CConstaterende datSomeren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting - Bijlage VIII Geuronderzoek Nieuwendijk

Gemeenteraad 16 mei 2024, gemeente SomerenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Nieuwendijk 133 Someren8.444 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Memo:

Berekening voorgrond geurbelasting op plangebied Nieuwendijk 133 te Someren.

Datum:

22 november 2023

Projectnummer:

2021.1556

Ter attentie van:

Gemeente Someren

Opgesteld door: In afschrift aan: Bijlage(n):

6

Inleiding De initiatiefnemer is voornemens de bedrijfswerkzaamheden aan Nieuwendijk 133 in Someren te staken en de bestaande bedrijfswoning te herbestemmen naar wonen. Daarnaast wordt binnen het plangebied een nieuwe woning gerealiseerd. Ten behoeve van de bestemmingsplanprocedure dient inzichtelijk te worden gemaakt of ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De Wet geurhinder en veehouderij vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De gemeente Someren heeft een eigen geurverordening te weten de Verordening geurhinder en veehouderij 2010 die sinds 14 oktober 2010 in werking is. Op basis van deze verordening is er in het buitengebied van Someren sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als er wordt voldaan aan een voorgrond geurbelasting van maximaal 14,0 ouE/m3. Onderzoek Om te bepalen of dat er aan de geurnorm wordt voldaan, is de voorgrond geurbelasting van de maatgevende veehouderijen berekend met rekenmodel V-Stacks vergunning 2020. Hiertoe zijn de onderstaande vergunningen opgevraagd bij de gemeente Someren: • de Omgevingsvergunning beperkte milieutoets van de locatie Groeneweg 23, Someren. Deze vergunning is verleend op 17 januari 2017 (kenmerk 2015-0296).

• de Melding Activiteitenbesluit van de locatie Nieuwendijk 138 Someren. Deze melding is ingediend op 17 september 2007 (kenmerk 2007-125). • De vergunning Wet milieubeheer van de locatie Nieuwendijk 149, Someren. Deze vergunning is verleend op 10 april 2006. Afschriften van deze vergunningen zijn als bijlagen bij deze memo opgenomen.

De rijksdriehoekscoördinaten van de toetspunten van het plangebied zijn bepaald aan de hand van onderstaande figuur.

Figuur 1 Coördinaten geurgevoelig object Nieuwendijk 133, Someren

Resultaten In deze paragraaf zijn de invoergegevens en resultaten van de berekening voorgrond geurbelasting met rekenmodel V-Stacks vergunning 2020 weergegeven van de maatgevende veehouderijen. Hierbij is de geuremissie opgenomen conform de geuremissiefactoren zoals vastgelegd in de Regeling geurhinder en veehouderij, in werking per 1 december 20221. In de tabellen 1 tot en met 3 zijn de invoerparameters van de maatgevende veehouderijen weergegeven.

1

wetten.nl - Regeling - Regeling geurhinder en veehouderij - BWBR0020711 (overheid.nl)

2

Dierenverblijf

Emissiepunt X-coörd.

Y-coörd.

Hoogte

Diameter

Uittreed-

(m)

(m)

snelheid

Geuremissie

Gemiddelde

(ouE/sec)

gebouwhoogte (m)

(m/sec) Vleesstierenstal 177052 Tabel 1: Nieuwendijk 138

372615

Dierenverblijf X-coörd.

5,6

0,5

4,00

1.068

4,3

Emissiepunt

Geuremissie

Gemiddelde

Hoogte

Diameter

Uittreed-

(ouE/sec)

gebouw-

(m)

(m)

snelheid

Y-coörd.

hoogte (m)

(m/sec) Stal A

177425

373084

5,5

1,6

3,93

8.665

4,4

Stal B

177438

373059

5,5

1,6

3,45

9.332

4,4

Nieuwe stal

177409

373047

5,5

1,5

1,40

3.850

3,3

Stal GDZ 177406 373083 Tabel 2: Groeneweg 23 Someren

3,0

0,5

4,00

449

3,0

Dierenverblijf

Emissiepunt

Geuremissie

Gemiddelde

Hoogte

Diameter

Uittreed-

(ouE/sec)

gebouw-

(m)

(m)

snelheid

372232

6,0

0,5

4,00

18.797

5,6

Kalverstal 2 176823 372251 Tabel 3: Nieuwendijk 149 Someren

6,0

0,5

4,00

21.787

5,6

X-coörd.

Y-coörd.

hoogte (m)

(m/sec) Kalverstal 1

176790

In onderstaande tabel zijn de toetspunten van het plangebied weergegeven. Tevens is per toetspunt de geurnorm vermeld waaraan getoetst moet worden. Tot slot is per toetspunt de geurbelasting van de maatgevende veehouderijen gegeven. Toetspunt

X-coörd.

Y-coörd. Norm

Hoekpunt 1 177295 372655 14,0 Hoekpunt 2 177373 372698 14,0 Hoekpunt 3 177399 372651 14,0 Hoekpunt 4 177316 372604 14,0 Tabel 4: Geurbelasting plangebied Nieuwendijk 133 Someren

Geurbelasting (ouE/m3) Nieuwendijk Groeneweg 138 23 0,2 1,3 0,1 1,5 0,1 1,2 0,2 1,1

Nieuwendijk 149 2,4 2,0 2,0 2,4

De volledige berekeningen van de voorgrond geurbelasting met V-Stacks vergunning 2020 zijn als bijlagen bij deze memo opgenomen. Conclusie De maximaal berekende geurbelasting bedraagt 2,4 ouE/m3 en voldoet hiermee ruimschoots aan de geurnorm van 14,0 ouE/m3. Hiermee kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft de voorgrond geurbelasting.

3

Bijlage 1: Omgevingsvergunning beperkte milieutoets Groeneweg 23 Someren verleend op 17 januari 2017

4

GEMEENTE

Someren OMGEVINGSVERGUNNING (Wabo artikel 2.1)

Dossiernummer: VR.OM/HZ WABO-2Q 15-0296 Datum

Burgemeester en wethouders van de gemeente Someren

gezien de aanvraag van

17 januari 2017

Strik Groeneweg B.V.

vertegenwoordigd door

)

adres, postcode en woonplaats

Groeneweg 23, 5712 RK Someren

ontvangen

19 november 2015

waarbij omgevingsvergunning wordt gevraagd voor het project veranderen van een inrichting

(OBM) fase 1 op de locatie Groeneweg 23 te Someren, met de volgende in de Wet algemene

bepalingen omgevingsrecht (Wabo) omschreven omgevingsaspect: 1.

milieu (omgevingsvergunning beperkte milieutoets/OBM)

gelet op artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

BESLUITEN:

gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Algemene wet bestuursrecht, en gezien de overwegingen in deze vergunning:

1. Strik Groeneweg B.V. de gevraagde omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) voor een agrarisch bedrijf met 2.432 gespeende biggen, 110 kraamzeugen, 382 guste en dragende zeugen,2 dekberen en 100 opfokzeugen, aan Groeneweg 23 in Someren, te verlenen;

2. dat de bij de aanvraag ingediende stukken deel uitmaken van de vergunning.

Burgemeester en wethouders van Someren,

namens dezen,

verg

Pagina 1 van 7

VROM/HZ_WABO-2015-0068

te Someren

Overwegingen algemeen: •

De aanvraag is beoordeeld aan artikel 2.1 van de Wabo.

