Toelichting
Tekst van het document
Doel van het beeldkwaliteitsplan is om met een set richtlijnen en bouwstenen inspiratie te bieden met passende inrichtingsmaatregelen voor elke unieke locatie. Daarbij zijn in het plan verschillende landschapstypen aangegeven.
22 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
Afbeelding 10: Kaart Landschapstypen
Het plangebied ligt in het landschapstype ‘Jongere heideontginningen’, dat sturend is voor het beeldkwaliteitsplan De kenmerken van de jongere heideontginningen zijn de regelmatige en rechtlijnige patronen binnen relatief grootschalige gebieden met verre zichten. De overgang naar de bosgebieden is in dit landschap vrij hard, door een vrij rechtlijnige bosgrens. Er zijn enkele zeer waardevolle open gebieden waar ook geen/ weinig bebouwing aanwezig is. Structurerend in het landschap zijn de aanwezige bomenlanen van (Amerikaanse) Eiken. In het gebied zijn veel en grootschalige agrarische bedrijven aanwezig. Door de hier aanwezige open gebieden zijn de bedrijven op grotere afstand zichtbaar. Vanuit deze kenmerken is het landschappelijk inpassingsplan opgebouwd. Richtlijnen ▪ ▪
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Open ruimtes met doorzichten Indien bebouwing vanuit andere beleidsoverwegingen toegestaan wordt, dan zoveel mogelijk in de bestaande linten, knopen en clusters conform de bouwstenen: linten, knopen en clusters, overige bebouwing of overige bouwwerken Natuurvriendelijke oevers Landschap met bomenlanen , Kruidenrijke akker- en weidelanden en kruidenrijke vegetatie Biodiversiteit door ecologische verbindingszones, bevorderen en versterken van natuurwaarden, natuurvriendelijke oevers en / of kruidenrijke vegetatie. Recreatieve paden Groene uitstraling met de inrichting van een ‘groen voorerf’. Omzoomd met een lage haag of landschappelijk houten hekwerk. Een solitaire boom of kleine boomgroep bijvoorbeeld ter markering van de erfgrens. Een gedeelte van de tuin naast de voorgevel inrichten als boomgaard. Minder verhard oppervlak door optimale logistieke indeling van het bedrijf zorgt voor een groene en natuurlijke uitstraling van het erf. Erven/bedrijven hebben maximaal één inrit, behalve als dit noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering.
Het bedrijf is hoofdzakelijk gericht op een natuur inclusieve bedrijfsvoering met bijbehorende inrichting van het plangebied. Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande bebouwing, waarbij enkele overige bouwwerken en bebouwing ten behoeve van de natuurinclusieve paardenhouderij worden toegevoegd. Daarbij bij de inriching van het landschap nadruk gelegd op het vergroten van de biodiversiteit én een afwisselende beleving met diverse singels, hagen en solitaire bomen. Zo ontstaat er een groen ruimtelijk casco waarbinnen in een wisselende setting weides, tracks, paddocks, poelen en kunstobjecten een plek krijgen. De oorspronkelijke kavel wordt ingedeeld in kleinere eenheden of ‘landschapskamers’ die afwisselend beweid kunnen worden. Het karakteristieke zicht vanaf de boerderij richting Kievitsbeek blijft gehandhaafd door de noord-zuid richting van de singelbeplanting. Het plangebied is conform het beeldkwaliteitsplan landschappelijk ingepast met de volgende bouwstenen uit het beeldkwaliteitsplan: bomenrijen, bosbeplanting, ecologische verbindingszone, hagen, kruidenrijke akker- en
23 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
weideranden, kruidenrijke vegetatie/graslanden, natuurvriendelijke oevers, recreatieve paden, solitaire bomen en struweelhagen, zie Bijlage 2 en Bijlage 3. Geconcludeerd kan worden dat zowel de richtlijnen als de bouwstenen uit het beeldkwaliteitsplan zijn toegepast bij de inrichting van het plangebied.
3.3.3
Bestemmingsplan
In paragraaf 1.3 van deze toelichting is het vigerende bestemmingsplan dat op het plangebied van toepassing is toegelicht. Echter zijn beoogde activiteiten, een gebruiksgerichte paardenhouderij, niet rechtstreeks toegestaan binnen de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’. In het vigerende bestemmingsplan is wel de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4.7.4 ‘Wijzigingsbevoegdheid naar ‘Bedrijf’ ten behoeve van een agrarisch verwant bedrijf en agrarisch-technisch hulpbedrijf buiten groenblauwe mantel’ opgenomen. Deze bevoegdheid sluit echter niet 100 % aan bij de beoogde ontwikkeling. Hit initiatief betreft een natuurinclusieve paardenpension. De omvang van het huidige bouwvlak blijft in dit specifieke geval gelijk om realisatie van de beoogde buitenrijbak en de longeercirkel mogelijk te maken. Uit de regels behorende bij de bestemmingen ‘Agrarisch met waarden – Natuurwaarden’, ‘Agrarisch met waarden – Ontwikkelingszone groen’ en ‘Natuur’ blijkt bovendien dat het gebruik voornamelijk gericht dient te zijn op behoud, herstel en ontwikkeling van droge en natte natuurgebieden, wateren met natuurwaarden, landschappelijke en cultuurhistorische waarden en de ecologische structuur. De beoogde plannen sluiten hier juist wel erg goed bij aan. Het college heeft daarom in haar principebesluit d.d.
10-11-2021 aangegeven medewerking te willen verlenen middels een partiële herziening, omdat een natuurinclusieve paardenpension een positieve ontwikkeling voor de natuur is. Om beoogde ontwikkeling mogelijk te maken ten behoeve van de gebruiksgerichte paardenhouderij dient de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ te worden gewijzigd in ‘Bedrijf’ met een specifieke functieaanduiding. Het bestemmingsplan moet derhalve worden herzien conform artikel 3.1 van de Wro. Het college heeft in haar reactie op het principeverzoek aangegeven te willen meewerken aan het realiseren van het initiatief. Hierbij stelt het college de volgende voorwaarden: ▪ De ontwikkeling dient gepaard te gaan met hergebruik van de bestaande bebouwing; ▪ Het realiseren van maximaal 4 verblijfsruimten, voor in totaal 8 personen en 8 paarden als een ondergeschikte nevenactiviteit; ▪ De omvang van de detailhandel is beperkt en heeft een directe relatie met de bedrijfsvoering; ▪ Het motiveren van de beperkte frequentie en verkeer aantrekkende werking van de workshops en lezingen, die in relatie met de hoofdactiviteit dienen te zijn; ▪ De kantine is van ondergeschikte aard aan de hoofdactiviteit; ▪ Het initiatief dient te worden vertaald in een bestemmingsplan; ▪ De economische haalbaarheid van het plan middels een bedrijfsplan; ▪ De kwaliteitsverbetering en aansluiting bij het beeldkwaliteitsplan met een
uitgebreide landschappelijke inpassing; ▪ Het voldoen aan de wettelijke milieu hygiënische aspecten. In dit bestemmingsplan zijn alle voorwaardes geborgd die het college noodzakelijk acht om in dit specifieke geval mee te werken aan de bestemmingsplanwijziging.
24 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
4 Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk worden alle relevante omgevingsaspecten benoemd. Doel van dit hoofdstuk is om aan te tonen dat de ontwikkeling past binnen een goede ruimtelijke ordening, een goed woon- en leefklimaat en de ontwikkeling wordt getoetst aan milieutechnische aspecten.
