Overheidsinstanties zijn verplicht om bij (ruimtelijke) ingrepen en ontwikkelingen de mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Het opstellen en vaststellen van een bestemmingsplan behoort tot deze categorie, daarom is het noodzakelijk dat de eventuele gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld worden gebracht. Omgekeerd is het van belang dat ter plaatse het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit. Niet in betekenende mate Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden, bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen.
Wanneer bij de planvorming sprake is van één van de volgende punten vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering: ▪ Er is sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ Een plan leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; ▪ Een plan draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; ▪ Een plan past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ staat plannen toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende plan niet in betekenende mate is. De afkorting NIBM staat voor ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ aan de luchtverontreiniging. Hiermee worden ruimtelijke plannen of (te vergunnen) activiteiten bedoeld die slechts een zeer geringe bijdrage hebben aan de luchtverontreiniging. In deze gevallen is een toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit niet nodig. Belangrijk bij toetsing van NIBM is dat aannemelijk gemaakt moet worden, dat de 3% grens niet wordt overschreden (artikel 2 van het Besluit NIBM). Wanneer gesteld kan worden dat het aannemelijk is dat de grens niet wordt overschreden, dan is het plan NIBM.
45 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
De regeling NIBM geeft categorieën aan van gevallen en getalsmatige grenzen waarbinnen een plan altijd NIBM is, ongeacht de bijdrage ervan op de concentraties. Voor dergelijke gevallen mag er zonder meer van worden uitgegaan dat de bijdrage van het plan NIBM is. In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen moet middels een berekening worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. Met de beoogde ontwikkeling wordt een melkveehouderij herbestemd tot gebruiksgerichte paardenhouderij. Voor paarden zijn geen emissiefactoren voor wat betreft de uitstoot van fijnstof vastgesteld. Wel dient bepaalt te worden of de (eventuele) toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed heeft op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool voor ontwikkeld. Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. De verkeersaantrekkende werking van de beoogde bedrijfsopzet is beschreven in paragraaf 4.4. Hieruit blijkt dat de weekdaggemiddelde verkeersgeneratie van de beoogde paardenhouderij 41,1 verkeersbewegingen bedraagt.
In totaal ontstaan er 0,4 zware verkeersbewegingen en 40,7 lichte verkeersbewegingen per etmaal. Uit de berekening van de NIBM-tool blijkt dat bij een dagelijks aantal van 41,1 verkeersbewegingen van en naar de inrichting de bijdrage aan de fijnstofconcentratie nog NIBM is. Dit is gerekend met cijfers in het meest ongunstigste geval, want bij de berekening is geen rekening gehouden met de aftrek van de bestaande verkeersbewegingen. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving.
Afbeelding 18 – Uitsnede NIBM-tool
Woon- en leefklimaat Op grond van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m 3. Vanaf 1 januari 2015 geldt tevens een grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. De achtergrondconcentratie PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied kan worden geraadpleegd via de Grootschalige Concentratie- en depositiekaarten Nederland van het RIVM. Uit onderstaande afbeeldingen is op te maken dat de achtergrondconcentratie PM10 15,01 μg/m3 bedraagt en de achtergrondconcentratie PM2,5 8,142 μg/m3. Er kan dus ruimschoots worden voldaan aan de grenswaarden voor wat betreft de concentratie PM10 en PM2,5.
46 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
Afbeelding 19 – Uitsnede GCN-kaart PM10
Afbeelding 20 – Uitsnede GCN-kaart PM2,5
Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2, die niet vaker dan 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden. De norm voor langdurende blootstelling van de bevolking is de grenswaarde van 40 μg/m3 voor de jaargemiddelde NO2-concentratie. De achtergrondconcentratie ter plaatse bedraagt 10,16 μg/m3 blijkt uit de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland. Er kan dus tevens worden voldaan aan de grenswaarde voor wat betreft NO2 concentratie.
47 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
Afbeelding 21 – Uitsnede GCN-kaart NO2
Conclusie Door het feit dat de ontwikkeling ‘NIBM’ zal zijn kan worden geconcludeerd dat er geen negatieve gevolgen zullen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Daarnaast wordt er ruim voldaan aan de grenswaarden van de achtergrondconcentraties. Hierdoor is te concluderen dat er ook sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.6.5
Externe veiligheid
Het rijksbeleid voor externe veiligheid heeft tot doel het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving. Het gaat hierbij om situaties waarbij gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen nabij luchthavens betrokken zijn. Bij gevaarlijke stoffen moet men denken aan het vervoeren, transporteren, opslag, produceren etc. Bij externe veiligheid wordt het mogelijke risico in kaart gebracht wat derden lopen bij eventuele calamiteit. Het gaat hierbij om ‘slachtoffers van buiten de poort’. Mensen die niets met een activiteit van gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen te maken hebben, maar hier wel de dupe van worden bij een ramp. Bij externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt in externe veiligheid voor inrichtingen, voor transport van gevaarlijke stoffen en voor luchthavens. Het externe veiligheidsbeleid stelt twee doelstellingen centraal: ▪ Plaatsgebonden risico (PR): De bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; ▪ Groepsrisico (GR): De bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijke ramp met een groot aantal slachtoffers.