•

Gelet op bovenstaande projectbeschrijving, alsmede op het bepaalde in hoofdstuk 3 van het

Besluit omgevingsrecht (Bor) en de daarbij horende bijlage zijn wij het bevoegd gezag om de integrale omgevingsvergunning te verlenen of (gedeeltelijk) te weigeren. Daarbij zijn wij er

procedureel en inhoudelijk voor verantwoordelijk dat in ons besluit alle aspecten aan de orde komen met betrekking tot de fysieke leefomgeving, zoals ruimte, milieu, natuur en aspecten

met betrekking tot bouwen, monumenten en brandveiligheid. Verder dienen wij ervoor zorg te dragen dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften op elkaar zijn afgestemd. •

De aanvraag is getoetst aan het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) en voldoet aan de van toepassing zijnde voorschriften.

•

Na het indienen van aanvullingen is er voldoende informatie beschikbaar voor een goede

beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving.

•

De volgende documenten worden meegezonden met het besluit en zijn als gewaarmerkt stuk

bijgevoegd: o

Bijlage 1: Aanvraagformulier omgevingsvergunning ingekomen 19 november 2015;

o

Bijlage 2: milieutekening 150229-001-002 blad 1, 2 en 3, ingekomen 27 mei 2016;

o

Bijlage 3: ontvangstbevestiging Natuurbeschermingswet ingekomen 19 november 2015;

o

Bijlage 4: machtiging ingekomen 19 november 2015;

o

Bijlage 5: bijlage bij OBM ingekomen 27 mei 2016;

o

Bijlage 6: Melding Activiteitenbesluit van 19 november 2015 ingekomen 19 november 2015;

o

Bijlage 7: ISL3a berekening ingediend bij aanvraag Wabo 2016-0174 op 12 september

2016 en ambtshalve toegevoegd aan deze beschikking. Overwegingen ten aanzien van het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting

(artikel 2.1, lid 1, sub e Wabo):

•

Het plan is getoetst aan artikel 2.14 van de Wabo en voldoet aan de van toepassing zijnde voorschriften;

•

Getoetst is aan de eis om de voor de inrichting in aanmerking komende Beste Beschikbare

Technieken (BBT) toe te passen (artikel 2.14 lid 6 van de Wet algemene bepalingen

omgevingsrecht in samenhang met artikel 5.4 van het Besluit omgevingsrecht). Hierbij is rekening gehouden met de in bijlage 1 van de Regeling omgevingsrecht aangewezen BBT-

documenten.

•

Voor het voorgenomen project is op 16 november 2015 een Nbw-vergunning aangevraagd. Deze aanvraag voor een Nbw-vergunning was al ingediend voordat de aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend. De Nbw haakt in dit geval niet aan bij de Wabo. Het

vragen van een verklaring van geen bedenkingen is niet van toepassing. •

Voor een aantal milieurelevante activiteiten waarvoor het Activiteltenbesluit milieubeheer

algemene regels stelt, is eerst toestemming van het bevoegd gezag nodig voordat ze kunnen

worden ondernomen. Deze "toestemming vooraf" wordt een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) genoemd. Het doel van de OBM is dat het bevoegd gezag na een beperkte

Pagina 2 van 7

VROM/HZ_WABO-2015-0068

te Someren

milieutoetsing vooraf instemt met het van start gaan van een specifieke activiteit op een

specifieke locatie. De OBM bestaat uit een instemming of een weigering.

•

De aanvraag heeft op basis van artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht betrekking op een

activiteit die van invloed kan zijn op de fysieke leefomgeving en waarvoor een OBM is vereist.

De inrichting is ingevolge het Activiteitenbesluit een type B inrichting; •

Het gaat om het uitbreiden en wijzigen van een installatie voor het houden van dieren waarbij

sprake is van een totale omvang binnen de inrichting van minimaal 51 en maximaal 750 zeugen en minimaal 500 en maximaal 3.750 gespeende biggen (artikel 2.2a, lid 1 onder g en h). Voor deze activiteit moet worden beoordeeld of de noodzaak voor het opstellen van een

milieueffectrapport aanwezig is. •

Daarnaast gaat het om het wijzigen van een dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren of het uitbreiden van het aantal landbouwhuisdieren in een of meer

diercategorieën waarbij sprake is van een totale omvang binnen de inrichting van minimaal 500 gespeende biggen (artikel 2.2a, lid 4 onder a). Voor deze activiteit moet worden

beoordeeld of een grenswaarde voor zwevende deeltjes (PMio) wordt overschreden.

PROCEDURE: Op deze aanvraag is de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Bij uitvoering van deze procedure voor deze omgevingsvergunning is toepassing gegeven aan § 3.2 van de Wabo. INHOUDELIJKE TOETS ONDERDEEL INRICHTING Aan het besluit liggen de volgende inhoudelijke overwegingen ten grondslag:

Omgevingsvergunning beperkte milieutoets

Op grond van artikel 5.13b van het Besluit omgevingsrecht (Bor) wordt: een omgevingsvergunning voor de categorieën activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a, eerste lid, onder c tot en met i, geweigerd indien het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer, heeft beslist dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt (Bor: artikel 5.13b, lid 1).

een omgevingsvergunning voor de categorieën activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a, vierde lid, onder a, wordt geweigerd, indien de activiteit leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10), bedoeld in bijlage 2, voorschrift 4.1, van de Wet milieubeheer, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd bij of krachtens artikel 5.16 van die wet (Bor:

artikel 5.13b, lid 6). Op grond van artikel 5.13a van het Besluit omgevingsrecht mogen aan de OBM geen voorschriften worden

verbonden. Toetsing OBM milieueffectrapportage (OBM mer)

Activiteit In de inrichting is sprake van het houden van:

-

2.432 gespeende biggen;

-

110 kraamzeugen;

-

382 guste en dragende zeugen;

-

2 dekberen; 100 opfokzeugen.

Pagina 3 van 7

VROM/HZ_WABO-2015-0068

te Someren

De activiteit waarvoor vergunning wordt aangevraagd heeft betrekking op de realisatie (oprichten, uitbreiden of wijzigen) van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren met 700 dierplaatsen voor gespeende biggen. De kenmerken van deze activiteit zijn opgenomen in de bijlagen bij de aanvraag. Toetsingskader

De gevraagde activiteit leidt niet tot een overschrijding van de drempelwaarden van de onderdelen C.14 (m.e.r.-plicht) en D.14 (m.e.r.-beoordelingsplicht) van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Ondanks dat moet toch worden beoordeeld of de activiteit mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft (vormvrije m.e.r.-beoordeling).

Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten van vorm, wel van inhoud. De activiteit moet worden getoetst aan de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEC-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze criteria hebben betrekking op: 1. de kenmerken van de activiteit;

2. de plaats waar de activiteit plaatsvindt; 3. de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben.

Beoordeling

Bij de beoordeling is rekening gehouden met de criteria uit bijlage III bij de EEC-richtlijn milieueffectbeoordeling. In onderhavige situatie is sprake van een toename van het aantal te houden dieren. De ammoniakemissie

vanuit de inrichting neemt als gevolg van de gevraagde verandering af. Wel is sprake van een toename in geur- en fijn stofemissie.

Aan de voorwaarden met betrekking tot het houden van dieren in dieren verblijven en de daaruit

vrijkomende ammoniak-, geur- en fijn stofemissie wordt voldaan. Berekeningen van de geurbelasting met het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunning' voor de

vergunde situatie en de vergunde situatie met toepassing van geurreducerende maatregelen zijn

eveneens bij de aanvraag gevoegd. Ook op basis van de vergunde situatie wordt voor het adres Groeneweg 14 niet aan de norm voor

geurbelasting voldaan. De veranderingen binnen de inrichting worden gecompenseerd door het nemen van geurbelastingreducerende maatregelen. Dit zijn de volgende maatregelen:

-

in de beoogde situatie worden 440 gespeende biggen, 112 guste en dragende zeugen en 100 opfokzeugen in stal 2 ook aangesloten op een chemisch luchtwassysteem met 70% ammoniakemissiereductie (BWL 2005.01.V5); de nieuwe te bouwen stal 4 (voor 700 gespeende biggen) te voorzien van een chemisch

luchtwassysteem 90/95 % ammoniakemissiereductie (BWL 2007.05.V5).