4.1 Waterparagraaf Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient er op basis van Europees beleid, Rijksbeleid en provinciaal beleid rekening gehouden te worden met de aanwezige watersystemen en waterketens. Het waarborgen en zorgdragen voor een goede afvoer en doorstroming van water moet verplicht opgenomen worden in ieder plan. Derhalve moet ieder plan voorzien zijn van een waterparagraaf. Het plangebied is gelegen in de provincie Noord-Brabant en valt binnen het waterschap Aa en Maas. In dit geval wordt ook het beleid van de provincie Limburg en het waterschap Limburg betrokken bij de beoordeling van het initiatief omdat een deel van de gronden van de Dooleggersbaan 21 in Limburg liggen. Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is van toepassing. In dit plan is het waterbeleid op hoofdlijnen omschreven en zijn de ruimtelijke aspecten die de doelstellingen die hieruit voorkomen opgenomen. Het Rijksbeleid richt zich met name op de waterveiligheid t.a.v. de grote rivieren; de Maas, Waal en Rijn en de kustlijn, de omgang met zoetwatergebieden, de algemene waterkwaliteit en grote watergebieden zoals Rijn-Maas delta, IJsselmeer gebied etc. De beoogde ontwikkelingen zijn van dermate kleine omvang dat het rijksbeleid geen gevolgen dan wel consequenties heeft voor het beoogde plan.
Provinciaal waterplan Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 vastgesteld. Door middel van het Regionaal Water en Bodem Programma wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat-robuust water- en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Het Regionaal Water en Bodem Programma is de opvolger van het Provinciaal Milieu- en Waterplan en onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking, ofwel abiotische en biotische systemen zoveel mogelijk intact laten. Het plangebied is niet gelegen binnen één van de natte natuurparels en beschermingsgebieden. Derhalve hebben de doelstellingen en uitgangspunten hiervoor geen gevolgen van beoogde plan. Waterschap Aa en Maas Het Waterbeheerplan 2022-2027 is in december 2021 vastgesteld door het Algemeen bestuur van Aa en Maas. In dit waterbeheerplan staan de doelstellingen van waterschap Aa en Maas voor de periode 2022-2027. Het plan beschrijft wat er nodig is om die doelen te behalen. Met dit plan wordt daarnaast invulling gegeven aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening Water om een waterbeheerplan op te stellen.
Het plan bestaat uit drie verschillende programma’s: het Programma Waterveiligheid, het Programma Klimaatbestendig en gezond watersysteem en het Programma Schoon water. Legger Een legger is een door het waterschap vastgesteld register en geeft een overzicht van: ▪ Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken; ▪ Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent; ▪ Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk zijn voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing zijn. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken. In navolgende afbeelding is een uitsnede opgenomen uit de Leggerkaart van Waterschap Aa en Maas. De dichtstbijzijnde watergangen in de omgeving zijn gelegen op circa 106 en 166 meter ten zuiden en westen van het plangebied . Dit betreffen twee A-watergangen. De afstand van de planlocatie tot deze primaire waterlopen is voldoende, de beoogde ontwikkeling ligt namelijk niet in het profiel van de vrije ruimte of beschermingszones, waardoor het planvoornemen geen invloed heeft op de watergang.
25 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
Afbeelding 11 – Leggerkaart Waterschap Aa en Maas
Keur Waterschap Aa en Maas De laatste versie van de Keur is per 1 april 2021 in werking getreden en dient als aanvulling op de regels uit de Waterwet. De Keur stelt regels t.a.v. de inrichting, het gebruik, beheer en onderhoud en overige werkzaamheden aan rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen. Deze regels gelden zowel voor stromen die eigendom zijn van het waterschap als stromen die in eigendom zijn van derden. De voorschriften in de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Denk aan activiteiten zoals het lozen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het dempen van een sloot of het plaatsen van een duiker of brug. Op basis van artikel 3.6 is het verboden om zonder waterwetvergunning van het bestuur neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Als er sprake is van een toename van 500 m2 of meer zal er een maatregel getroffen moeten worden in de vorm van een retentievoorziening. Watertoets Met het initiatief is een minimale toename van het dakoppervlak voorzien. In de beoogde situatie wordt gebruik gemaakt van de bestaande bebouwing en deze blijven in omvang ongewijzigd. In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het afvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool net zoals het bedrijfsafvalwater.
Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd wat afkomstig is van de daken en erfverharding. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Onder afschot van daken en erfverharding wordt dit hemelwater geloosd op het eigen percelen. Er komen centrale voorzieningen binnen het bouwvlak, die op hun beurt zullen worden aangesloten op de bestaande rioolaansluiting. Als nevenactiviteit worden maximaal vier kunstobjecten gerealiseerd met een oppervlakte van 15 m2 per stuk. De objecten worden niet aangesloten op het de riool. Het regenwater dat neerkomt op de objecten zal worden teruggebracht op eigen percelen. Er is sprake van een toename in bebouwd oppervlak van 60 m2. Dat betekent dat de toename van dakoppervlak minder dan 500 m2 is. Daarnaast wordt een buitenrijbaan van 1800 m2 en een longeercirkel met een oppervlakte van circa 100 m2 gerealiseerd. Het hemelwater wat terecht komt op de buitenrijbak wordt via het drainagesysteem opgevangen en gereguleerd. Het water wordt vastgehouden in natte periodes en vrijgegeven in droge periodes. Hiervoor hoeft dus niet te worden voorzien in een retentievoorziening. De longeercikel wordt voorzien van een zandbodem, zodat het water hier kan blijven filtreren in de bodem.
Het hemelwater wat terecht komt op de erfverharding vloeit onder afschot direct af naar omliggende gronden. Er is dus geen sprake van toename in verhard oppervlak met puntlozing.
26 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
Hierdoor is een retentievoorziening niet noodzakelijk. Daarnaast wordt door de waterpelen gezorgd voor een toename van het waterbergend vermogen van het plangebied, wat een positief effect heeft op de waterhuishouding in het plangebied en de omliggende gronden. Gemeentelijk Rioleringsplan Het gemeentelijk rioleringsplan beschrijft op hoofdlijnen hoe de gemeente invulling geeft aan de rioleringszorg voor de langere termijn. Het GRP geeft invulling aan de gemeentelijke zorgtaken ten aanzien van afvalwater, hemelwater en grondwater. Daarnaast is invulling gegeven aan de doelen ten aanzien van de klimaatopgave, bescherming van de volksgezondheid en de waterkwaliteit. Het nieuwe GRP heeft een geldigheidsduur van vijf jaar van 2021 tot met 2025. Wat nu is vastgelegd in het GRP wordt na inwerkingtreding van de Omgevingswet opgenomen in de Omgevingsvisie, het Omgevingsprogramma en het Omgevingsplan. De gemeente houdt vast aan de doelstellingen zoals deze in het huidige GRP reeds zijn opgenomen en zijn als volgt: 1. Zorgen voor inzameling van het binnen gemeentelijk gebied geproduceerd stedelijk afvalwater. 2. Zorgen voor het transport van het ingezamelde stedelijk afvalwater naar een geschikt lozingspunt. 3. Zorgen voor doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (voor zover niet verzorgd door particulieren) . 4.