Het PR geeft de kans per jaar aan dat een persoon, die permanent en onbeschermd aanwezig is op een bepaalde plaats buiten een bedrijf (inrichting) of in de buurt van een vervoersmodaliteit (vervoer via weg, water, spoor of buisleiding) of nabij een luchthaven, op die plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen binnen die inrichting of op die vervoersmodaliteit of als gevolg van een ongeval nabij de luchthaven. De norm die voor het PR geldt, is de kans van 1:1.000.000 (10 -6). Voor kwetsbare objecten is dit een grenswaarde welke moet worden opgevolgd. Voor beperkt kwetsbare objecten is het een richtwaarde. Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval waarbij tien of meer dodelijke slachtoffers vallen in de omgeving van de risicobron. Voor het groepsrisico is geen norm gesteld. Uit het vigerende beleid, zoals onder andere vastgelegd in het Bevi, geldt een verantwoordingsplicht. Iedere verandering (af- of toename) van het groepsrisico moet inzichtelijk worden gemaakt en worden voorzien van een onderbouwing. Het beleid ligt vast in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bevi Gezien de aard van de voorgenomen activiteit (wijziging van een gebruiksgerichte paardenhouderij) is het Bevi niet van toepassing.
De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het
48 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
plangebied. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen aan de Lage Kuilen 15. Hier is een risicobron gelegen in de vorm van een regelmeet. Hiervoor geldt een veiligheidsafstand van 25 meter tot een kwetsbaar object. De inrichting aan de Lage Kuilen 15 is op circa 2 kilometer van het plangebied gelegen. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de gestelde veiligheidsafstand. Daarom zijn er voor het plan geen belemmeringen vanuit het Bevi. Bevb Ten oosten van het plangebied is een aardgasleiding gelegen waaraan een PR 10-6 risicocontour van 0 meter is toegekend. Aan weerszijden van deze leiding is een belemmeringenstrook van 5 meter bestemd voor de aanleg, instandhouding en/of bescherming van deze leiding. Binnen deze belemmeringenstrook mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden opgericht. Het plangebied is volledig buiten deze belemmeringenstrook gelegen. Het plangebied is echter wel binnen het invloedsgebied van deze buisleiding gelegen. Derhalve dient formeel een verantwoording van het groepsrisico te worden opgesteld. Het groepsrisico neemt in de beoogde situatie toe, door de toevoeging van de verblijfsrecreatie en het kenniscentrum. Hierdoor zullen er in het invloedsgebied meer personen aanwezig zijn dan in de bestaande situatie het geval is. Op grond van artikel 12 van het Bevb dient het groepsrisico derhalve verantwoord te worden.
Aangezien er met het initiatief echter geen grote groepen personen (>50 personen) aan het plangebied toegevoegd en het geen verminderd zelfredzame personen betreft, kan worden volstaan met een beperkte risicoverantwoording. Hier wordt verderop in deze paragraaf op in gegaan. Bevt In de Regeling Basisnet is een tabel met afstanden opgenomen voor het plaatsgebonden risico dat geldt voor transportroutes. Uit de risicokaart blijkt dat de locatie niet ligt binnen de invloedsfeer van wegen die zijn opgenomen in de tabel uit de Regeling Basisnet.
Afbeelding 22 – Uitsnede Risicokaart
Groepsrisicoverantwoording Bij een beperkte groepsrisicoverantwoording dient de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het maatgevend rampscenario te worden beschreven. Het maatgevende scenario voor een aardgasleiding is een fakkelbrandincident. Deze kunnen ontstaan wanneer na een beschadiging van een leiding gas vrijkomt en dit ontsteekt. Bij bestrijdbaarheid gaat het om de mate waarin hulpdiensten de effecten van een ramp kunnen beperken. Mocht zich een voorval voordoen, dan is het van belang dat de hulpdiensten snel ter plaatse zijn met de juiste hulpmiddelen en blusmiddelen. Er wordt advies in gewonnen bij de Veiligheidsregio ten aanzien van opkomsttijden, bereikbaarheid, waarschuwings- en alarmeringsinstallaties en adequate bluswatervoorzieningen. Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Dit kan door schuilen en indien nog mogelijk, vluchten uit het bedreigde gebied. Bij de
49 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
uitwerking van het plan zal derhalve rekening worden gehouden met de volgende aspecten om de zelfredzaamheid te vergroten: ▪ (Nood)Uitgangen van de buisleiding africhten; ▪ Indien mogelijk: de wezenlijke vluchtroutes afschermen tegen hittestraling; ▪ Bedrijfsnoodplan met strategie conform scenario fakkelbrand; ▪ Een verzamelplaats kiezen en inrichten op scenario fakkelbrand. Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het initiatief.