Door toepassing van deze geurbelastingreducerende maatregelen neemt de geurbelasting ten opzichte van de vergunde situatie af.

Pagina 4 van 7

VROM/HZ_WABO-2015-0068

te Someren

%

De met 'V-stacks vergunning' berekende geurbelasting voor de verschillende situaties zijn, in onderstaande tabel, naast elkaar gezet. Het geurbelastingplafond is per object berekend als het

gemiddelde van de in de verordening vastgelegde norm en de geurbelasting in de vergunde situatie .

Ook dit geurbelastingplafond is opgenomen in de onderstaande tabel. Uit een vergelijk van de werkelijke geurbelasting in de aangevraagde situatie en het geurbelastingplafond volgt dat voor het

adres aan de Groeneweg 14 de afwijking van de norm voor geurbelasting het aangevraagde niet te worden geweigerd. Tabe!: overzichtstabel geurbelasting in verschillende situaties

Geurgevoelige objecten waarvoor in de aangevraagde situatie niet aan de norm voor

geurbelasting wordt voldaan: Adres geurgevoelig Cat. object object

Groeneweg 14

Binnen

Geurbelasting (OUe/m3)

Werkelijk

Norm

vergund

verordening

2,3

1,0

Plafond

Werkelijk gevraagd

1,7

1,5

Legenda: Cat. object: categorie indeling van het betreffende object, binnen is binnen bebouwde kom en buiten is

buiten bebouwde kom. Werkelijk vergund: berekende geurbelasting met 'V-Stacks vergunning' voor de vergunde situatie. Norm veordening: geurnorm die geldt voor betreffende geurgevoelige object op basis van de

gemeentelijke geurverordening

Plafond: de toegestane geurbelasting voor de aangevraagde situatie (is met uitbreiding) welke is

bepaald door berekening van het gemiddelde van de in de verordening vastgelegde waarde en de geurbelasting die de inrichting voorafgaand aan het toepassen van de maatregel veroorzaakte.

Werkelijk gevraagd: berekende geurbelasting met 'V-Stacks vergunning' voor de aangevraagde situatie.

De wijziging/oprichting vindt plaats binnen het huidige bouwblok. Er zijn geen planologisch aspecten die de gevraagde uitbreiding in de weg staan. De aangevraagde activiteit past bij de functie die het

gebied vervult. Voor de gevraagde activiteit is tevens een aanvraag voor een Natuurbeschermingswetvergunning

ingediend bij het bevoegd gezag. Indien niet aan de Natuurbeschermingswet of deze Verordening kan worden voldaan, kan de wijziging geen doorgang vinden. Verder zijn ook gevolgen voor geluid, bodem, afvalstoffen en -water en energie aan de orde. Gelet op

de algemeen geldende regels die volgens het Activiteitenbesluit van toepassing zijn, treft de

initiatiefnemer voldoende maatregelen om gevaar, schade of hinder voor de omgeving te voorkomen dan wel te beperken tot het wettelijk toegestane niveau.

In de directe omgeving zijn, gelet op de uitbreiding binnen de inrichting en de daarmee samenhangende emissies, geen belangrijke nadelige gevolgen te verwachten. De activiteit heeft geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

Pagina 5 van 7

VROM/HZ_WABO-2015-0068

te Someren

Conc/usie

Voor de gevraagde activiteit hoeft geen milieueffectrapport te worden opgesteld. Een reden voor het

weigeren van de gevraagde omgevingsvergunning beperkte milieutoets is niet aanwezig.

Toetsing OEM grenswaarde zwevende deeltjes (PM10) (OBM fijnstof) Activiteit In de inrichting is sprake van het houden van: - 2.432 gespeende biggen;

-

110 kraamzeugen;

-

382 guste en dragende zeugen; 2 dekberen;

-

100 opfokzeugen.

Toetsingskader Het wettelijk kader voor de luchtkwaliteit is beschreven in de volgende documenten: Wet luchtkwaliteit (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, Wet milieubeheer); Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);

Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007; Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007; Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

Nationaai Samenwerkingsprogramma Luchtkwaiiteit (NSL). Toetsing

Bij de aanvraag is een rapport toegevoegd waarin de bijdrage aan de immissie PM10 inzichtelijk is

gemaakt. Op 23 juni 2016 is een aanvraag Wabo fase 2 voor de onderdelen bouw en afwijken ro ingediend. Bij deze aanvraag zijn fijnstofberekeningen toegevoegd ten behoeve van de Verordening Ruimte. Deze berekeningen ingekomen 12 september 2016 zijn ambtshalve toegevoegd aan onderhavige aanvraag

en vervangen de eerder ingediende fijnstofberekeningen uit bijlage 5. De immissie PM10 is bepaald met een berekening volgens het Nieuw Nationaal Model. De bijdrage is bepaald op basis van de bedrijfsmatige activiteiten en niet van de verkeersaantrekkende werking. Gezien de wijzigingen wordt niet verwacht dat het aantal verkeersbewegingen significant zal toenemen. De

bijdragen van het verkeer aan de luchtkwaliteit is daardoor ai opgenomen in de achtergrondbelasting.

De immissie van PM2,5 is niet berekend. Het RIVM heeft een onderzoek uitgevoerd waaruit is gebleken dat

wanneer aan de norm voor PM10 wordt voldaan, ook wordt voldaan aan de norm voor PM2,5 (“Matthijsen, J., Jimmink, B„ De Leeuw, F., Smeets, W. (2009) Attainability of PM2.5 air quality standards, situation for the Netherlands in a European context”, rapportnummer 5000099015). Hierdoor, en gezien de hoogte van de berekende concentraties PM10, is een aanvullende berekening niet nodig.

Conclusie Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer staat vergunningverlening niet in de weg. Een reden voor het

weigeren van de gevraagde omgevingsvergunning beperkte milieutoets is niet aanwezig.

Conclusie toetsing Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op een omgevingsvergunning beperkte milieutoets, zijn er

ten aanzien van de aangevraagde activiteiten geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren.

Pagina 6 van 7

VROM/HZ_WABO-2015-0068

te Someren

BEZWAAR Bent u het niet eens met dit besluit? Dan kunt u hiertegen, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is verzonden, een bezwaarschrift indienen onder vermelding van de reden waarom u het er niet mee eens bent. Het bezwaarschrift moet u, gedateerd, gemotiveerd en ondertekend, sturen naar het college van burgemeester en wethouders van Someren, Postbus 290, 5710 AG Someren. Het indienen van een bezwaarschrift schorst de werking van dit besluit niet. Wanneer er sprake is van een spoedeisend belang kunt u daarnaast een voorlopige voorziening vragen aan de voorzieningenrechter van de Rechtbank Oost-Brabant te 's-Hertogenbosch, Sector bestuursrecht, Postbus 90125, 5200 MA 's-Hertogenbosch. Aan deze procedure zijn kosten verbonden. U kunt uw verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ook digitaal indienen. Hoe u dit kunt doen, kunt u lezen op de website: httn://loket.rechtspraak.nl/Burgers.

)

Bezwaar tegen de vastgestelde leges kan binnen zes weken na dagtekening van de kennisgeving worden ingediend bij de Heffingsambtenaar van de gemeente Someren, Postbus 290, 5710 AG Someren. Het bezwaarschrift dient gedateerd, gemotiveerd en ondertekend te zijn. Het indienen van een bezwaarschrift ontheft u niet van de verplichting tot betaling. Burgemeester en wethouders kunnen deze vergunning bij een met redenen omkleed besluit intrekken in de gevallen, genoemd in artikel 2.33 van de Wabo.

)

Pagina 7 van 7

VROM/HZ_WABO-2015-0068

te Someren

Bijlage 2: Berekening voorgrond geurbelasting Groeneweg 23 Someren

5

Gegenereerd op: 11-10-2023

berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020

(c) DNV GL

Page 1

Naam van de berekening: 2021.1556 NIeuwendijk 133 Somere Gemaakt op: 2023-10-11 10:40:52 Rekentijd: 0:00:25 Naam van het bedrijf: 2021.1556 NIeuwendijk 133 Someren / Groeneweg 23 Berekende ruwheid: 0,167 m

Brongegevens: Volgnr. BronID

X-coord.

Y-coord.

EP Hoogte

EP Diam.

EP Uittr. snelh. E-Aanvraag

Geb. Hoogte

1

Stal A

177 425

373 084

5,5

1,6

3,93

8 665

4,4

2

Stal B

177 438

373 059

5,5

1,6

3,45

9 332

4,4

3

NIeuwe stal

177 409

373 047

5,5

1,5

1,40

3 850

3,3

4

Stal GDZ

177 406

373 083

3,0

0,5

4,00

449

3,0

Geur gevoelige locaties: Volgnr. BronID

X-coord.

Y-coord.

Geurnorm

Geurbelasting

5

Hoekpunt 1

177 295

372 655

14,0

1,3

6

Hoekpunt 2

177 373

372 698

14,0

1,5

7

Hoekpunt 3

177 399

372 651

14,0

1,2

8

Hoekpunt 4

177 316

372 604

14,0

1,1

Gegenereerd op: 11-10-2023

berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020

(c) DNV GL

Page 2

Bijlage 3: Melding Activiteitenbesluit milieubeheer Nieuwendijk 138 Someren ingediend op 17 september 2007

6

Langeberg BV t.a.v. Postbus 5041 5048 AD TILBURG

vrom/od

div.

Melding Besluit landbouw milieube­ heer, Nieuwendijk 138

Geachte Op 17 september 2007 ontvingen wij uw melding op grond van het Besluit landbouw milieubeheer voor de inrichting gelegen op het perceel Nieuwen­ dijk 138 te Someren. Uitgaande van deze melding delen wij u mede, dat uw inrichting valt onder de werkingssfeer van genoemd besluit. In verband met het bovenstaande treft u hierbij de voorschriften aan welke horen bij het Besluit landbouw milieubeheer en een exemplaar van de mel­ ding ten behoeve van uw administratie.

Wij wijzen er voorts op dat het akkoord gaan met deze melding niet inhoudt, dat hiermee is voldaan aan de bepalingen in dit betreffende besluit of die in andere wetten of verordeningen (zoals bestemmingsplan of bouwverordenin­ gen) zijn gesteld dan wel op grond hiervan kunnen worden voorgeschreven.

Mocht u over het bovenstaande nog vragen hebben, dan kunt u contact opne­ men met van de afdeling Volkshuisvesting, Ruimtelijke Orde­ ning en Milieu (elke werkdag bereikbaar tussen 8.30 uur en 12.30 uur). Hoogachtend,

Burgemeester en wethouders van Someren, en. namens ée

Ruimtelijke Ordening en Milieu,

u

300KT 2007

Bijlage 4: Berekening voorgrond geurbelasting Nieuwendijk 138 Someren

7

Gegenereerd op: 11-10-2023

berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020

(c) DNV GL

Page 1

Naam van de berekening: 2021.1556 NIeuwendijk 133 Somere Gemaakt op: 2023-10-11 10:56:42 Rekentijd: 0:00:23 Naam van het bedrijf: 2021.1556 Nieuwendijk 133 Someren / Nieuwendijk 138 Berekende ruwheid: 0,155 m

Brongegevens: Volgnr. BronID 1

Vleesstierenstal

X-coord. 177 052

Y-coord. 372 615

EP Hoogte 5,6

EP Diam. 0,5

Geur gevoelige locaties: Volgnr. BronID

X-coord.

Y-coord.

Geurnorm

Geurbelasting

2

Hoekpunt 1

177 295

372 655

14,0

0,2

3

Hoekpunt 2

177 373

372 698

14,0

0,1

4

Hoekpunt 3

177 399

372 651

14,0

0,1

5

Hoekpunt 4

177 316

372 604

14,0

0,2

EP Uittr. snelh. E-Aanvraag 4,00

1 068

Geb. Hoogte 4,3

Bijlage 5: Vergunning Wet milieubeheer Nieuwendijk 149 Someren verleend op 10 april 2006

8

5

ë5k 2X GEMEENTE

Someren

Besluit ingevolge mandaat van burgemeester en wethouders van Someren op de aan­ vraag van De Langenberg BV, Nieuwendijk 149 te Someren betreffende de inrichting aan de Nieuwendijk 149 te Someren. Datum

1Ö

AANVRAAG Op 10 oktober 2005 is een aanvraag om een vergunning ingekomen van De Langenberg BV, Nieuwendijk 149 te Someren. Vergunning is aangevraagd voor een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergun­ ning (artikel 8.4 Wet milieubeheer) in verband met een verandering van een vleeskalverenhouderij waarvoor al eerder vergunning werd verleend.

De navolgende bescheiden maken deel uit van de aanvraag: • aanvraagformulier d.d. 10 oktober 2005, ingekomen d.d. 10 oktober 2005 en aangevuld en gewijzigd d.d. 28 december 2005 en d.d. 7 februari 2006; • tekening van de inrichting MIL.0.01 ingekomen d.d. 10 oktober 2005, laatstelijk gewijzigd d.d. 30 november 2005 en ingekomen d.d. 28 december 2005; • aanvullende gegevens over de ventilatoren ingekomen d.d. 30 januari 2006.

Deze bescheiden voldoen aan het gestelde in hoofdstuk 5 van het Inrichtingen- en ver­ gunningenbesluit milieubeheer en leveren derhalve voldoende informatie op voor een goede beoordeling van de aanvraag. De bescheiden maken deel uit van deze beschik­ king. Inrichting en situering

De inrichting valt onder categorie 8.1 lid a van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. De inrichting is gelegen aan de Nieuwendijk 149, 5712 EL, Someren, kadastraal bekend als gemeente Someren, sectie G, nummers 4309 en 4213. De omge­ ving van de inrichting kan worden omschreven als agrarisch buitengebied. Vigerende vergunningen Voor de inrichting is op 18 februari 2000 een nieuwe de gehele inrichting omvattende vergunning ingevolge artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend voor een vleeskalverenhouderij. Op 18 april 2003 is een besluit genomen tot het ambtshalve wijzigen van de voorschriften. Daarnaast is op 30 november 2004 een melding ingevolge artikel 8.19 van de Wet milieubeheer geaccepteerd.

!»

-2-

In tabel 1 is een overzicht gegeven van het totaal aantal vergunde dieren. Tabel 1 Onderstaande tabel bevat een overzicht van het totaal aantal rechtsgeldig te houden die­ ren. De afkorting mve staat voor mestvarkenseenheden. Hiermee wordt de stankbelasting van een veehouderij getalsmatig uitgedrukt. De scheikundige formule NH3 staat voor ammoniak. De ammoniakuitstoot vanuit de stallen en de geurbelasting vormen milieuaspecten, waarop bij aanvragen om een vergunning voor een veehouderij in het . . 7. ii 11___ ■ «1______ mn..— c» c0, bijzonder wordt getoetst. Hierna, onder het kopje "‘beoordeling van de aanvraag ”, gaan wij nader in op de toetsing.

Vigerende vergunning NH3 aantal dieren mve 2600 1733,3 1040 Witvleeskalveren A.4.2 1733,3 2600 Totaal * mve op basis van de Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsDiersoort, bijlage l Rav

Omrekenfactor NH3 * Mve* 2,5 0,6

gebieden. NH3 op basis van de Regeling ammoniak en veehouderij (Staatscourant 13 april 2004, nr. 70 (Rav)

De aan gevraagde vergunning

De aanvraag houdt verband met een verandering van de inrichting. Ten opzichte van de vigerende vergunning(en) worden de volgende veranderingen aangevraagd: Stal M wordt uitgebreid; - Er worden 100 witvleeskalveren meer gehouden; De voerkeuken wordt op een andere locatie binnen de inrichting gebouwd; Hobbymatig worden 3 paarden gehouden In tabel 2 is een overzicht gegeven van het totaal aantal aangevraagde dieren. Tabel 2 In onderstaande tabel zijn de mestvarkenseenheden (mve) en de ammoniakemissie (NH3) van de aangevraagde veebezetting weergegeven.

Diersoort, bijlage 1 Rav Witvleeskalveren A.4.2 Paarden K.1____ Totaal

Omrekenfactor Mve* NH3 * 2,5 0,6 5,0

Vigerende vergunning aantal dieren mve 1900 1140 3

1900

NH3 2850 15 2865

* mve op basis van de Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevings-

gebieden. NH3 op basis van de Regeling ammoniak en veehouderij (Staatscourant 13 april 2004, nr. 70 (Rav)

PROCEDURE

Algemeen

De onderstaande procedure is uitgevoerd overeenkomstig hoofdstuk 13 van de Wet mi­ lieubeheer en Afdeling 3.4 Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure (UOV) van de

-3-

Algemene wet bestuursrecht.

Coördinatie Binnen de inrichting vinden bouwkundige aanpassingen plaats, waarvoor een bouwver­ gunning noodzakelijk is. Een aanvraag om bouwvergunning is reeds ingediend. De coordinatiebepalingen krachtens de Woningwet en de Wet milieubeheer worden in acht genomen. Er is geen sprake van een inrichting van waaruit stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in het oppervlaktewater worden gebracht. Een vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is derhalve niet no­ dig. De coördinatieregeling volgens de artikelen 8.28 t/m 8.34 en hoofdstuk 14 van de Wet milieubeheer is niet van toepassing.

INHOUDELIJKE BEOORDELING VAN DE AANVRAAG Algemeen

De vergunning kan, ingevolge artikel 8.10, eerste lid van de Wet milieubeheer, slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Artikel 8.11, twee­ de lid, Wet milieubeheer bepaalt dat een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen kan worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel moeten aan een vergunning de voorschriften worden verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu.

Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevol­ gen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, moeten aan de vergunning de voorschriften worden verbonden die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden ge­ vergd. Uit dit samenspel van bepalingen kan worden afgeleid dat de vergunning moet worden geweigerd, indien niet door het stellen van beperkingen en voorschriften de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, in voldoende mate kunnen worden beschermd. Onderhavige aanvraag ingevolge de Wet milieubeheer is, met inachtneming van de arti­ kelen 8.8 en 8.9 van deze wet, naast overige milieuaspecten specifiek getoetst aan: 1. voor zover het de stankbelasting betreft: a. de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (Staatsblad 2002, nummers 319 en 320), in werking getreden per 1 mei 2003 (Staatsblad 2003, nummer 46); b. de Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (Staatscourant 2003, nummer 81, zoals gewijzigd op 28 au­ gustus 2003, Staatscourant nummer 165).

-4-

2. voor zover het de ammoniakbelasting betreft: a. de Wet milieubeheer; b. de Wet ammoniak en veehouderij d.d. 8 mei 2002; c. Regeling ammoniak en veehouderij (Staatscourant 13 april 2004, nr. 70, Rav); d. Richtlijn 96/61/EG inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (IPPC-richtlijn); e. Richtlijn 79/409/EEG inzake het behoud van de vogelstand (Vogelrichtlijn); f. Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Habitatrichtlijngebied); g. Natuurbeschermingswet (stb. 656, Nb-wet).

STANKBELASTING Op 1 mei 2003 is de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevings gebieden (stankwet) in werking getreden. Als gevolg hiervan is gelijktijdig de Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (stankregeling) van toepassing geworden. De stankregeling zoals gepubliceerd in de Staatscourant van 28 april 2003, nummer 3 betreft een uitvoeringsregeling van de stankwet. In artikel 2 van de stankwet staat genoemd dat de stankwet en de stankrege­ ling van toepassing zijn op de landbouwontwikkelingsgebieden, verwevingsgebieden en de extensiveringsgebieden met primaat natuur. Deze gebieden worden vastgesteld in een reconstructieplan. In Noord-Brabant zijn de reconstructieplannen op 22 april 2005 vastgesteld en op 28 juli 2005 gepubliceerd. Omdat de in de stankwet bedoelde gebie­ den nu zijn vastgesteld en gepubliceerd kan de stankregeling formeel worden toegepast. In de stankregeling zijn de omrekeningsfactoren en minimumafstanden van de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 herzien en geactualiseerd. Daartoe is onder meer een meetprogramma aan stalsystemen uitgevoerd. De metingen zijn conform een meetprotocol uitgevoerd onder gestandaardiseerde omstandigheden. De resultaten zijn door het IMAG in rapporten vastgelegd.

Een statistische analyse van de meetresultaten heeft geleid tot een herziening van de omrekeningsfactoren. Voor het bepalen van de afstand tot een gevoelig object werd tot op heden de omreke­ ningsfactoren uit de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 toegepast. In de stankre­ geling zijn nieuwe omrekeningsfactoren opgenomen die zijn gebaseerd op langdurig wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd door een erkend onafhankelijk onderzoeksinsti­ tuut. Deze omrekeningsfactoren zijn de meest recente wetenschappelijk onderbouwde inzichten waarmee volgens de beginselen van de Wet milieubeheer rekening moet wor­ den gehouden. In onderhavige vergunning is daarom de stankemissie berekend met de omrekeningsfac­ toren zoals genoemd in Bijlage 1 van de Regeling stankemissie veehouderijen in land­ bouwontwikkelings- en verwevingsgebieden. Voorzover het gaat om de beschrijving van de omgevingscategorieën wordt uitgegaan van de stankwet.

In tabel 3 is een overzicht gegeven van zowel de werkelijke afstand als de minimale afstand (gewenste afstand) die ingevolge de stankwet moet worden aangehouden tussen de buitenzijde van een stankgevoelig object uit de omgevingscategorieën I t/m V en het dichtst bij deze objecten gelegen emissiepunt van de onderhavige inrichting. Voor de aan te houden afstanden met betrekking tot stank hebben wij aansluiting gezocht bij de bijlage “Berekeningsmethode voor de minimaal vereiste afstand tot een voor stank ge-

-5-

voelig object bij de aangegeven hoeveelheid mestvarkeneenheden" in de stankwet. Tabel 3____ _____ _____ Afstanden per omgevingscategorie I

II

III

IV

V

Gewenste afstand 1900 mve

349

281

179

119

50

Werkelijke afstand 1900 mve

>500

100 >500

>500 50 >500

120 ’

Gewenste afstand paarden

>500 100 >500

50 ~

240 50

>200

>2ÖÖ

Werkelijke afstand paarden

Vergelijking van deze afstanden toont aan dat voldaan wordt aan de gewenste afstandnormen, derhalve staat de stankbelasting vergunningverlening niet in de weg.

AMMONIAKBELASTING Ammoniak Onderhavige aanvraag is getoetst aan de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) en de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav).

Beoordeling ammoniakemissie dierenverblijven De ammoniakemissie uit de dierenverblijven is getoetst aan de Wet ammoniak en vee­ houderij. Ammoniakemissie uit andere bronnen dan dierenverblijven (incl. uitloop) van veehouderijen, zoals mest be- of verwerken en de opslag van mest buiten de dierenver­ blijven, worden niet beoordeeld met de Wet ammoniak en veehouderij. Ingevolge de Wav wordt bescherming geboden aan kwetsbare gebieden. Deze wet maakt een onderscheid in een veehouderij waarvan de dierenverblijven geheel of ge­ deeltelijk zijn gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied en een veehouderij waarvan geen van de dierenverblijven geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied. Artikel 2 van de Wav bepaalt, voor zover hier relevant, dat als kwetsbaar gebied worden aangemerkt gebieden die deel uit maken van de ecologische hoofdstructuur en onmid­ dellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij als voor verzuring gevoelig ingevolge deze wet waren aangemerkt.

Gebleken is dat Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant niet bij besluit hebben vastgesteld welke gebieden in de provincie Noord-Brabant deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur, zoals gesteld in artikel 2, lid 2 van de Wav (zie uitspraak nr. 200402014/2 Raad van State van 21 december 2004). Gelet op het bovenstaande en het gestelde in artikel 2, lid 3 van de Wav worden in de provincie Noord-Brabant als kwetsbaar gebied aangemerkt alle gebieden, zoals bedoeld in artikel 2, lid 1 onder a en b van de Wav.

-6-

Voor de gemeente Someren kan worden afgeleid dat de dierenverblijven van onderha­ vige aanvraag zijn gelegen buiten een zone van 250 meter van een kwetsbaar gebied. Voor dergelijke bedrijven gelden geen beperkingen betreffende het ammoniakplafond. Gelet op de ligging van de veehouderij ten opzichte van het dichtst bij gelegen kwetsba­ re gebied wordt voldaan aan het gestelde in de Wet ammoniak en veehouderij.

Alara Gezien de hoge achtergronddepositie is getoetst aan het Alara-beginsel van artikel 8.11 lid 3 Wet milieubeheer. Ten aanzien van de ammoniakemissie uit huisvestingssystemen voor dieren zijn voorschriften gesteld die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen nadelige gevolgen voor het milieu die redelijkerwijs gesteld kunnen worden. Hierbij is rekening gehouden met de volgende aspecten: beschikbaarheid, toepas­ baarheid en de structurele kostenverhoging van de emissie-arme stalsystemen in relatie tot de milieuwinst. Op grond van voornoemde criteria is de stand der techniek bepaald. Deze Alara-toets is afgeleid van het ontwerp Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (Stcrt. 23 mei 2001, nr. 99). De uit voormeld besluit maximale emissiewaarden, waaraan bij nieuwbouw of renovatie van dierenverblijven moet worden voldaan, zijn opgenomen in bijlage 2 van de Regeling ammoniak en veehouderij zoals bedoeld in artikel 5 van deze regeling. Voor de andere diercategorieën blijken geen emissie-arme staltechnieken beschikbaar te zijn die redelijkerwijs kunnen worden gevergd. Scharrelbedrijven en biologische bedrijven worden uitgezonderd van boven­ gestelde eisen. Aanvragen voor nieuwe stallen, of bestaande stallen waarvan het huisvestingssysteem vervangen wordt, moeten meteen voldoen aan de alara-emissienorm.

In deze aanvraag vindt een uitbreiding plaats voor de huisvesting van witvleeskalveren. De minister van VROM heeft aangegeven voor welke diercategorieën er voldoende emissiearme stalsystemen beschikbaar zijn om voor de betreffende bedrijfstak een alara-norm te kunnen vaststellen. Hierbij is aangegeven wat voor deze diercategorieën de (voorlopige) alara-norm is. Deze zijn opgenomen, zoals hierboven reeds is aangegeven, in bijlage 2 van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). In deze bijlage 2 van de Rav zijn voor de diercategorie witvleeskalveren geen maximale emissiewaarden per dierplaats per j aar op genomen. Voor deze dieren wordt dus geen alara-norm aangewe­ zen. Vandaar dat gelet op het bovenstaande de onderhavige aanvraag voldoet aan het alara-beginsel Toetsing IPPC-richtlijn Binnen de Wav wordt expliciet verwezen naar de IPPC-richtlijn (art. 4, onder 2 Wav). Daarnaast is op 1 december 2005 de Wet milieubeheer aangepast in verband met een betere aansluiting op de IPPC-richtlijn. Deze wetswijzigingen gelden in het algemeen voor alle vergunningsplichtige bedrijven. Voor vergunningverlening aan IPPCbedrijven zijn in Wet milieubeheer een aantal bijzondere verplichtingen opgenomen. In de IPPC-richtlijn is bepaald dat emissies naar bodem, water en lucht moeten worden voorkomen en - wanneer dat niet mogelijk is - zoveel mogelijk worden beperkt.

Alle passende maatregelen tegen verontreinigingen moeten worden getroffen door toepas­ sing van de best beschikbare technieken (BAT). Daarbij mag de nieuwe situatie geen "belangrijke toename aan ammoniakverontreiniging" veroorzaken. Indien geen van de dierverblijven, behorende tot de inrichting, in een hierboven bedoeld gebied of zone is gelegen, wordt een vergunning voor het veranderen van veehouderij alsnog geweigerd

-7 -

indien: - de veehouderij onder de reikwijdte van de IPPC-richtlijn valt, én de toename van de ammoniakemissie uit de dierverblijven, als gevolg van de uit­ breiding, een belangrijke toename van de verontreiniging veroorzaakt.

De IPPC-richtlijn bepaalt verder dat: - alle passende maatregelen tegen verontreinigingen (emissies) worden getroffen, met name door toepassing van de best beschikbare technieken (BAT), én - geen belangrijke verontreiniging wordt veroorzaakt.

De verplichting om BAT toe te passen t.a.v. de ammoniakemissie uit dierverblijven zal worden gerealiseerd door het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (AMvB Huisvesting). Omdat deze AMvB op dit moment nog niet in werking is getreden (wel gepubliceerd) zijn in de Rav, voor bepaalde diercategorieën, tijdelijke maximale emissiewaarden opgenomen. De IPPC-richtlijn kan, voor zover het veehouderijen betreft, alleen van toepassing zijn op de intensieve pluimvee- en varkenshouderij. Voor pluim­ veehouderijen geldt de grens van 40.000 plaatsen voor pluimvee. Voor varkenshoude­ rijen gelden de grenzen van meer dan 2000 plaatsen voor vleesvarkens of meer dan 750 plaatsen voor zeugen. De IPPC-richtlijn is niet van toepassing op de aanvraag en toetsing kan derhalve ach­ terwege blijven Vogel- en Habitatrichtlijn De Vogelrichtlijn beoogt de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vo­ gelsoorten op het Europees grondgebied van de lidstaten (art.1, lid 1 VR). De Habita­ trichtlijn heeft tot doel bij te dragen aan het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europees grondgebied van de lidstaten (art.2, lid 1. HR). Beide richtlijnen kennen een tweeledig beschermingsregime, gebiedsbescherming en soortenbescherming.

Op grond daarvan moeten de nodige instandhoudingsmaatregelen worden getroffen en dient er­ voor gezorgd te worden dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de aangewezen richtlijngebieden niet verslechterd en dat geen verstoring van die soorten plaatsvindt, voorzover die verstoring een significant effect kan hebben. Bij plannen of projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een vogel- of habitatrichtlijngebied moet een zogenoemde ‘passende beoordeling’ plaatsvinden. Toe­ stemming voor een dergelijk plan of project mag pas worden verleend als zeker is dat daardoor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet worden aangetast.

De inrichting aan de Nieuwendijk 149 te Someren is gelegen binnen de 3 km zone van het Habitatrichtlijngebied Weerterbos. De ammoniakemissie van het bedrijf op basis van de vigerende vergunning bedraagt 2600 kg NH3 per jaar (zie tabel 1). De afstand van het emissiepunt van het bedrijf tot het vogel-/habitatrichtlijngebied (kwetsbaar ge­ bied), is op basis van de bestaande situatie ongeveer 2100 meter. Gelet op de afstand en de omrekenfactor genoemd in bijlage 5 van de Uitvoeringsregeling ammoniak en vee­ houderij (Uav), 0,002 voor bosgebied, is de ammoniakdepositie op dit kwetsbaar gebied 5,2 mol potentieel zuur per hectare per jaar.

-8-

Het veebestand waarvoor thans vergunning wordt gevraagd, veroorzaakt een ammoniakemissie van 2865 kg NH3 per jaar (zie tabel 2). De afstand tot het genoemde gebied wijzigt door de aangevraagde veranderingen niet. Voor de aangevraagde situatie is de omrekenfactor van 0,002 eveneens van toepassing. De ammoniakdepositie op dit gebied bedraagt in de aangevraagde situatie 5,7 mol potentieel zuur per hectare per jaar. Omdat de depositie kleiner is dan de in verschillende wetgeving genoemde kritische grenswaarde van 15 mol potentieel zuur per hectare per jaar, is er in onderhavig geval naar onze mening geen sprake van een significante bijdrage ten aanzien van ammoniak op het Vogel-/Habitatgebied. Aangezien de inrichting op een afstand van ongeveer 2100 meter van het vogel-/habitatgebied is gelegen zijn wij tevens van mening dat voor het overige de inrichting eveneens geen significante bijdrage heeft op het vogel-

/habitatgebied. Natuurbeschermingswet (NB-wet) In Staatsblad nr. 403, 1998 is de Natuurbeschermingswet 1998, hierna te noemen NBwet 1998, gepubliceerd. Voor schadelijke handelingen in en rondom een beschermd Natuurmonument geldt een vergunningsplicht (art. 16, lid 1 respectievelijk art. 16, lid 4/6). De Natuurbeschermingswet neemt met haar specifieke doelstelling en afwegings­ kader een eigenstandige positie in ten opzichte van de W et milieubeheer en de Interimwet. Indien op grond van de Natuurbeschermingswet voor een handeling geen vergun­ ning kan worden verleend, omdat daardoor de wezenlijke kenmerken en natuurwaarden van het betrokken gebied worden aangetast, de handeling, ondanks het beschikken over een vergunning op grond van de Wet milieubeheer, niet op de beoogde locatie zal mo­ gen worden verricht. De inrichting is gelegen op een afstand die groter is dan 3 kilometer ten opzichte van een aangewezen Natuurmonument. Omdat op bijlage 5 uit de Uitvoeringsregeling am­ moniak en veehouderij geen omrekeningsfactoren zijn opgenomen, is op basis van ju­ risprudentie de Interimwet ammoniak en veehouderij niet van toepassing op gebieden die op een grotere afstand zijn gelegen dan 3 kilometer. OVERIGE MILIEUASPECTEN

1. Energie Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is rekening gehouden met aspect zuinig omgaan met energie. Deze inrichting behoort niet tot een brancheorganisatie waarmee een Meerjarenafspraak energie-efficiency is afgesloten. Het jaarlijks energieverbruik van de inrichting is toe te schrijven aan de bedrijfsvoering (met name de melkbereiding). Vandaar dat in deze vergunning geen voorschriften wor­ den opgenomen ten aanzien van een energieonderzoek. Wel is er een registratieverplich­ ting opgenomen.

2. Milieu-effectrapportage De activiteit waarvoor vergunning wordt aangevraagd is gelijk aan of leidt niet tot een overschrijding van de drempelwaarden van onderdeel C en D van de bijlage van het Besluit milieu-effectrapportage 1994. Dit betekent dat geen milieu-effectrapportage behoeft te worden opgesteld.

-9-

3. Geluid Er wordt getoetst aan de normen van de “Handreiking Industrielawaai en vergunning­ verlening 1998”. De inrichting is niet gelegen op een industrieterrein waar een zonering geldt ingevolge de Wet geluidhinder. Voor de te stellen grenswaarden wordt aangeslo­ ten bij de in hoofdstuk 4 van de Handreiking genoemde categorieën. De omgeving kan worden getypeerd als landelijk met weinig verkeer. Hiervoor geldt een richtwaarde van 40 dB(A) etmaalwaarde. Uitgegaan wordt van een piekniveau van 70 dB(A) etmaalwaarde. De meet- en rekenmethode is gebaseerd op de Handleiding meten en rekenen industrie­ lawaai 1999. De belangrijkste geluidsbronnen zijn ventilatoren en aan- en afvoerbewegingen van voertuigen. De bedrijfsvoering vindt plaats voor wat betreft de ventilatoren het gehele etmaal en voor de transportbewegingen enkele keren per week.

De toetsing toont aan dat de inrichting kan voldoen aan de grenswaarde van 40 dB(A) etmaalwaarde op woningen van derden. Deze grenswaarden zullen als voorschrift wor­ den opgenomen. Het maximale piekgeluidsniveau veroorzaakt door de inrichting mag niet meer bedragen dan 70 dB(A) etmaalwaarde. Afwijkend van de toetsing van het maximaal toelaatbare geluidsniveau wordt het piek­ geluidsniveau uitgezonderd in de dagperiode (07.00-19.00 uur). Uit uitspraken van de Raad van State blijkt dat met name transportbewegingen niet onaanvaardbaar hinderlijk zijn gedurende de dagperiode.

4. Bodem In de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) is een lijst opgenomen met acti­ viteiten die als bodembedreigend worden beschouwd. Op grond van lijst 2 en tabel 3.2 van de NRB is de opslag van dierlijke en kunstmatige meststoffen in een put/bassin een bodembedreigende activiteit. Ook de opslag van bewerkte en onbewerkte vloeibare en pasteuze agrarische producten (bijv, kuilvoer) wordt in de NRB gezien als een bodem­ bedreigende activiteit. Op grond van de NRB zou daarom in de vergunning een ver­ plichting tot een nulsituatie-onderzoek moeten worden opgenomen. Voor een (intensief) veehouderijbedrijf met reguliere activiteiten heeft de Afdeling be­ stuursrechtspraak van de Raad van State op 21 januari 1997 in een uitspraak (E03.95.0821) aangegeven dat, indien toereikende gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem zijn voorgeschreven in een vergunning, zij ervan uitgaat dat er bij naleving van die voorschriften de kwaliteit van de bodem en het grondwater niet in relevante mate nadelig zal worden beïnvloed. Een nulsituatieonderzoek acht zij in dat geval niet noodzakelijk. Dit standpunt heeft zij herhaald in haar uitspraak van 15 januari 1998 (E03.096.0162).