Beperken van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming in het openbaar gemeentelijk gebied. 5. Doelmatig beheer en een goed gebruik van de riolering. 6. Zorgen voor het klimaat adaptief maken van de riolering en de openbare ruimte. Het plangebied ligt in het buitengebied. In gebieden waar een druk- of persriool aanwezig is (vooral buiten de bebouwde kom) bedoeld voor de inzameling van alleen stedelijk afvalwater, is het niet toegestaan om regenwater op de riolering aan te sluiten of aangesloten te hebben. De pompcapaciteiten en de afmetingen van de druk- en persleidingen zijn niet berekend op de afvoer van regenwater. In beginsel zorgt de perceeleigenaar zelf voor de verwerking van hemelwater (volgens de trits vasthouden - bergen - afvoeren). In de meeste gevallen zijn er voldoende mogelijkheden om het hemelwater in de bodem te brengen. Alleen wanneer geen andere oplossingen mogelijk zijn, biedt de gemeente de mogelijkheid om het hemelwater (indirect) via bermsloten af te voeren. Eén en ander wordt in de hemelwaterverordening vastgelegd. Voor die percelen die hier in de huidige situatie (nog) niet aan voldoen treedt de gemeente in overleg met de eigenaren en geldt een overgangsperiodeperiode van zes maanden na inwerkingtreding van de verordening.
In bovenstaande paragraaf ‘Watertoets’ is gebleken dat er geen sprake is van toename in verhard oppervlak en dat het hemelwater binnen het plangebied wordt opgevangen en in de bodem geïnfiltreerd. Onderstaande afbeelding geeft het risico van de diverse klimaataspecten in de gemeente Someren weer. Ter plaatse van het plangebied is geen kwetsbaarheid voor klimaataspecten vastgesteld. Dat betekent dat er geen maatregelen hoeven te worden genomen om het risico te beperken.
27 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
Afbeelding 12: Kaart Klimaatstresstest gemeente Someren
Provinciaal waterplan Limburg Provinciale Staten van Limburg hebben op 17 december 2021 het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 vastgesteld. Het Provinciaal Waterprogramma is een uitwerking van de Omgevingsvisie Limburg en bevat de doelstellingen die de provincie de komende planperiode samen met hun partners willen bereiken op het gebied van water. Centraal staat hierbij het realiseren van een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem dat kan omgaan met wateroverlast en droogte en dat voorziet in voldoende water van goede kwaliteit. Het plangebied is niet gelegen binnen één van de natte natuurparels. De doelstellingen en uitgangspunten hiervoor hebben geen gevolgen van dit plan. Waterschap Limburg Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 8 december 2021 vastgesteld door de Algemeen besturen van waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei. Met het waterbeheerprogramma geeft Waterschap Limburg richting aan de waterbeheer in de periode 2022-2027. Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koets voor de periode 2021-2025 is uitgezet. Een veranderende wereld vraagt om een nieuwe aanpak en om een innovatief en dynamisch waterschap dat meebeweegt met nieuwe ontwikkelingen en dat technieken en werkwijzen aanpast aan de omstandigheden.
Ten aanzien van het plan dienen de volgende vier doelstellingen in acht te worden genomen: ▪ Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas; ▪ Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden; ▪ Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zijn natuurlijk ingericht; ▪ Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken. Legger Waterschap Limburg Een legger is een door het waterschap vastgesteld register en geeft een overzicht van: ▪ Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken; ▪ Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent; ▪ Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk zijn voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing zijn. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken. In navolgende afbeelding is een uitsnede opgenomen uit de Leggerkaart van Waterschap Limburg. De dichtstbijzijnde watergang in de omgeving is gelegen op en binnen de zuidelijke perceelgrens van de gronden aan de Dooleggersbaan 21.
Deze sloot is een uitloper van de Kievitsbeek, die ongeveer 23 m ten zuiden van de perceelgrens ligt. Beheer en onderhoud ligt bij eigenaren, maar wanneer er aanpassingen gedaan worden moeten deze wel in overleg met het waterschap plaats vinden. Er is contact geweest met het Waterschap Limburg over
28 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
de sloot op de betreffende percelen. Omdat deze percelen te hoog liggen zijn er over percelen aan de Dooleggersbaan 21 geen veranderingen gepland.
Afbeelding 13 – Leggerkaart Waterschap Limburg
Op de zuidelijke gronden van de Dooleggersbaan 21 die in de provincie Limburg liggen zullen zandpaden of wel tracks worden aangelegd in combinatie met landschapselementen. Op deze gronden is geen bebouwing beoogd. Daarnaast worden ten behoeve van de drinkwatervoorziening amfibieënpoelen gerealiseerd die het regenwater opvangen. Langs de sloot worden natuurvriendelijke oevers beoogd. Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief.
4.2 Bodem De Wet bodembescherming (Wbb) stelt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen de kwaliteit, maar ook verdachte plekken van de bodem inclusief het grondwater in kaart dienen te worden gebracht in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De Wbb is op 1 januari 1987 in werking getreden en wordt door vertaald in diverse besluiten en regelingen en vervolgens op gemeentelijk niveau in de bestemmingsplannen. Uitgangspunt is dat de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige én toekomstige gebruik van die bodem. De bodemkwaliteit als gevolg van eventueel aanwezige bodemverontreiniging mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Om de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied inzichtelijk te maken is een bodemonderzoek uitgevoerd door M&A Bodem & Asbest BV, 25-08-2022, zie Bijlage 4. Er zijn een vooronderzoek volgens de NEN 5725 en een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 uitgevoerd.
Na uitvoering van het vooronderzoek (aanleiding A) kon de hypothese "onverdachte, niet lijnvormige locatie" worden gesteld voor het grootste deel van het bestemmingsvlak. Voor een drietal bovengrondse tanks diende de hypothese ‘verdachte locatie met plaatselijke bodembelasting (VEP)’ te worden gesteld en voor een voormalige ondergrondse tank kon de hypothese ‘verdachte locatie met één of meer ondergrondse tanks (VEP-OO)’ worden gesteld. Voor twee bovengrondse tanks, die op betonvloeren stonden opgesteld, is geen onderzoek uitgevoerd, vanwege de aanwezigheid van voldoende bodembeschermende voorzieningen. Met de onderzoeksstrategie voor “onverdachte, niet lijnvormige locatie” werden 16 boringen, verricht tot 0,5 mmv. Vier van de boringen zijn doorgezet tot 2 m-mv. Hiervan zijn monsters van de boven- en ondergrond genomen. Zintuiglijk werden in de grondmonsters geen bijmengingen met bodemvreemde materialen aangetroffen. Ook andere afwijkingen in samenstelling, geur en / of kleur zijn niet geconstateerd. Vervolgens zijn vier mengmonsters
29 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
samengesteld, te weten twee van de bovengrond en twee van de ondergrond. Eerder is reeds een peilbuis geplaatst, waaruit watermonsters werden genomen. De grondwaterspiegel werd op ca. 3,93 meter minus maaiveld aangetroffen. Na analyse van de grond- en grondwatermonsters bleek dat : ▪ de bovengrond gedeeltelijk verhoogd is t.o.v. de achtergrondwaarden (AW) voor cadmium en PAK; ▪ de bovengrond bij de voormalige bovengrondse hbo-tank is licht verhoogd met minerale olie; ▪ de ondergrond niet verhoogd is t.o.v. de AW van de onderzoeksparameters; ▪ de ondergrond bij de voormalige ondergrondse hbo-tank is niet verhoogd met minerale olie of BETXN; ▪ het grondwater licht verontreinigd is met kobalt, koper, lood, nikkel en zink, alsmede sterk verontreinigd met barium; ▪ het grondwater bij de tanklocaties niet verhoogd is met minerale olie en BETXN. De verontreinigingen met zware metalen in een gedeelte van de bovengrond en het grondwater zijn te relateren aan de regionale problematiek met betrekking tot zware metalen in de bodem. Alhoewel formeel gezien een nader onderzoek noodzakelijk is voor de verspreiding van barium in het grondwater, zal dit gezien de schaalgrootte van de regionale problematiek m.b.t. zware metalen in de bodem, geen nieuwe relevante informatie opleveren. Een nader onderzoek is daarom ons inziens niet noodzakelijk.
De verhoging met PAK in een gedeelte van de bovengrond kan te maken hebben met een enkel puindeeltje in de grond. De verhoging met minerale olie bij de voormalige bovengrondse hbo-tank is te relateren aan het voormalige gebruik van de tank. Gezien de gehalten is geen nader onderzoek noodzakelijk. De hergebruiksmogelijkheden voor de grond, die eventueel vrijkomt bij toekomstige bouwactiviteiten, kunnen, indicatief gezien, als multifunctioneel worden beschouwd. Hergebruik dient te geschieden conform het Besluit bodemkwaliteit en het beleid van de gemeente Someren. Geconcludeerd wordt dat er geen directe belemmeringen zijn tegen de wijziging van de bestemming en het gebruik op de locatie uit oogpunt van de chemische bodemgesteldheid.
4.3 Cultuurhistorie en Archeologie De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. De rijksoverheid wil dat er in de monumentenzorg ook aandacht is voor de omgeving waarin het monument staat. Hierbij is het belangrijk dat er niet alleen aandacht voor het monument zelf is, maar ook voor de omgeving. De uitvoering hiervan is vastgelegd in de Momo (modernisering monumentenzorg). Belangrijkste punt uit de Momo voor dit plan is dat er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en monumenten in de directe nabijheid van het plangebied.
4.3.1
Cultuurhistorie
Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant, Afbeelding 14, wordt geconcludeerd dat er binnen het plangebied en in de directe omgeving geen zwaarwegende cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. De bestaande bebouwing heeft geen cultuurhistorische waarden. Enkele landschapsvormen over een groter gebied zijn aangewezen als cultuurhistorisch kenmerk. Het plan laat de landschappelijke karakteristiek in groter verband ongemoeid, waarmee aantasting van cultuurhistorische waarden is uitgesloten.
30 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
Afbeelding 14 – Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant
4.3.2
Archeologie
Gemeenten hebben de wettelijke taak om verantwoord om te gaan met het archeologisch erfgoed (zorgplicht). De gemeente Someren heeft hiervoor een beleidsplan opgesteld, dat is overgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Someren – Deelgebied 1’. In hoofdlijnen komt het erop neer dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is in gebieden met een middelhoge en hoge verwachtingswaarde en in gebieden met archeologische resten. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Someren – Deelgebied 1’ is voor het plangebied geen dubbelbestemming opgenomen, gericht op het aspect ‘archeologie’. De gemeente Someren heeft een eigen gemeentelijk archeologiebeleid geformuleerd. Ter onderbouwing van het beleid is een onderzoek gedaan naar de archeologische waarden en -verwachtingen binnen de gemeente. Dit heeft geresulteerd in de Archeologiekaart van Someren. Op basis van deze kaart blijkt dat er geen (verwachtingen van) archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn, zie Afbeelding 15 met het rood omcirkelde plangebied. Er is dan ook sprake van een lage verwachtingswaarde. Voor de herbestemming en ontwikkeling van de locatie is dan ook geen archeologische onderzoek noodzakelijk.
31 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
Afbeelding 15: Archeologische beleidskaart van Someren
4.4 Parkeren en verkeer In deze paragraaf zijn de aspecten ‘parkeren’ en ‘verkeer’ nader bekeken. Hierbij is gekeken naar de parkeernorm en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Daarnaast is ook gekeken naar de verkeersaantrekkende werking die bij de beoogde ontwikkeling zal plaatsvinden. 4.4.1 Parkeren De parkeernorm wordt vastgesteld op basis van de parkeerbehoefte per functie en het eventueel gecombineerd gebruik van parkeerplaatsen door verschillende functies. De parkeernorm geeft het totaal aantal parkeerplaatsen aan dat voor een ruimtelijk initiatief, plan of project aangelegd moet worden. In het geval van de bouw van tien of meer woningen wordt de parkeereis uitgesplitst naar bewoners- en bezoekersparkeerplaatsen. De gemeente Someren hanteert geen specifiek beleid voor parkeren in het buitengebied. Wanneer geen specifiek beleid is opgesteld wordt gebruik gemaakt van de CROW richtlijnen zoals deze zijn gepubliceerd door de stichting CROW in de publicatie met nummer 381. De parkeernorm geeft het totaal aantal parkeerplaatsen aan dat voor een ruimtelijk initiatief, plan of project aangelegd moet worden. De parkeernorm wordt vastgesteld op basis van de parkeerbehoefte per functie in combinatie met de stedelijkheidsgraad van de omgeving. Voor de omgeving van het plangebied geldt de norm voor ‘Buitengebied’.
Het is beoogd op de locatie een pensionstal te ontwikkelen voor 50 paarden en 25 paarden in opfok, in combinatie met verblijfsrecreatie in vier daarvoor bestemde kunstobjecten. Op de locatie is tevens een bedrijfswoning aanwezig. Voor een manege geldt een parkeerbehoefte van 0,3 tot 0,5 parkeerplaatsen per bezette box. Het betreft in dit geval echter een pensionstal. Aangezien een pensionstal geen manege-activiteiten omvat, wordt niet bij deze norm aangesloten. Beoogde activiteiten omvatten het stallen en verzorgen van paarden van derden. In totaal zal er pensionstalling worden geboden aan circa 50 paarden. Gemiddeld heeft elke pensionklant twee volwassen paarden op locatie in pension staan. Pensionklanten bezoeken hun paard gemiddeld 3 keer in de week, in tegenstelling tot een manege waar paarden meerdere keren per dag door verschillende ruiters worden bereden. Voor 50 paarden zullen 25 bezoekers gemiddeld drie keer per week aanwezig zijn. Bezoekers komen verspreid over de week. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van een gemiddelde parkeerbehoefte van 10 parkeerplaatsen per etmaal. Bovendien houdt en traint initiatiefnemer ook eigen paarden, daardoor zal het aandeel bezoekers feitelijk nog lager zijn.
32 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
Ten behoeve van de verblijfsrecreatie worden maximaal vier verblijfsruimten gerealiseerd. De verblijfsruimten zijn geschikt voor maximaal 2 personen, die samen de locatie bezoeken. Dit komt uit op een parkeerbehoefte van 4 parkeerplaatsen. In het kenniscentrum worden twee cursussen, workshops of lessen per maand gegeven. Hierbij zijn telkens 10 tot 20 bezoekers aanwezig. Dit betreffen met name pensionklanten en bezoekers van de verblijfsrecreatie. Daarvoor zijn in de vorige alinea’s al parkeerplaatsen geteld. We rekenen hiervoor 3 parkeerplaatsen extra omdat het een piekmoment betreft. Aangenomen wordt dat telkens maximaal 5 ‘externe’ bezoekers zullen aansluiten, die op eigen gelegenheid naar de locatie komen. Dit betekent dat er in totaal 8 parkeerplaatsen nodig zijn. De winkel in het kenniscentrum is bedoeld voor de pensionklanten, cursisten en de bezoekers van de nachtverblijven . Het betreft aanverwante artikelen zoals natuurvoeding en supplementen voor paarden, alsook natuurlijke mineralen voor bodemverbetering. Verkoop aan ‘externe’ derden, die niet gelieerd zijn aan de locatie, is niet beoogd en gezien de locatie in het buitengebied niet te verwachten. Het kenniscentrum komt in het achterste deel van de langgevelboerderij ca. 36 m 2, dat tevens als kantine is ingericht (1) ca. 16 m2. Dat betekent dat er als winkelruimte maximaal 20 m2 grondoppervlakte gerekend wordt.
Voor de winkel wordt aangesloten bij de geldende parkeerkencijfers uit de CROW-publicatie. De meest passende winkel in het buitengebied is een groencentrum. Dit is een kleiner tuincentrum, waar in beperkte mate aanverwante artikelen verkocht worden met de norm van gemiddeld 2,9 parkeerplaatsen per 100 m 2 bvo. Dit betekent dat er in totaal (20:100) x 2,9 parkeerplaatsen nodig zijn. Dat is afgerond 1 parkeerplaats. Voor de bedrijfswoning wordt aangesloten bij de geldende parkeerkencijfers uit de CROW-publicatie. Voor een vrijstaande woning geldt de norm van een parkeerbehoefte van 2,4 parkeerplaatsen. In totaal komt dit neer op een parkeerbehoefte van 25,4 parkeerplaatsen voor het beoogde plan. De parkeerplaatsen worden op het eigen perceel aan de straatzijde voor de bedrijfsgebouwen gerealiseerd. De erfverharding is met circa 15 m breed genoeg om 20 parkeerplaatsen te realiseren. Daarnaast is er rondom de bedrijfsgebouwen nog plaats voor minimaal 6 parkeerplaatsen. Dit is met de witte vlakken op Afbeelding 5 weergegeven. De bedrijfswoning heeft een eigen oprit met voldoende ruimte voor het parkeren van twee privé vervoersmiddelen. Het initiatief voorziet dus in de parkeerbehoefte van minimaal 28 parkeerplaatsen.
Bovendien is er ten noordoosten van het aangegeven parkeerterrein nog een onverhard gedeelte voor de bedrijfsgebouwen om in uitzonderlijke gevallen te voorzien in de parkeerbehoefte.
4.4.2
Verkeer
Het plangebied is gelegen aan de Dooleggersbaan, een geasfalteerde plattelandsweg in het buitengebied. De ontsluitingsroutes van de Dooleggersbaan lopen in zuidelijke richting via de Booldersdijk, die aansluit op de N275 en in oostelijke richting via de Nederweertseweg en de Hugterweg, die via Maarheeze aansluit op de A2. Voormalige situatie Tot op heden werd op de locatie een melkveehouderij geëxploiteerd. In onderstaande tabel wordt de verkeersgeneratie ten aanzien van de voormalige melkveehouderij weergegeven. Tabel 1: Verkeersgeneratie historische situatie
Activiteit
Frequentie
Omschrijving
Type vervoer
Transportbewegingen (aantal per maand)
Aanvoer krachtvoer
2 x per maand
Zwaar verkeer
4
Aanvoer ruwvoer
5 x per jaar
Een vrachtwagen rijdt het erf op en af naar de voersilo’s en lost de lading. 5 keer per jaar wordt de kuilvoersilo aangevuld. Om de silo te vullen zijn er 10 transporten nodig. Dit resulteert in 100 transportbewegingen per jaar.
Zwaar verkeer
8,5
33 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
Afvoer melk
3 x per week
aan- en afvoer vee
1 x per maand
aan- en afvoer drijfmest
3 x per jaar
kadavers
3 x per jaar
Divers aanvoer
2 x per week
Diverse bezoekers
2 x per dag
De melktankwagen rijdt het erf op en af naar de melktank. Een keer per maand rijdt een vrachtwagen af en aan voor de aan en afvoer van vee. Een trekker met mesttank rijdt het erf op en af naar de pomp put en zuigt de mest in de tank. Dit zijn 6 transporten per keer. Dit resulteert in 60 transportbewegingen per jaar. Een vrachtwagen rijdt tot de kadaverplaats en laadt de lading. Een bestelwagen rijdt het erf af en aan voor de levering van diverse goederen. Bedrijf betrekt diverse bezoekers zoals dierenarts, adviseur e.d.
Zwaar verkeer
24
Zwaar verkeer
2
Zwaar verkeer
3
Zwaar verkeer
0,5
Licht verkeer
4
Licht verkeer
168
Voor verkeer van en naar de bedrijfsgebouwen komt dit uit op 214 verkeersbewegingen per maand (circa 7,2 per etmaal). Voor licht verkeer komt dit uit op 172 verkeersbewegingen per maand (circa 5,8 per etmaal). Voor zwaar verkeer komt dit uit op 42 verkeersbewegingen per maand (circa 1,4 per etmaal). Bedrijfswoning Voor de verkeersbewegingen van en naar de bedrijfswoning wordt aangesloten bij de geldende verkeersgeneratie uit de CROW-publicatie ‘van parkeerkencijfers naar parkeernorm’. Voor een vrijstaande woning geldt een verkeersgeneratie van 7,8 tot 8,6 per gemiddelde weekdag. Voor de berekening wordt uitgegaan van 8,2 verkeersbewegingen per gemiddelde weekdag. Dit resulteert in 246 verkeersbewegingen per maand. Totaal voormalige situatie In totaal komt dit uit op 460 verkeersbewegingen per maand (circa 15,3 per etmaal). Voor licht verkeer komt dit uit op 418 verkeersbewegingen per maand (circa 13,9 per etmaal). Voor zwaar verkeer komt dit uit op 42 verkeersbewegingen per maand (circa 1,4 per etmaal). Beoogde situatie In de beoogde situatie bestaat de verkeersgeneratie van de locatie uit bezoekers van de pensionstal, de nachtverblijven en het kenniscentrum. De kantine en de detailhandel zijn hieraan ondergeschikt en genereren derhalve geen extra verkeersbewegingen. Tevens blijft de bedrijfswoning verkeersbewegingen genereren.
Pensionstal Voor een manege (paardenhouderij) geldt een parkeerbehoefte van 4,0 verkeersbewegingen per bezette box per dag. Aangezien een pensionstal geen verkeersaantrekkende functie heeft en geen manege-activiteiten omvat, wordt niet bij deze norm aangesloten. Beoogde activiteiten omvatten het stallen en verzorgen van paarden van derden. In totaal zal er pensionstalling worden geboden aan circa 50 paarden. Elke pensionklant heeft twee volwassen paarden op locatie in pension staan. Pensionklanten bezoeken hun paard 3 keer in de week, in tegenstelling tot een manege waar paarden meerdere keren per dag door verschillende ruiters worden bereden. Derhalve kan worden uitgegaan van een verkeersgeneratie van 150 verkeersbewegingen per week en 600 verkeersbewegingen (licht verkeer) per maand. Ten behoeve van de pensionstal worden er tevens primaire en secundaire benodigdheden van en naar de locatie getransporteerd. In onderstaande tabel wordt de verkeersgeneratie voor de beoogde pensionstal weergegeven.
34 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
Tabel 2: verkeersgeneratie beoogde situatie
Activiteit
Frequentie
Omschrijving
Type vervoer
Transportbewegingen (aantal per maand)
Aanvoer ruwvoer/hooi
15,2 vrachten per jaar resulteert in 30,4 verkeersbewegi ngen per jaar
Zwaar verkeer
2,6
Aanvoer strooisel
14,6 vrachten per jaar: 29,2 verkeersbewegi ngen per jaar
Zwaar verkeer
2,5
Aanvoer krachtvoer
35 x per jaar
Zwaar verkeer
3
Afvoer mest
52 x per jaar
Zwaar verkeer
4
Hoefsmid
4 x per twee maanden
Licht verkeer
2
Diverse bezoekers
4 x per week
Als basisregel wordt door de hippische sector geadviseerd 1,5 kg hooi per 100 kilogram lichaamsgewicht te voeren. Een paard weegt gemiddeld 600 tot 700 kg. Dit wil zeggen dat een paard circa 10 kg hooi per dag nodig heeft. Op het bedrijf zijn 50 paarden aanwezig. Dit wil zeggen dat het bedrijf jaarlijks 182,5 ton hooi gebruikt. Op een vrachtwagen is ruimte voor 12 ton. Per paardenbox wordt circa 8 kg per dag strooisel gebruikt. Voor 50 paarden komt dat uit op 146 ton strooisel per jaar. Op een vrachtwagen is ruimte voor 10 ton. Gemiddeld genomen verbruikt een paard circa 1.000 kg krachtvoer per jaar. Krachtvoer wordt circa één keer in de drie weken per vrachtwagen aangevoerd. Paardenmest wordt één keer in de twee weken per vrachtwagen afgevoerd. Volwassen paarden worden iedere 6 á 7 weken bekapt of beslagen door de hoefsmid. Hiervoor zal de hoefsmid circa 2 dagen aanwezig zijn op de locatie. Gemiddeld komen er verder nog twee overige erf betreders per week naar de locatie (adviseur, dierenarts, overige bezoekers, etc.)
Licht verkeer
16
In totaal komt dit uit op 618 lichte verkeersbewegingen per maand (20,6 per dag). Voor zwaar verkeer komt dit uit op 12,1 verkeersbewegingen per maand (circa 0,4 per dag). Verblijfsrecreatie Voor wat betreft de verkeersgeneratie van de nachtverblijven wordt aangesloten bij de categorie ‘bungalowpark’ in de CROW. Hiervoor wordt een verkeersgeneratie van 2,7 verkeersbewegingen per verblijfseenheid per dag voorgeschreven. Dit resulteert in 10,8 verkeersbewegingen per etmaal en 324 verkeersbewegingen per maand. Kenniscentrum In het kenniscentrum worden twee cursussen, workshops of lessen per maand gegeven. Hierbij zijn telkens 10 tot 20 bezoekers aanwezig. Dit betreffen met name pensionklanten en bezoekers van de verblijfsrecreatie. Zij zullen geen verkeersbewegingen veroorzaken vanwege de cursus, gezien ze al op de locatie aanwezig zijn. Aangenomen wordt dat telkens maximaal 5 ‘externe’ bezoekers zullen aansluiten, die op eigen gelegenheid naar de locatie komen. Dit levert een extra verkeersgeneratie van 20 verkeersbewegingen per maand. Winkel De winkel in het kenniscentrum is bedoeld voor de pensionklanten, cursisten en de bezoekers van de nachtverblijven. Het betreft aanverwante artikelen zoals natuurvoeding en supplementen voor paarden, alsook natuurlijke mineralen voor bodemverbetering. Verkoop aan ‘externe’ derden, die niet gelieerd zijn aan de locatie,
35 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
is niet beoogd en gezien de locatie in het buitengebied niet te verwachten. Het kenniscentrum komt in het achterste deel van de langgevelboerderij ca. 36 m 2, dat tevens als kantine is ingericht (1) ca. 16 m2. Dat betekent dat er als winkelruimte maximaal 20 m2 grondoppervlakte gerekend wordt. Voor de verkeersbewegingen van en naar de winkel wordt aangesloten bij de geldende verkeersgeneratie uit de CROW-publicatie ‘van parkeerencijfers naar parkeernorm’. Voor een groencentrum in het buitengebied geldt een verkeersgeneratie van 12,8 tot 15,3 per 100 m2 bvo. Voor de berekening wordt uitgegaan van 14 verkeersbewegingen per gemiddelde weekdag. Dit resulteert in (20:100) x 14 = 2,8 verkeersbewegingen per weekdag. Dat zijn 84 verkeersbewegingen per maand. Bedrijfswoning Voor de verkeersbewegingen van en naar de bedrijfswoning wordt aangesloten bij de geldende verkeersgeneratie uit de CROW-publicatie ‘van parkeerencijfers naar parkeernorm’. Voor een vrijstaande woning geldt een verkeersgeneratie van 7,8 tot 8,6 per gemiddelde weekdag. Voor de berekening wordt uitgegaan van 8,2 verkeersbewegingen per gemiddelde weekdag. Dit resulteert in 246 verkeersbewegingen per maand.
Totaal beoogde situatie In totaal ontstaan er 12,1 zware verkeersbewegingen en 1.292 lichte verkeersbewegingen van en naar de locatie per maand, 0,4 zware verkeersbewegingen en 40,7 lichte verkeersbewegingen per etmaal. Vergelijking voormalige situatie en beoogde situatie Tabel 3: Verkeersbewegingen per etmaal
Verkeersbewegingen per etmaal Zwaar verkeer Licht verkeer Totaal
Voormalige situatie
Beoogde situatie
1,5 13,9 15,4
0,4 40,7 41,1
Afname in beoogde situatie 1,1
Toename in beoogde situatie 26,8 25.7
Er is in de beoogde situatie een toename van 25.7 verkeersbewegingen per etmaal. De toename is te zien bij het licht verkeer met 26,8 verkeersbewegingen per etmaal. Ten aanzien van het zwaar verkeer is zelfs een afname te zien van 1,1 verkeersbewegingen. Daarmee is er sprake van een beperkte toename. De Dooleggersbaan kan een beperkte toename van verkeersbewegingen van uitsluitend licht verkeer goed opvangen. De locatie beschikt over een brede inrit met daarachter voldoende manoeuvreer– en parkeerruimte, waardoor geen sprake zal zijn van obstructie op de openbare weg en de doorstroming niet in gevaar komt. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de verkeersafwikkeling afdoende is geregeld en er geen belemmeringen zijn voor het planvoornemen.
4.5 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. In de Wnb zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. Deze drie onderdelen worden hierna separaat beschreven.
4.5.1
Bescherming op gebiedsniveau
De bescherming op gebiedsniveau wordt beschreven aan de hand van wetgeving ten aanzien van Natura 2000gebieden, WAV-gebieden, het Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Natura 2000-gebieden In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld vanaf een bepaalde referentiedatum. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wnb wordt aangevraagd. In de omgeving van het plangebied zijn de volgende Natura-2000 gebieden gelegen:
36 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Weerter- en Budelerbergen & Ringselven, afstand circa 700 m; Groote Peel, afstand circa 5,4 km; Strabrechtse Heide & Beuven, afstand circa 7,7 km; Sarsven en De Banen, afstand circa 7,9 km; Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux, afstand circa 9,5 km Deurnese Peel & Mariapeel; Leudal; Swalmdal
In België liggen aaneengesloten de natuurgebieden ‘Hamonterheide Hageven, Buiteheide, Stramprooierbroek en Mariahof’ ‘Hageven met Dommelvallei, Beverbeekse Heide, Warmbeek en Wateringen’ en ‘Abeek met aangrenzende moerasgebieden. De kortste afstand tot dit aaneengesloten gebied is circa 12,2 km. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Wanneer er vanuit een locatie stikstof neer slaat op een Natura 2000-gebied (hierna te noemen: stikstofdepositie) kan dit een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Om de stikstofdepositie als gevolg van zowel de aanleg- als de gebruiksfase in kaart te brengen is een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 5. Bij de berekening is uitgegaan van de situatie zoals geborgd in de regels.
Het is namelijk in strijd met de bestemming om gronden en/of opstallen te gebruiken waarbij er een toename plaatsvindt ten opzichte van de referentiesituatie van de stikstofdepositie op de maatgevende gevoelige Natura 2000-gebieden, tenzij voor de benodigde ontwikkeling ten tijde van de referentiesituatie reeds een onherroepelijke vergunning op grond van de Wet natuurbescherming of de Natuurbeschermingswet 1998 is verleend. Voor de aanlegfase is rekening gehouden met 120 transportbewegingen van licht verkeer per jaar en 48 transportbewegingen van zwaar verkeer per jaar. Voor de gebruiksfase is uitgegaan van de beoogde 50 pensionpaarden (volwassen paarden) en 25 paarden in opfok, twee paardenstallen en in de berekening is de gebouwinvloed meegenomen. Uit het onderzoek blijkt dat er als gevolg van het plan geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Er is geen sprake van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Hiermee voldoet het plan op het aspect gebiedsbescherming. Wet ammoniak en veehouderij Naast de Wet natuurbescherming stelt de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) regels voor het houden van landbouwhuisdieren in of in een zone van 250 meter rondom WAV-gebieden (zeer kwetsbaar gebied).
Oprichting van een nieuwe veehouderijen is niet toegestaan en uitbreiding van het aantal landbouwhuisdieren binnen een inrichting is eveneens niet is toegestaan, wanneer bestaande dierverblijven binnen de 250 meter zone liggen. Op grond van artikel 7, eerste lid, onder c van de Wav, is uitbreiding van het aantal dierenverblijven voor paarden en schapen wel toegestaan. De beoogde ontwikkeling aan de Dooleggersbaan 21 voorziet niet in de oprichting van dierverblijven in de zone van 250 meter rondom zeer kwetsbaar gebied. Aangezien binnen de inrichting uitsluitend paarden worden gehouden, is de uitzondering van toepassing en gelden er vanuit de Wav geen beperkingen voor de gewenste ontwikkeling van de bestaande paardenhouderij. Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is in 1990 geïntroduceerd als antwoord op de achteruitgang van de natuur en biodiversiteit in Nederland. Het is een netwerk van natuurgebieden waarmee biodiversiteit behouden en versterkt wordt. Planten en dieren kunnen zich van het ene naar het andere gebied verspreiden. Soorten raken hierdoor niet geïsoleerd en hebben dus minder kans op uitsterven.
De NNN bestaat uit: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 nationale parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee. Het plangebied is, zoals in onderstaande afbeelding te zien, niet gelegen in of nabij Natuur Netwerk Brabant. Doordat de beoogde ontwikkelingen buiten deze zones zijn gelegen blijven de natuurlijke en ecologische waarden van deze gebieden gehandhaafd. Bovendien wordt het plangebied voorzien van een gebiedseigen landschappelijke inpassing en waterberging, waardoor deze waarden worden versterkt.
37 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
Afbeelding 16 – Uitsnede Natuur Netwerk Brabant
Het plangebied grenst aan gronden in de provincie Limburg. Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering. Die zonering bouwt voort op de ‘tijdloze’ karakteristiek van de ondergrond; de geomorfologie en het watersysteem en de typering en ontwikkeling van het ruimte- gebruik in deelgebieden binnen Limburg in de afgelopen decennia. De begrenzingen van de zoneringen en andere werkingsgebieden kan worden onderverdeeld in 3 categorieën: ▪ Groenblauwe mantel ▪ Natuurnetwerk Limburg (inclusief Natura 2000-gebied) ▪ Buitengebied De kaartbeelden van de zonering in de Omgevingsverordening Limburg 2021 kunnen ter ondersteuning van de Omgevingsvisie gebruikt worden. Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied binnen de aanduidingen ‘Buitengebied’ en ‘Groenblauwe mantel’. Navolgende afbeelding geeft een uitsnede van de Ontwerp Omgevingsverordening Limburg 2021 weer.
38 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
Afbeelding 17 - Uitsnede Omgevingsverordening Limburg (bron: https://www.ruimtelijkeplannen.nl) De plannen voor natuur inclusief landbouwbeheer van initiatiefnemer bestaan uit de volgende componenten: ▪ Duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen in de bedrijfsvoering; ▪ Zorggedragen voor de ecologische functies; ▪ Biodiversiteit in de totale breedte van de onderneming; ▪ Bescherming van de vastgestelde natuurgebieden; ▪ Zorgdragen voor een biodivers en authentiek agrarisch landschap; ▪ Het creëren van een goede bodemstructuur en een gezond bodemleven doordat er geen gebruik gemaakt wordt van kunstmatige bemesting van de grond; ▪ Doordat het erf op een natuurlijke manier wordt ingericht kan de bodem het grondwaterpeil goed op niveau houden en wordt het gebied beter bestand tegen droogte. Initiatiefnemer is voornemens om op de locatie een natuur inclusief paardenpension te realiseren die op een zo natuurlijk mogelijke manier een habitat vormt voor de aanwezige paarden. Het is een natuurinclusief initiatief waarbij wordt zorggedragen voor de ecologische functies en biodiversiteit in de totale breedte van de onderneming. Alle gronden van initiatiefnemer worden betrokken bij de volledige natuurinrichting. Voor de in Limburg gelegen gronden betekent dit dat ook hier sprake is van een volledige natuurinrichting volgens het landschappelijk inpassingsplan, zie ook Afbeelding 6.
In het gedeelte van de gronden die in Limburg liggen zal geen bebouwing komen. Er worden zandpaden of wel tracks aangelegd in combinatie met landschapselementen, als onderdeel van de leefomgeving van de pensionpaarden. Daartussen liggen flora en faunarijke graslanden die gereguleerd opengesteld worden voor de dieren. De zandpaden of wel tracks vormen een essentieel onderdeel ter stimulans en ontwikkeling van variatie en biodiversiteit in het cultuurlandschap van de eco-habitat als ook ter beweging van de gehuisveste dieren. Het is dus absoluut niet de bedoeling dat op de zandpaden /tracks wordt gereden. Daarnaast worden ten behoeve van de drinkwatervoorziening voor alle dieren hier amfibieënpoelen gerealiseerd. Onder andere met deze aanpak wordt wilde vegetatie in de kringloop van de locatie en in de bedrijfsvoering geïncludeerd. Door in de bedrijfsvoering te werken met effectieve micro-organismen (EM-bacteriën), kan op een natuurlijke manier de gezondheid van de dieren verbeterd worden, natuurontwikkeling (eco-systemen) bevorderd worden en een prettig leefklimaat voor de dieren onderhouden worden. Deze aanpak zorgt tevens voor een bio divers en authentiek agrarisch landschap. De plannen voor het bedrijf passen binnen het type ‘Buitengebied’ in een landbouwzone primair gericht op agrarische bedrijfsvoering.
Het is een innovatief bedrijf met vooruitstrevende ondernemers, die duurzaam produceren en midden in de samenleving staan. Met het initiatief wordt aandacht besteed aan bodem en water,
39 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
versterking van de biodiversiteit, de landschapsontwikkeling en aandacht voor dierwelzijn. Dit alles wordt verwezenlijkt in samenwerking en samenhang met de aanwezige natuurbeheerder(s) Staatsbosbeheer (SBB). De beoogde landschapsinrichting past binnen het biodivers en authentiek agrarisch landschap van Limburg. De plannen van initiatiefnemer passen dus binnen het beleid van de provincie Limburg.