4.7 Vormvrije m.e.r-beoordeling Ingevolge het Besluit m.e.r. wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieubeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet plan MER-plichtig. De criteria als bedoeld betreffen: ▪ De kenmerken van de activiteit (onder andere omvang en cumulatie); ▪ De plaats waar de activiteiten worden verricht (de kenmerken van het plangebied in relatie met de kwetsbaarheid van de omgeving); ▪ De kenmerken van de gevolgen van de activiteit (mogelijk effecten van de activiteit, onder andere bereik, waarschijnlijkheid en omkeerbaarheid).
Kenmerken van de activiteit Het planvoornemen voorziet in het herbestemmen van een bestaande melkveehouderij tot een gebruiksgerichte, natuurinclusieve paardenhouderij in combinatie met verblijfsrecreatie. De ontwikkeling in het plangebied valt onder categorie D14 van het besluit milieueffectrapportage. De drempelwaarde voor het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren ligt op 100 paarden en pony’s, waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld. Het initiatief blijft hier met de realisatie van een paardenhouderij voor 50 paarden ver onder. Dit aantal is indirect vervat in de borging van de referentiesituatie met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Er geldt derhalve geen plan MER-plicht. Wel dient er door het college van burgemeester en wethouders voorafgaand aan het besluit op het ontwerpbestemmingsplan een m.e.r.-beoordelingsbesluit te worden genomen. Plaats waar de activiteit wordt verricht Het plangebied is gelegen in het buitengebied, tussen de kernen Someren-Heide, Maarheeze en Nederweert. Een uitgebreidere omschrijving van de ligging van het plangebied is opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 van deze toelichting.
Het plangebied betreft een bestaand agrarisch bedrijfsperceel, waarbij in de directe omgeving diverse andere agrarische bedrijfspercelen, enkele woonpercelen en agrarische gronden zijn gelegen. Het plangebied is niet gelegen binnen de natuurgebieden (zie hoofdstuk 3) en ook niet binnen een Natura 2000gebied, of in de nabijheid daarvan (zie hoofdstuk 4). Gezien de afstand tot de beschermde gebieden en beperkte beoogde ontwikkelingen, het toevoegen van een buitenrijbaan en longeercirkel binnen het bouwvlak en 4 verblijfsruimten, kan gesteld worden dat er geen effecten op kwalificerende habitats en het natuurnetwerk zullen optreden door de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan voor de locatie. Gezien de aard van de ontwikkeling, de van oorsprong aanwezige functies in het plangebied en de reeds aanwezige functies in de omgeving van de meest nabijgelegen natuurlijke elementen kan gesteld worden dat er geen nadelige effecten op de realisering van het natuurnetwerk zullen optreden door het planvoornemen. Verderop in het hoofdstuk is eveneens beoordeeld dat er geen effecten op kwalificerende soorten zijn te veronderstellen.
50 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
Kenmerken van de gevolgen van de activiteit Alle relevante milieuaspecten zijn in het kader van dit bestemmingsplan in dit hoofdstuk uitvoering onderzocht en nader beschreven. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieueffecten naar voren gekomen die een belemmering kunnen opleveren voor het planvoornemen. Het initiatief betreft een natuurinclusieve paardenhouderij. Hier wordt dan ook volledig op ingezet. Er is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld zodat gezorgd wordt voor kwaliteitsverbetering. Conclusie Door de aard en kleinschaligheid van het planvoornemen wordt niet verwacht dat negatieve effecten zullen optreden door de voorgenomen ontwikkelingen op in de directe omgeving aanwezige waarden en belangen of op aanwezige beschermde gebieden en soorten. Het plan is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft positieve milieugevolgen voor de omgeving. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de in dit plan besloten ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen en dat er geen nadelige effecten zijn te verwachten. Deze toelichting kan worden beschouwd als een vormvrije m.e.r.-beoordeling op basis waarvan het college een besluit kan nemen.
51 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
5 Juridische planopzet In dit hoofdstuk is een beschrijving van de juridische planopzet opgenomen. Dit wordt uiteen gezet aan de hand van de planvorm, verbeelding en planregels.
5.1 Planvorm De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om planregels, een verbeelding en de bijbehorende toelichting. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn op een topografische ondergrond de bestemmingen aangeduid, met daaraan gekoppelde regels met betrekking tot bouwen en gebruik. De toelichting bij het plan heeft geen juridisch bindende werking maar biedt een overzicht van de onderzoeksresultaten en planmotivatie.