De aangevraagde activiteiten kunnen worden gezien als regulier voor de agrarische be­ drijfstak. In de vergunning zijn toereikende gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem voorgeschreven. In afwijking van de NRB achten wij het, voor deze inrichting, niet noodzakelijk om een nulsituatie-onderzoek te verlangen. 5. Grondwaterbeschermingsgebied

De inrichting aan de Nieuwendijk 149 te Someren is gelegen in de boringsvrijezone van het grondwaterbeschermingsgebied Boksenberg. Dit is een gebied dat is aangewezen

-10-

met als doel het grondwater te beschermen. Ter bescherming van het grondwater is het gebied rondom Boksenberg tot een boringsvrije zone gemaakt. In de Provinciale mili­ euvergunning Noord-Brabant (PMV) zijn er voor deze zone instructieregels opgenomen ten aanzien van het oppompen van grondwater. Deze instructieregels zijn opgenomen in het voorschriftenpakket behorende bij onderhavige beschikking. 6. Bedrijfsafval water Het afvalwater als gevolg van het reinigen van de stallen dient te worden opgevangen en te worden opgeslagen in een mestkelder/put. Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden ten aanzien van bedrijfsafvalwater.

Kadaverplaats/spuitplaats Sedert 1 december 1998 wordt, op grond van de Regeling voorschriften ter voorkoming en verspreiding van dierziekten (Strc. 1998, 117), door het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij gesteld dat veetransporten voor varkens en voorzieningen voor het aanbieden van kadavers, direct na het laden of lossen van varkens respectievelijk het ophalen van kadavers, dienen te worden gereinigd en ontsmet. Het hierbij vrijkomende afvalwater mag niet worden geloosd in de bodem en/of op het oppervlaktewater en/of op de riolering. Het afvalwater is verontreinigd met ontsmettingsmiddel en/of mestres­ ten. Om die reden zijn uit milieuhygiënisch oogpunt eisen gesteld aan de inrichting voor wat betreft de kadaver- en spuitplaats. In de vergunning zijn hieromtrent voorschriften gesteld in hoofdstuk B.4. Kadaverplaats en Spuitplaats.

7. Mestbassins Binnen de inrichting is een mestbassin aanwezig met een inhoud van 1650 m3 en een mestbassin met een inhoud van 2400 m3. Aangezien de gezamenlijke inhoud van de in de inrichting aanwezige mestbassins meer bedraagt dan 2500 m3, vallen de bassins niet

onder de werkingsfeer van het Besluit mestbassins milieubeheer. In het voorschriften­ pakket behorende bij deze vergunning zijn voorschriften opgenomen ten aanzien van het mestbassin.

8. Dieselolie in bovengrondse tanks De dieselolie wordt opgeslagen in een daarvoor bestemde bovengrondse tank. Deze opslag moet voldoen aan de gestelde vergunningsvoorschriften welke zijn afgeleid van de PGS 30.

CONCLUSIE De nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken, worden voor­ komen of tenminste in voldoende mate beperkt door naleving van het gestelde in de aanvraag en de aan deze vergunning verbonden voorschriften.

-11 -

BEKENDMAKING ONTWERP-BESCHIKKING

De kennisgeving over de ontwerp-beschikking en bijbehorende stukken is gepubliceerd in het ter plaatse verschijnend regionaal weekblad ’t Contact. Vervolgens heeft de ont­ werp-beschikking gedurende zes weken ter inzage gelegen in het gemeentehuis Someren, afdeling Milieuzaken. Naar aanleiding van de ter inzage legging van de ontwerp­ beschikking zijn geen schriftelijke en/of mondelinge zienswijzen ingébracht. Daarnaast is van de geboden mogelijkheid om advies uit te brengen naar aanleiding van de toege­ zonden ontwerp-beschikking geen gebruik gemaakt. WETGEVING

De wettelijke toetsingkaders waaraan de aanvraag in de ontwerp-beschikking is getoetst zijn niet veranderd. De inhoudelijke beoordeling wijzigt niet ten opzichte van de ont­ werp-beschikking. CONCLUSIE

Gelet op bovenstaande toetsingen en overwegingen zijn wij van mening, dat er geen aanleiding is om af te wijken van onze ontwerp-beschikking. Wij blijven van mening dat de nadelige gevolgen die de onderhavige inrichting voor het milieu veroorzaakt, onder het stellen van voorschriften, kunnen worden voorkomen, althans in voldoende mate worden beperkt. Gelet op de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer, in onderlinge samenhang bezien, verzet het belang van de bescherming van het milieu zich niet tegen het verlenen van de gevraagde vergunning.

BESLUIT Gelet op de Algemene wet bestuursrecht en de Wet milieubeheer besluiten wij: 1.

Aan De Langenberg BV, Nieuwendijk 149 te Someren, een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning ingevolge artikel 8.4 lid 1 van de Wet milieu­ beheer te verlenen voor een vleeskalverenhouderij op het perceel aan de Nieuwen­ dijk 149 te Someren;

2.

De bijgaande, als zodanig gewaarmerkte delen van de aanvraag te verbinden aan deze beschikking;

3.

De bijgaande voorschriften te verbinden aan deze beschikking.

VERVALLEN VERGUNNING Wij wijzen erop dat de eerder verleende vergunning (van 18 februari 2000) ingevolge de Wet milieubeheer, inclusief het besluit tot het ambtshalve wijzigen van de voor­ schriften (18 april 2003), na het onherroepelijk worden van dit besluit komt te vervallen.

-12-

OVERIGE REGELS EN WETTEN

Het verlenen van deze vergunning houdt niet in dat hiermee is voldaan aan de bepalin­ gen die in andere wetten, verordeningen enz. (zoals bijvoorbeeld Woningwet, Bouw­ verordening, bestemmingsplan of besluiten ingevolge de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren) zijn gesteld dan wel op grond hiervan worden voorgeschreven.

BEROEP Voor de mogelijkheid van het indienen van beroep en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, wijzen wij op de desbetreffende tekst in de bij gevoegde kennisgeving.

Burgemeester efï Wethouders van de gemeente Someren namens dézen

_

Milieuzaken,

/

Bijlage 6: Berekening voorgrond geurbelasting Nieuwendijk 149 Someren

9

Gegenereerd op: 22-11-2023

berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020

(c) DNV GL

Page 1

Naam van de berekening: 2021.1556 Nieuwendijk 133 Somere Gemaakt op: 2023-11-22 10:27:53 Rekentijd: 0:00:28 Naam van het bedrijf: 2021.1556 Nieuwendijk 133 Someren / Nieuwendijk 149 Berekende ruwheid: 0,193 m

Brongegevens: Volgnr. BronID

X-coord.

Y-coord.

EP Hoogte

EP Diam.

EP Uittr. snelh. E-Aanvraag

Geb. Hoogte

1

Kalverstal 1

176 790

372 232

6,0

0,5

4,00

18 797

5,6

2

Kalverstal 2

176 823

372 251

6,0

0,5

4,00

21 787

5,6

Geur gevoelige locaties: Volgnr. BronID

X-coord.

Y-coord.

Geurnorm

Geurbelasting

3

Hoekpunt 1

177 295

372 655

14,0

2,4

4

Hoekpunt 2

177 373

372 698

14,0

2,0

5

Hoekpunt 3

177 399

372 651

14,0

2,0

6

Hoekpunt 4

177 316

372 604

14,0

2,4

Gegenereerd op: 22-11-2023

berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020

(c) DNV GL

Page 2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13999456/1