4.5.2
Soortenbescherming
In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet mogen worden gedood, gevangen of verontrust en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming van beschermde flora- en fauna opgenomen. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes omschreven. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing en vrijstelling kan worden verleend. Er zijn drie beschermingsregimes, de soorten op basis van de Vogelrichtlijn, de soorten op basis van de Habitatrichtlijn en de andere soorten genoemd in de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). Het plangebied is een agrarische bedrijfslocatie waar al enkele jaren een melkveehouderij gevestigd is. Ten dienst van de bedrijfsvoering zijn enkele gebouwen en andere voorzieningen aanwezig. De omliggende gronden zijn in gebruik als weiland en bestaan zodoende uit grasland.
Aangezien het gebruik van de locatie afgelopen jaren bestaat uit het exploiteren van een melkveehouderij, is sprake van continu gebruik van het terrein. Dit geeft levendigheid op het terrein, waardoor alleen dier- en plantensoorten die zich in de buurt van de mens en menselijke activiteiten durven/ kunnen begeven het terrein als leef- en/ of foerageergebied zullen gebruiken. Aangezien in de toekomstige situatie geen significante wijziging plaatsvindt van de activiteiten binnen het bouwvlak kan er van uit worden gegaan dat het plan in dit deel van het plangebied geen negatieve invloed heeft op planten- en diersoorten. De ontwikkeling bestaat uit de omschakeling van melkveehouderij tot natuurinclusieve paardenhouderij met verblijfsrecreatie. Alle bebouwing wordt gesitueerd binnen het bouwvlak. De weilanden worden ten dienste van de paardenhouderij intensief bewerkt (bemesting en maaien) en begraasd. Als gevolg hiervan is er in het plangebied sprake van een zekere verstoring. Om de bestaande en beoogde bebouwing heen zullen zandpaden of wel tracks worden aangelegd (in combinatie met landschapselementen) als onderdeel van de leefomgeving van de pension-paarden, met daartussen flora en faunarijke graslanden (BIJ N12.02) die gereguleerd opengesteld worden voor de dieren.
De zandpaden of wel tracks vormen een essentieel onderdeel ter stimulans en ontwikkeling van variatie en biodiversiteit in het cultuurlandschap van de eco-habitat als ook ter beweging van de gehuisveste dieren. De amfibieënpoelen spelen hierbij een grote rol. De poelen dienen als drinkwatervoorziening voor alle dieren. Dieren zelf prefereren regenwater, dat in poelen zal worden opgevangen. Het regenwater in de poelen bevat micro-organismen, die zorgen voor balans in het spijsverteringskanaal en het lichaam van de dieren. Het nemen van water- en zandbaden reinigt, bestrijd ongedierte en onderhoud een gezonde vacht van de dieren. Door deze amfibieënpoelen te omringen met rietsoorten en andere waterkant beplanting zorgen wordt voor zowel de zuivering van het water, als ook voor huisvesting van waterdieren en vogels ( w.o de boerenzwaluw) gezorgd. Een poel trekt namelijk ook wilde vegetatie aan, zoals amfibieën, watervlooien en dergelijke. Deze waterdieren helpen samen met watervogels te zorgen voor een natuurlijke balans in het water en in de omgeving. Deze dieren voorkomen bijvoorbeeld dat er te veel muggen- en horzellarven uitkomen, waar andere dieren weer last van kunnen ondervinden bij een overschot. Onder andere met deze aanpak wordt wilde vegetatie in de kringloop van de locatie en in de bedrijfsvoering geïncludeerd.
Door in de bedrijfsvoering te werken met effectieve microorganismen (EM-bacteriën), kan op een natuurlijke manier de gezondheid van de dieren verbeterd worden, natuurontwikkeling (eco-systemen) bevorderd worden en een prettig stal-/leefklimaat voor de dieren onderhouden worden, zie Bijlage 3. Ten behoeve hiervan is een bodembalansanalyse uitgevoerd en een teelstspecifiek bemestingsadvies opgesteld. Op deze wijze wordt door middel van natuurlijke bemesting, met specifieke voedingsstoffen de bodemkwaliteit en gewasvitaliteit bevorderd, zie Bijlage 6. Gezien dit natuurinclusieve gebruik van de gronden in de directe omgeving blijft er dus voldoende leefruimte voor diersoorten beschikbaar wordt bovendien de leefruimte verbeterd.
40 Toelichting bestemmingsplan Dooleggersbaan 21 te Someren
Voor plantensoorten geldt dat de aanwezige planten in dit deel van het plangebied strak door de mens worden gereguleerd. Gezien de gronden tot op heden intensief zijn gebruikt ten behoeve van de melkveehouderij, is sprake van een zorgvuldig beheer van de gronden. De aanwezigheid van beschermde plantensoorten binnen het plangebied kan dan ook worden uitgesloten. Het beoogde natuurinclusieve gebruik van de gronden, met in het bijzonder de hierboven genoemde amfibiepoelen, bevordert de variatie van plantensoorten. Initiatiefnemer gaat uit van de revitalisering van een authentiek cultuurlandschap dat functioneel wordt ingezet om natuur te includeren (wilde flora en fauna), eveneens dient als veekering en gezond voedsel voor de dieren die erin leven. Het cultuurlandschap wordt ingezet om de tracks voor de dieren in te richten en daarmee ook wilde dieren aan te trekken in het totale systeem van de natuur-inclusieve-bedrijfsvoering. met de half-natuur aan kruidenrijke of wel flora & fauna rijke graslanden wordt aangesloten op natuurdoelstellingen om de biodiversiteit te versterken en ook om de aansluiting te zoeken en de verbinding te leggen met in de directe omgeving gelegen natuurgebieden. Het doel hiervan is om het authentieke landschap zichtbaar te maken, aan te sluiten op de bestaande kringloop van de locatie en de omgevingskwaliteit te verbeteren.
Door met tracks te werken, ontstaan zandpaden welke met de opstaande randen aan humus op zijn beurt weer huisvesting biedt aan belangrijke spelers in het bodemleven en de bestuiving, namelijk insecten en amfibieën, waaronder ook de wilde bijen. Zie: https://youtu.be/kdZ5KiAdbFE Daarmee denkt de initiatiefnemer verder dan in de aanleg van een gemaakt landschap. Er wordt bij deze ecohabitat gedacht in natuur-doeltypen en de natuurlijke kringloop van het primaire eco-systeem in de bedrijfsvoering. Doel is een integere aansluiting op dat wat er van nature bestaat en ontstaan is (Berendsen). Initiatiefnemer is geïnspireerd door en volgt het project Ervenplus van het Brabants Landschap’. Sinds 2016 brengt ErvenPlus verandering in de trend van nette, versteende erven. Er wordt met beplanting, nestkasten en zaadmengsels meer leven rondom het woonhuis gecreëerd, waar mens en dier een plekje hebben. In de periode 2016 – 2018 zijn op 650 erven speciale erfscans uitgevoerd door veldmedewerkers. Vervolgens werd een ErvenPlus-plan opgesteld, streekeigen plantgoed bezorgd en zijn soortgerichte maatregelen zoals kasten afgeleverd. Tenslotte zullen in het kader van de planontwikkeling geen (bedrijfs-)gebouwen worden gesloopt. Hiermee is uitgesloten dat nest- of rustplaatsen van gebouwbewonende soorten (zoals uilen en vleermuizen) worden verstoord of vernietigd.