5.2 Verbeelding De verbeelding visualiseert het plangebied. Uit de verbeelding blijkt de begrenzing en de ligging van het plangebied. De verbeelding is direct verbonden met de bijbehorende regels. In de regels worden de condities en voorwaarden voor de bestemmingen en aanduidingen gesteld. De verbeelding is vervaardigd conform wettelijke eisen en geldende standaarden. De verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:500 en bestaat uit één kaart. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: ▪ Enkelbestemming: Bedrijf; ▪ Enkelbestemming: Agrarisch met waarden - Natuurwaarden; ▪ Functieaanduiding: specifieke vorm van agrarisch met waarden – kleinschalige verblijfsrecreatie; ▪ Functieaanduiding: specifieke vorm van bedrijf – gebruiksgerichte paardenhouderij; ▪ Functieaanduiding: specifieke vorm van bedrijf – kleinschalige verblijfsrecreatie; ▪ Functieaanduiding: specifieke vorm van waarde – hydrologisch waardevol; ▪ Gebiedsaanduiding: overige zone – beperkingen veehouderij; ▪ Gebiedsaanduiding: overige zone – voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing; ▪ Gebiedsaanduiding: overige zone – stalderingsgebied.
5.3 Planregels De regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De in het bestemmingsplan opgenomen regels zijn geheel overeenkomstig de regels van het moederplan ‘Buitengebied Someren – Deelgebied 1’. Ten behoeve van de natuurinclusieve paardenhouderij en pensionstal wordt de enkelbestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ herbestemd tot de enkelbestemming ‘Bedrijf’ met als functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – gebruiksgerichte paardenhouderij’. Binnen deze functieaanduiding zijn ondergeschikte en/of ondersteunende functies met beperkende regels opgenomen ten behoeve van de kunstobjecten t.b.v. recreatief nachtverblijf en de kantine voor gebruik van derden. Ten behoeve van de borging van het landschappelijk inpassingsplan is in de planregels de ‘gebiedsaanduiding: overige zone – voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing’ opgenomen.
52 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
6 Uitvoerbaarheid In de Wet ruimtelijke ordening is vastgelegd dat ieder bestemmingsplan en wijzigingsplan inzicht moet geven in de uitvoerbaarheid ervan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid Een gemeente is (in beginsel) verplicht om, op grond van artikel 6.12 eerste lid, Wro een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een in het Bro aangewezen bouwplan is voorgenomen. De gemeenteraad kan echter besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien: ▪ Het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins is verzekerd; ▪ Het bepalen van een tijdvak voor de exploitatie of een fasering van de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen niet nodig is; ▪ Het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onder b, c en d Wro niet noodzakelijk is. Met het planvoornemen is sprake van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Dit betekent dat het kostenverhaal verzekerd moet zijn. Door middel van een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer zal hierin worden voorzien.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke haalbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden en is vooroverleg gevoerd met de daartoe aangewezen instanties. Omwonenden van het plangebied zijn via een persoonlijke toelichting op de hoogte gebracht door initiatiefnemer. Hierbij is gebruik gemaakt van het ontwerp dat is gemaakt door Frank Talsma van HNS Landschapsarchitecten en kunstenaar Alphons ter Avest. De omwonenden hebben tijdens de gesprekken geen bezwaren geuit. Men wenst initiatiefneemster veel succes met haar onderneming en komen graag kijken wanneer alles gerealiseerd is. Het verslag van de dialoog is toegevoegd in Bijlage 7. In Bijlage 8 is het verslag van het wettelijke vooroverleg toegevoegd. De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van toepassing). Het ontwerp is in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken, van 29 december 2023 tot en met 8 februari 2024. Gedurende deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken. Van deze mogelijkheid is door één partij gebruik gemaakt.
Deze zienswijze en de manier waarop deze is verwerk in het plan wordt besproken in de Nota van zienswijzen (Bijlage 9). Het plan wordt vervolgens ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
53 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
7 Bijlagen Bijlage 1: Bijlage 2:
Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5 :
Bijlage 6 : Bijlage 7: Bijlage 8: Bijlage 9:
Frye Folly’s presentatie a - Landschappelijk inpassingsplan b - Uitlijning plantwerk c - Specificatie plantenlijst d - Frye Ranch Ontwerp e - Beplanting Frye Ranche Projectplan Frye Ranch Verkennend bodemonderzoek a - Stikstofdepositie onderzoek b - Milieutekening d.d. 26-02-1999 c - AERIUS-verschilberekening referentie- en beoogde situatie (met eigen rekenpunten) d - AERIUS-verschilberekening referentiesituatie en realisatiefase Bodembalansanalyse Verslag omgevingsdialoog Vooroverlegverslag Nota van zienswijze
54 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren